Teloorgang

 

 

Lege kerkbanken door negatieve publiciteit.

Godsdienaren in het vagevuur.

Eens stonden ze op een voetstuk.

Onschendbaar.

Onteerde jonge mensen.

Pijn, verdriet en eenzaamheid.

Schone schijn.

Licht op de waarheid.

De beerput stonk.

Kerken op de schop door onderzoekscommissie.

De daders liggen op het kerkhof met ons geloof.

Advertenties

Geborgenheid

Ik ben een huizenmens, dat wil zeggen: ‘Ik houd van huizen.’ Ik heb iets met architectuur al zijn sommige projecten nog zo extreem gebouwd. Een huis hoeft voor mij niet duur te zijn. Het gaat mij meer om de bouwstijl en de sfeer in huis. Als ik in een willekeurige woning binnenkom moet ik er een goed gevoel bij hebben en dat ligt niet altijd aan de inrichting. Ik ben nogal sfeergevoelig.

In al die jaren ben ik verschillende keren verhuisd. Niet omdat de woning mij niet beviel, integendeel. Ik ben nog al veranderlijk van aard en wil vroeg of laat weer in een andere omgeving wonen. Jaren heb ik dat gevoel gekend, vooral op het moment dat ik voor het eerst op mijzelf ging wonen. Volgens mijn vader leek ik op zijn moeder.

‘Als het behang nog vochtig was aan de muren, kreeg mijn moeder weer aandrang om te gaan verhuizen met haar gezin, aldus mijn vader. Dat was nooit zo prettig voor ons als kinderen. Als je net was gesetteld vertrokken wij weer. Die onrust die zij had heb ik ook, al is het nu jaren later niet meer zo frequent als vroeger. Met één verschil. Ik was in die tijd nog niet getrouwd en had geen kind. Ik kon letterlijk gaan en staan waar ik wilde.

In de huizen waar ik ooit woonde had ik het naar mijn zin op één woning na. Het was niet mijn eigen woning. Ik woonde tijdelijk bij een oudere dame. Aan de buitenzijde was het een leuk pand om te zien maar bij binnenkomst voelde ik vrijwel direct een beklemmend gevoel. Vooral ’s nachts was dit het geval. Mijn hond was steevast beneden aan het janken, terwijl hij overal de ruimte had in het huis. Als ik het dier wilde troosten en ik naar beneden ging, overkwam mij regelmatig een onbehagelijk gevoel. Ik kon niets vinden waardoor mijn hond Chip zo angstig was. De oudere dame van het huis had blijkbaar nergens last van. Omdat ik er maar tijdelijk inwoonde, heb ik haar over deze kwestie niets verteld. Ondanks ik niet bang van nature was, bleef het gevoel terugkeren. Ik moest weg van die plek voelde ik en dat gebeurde ook. Maar eerst had ik nog een onverwachte ontmoeting met een ouder echtpaar dat een paar huizen verderop in de straat woonden sinds de Tweede Wereldoorlog. Op een gegeven moment vertelde ik hun dat ik terug ging naar het Westen waar ik vandaan kwam. Het huis heeft iets onbehagelijks. Overdag valt het wel mee, maar in de nacht is mijn hond Chip steeds maar aan het janken. Mevrouw heeft last van al dat geblaf. Ik kan het mij wel voorstellen.

De man van de vrouw hoorde mij aan en gaf als antwoord: ‘Het huis waar u inwoont heeft een behoorlijke geschiedenis. Er hebben verscheidene mensen gewoond.

‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het huis bezet geweest door de Duitsers. Er heeft zich daar veel afgespeeld, heb ik van horen zeggen. Het waren geen prettige zaken. Na de oorlog kwam er een jong stel wonen, waarvan de man haar bedreigd had met een pistool. Wie er ook hebben gewoond er was altijd wat aan de hand. Vechtpartijen en andere zaken.’

‘Nu begrijp ik waarom mijn hond en ik hier niet fijn wonen, antwoordde ik. Ik ben nu een tijdje inwonend geweest maar heb besloten om weer terug te gaan naar de omgeving waar ik geboren ben, vertelde ik weer. Vrij snel kreeg ik een woning in mijn vertrouwde omgeving, waar wij ons prettig voelden. Chip jankte gelukkig niet meer.

Een huis moet mens en dier bescherming geven, vind ik. Door de jaren heen zie ik met lede ogen aan dat sommige mensen geen woning hebben en op straat leven. Gewild of ongewild. Ook kinderen zijn er de dupe van. Ieder mens heeft recht op de geborgenheid van een woning. Blijkbaar is dat niet iets vanzelfsprekend, al hoort het bij onze manier van leven. Daarom heb ik er nog steeds moeite mee dat de ene mens van alles heeft en de ander niets. Daar bedoel ik een woning mee.

Verbod op exotische dieren

sierschildpadRosse stekelstaartNog even, dan komen een tiental exotische dieren en planten op een Europese zwarte lijst te staan. Volgens staatsecretaris Dijksma van Economische Zaken wordt een Europese zwarte lijst hoog tijd. ‘Wij bestrijden al jaren exoten die schade veroorzaken’, aldus Dijkstra.

Volgens een publicatie in een groot dagblad mag per 1 januari 2015 géén schadelijke flora en fauna meer worden ingevoerd, gehouden of gefokt.

Heeft u toevallig een sier- of roodwangschildpad gekocht om in uw vijver te laten zwemmen, realiseer u dan ook, dat deze kleine exoten na verloop van tijd een behoorlijke omvang krijgen. Onnatuurlijk en zelfs strafbaar is het om zo’n schattig baby schildpadje door te spoelen door de toilet, dat helaas vaker voorkomt dan men denkt. Het inwoneraantal wordt in uw stad of dorp opeens verdubbeld.

Ook is er de rossige stekelstaart, een eenden soort met een prachtige rode veren jas die moet verdwijnen, samen met een aantal typen eekhoorns, te weten: ‘de grijze, zwarte en vos eekhoorn.’ Deze eekhoorns vormen een ernstige bedreiging voor hun inheemse soortgenoot de rode eekhoorn, die in ons land reeds jaren is gesetteld.

Volgens insiders is de grootste boosdoener de ‘Pallas eekhoorn. Eind jaren ’90 ontsnapten er waarschijnlijk een paar uit een dierenwinkel. Als ik dit lees gaan bij mij de alarmbellen rinkelen. Misschien gaven de eekhoorns zoveel overlast, dat de dierenwinkelier én passant de deurtjes van de kooien heeft opengezet. Wie zal het zeggen!

Deze ontsnapte exemplaren knagen nu continue aan PVC buizen en elektriciteitskabels van woningen. Lastig, als je net je favoriete TV programma zit te kijken en de uitzending plotseling uitvalt. Alhoewel, soapprogramma’s mogen van mij verdwijnen en mag zo’n Pallas eekhoorn de kabel wel doorknagen. Deze soft programma’s staan veraf van de realiteit van het leven.

Ook exotische planten, zoals de grote waternavelplant, de kleine waterteunisbloem en de hydrilla, waarvan ik de laatste niet kan thuisbrengen, worden aan banden gelegd. Dat moet gebeuren omdat ze allen woekeren alsof het een lieve lust is. Met de Rotterdamse haven en Schiphol komt ons land relatief vaak in contact met al deze voornoemde dieren exoten. Ze worden ingevoerd, ontsnappen of worden expres losgelaten. Toch mogen particulieren deze dieren blijven houden totdat ze een natuurlijke dood sterven. Ook komt er een overgangstermijn voor dierenwinkels. Dieren die ze op voorraad hebben, mogen ze nog enkele maanden houden, aldus Dijksma.

In de loop der jaren hebben heel wat exoten zich hier goed weten te vestigen, zoals de bekende ‘muskusrat’ die een eeuw geleden vanuit Noord Amerika in Europa terechtkwam. Dat geschiedde door dat een Tsjechische landheer een schattig muskusrat stelletje had uitgezet, met als gevolg dat hun nazaten inmiddels vrijwel overal de Nederlandse dijken ondermijnen.

Maar zeg toch zelf: ‘u wilt toch ook niet wakker worden door een steek van een tijger mug of door een Amerikaanse brulkikker onder uw slaapkamerraam?’

 

Zelfinzicht

Jaren geleden kwam ik tijdens het volgen van een creatieve cursus een zekere Trudy tegen. Ik zat nog niet op mijn stoel of ze begon met mij te praten. Omdat ik zelf ook spontaan ben had ik daar in eerste instantie geen moeite mee. Allebei waren wij creatief en er ontstond in het begin een leuk contact. Het leuke ging al snel veranderen en ze ontpopte zich als een energievreter. Luisteren naar een ander kon ze blijkbaar niet. Ze ratelde maar aan een stuk door over al haar problemen, want die had ze.

Cursisten bij wie ze zich aanklampte begonnen haar te vermijden. Ik probeerde haar alsnog te helpen met haar problemen en gaf wat oplossingen. Ik was in het begin een luisterend oor. Gaf haar ook tips en hoorde haar negatieve verhalen maar aan. Na verloop van tijd stond ze regelmatig zonder afspraak voor mijn deur. Voor mijn gevoel kon ik haar daar niet laten staan. Althans zo is mijn aard. Zelf moest ik in die tijd blijkbaar leren om eens ‘nee, ik heb nu geen tijd’ te kunnen zeggen tegen haar.

Er was bijna een jaar voorbij gegaan en hoorde ik haar maar aan. Steeds kwamen dezelfde kwesties weer aan de orde. Ondanks mijn mening en mijn tips begon ik te merken dat ze daar simpelweg niets mee deed. Ze vrat zoveel energie van mij, dat als ik na mijn drukke werkzaamheden op kantoor thuis kwam, ik haar prevelementen weer moest aanhoren. Doodmoe van dit alles ging ik naar bed en kon niet slapen. Elke keer gaf ik haar weer een kans. Er veranderde simpel weg niets. Ze had een vreemd gedrag. Nu, vijfentwintig jaar later, begrijp ik dat ze eigenlijk contact op moest nemen met een psycholoog. Wel wist ik dat ze toen steevast bij haar huisarts liep die haar had verzocht om naar een psychiater of psycholoog te gaan. Dat had ze mij ooit verteld. Ze deed er niets meer mee. ‘Ik ben toch niet gek!’ zei ze.

Veel te lang liet ik mij dit alles maar welgevallen, tot het moment dat ik ziek werd. Ik was elk dag doodmoe, at slecht en had regelmatig hoofdpijn. Op een dag vielen eindelijk de schellen van mijn ogen en had ik uiteindelijk door dat ik haar niet meer kon helpen, omdat ze dit simpelweg niet wilde. Ze wilde alleen worden aangehoord. Zelf voelde ze zich opgelucht als ze bij mij weg ging en ik lag daarna als een zombie op de bank. Op een gegeven moment werd ik boos op mijzelf. Hoe had ik dit alles zolang door kunnen laten gaan. Werd het niet eens tijd om ‘nee’ te kunnen zeggen. Vaak stond ik klaar voor mensen. Maar Trudy was een geval apart.

De dag nadat ik haar had verteld dat ik niets meer voor haar kon betekenen, stond ze weer voor mijn deur. Blijkbaar was ze hardleers of was ons vorige gesprek niet goed tot haar doorgedrongen. Fijntjes heb ik haar toen verteld dat ze niet meer welkom was. Dit was eigenlijk tegen mijn principe, maar ik wist dat dit niet langer zo door kon blijven gaan. Mijn eigen gezondheid kwam in het geding.

‘In al die maanden dat wij elkaar nu kennen, zei ik aan haar, heb je nog geen één keer gevraagd hoe het met mij was. Altijd wilde je van mij een bevestiging hebben op jouw vervelende gevoelens en legde je jouw problemen bij mij neer. Je liet mij geen moment met rust. Sinds vandaag is ons contact voorgoed voorbij. In de blik in haar ogen zag ik dat mijn gesprek toch niet goed tot haar door was gedrongen. Als laatste gaf ik haar nog een tip om alsnog naar een psycholoog te gaan. Nadien stond ze nog één keer voor mijn deur. Het ligt niet in mijn aard om iemand te negeren, maar ik wist dat als ik haar weer zou binnen laten, ik nooit meer van haar af zou komen. Ze zag mij staan, liep weg en heb haar daarna nooit meer gezien.

Die goede oude tijd

Was dat wel zo, die goede oude tijd. Elke tijd heeft zo zijn voor- en nadelen. Ik wist in die jaren niet beter dan, dat de ramen in mijn ouderlijk huis tijdens een flinke vorst voorzien waren van zogenaamde ijsbloemen. Een wonderlijk fenomeen. In die tijd kende men nog geen dubbele beglazing. De kachel in de woonkamer brandde om het hardst en was de steenkool soms niet aan te slepen. De was moest worden gedroogd. Bij gebrek – in de jaren ’50 – aan een wasdroger, werd tijdens de wintermaanden de kleding, lakens etc. over een driedelig houten hekje gehangen en voor de kachel gezet om te drogen. Kamperen in ons eigen huis. Begin jaren zestig bracht moeder de beddenlakens, slopen en tafelkleden naar een nieuw geopende stomerij in de buurt en werd alles gewassen, gedroogd en opgevouwen. In een grote rieten mand werd alles keurig verpakt en bezorgd. Dat scheelde een hoop werk.

Een terugkerend probleem in huis was de bevroren standleiding in de toilet die na de vorst steevast lekkages gaf. Het provisorisch isoleren hielp niet echt. Ook moest de waterleiding regelmatig worden afgetapt om te voorkomen dat de leidingen kapot zouden vriezen.

‘Ondanks de twee dekens op onze bedden, voelde de lakens klam aan tijdens het naar bed gaan.

Men kende vrijwel niet om woningen tijdens de bouw te isoleren. Uitzonderingen daargelaten. Tijdens koude winters hingen de ijspegels aan de dakgoten, raamkozijnen. Ons huis was gebouwd tien jaar na de Tweede Wereldoorlog. Op zich zag het huis er goed uit, strak in de verf, maar niet geïsoleerd zoals vandaag de dag. Tijdens een gure dag voelde je soms de wind door het huis waaien. Vooral in de keuken en bij de voordeur.

Men ging naar het werk en kinderen moesten op hun fietsen naar school. Het woord ijsvrij kende men nog niet. Je moest gaan, ook al lag er een flink pak sneeuw of ijzelde het. Je wist niet beter. Wat waren wij blij dat wij – na verloop van tijd – als eerste in de straat een centrale verwarming kregen met een zogenaamde moederhaard. Er kwam een televisietoestel op pootjes, een zwarte bakelieten telefoon waarvan de hoorn zo zwaar was dat je het gesprek kort hield. Een zogenaamde bovenlader als wasmachine was er al. Tijdens mijn prille jeugd is er veel verspijkerd in huis. Regelmatig stond er een keukentrap in huis en liepen werklui rond om het huis weer te veranderen. Moeder was nogal een vooruitstrevend type als het om inrichten van de woning ging. Voor haar was alles in en om het huis belangrijk. Vader en zij werkten er samen hard voor. Mijn zus en ik werden steevast door opa een dagdeel naar de crèche gebracht als jonge kinderen, totdat de goede man ons weer kwam ophalen.

Vierenzestig jaar later is er veel veranderd. De woningen zijn geïsoleerd. Er is van alles te koop. Wasmachines, wasdrogers, elektronica, computers deden hun intrede. Het woord telefoon wordt zelden nog gebruikt. Een goede regelbare verwarming is een begrip. De hedendaagse jeugd weet niets van het bestaan van ijsbloemen af of van wasgoed dat zo stijf was bevroren dat het simpelweg rechtop bleef staan op de keukenvloer. Ik hoor de jeugd vandaag de dag al zeggen: ‘Die goede oude tijd, mens waar hebt u het over!’

Voor mij was het geen goede oude tijd, althans ik wist niet beter en wat betekent het woord ‘goed’ eigenlijk? Vandaag de dag zal er altijd wel wat te wensen overblijven en zeker ook in andere tijden die nog aanbreken.

 

Een onverwachts gesprek

Vanaf mijn pubertijd wist ik al dat ik opviel bij de dames. Op dit moment voelde ik iemands ogen in mijn rug prikken. Ik keek achterom. Waarschijnlijk stond ze daar al 5 minuten. Toen ik het perron een kwartier geleden betrad stond ze er nog niet. Ze bleef mij maar aankijken. Ik kende haar niet. Haar ogen dwongen mij om haar aan te blijven kijken. Haar blik had iets treurigs. Ik draaide mijn ogen van haar weg, maar kon niet voorkomen dat ik weldra weer naar haar keek. Op de een of andere manier had ze iets aantrekkelijks. Ze had een slank figuur waar ik wel op viel. Of waren het haar lange benen. Ik draaide mijn ogen plotseling van haar weg en ging zitten op een lege bank. Mij trein was nog niet in aantocht. Het station was praktisch verlaten. Onverwachts zetten ze zich in beweging en kwam naar mij toegelopen.

‘Volgens mij komt u hier voor de eerste keer. Ik heb u hier nog nooit gezien. Ik heet Irma en ze stak direct haar hand uit.’

Zou ze om een praatje verlegen zitten vroeg ik mij af?

‘Mijn naam is Roel’ antwoordde ik enigszins verbaasd en gaf haar een hand.

‘Elke dag vertrek ik met deze trein. Ik studeer hier in Nijmegen samen met mijn broer. Altijd reisde ik samen met mijn klasgenoot Jelle. Op een keer vertrok hij eerder van school. Toen ik een kwartier later op het perron arriveerde stond onze trein er nog. Er stond een groepje mensen bij elkaar. Ook was er politie en brandweer aanwezig’ zei ze.

De rillingen liepen over mijn rug bij het vertellen van haar verhaal. Waarom vertelde ze dit aan mij? Ik, die een wildvreemde voor haar was. Wat een bizarre boodschap.

Even viel er een stilte tussen ons, die plotseling werd onderbroken door de trein die het station binnenreed.

‘Vertrek je nu ook met deze trein?’ vroeg ik aan haar.

‘Jazeker, want ik ga nu naar huis. Ik wacht op mijn broer. Wij reizen samen, ziet u. Sinds mijn klasgenoot Jelle hier is overleden durf ik niet meer alleen te reizen. Ik wilde u mijn verhaal vertellen. U leek mij wel sympathiek.’

Wat een wonderlijke ontmoeting had ik met deze vrouw, bedacht ik mij opeens. In eerste instantie dacht ik dat ze met mij flirtte. Nu had ik had medelijden met haar.

Net op het moment dat ik de trein wilde instappen kwam er een jongeman onze kant oprennen.

‘Irma! wacht even? en met een sprong op de treeplank kwam hij de trein binnen die bijna op het punt stond om te gaan vertrekken. Irma stapte ook in en liep vrijwel direct de coupé in en ging zitten. Ik stond tegenover de jongen in het gangpad.

‘Bent u de broer van Irma? vroeg ik. Ze vertelde zojuist aan mij dat jullie samen reizen.’

‘Mijn naam is Ted en Irma is inderdaad mijn zus.’

‘Heeft ze u soms lastig gevallen mijnheer?  Ze heeft u zeker verteld over een klasgenoot die voor de trein is gesprongen. Het is recent gebeurd. Ze heeft een trauma opgelopen.’

‘Dat geloof ik graag!’ antwoordde ik.

‘Na het incident reis ik samen met haar. Ze is onder behandeling van een psychiater, volgde hij zijn verhaal.’

‘Ze heeft zo af de toe de gewoonte om wildvreemde mensen aan te klampen en hun te vertellen over het drama dat haar is overkomen. Toch gaat het al wat beter met haar, volgens de psychiater. Op aanraden van onze ouders reizen wij voorlopig  samen. Na het incident durft ze niet meer alleen te reizen. Het heeft alleen met dit station te maken. Nu ontferm ik mij voorlopig over haar.’

‘Hou haar maar goed in de gaten Ted. Ze moet blijkbaar haar verhaal kwijt. Vandaar dat ze mensen aanspreekt. Dat is haar manier van verwerken.

‘Dat laatste zei de psychiater ook al tegen mijn ouders.’

Intussen had de trein alweer een paar stations aangedaan.

‘Ik zie dat ik zo dadelijk moet uitstappen Ted. De trein rijdt bijna het station binnen waar ik moet zijn, vertelde ik hem.

Ik gaf hem een hand en keek om de hoek van de coupé waar Irma in gedachten door het raam keek.

‘Dag Irma, het beste met jou!’

Ze reageerde niet. Blijkbaar was ik voor haar een  momentopname geweest. Eén van de velen die haar verhaal blijkbaar hadden aangehoord.

Ik groette Ted en stapte snel de trein uit. Even hapte ik naar frisse lucht toen ik het treinstation had verlaten. Het was een wonderlijke ontmoeting geweest met een dramatisch tintje.

 

 

 

Kan ik u ergens mee helpen?

 

 

Hoe vaak wordt deze vraag aan een klant gesteld. Of: ‘Kan ik u ergens mee van dienst zijn?’ Het zijn de geijkte beleefdheidsvormen. Natuurlijk moeten wij deze kreten in ere houden. Soms wordt men overladen met allerlei vragen en ongevraagd advies in winkels.

Zo paste ik ooit een tuniek bij een kledingboetiek. Op het moment dat ik een mooie tuniek uit het rek haalde, kwam de eigenaresse naar mij toe gelopen. ‘U heeft smaak mevrouw, zei ze. Prachtig die kobaltblauwe kleur. Ik heb trouwens ook nog andere kleuren hoor! Kijkt u eerst maar eens rustig.’

‘Rustig! vroeg ik mij af. Ik krijg niet eens de kans om – de door mij uitgekozen tuniek – te bekijken, laat staan om deze te passen. Voordat ik haar antwoord kon geven, kwam ze even later ongevraagd met de andere gekleurde tunieken aangelopen.’

‘Hoe vind u deze? En die mevrouw met al die kleurtjes?’

Echt niet, dacht ik bij mezelf. Ik wil niet als een wandelende kerstboom door het leven gaan. Waarom laat ze mij nou niet even met rust.

Blijkbaar raadde ze mijn gedachten, waarop ze zei: ‘U kunt misschien eerst zelf even kijken waar u naar op zoek bent.’

Mijn keus was op de kobalt blauwe tuniek gevallen en liet deze nog even in de paskamer hangen. Ik ging nog op zoek naar een vlot jurkje en stapte de paskamer uit.

Ik stond te kijken in een rek waar wat leuke modellen hingen, toen ik de vrouw weer zag aankomen lopen.

‘Zoekt u nog iets speciaals? Kan ik u nog ergens mee van dienst zijn?

‘Tja, wat moet ik hierop als antwoord geven? Wat is iets speciaals? Het jurkje waar ik naar op zoek ben is niet geschikt voor een gala-avond of zo. Gewoon een vlot jurkje, zonder poespas.’

Ik had even genoeg van al deze bemoeienissen. Zonder iets te zeggen liep ik naar de paskamer toe, nam de tuniek mee en liep naar de kassa met de eigenaresse in mijn kielzog.

‘U hebt toch gekozen voor de kobalt blauwe tuniek mevrouw, zie ik? De eerste keuze is toch de beste, vind u niet? zei ze alsnog tijdens het afrekenen.

Een ding wist ik zeker toen ik naar de uitgang liep. Hier kom ik nooit meer!

Het was al laat en ik moest nog naar de supermarkt. Bij de kassa stond een oudere heer voor mij. De man had zojuist zijn boodschappen op de loopband gezet. Hij wilde zijn rollator vooruit duwen om te gaan betalen bij de pinautomaat. De rollator blokkeerde.

‘Kan ik u ergens mee van dienst zijn mijnheer, vroeg de kassière?

Waar had ik vandaag die vraag al eerder gehoord?

‘Jazeker, hoorde ik de man zeggen. ‘Mijn rollator rijdt niet meer.’

Het meisje kwam achter haar kassa vandaan en zei:

‘Staat hij misschien op de rem?’

‘Verdraaid, dat is het. Dank je wel.’

‘Dan heb ik u toch een dienst bewezen, glimlachte ze.

Nu moest ik ook glimlachen en bij het naar buiten gaan van de supermarkt, dacht ik: Er blijven altijd beleefdheidsvormen circuleren, soms tegen wil en dank.

 

Onzekerheid viert hoogtij

De jeugd heeft geen toekomst zolang er contracten worden gegeven voor bepaalde tijd. Voor mij een lachertje in deze maatschappij. Het is water naar de zee dragen. In principe geldt deze kwestie voor iedereen. Voor jong en oud. Zelfs afgestudeerden ervaren de onzekerheden. Dit geeft ongewild stress, vreet aan je en maakt je kapot. Eén enkeling heeft geluk op een vast contract, terwijl andere jongeren het nakijken hebben. Een druppel op een gloeiende plaat. Hoe moet je verder gaan als je als jong stel wilt gaan samenwonen. Vragen doemen op als:

Wordt mijn arbeidscontract wel verlengd;

Kunnen wij wel een huis huren en hoe hoog is de huur?

Mijn studieschuld moet ik nog afbetalen.

Je ziet nu al jongeren die voorlopig uit nood bij hun ouders blijven wonen. Studentenkamers zijn te duur. Idiote bedragen die sommige verhuurders vragen voor een krot die eruit ziet als een legbatterij.

‘Ik heb met mij vriendin een Latrelatie, hoorde ik eens een jongen zeggen tegen een paar vrienden. Wij wonen allebei nog thuis. Mijn vriendin studeert en ik hoop of mijn arbeidscontract wordt verlengd. Ik werk voor een uitzendbureau. Soms heb ik een paar weken werk, dan weer niet. Geen werk, geen geld.’

Ongewild hoorde ik het gesprek eens aan. Hij heeft gelijk. Zo zijn er velen die zich suf solliciteren, moedeloos worden. Erger nog er verandert simpel weg niets. Het demotiveert mensen. ‘Heb ik hiervoor al die jaren gestudeerd!’ roepen sommigen. Werkgevers hebben de laatste jaren een te dikke vinger in de pap.

Ik ben zeker geen pessimist maar een realist. Dit dilemma speelt zich al jaren af. Tot nu toe is er geen spat veranderd. Bewindslieden die denken dat ze alles weten. Zich liever bemoeien met buitenlandse kwesties. Hun nevenbanen in ere houden.

 

 

Horen zichzelf graag praten en zijn publiciteitsgeil. Het wordt eens tijd voor een gezonde maatschappij die mensen kansen biedt op vast werk. Helaas horen wij deze kreet al jaren, maar er verandert jammer genoeg niets. Kansen voor jongeren die nog een heel leven voor zich hebben is een must.

 

Culinair

 

 

‘Zullen wij vanavond eens uit eten gaan Joop?’ vraagt Anja aan haar man.

‘Je hebt vanmorgen toch karbonades uit de vriezer gehaald.’

‘Jazeker, die eten wij morgen wel. Het pakje is trouwens nog bevroren. Eerlijk gezegd wil ik iets anders eten en heb niet veel zin om te gaan koken. Ergens in een restaurant.’

‘Het is inderdaad alweer een tijdje geleden dat wij uit eten zijn geweest. Helaas was het toen geen succes met dat echtpaar dat met hun kleine kinderen achter ons zat aan tafel.’

‘Dat weet ik nog goed Joop. Eén van de kinderen trok maar steeds aan de rugleuning van mijn stoel. Ik kreeg er het heen en weer van. Ze waren ook zo luidruchtig. Vooral die moeder die steeds maar waarschuwde met: ‘Pas op, kijk uit, niet doen! Het joch werd zo driftig dat hij op een zeker moment met zijn eten begon te knoeien en was het mooie tapijt vervuild.’

‘Andere gasten begonnen zich ook te ergeren aan het stel dat zich blijkbaar niet kon gedragen Anja.’

‘Toch zagen ze er niet asociaal uit. Eerder deftig. Toen ze begonnen te praten kwam hun ware identiteit naar boven. De eigenaar van het chique restaurant was witheet en sommeerde hun om –na betaling van het diner- het restaurant te verlaten. Dat ging ook met een hoop tumult. Voor mij was de gezelligheid er eerlijk gezegd af Anja. Ongewild wordt je met andermans problemen opgezadeld. Aan het restaurant lag het niet. Het staat bekend als gerenommeerd.’

‘Tegenwoordig kan Jan en Alleman overal eten, als je maar betaalt Joop.’

‘Eerlijk gezegd heb ik niet veel trek. Als wij alsnog uit eten gaan, dan zal ik mij omkleden. Ik kan moeilijk in mijn joggingpak gaan dineren.

Gelijktijdig voelt ze zich bezwaard en moet ze denken aan het stel van een paar maanden geleden.

‘Weet je Joop, laten wij het toch maar simpel houden. Ik ga iets lekkers halen bij de Chinees. Heerlijk rustig zo met z’n tweeën.’