De Roddelrubriek (thema personages).

 Personages

images

‘Daar heb je haar weer, die roddelrubriek van een buurvrouw met haar galgenhumor, mompel ik.’

Ze komt mij tegemoet. Ik moet langs haar heen lopen om bij de supermarkt te komen. Geen sprake van dat ik haar nu voorbij loop. Ze houdt mij onherroepelijk aan.

‘Wat moet ik nu doen?’

Zonder te kijken loop ik een dichtstbijzijnde winkel binnen. Een geur van zeep en lawaai van een föhn komen mij tegemoet. Ik zie, tot mijn grote schrik, dat het een dameskapsalon is. Hier moet ik eigenlijk niet zijn denk ik en wil meteen rechts omkeert maken. Een vriendelijke kapster snijdt mij onverwachts de pas af en vraagt aan mij: ‘heeft u een afspraak mevrouw?’

‘Nee’, stamel ik, met mijn hand uitgestoken richting de deurkruk.

‘Het is niet druk mevrouw er is plek zat, zegt ze weer.’

Gelijktijdig voel ik dat ik nu niet weg kan gaan.

‘Hoe is uw naam mevrouw?’

‘Mevrouw Van Dongen.’

‘Wilt u uw haren wassen en knippen mevrouw?’

Voordat ik iets kan zeggen, troont ze mij mee naar de wasbak. ‘Eh, dank u!’, stamel ik, niet wetende wat er precies gaat gebeuren en neem onvrijwillig plaats.

Ik mompel: ‘waarom laat ik mij door haar overreden? Eigenlijk heb ik hier niets te zoeken. Het is een vlucht om buurvrouw Jeannette Vink te ontlopen.’

De kapster met hoogblond haar, pakt een blauwe handdoek uit een kastje die achter de drie wasbakken aan de muur hangt en legt deze over mijn schouders heen. Vrijwel direct doet ze daar een kapmantel over heen. Op hetzelfde moment zie ik Jeannette door het winkelraam kijken en meteen daarna komt ze naar binnen. Ik voel mijn hart bonzen en bedenk mij opeens dat zij waarschijnlijk wél een afspraak heeft. Zo te zien heeft ze een knipbeurt nodig. Haar rode, krullende haren zijn uitgezakt. Ik wil deze roddelaarster beslist niet aanhoren en trek onverwachts de bruine kapmantel over mijn hoofd heen in de hoop dat ze mij niet ziet.

Heb ik het nu goed gezien!, volgens mij is dat mijn over buurvrouw Lieke van Dongen. Ze kijkt alsnog door het etalageraam. Ook toevallig dat ik haar hier moet treffen. Waarschijnlijk hebben wij rond dezelfde tijd een afspraak gemaakt bij de kapper. Ik hoop niet dat Leo, de eigenaar van de zaak haar nu helpt. Ze wil geen andere kapper dan hij. Die knappe Leo knipt al jaren haar haren en is altijd heel voorkomend tegen haar. Tussen de shampoo flessen en haarlakbussen, die in de etalage staan, ziet ze dat het toch Lieke is. Gezellig, dan kan ik haar de laatste nieuwtjes laten horen uit de buurt en ze loopt meteen de kapperszaak binnen.

‘Wat doet u nu mevrouw?’ zegt de verbaasde kapster tegen mij. ‘Mijn handen zitten vol met zeep om uw lange haar te wassen en u trekt de kapmantel over uw hoofd heen. Het haar moet wel met water en zeep worden gewassen hoor!’

‘Sorry, juffrouw. Ik verstop mijzelf voor mijn buurvrouw die zojuist is binnengekomen. Kijk, die vrouw daar met het rode, krullende haar. Mensen uit mijn buurt die haar kennen, noemen haar de roddelrubriek. Ze heeft van alles over iedereen te vertellen en vertelt het dan door aan derden. Dat vind ik vreselijk.’

‘Ik begrijp het dilemma mevrouw, maar ik zal toch nu uw haar moeten gaan wassen, het zeep glijdt intussen door mijn vingers heen.’

‘Waarom zeg ik toch niet gewoon de waarheid, dat ze geen was- en knipbeurt nodig heeft en dat het mijn  bedoeling niet is om naar de kapper te gaan.’

Voordat de kapster mijn hoofd achterover op de wasbak wil leggen, zie ik mijzelf in een grote spiegel. Eigenlijk is mijn haar aan de lange kant, waardoor er geen model meer in zit. Mijn haarpunten moeten nodig eens worden geknipt. Ik besluit om mij alsnog over te geven aan de knipkunst van de kapster.

Ze wast nu mijn donkerbruine haar die al wat grijstinten bevat. Onverwachts zie ik een gezicht boven mijn hoofd opdoemen. Ik schrik hevig. Het is het gezicht van Jeannette Vink. Ze ziet het aan die onooglijke voortand waar een gedeelte van afgebroken is. In een oogwenk zit ik rechtop. Het water druipt van mijn haren in mijn hals, handdoek en over de kapmantel heen.

‘Wat doet u hier mevrouw? hoor ik de kapster zeggen. Ziet u niet dat ik met een klant bezig ben? Deze mevrouw schrikt van u.’

Jeannette luistert niet naar haar merk ik en ze zegt onverstoorbaar tegen mij: ‘Hallo Lieke, leuk dat ik je hier tref bij de kapper.’

Verontwaardigd zeg ik: ‘Heb je niet gehoord wat de kapster zojuist tegen je zei en kijk eens hoe ik er uit zie? De kapmantel en de handdoek zijn nat geworden. Je wordt bedankt!’

Zo snel als ze kan haalt de kapster de natte handdoek en kapmantel van mijn schouders af en pakt meteen een schone handdoek uit de kast. Ik pak de handdoek van haar aan en drapeert deze op mijn hoofd.

Ik zie dat Jeannette nu een stap achteruit doet en bijna tegen de eigenaar botst die aan komt lopen.

‘Wat is er hier aan de hand? vraagt hij licht geïrriteerd aan de kapster.’

Ik hoor haar vertellen tegen haar baas, dat haar klant wordt lastig gevallen door een vrouw die zojuist is binnengekomen in de kapsalon.

‘Je kent deze vrouw toch Tilly, hoor ik hem alsnog zeggen tegen zijn kapster, dat is mevrouw Vink, een vaste klant van ons.’

‘Dat weet ik Leo, ik ken mevrouw ook, maar dat neemt niet weg dat zij deze klant lastig valt.’

‘Bij het naar binnen gaan zag ik dat mijn buurvrouw hier ook was Leo’, hoor ik Jeannette vrijpostig tegen de eigenaar zeggen.

‘Dat kan allemaal zo zijn mevrouw, wilt u deze klant niet meer lastig vallen?’

‘U weet toch dat ik Jeannette Vink heet? Noemt u mij dan maar met deze naam Leo en ik woon ook in Vinkeveen zoals u weet. Vindt u dat geen giller?’ en ze begint onbedaarlijk te lachen. Leo, de kapster en ikzelf kunnen er niet om lachen.

Leo zegt met een ingehouden stem: ‘U had toch pas een afspraak om 14.15 uur mevrouw Vink? Neemt u hier maar plaats, u bent zo dadelijk aan de beurt.’ Hij grist snel wat lectuur uit een gevlochten mand en geeft het aan de praatgrage vrouw die al jaren vaste klant bij hem is. Het is een vriendelijke vrouw weet hij, maar wel iemand die erg nieuwsgierig is. Én passant hoorde hij weleens verschillende verhalen van haar over mensen waarvan hij het bestaan niet eens wist. Hij permanenten al jaren haar haar en ze stond er op dat hij alleen haar mocht helpen. Ook gaf ze hem altijd een ruime fooi en wilde absoluut dat hij die aannam. Ja, ja, die mevrouw Vink toch!

‘Mag ik op die stoel zitten? daar bij het raam naast die jongeman, vroeg ik.’

‘Natuurlijk mevrouw van Dongen, loopt u maar met mij mee?’

Ik sta op en loop weg van de wasbak en volg kapster Tilly en ik zeg: ‘Ik ben het gekwebbel van deze vrouw zat en die vreemde humor van haar. Zelf lacht ze het hardste om haar smakeloze humor.’

De kapster antwoord niet. Ze knikt en ik loop naar een zwart leren stoel en neem plaats.

‘Wat voor een coupe wilt u mevrouw? vraagt ze aan mij.’

Eerlijk gezegd heb ik daar niet over na gedacht en ik zeg: ‘alleen mijn haarpunten afknippen, zodat mijn haar beter in model zit.’

‘Mag ik u een advies geven mevrouw! zegt ze weer. Uw haarkleur is wat vaal met hier en daar grijze plukken. Hebt u er weleens aan gedacht om uw haar een kleurspoeling te geven. Een tint lichter bijvoorbeeld?’

‘Eerlijk gezegd heb ik mijn haar nog nooit laten kleuren.’

‘Ik kan u wat kleurstaaltjes laten zien!’ en ze pakt van onder een karretje een kleurenkaart en overhandigd die aan mij.

‘Kijk, ziet u!’ en ze laat mij één van de gekleurde haarplukken op de kaart zien. Deze kleur is iets lichter dan uw haarkleur dat donkerbruin is.

Intussen denk ik bij mijzelf, ik heb nooit een andere haarkleur uitgeprobeerd. Ik ga wat rechter op de stoel zitten en ik zie dat Jeannette verzonken is in een tijdschrift. Van haar heb ik even geen last hoop ik en antwoordt Tilly: ‘laat ik het maar eens proberen. Een tint lichter kan toch geen kwaad? hoop ik.’

‘Dan ga ik één en ander voor u klaarmaken en daarna knip ik uw haar.’

‘Mevrouw Vink, wilt u hier plaatsnemen?’ roept Leo.

Ik zie dat Jeannette op staat, het tijdschrift meeneemt en op een stoel plaats neemt aan de andere kant van de kapsalon en mij terloops negeert. Ik slaak een zucht van verlichting dat ze niet op mijn rij stoelen heeft plaatsgenomen.

Ergens loopt er een wekker af. Een kapster met haar haren in een knot negeert de wekker en roept naar Tilly of zij de permanentrollers van een klant uit haar haren wil halen.

‘Ik ben ook bezig Kirsten, roept Tilly terug. Ik ben een kleurstof aan het mengen voor een klant.’ Leo heeft het gepraat blijkbaar gehoord en vraagt aan Tilly om toch even naar de klant te gaan om de permanentrollers te verwijderen. Terloops zegt ze tegen mij: ‘ik kom zo bij u terug mevrouw van Dongen’ en ik knik bevestigend.

Het duurt even voordat Tilly terugkomt, ik sta op en loop naar de leestafel om een magazine te pakken en hoor Jeannette tegen de eigenaar zeggen: ‘Leo deze keer wil ik mijn haar kleuren, in mijn eigen haarkleur.’

‘Geen permanent vandaag mevrouw Vink?’

‘Nee, Leo graag een kleurtje?’ en Leo loopt naar de plek waar even daarvoor Tilly is weggegaan. Ik zie dat hij een kommetje uit een kast pakt en een tube. Intussen ga ik weer zitten op mijn plek. Net op het moment dat ik de eerste bladzijde opensla van het magazine staat Jeannette naast mijn stoel.

‘Ben je er nu weer Jeannette? vraag ik geïrriteerd aan haar. Waarom laat jij mij niet met rust?

‘Ik wil alleen maar even tegen je zeggen dat John en Marijke, die aan het einde van onze straat wonen gaan scheiden na 22 jaar huwelijk, Lieke.’

Ik voel woede in mijzelf opkomen en zeg luidkeels: ‘verdoemd mens, waarom praat je toch altijd over anderen, kijk eens naar jezelf. Ik zit niet op jouw verhalen te wachten van je.’ Hoor je mij Jeannette?’

Met haar onnozele blik kijkt ze mij aan. Moet ik nou lachen of mijzelf inhouden om niet in woede uit te barsten. Normaal ben ik nooit zo obstinaat, maar nu ben ik het zat.

Leo, die alles heeft gezien zet zijn bakje met kleurstof neer en mompelt: ‘daar staat notabene weer mevrouw Vink bij die nieuwe klant. Wat is er toch aan de hand met die dames?’

Ook Tilly, die zojuist de laatste permanentroller uit de haren van een klant heeft verwijderd, staat vrijwel direct bij mij.

‘Ik zie mijn baas aankomen mevrouw van Dongen, ik ga gauw uw haarverf halen. Ze loopt naar de kleine aanrecht waar nu twee bakjes staan. Welk bakje was nu van mij? Ze twijfelt, volgens mij was het de linker. Intussen ziet ze dat Leo bij beide dames is aangekomen.

‘Wat is er toch aan de hand dames met u beiden, vraagt Leo beleefd aan ons?’

Jeannette weet blijkbaar op dit moment niets te zeggen en blijft stil.

Ietwat gespannen vertel ik dat Jeannette Vink nogal loslippige buurvrouw is. Ik ben van haar roddels niet gediend mijnheer, zeg ik tegen Leo. Deze vrouw is zo vasthoudend en ik werp Jeannette een kille blik toe. Zodra ze mij maar ergens ziet valt ze mij lastig. Ik ben het helemaal zat, begrijpt u?’

‘Jazeker, dat begrijp ik mevrouw. Eerlijk gezegd word ik nu voor een dilemma gesteld. U moet deze kwestie ergens anders gezamenlijk bespreken. U ziet dat er meer klanten zijn. Ik vraag u om beiden te gaan zitten zodat Tilly en ikzelf u beider haar kan kleuren. Dat was toch de bedoeling neem ik aan?’

Moedeloos schuif ik heen en weer op mijn stoel en denk, de man moest eens weten. Ik zie Tilly aan komen lopen met de haarverf. Leo brengt Jeannette naar haar plaats en blijft nog een tijdje onverstaanbaar voor mij met haar praten.

‘Ziezo, mevrouw van Dongen, gaat het weer een beetje? vraagt Tilly.

‘Het moet maar, mompel ik.’

‘Ik ga nu uw haar inkleuren’ en zorgvuldig smeert ze de verf in mijn donkerbruine haar. Daarna dekt ze iedere haarpluk af met zilverfolie. Na het inwikkelen van de laatste pluk loopt ze weg en pakt uit de hoek van de kapsalon een warmtekap en plaatst deze over mijn hoofd heen en ze zet het wekkertje op 10 minuten.

‘Wilt u koffie? mevrouw.’

‘Graag! daar ben ik wel aan toe en even later drink ik mijn heerlijke koffie op. Dat doet een mens goed. Even richt ik mijn ogen op Leo die nog steeds in gesprek is met Jeannette. Nog even dan is ze eerder klaar dan zij. De haarkleur doet intussen zijn werk. Wie had dat ooit gedacht, in plaats naar de supermarkt, een kleurbehandeling bij de kapper. Hoe zal ‘haar man Ton het vinden? Die heeft mij nog nooit met een andere haarkleur gezien dan donkerbruin.

Waarom maakt Lieke zich toch altijd zo druk als ik bij haar in de buurt ben, vraagt Jeannette zich af, nadat Leo is vertrokken om de haarverf te halen. Ze bedoelt het toch goed. Het is toch belangrijk om van alles op de hoogte te zijn? Ze snapt werkelijk niet dat Leo zojuist aan haar vertelde dat ze Lieke niet moet lastig vallen. ‘Waar blijft Leo eigenlijk?’ vraagt ze aan een passerende kapster met de haarknot.

‘Mijn baas staat daar met een bakje in zijn hand. Ik denk dat hij zo bij u komt, zegt de knot.’

De wekker die bij mij is neergezet is intussen afgelopen. Tilly haalt de warmtekap bij mij vandaan en vraagt aan mij of ik weer bij de wastafel wil plaatsnemen?’ Ik sta op en loop met mijn hoofd vol met aluminiumfolie richting de wasbak en neem plaats.

Tilly verwijderd één voor één de aluminiumfolie en schrikt van de kleur die daar onder vandaan komt. Hoe moet ze dit aan mevrouw van Dongen verkopen, vraagt ze zich af. Wat is ze stom geweest. Ze twijfelde over beide bakjes. Nu heeft ze het verkeerde bakje met de vloeistof gebruikt. Net op het moment dat ze aan mevrouw Van Dongen wil vertellen over de verkeerde haarkleur, ziet ze dat haar baas voornemens is de andere kleurstof op het haar van mevrouw Vink aan te brengen. ‘Stop!’, gilt ze enigszins in paniek, u heeft de verkeerde kleurstof Leo.’ Hij schrikt ziet ze en wordt nu boos en zegt tegen haar: ‘Wat is dat toch vandaag wat een tumult is er hier in mijn zaak, Tilly?’ Ze vertelt snikkend dat ze per abuis het verkeerde bakje met vloeistof heeft gebruikt en op het haar van mevrouw van Dongen heeft gesmeerd.’

Wat hoor ik nu, van schrik ga ik overeind zitten en kijk in de grote spiegel voor mij. Oh, nee, ik heb koperkleurig haar. Wat een vreemd gezicht, het is even wennen. Mijn haar is nog vochtig en er zit nog geen model in.Tilly moet het zelfs nog gaan knippen. Van alles er schiet door mijn hoofd. Wat zou mijn man Ton er van zeggen? Daar zit ik nog het meeste mee. Gelijktijdig hoor ik kapster Tilly huilen. Leo geeft haar een reprimande. Het is even slikken voor mij, maar ik krijg medelijden met haar. Leo en Tilly maken excuses die ik aanvaard.

‘Het was ook zo rumoerig in de zaak mevrouw, daardoor werd ik afgeleid van mijn werk, zegt Tilly weer.’

‘Dat is zeker waar Tilly en het is ook deels mijn schuld. Zou je mijn haar alsnog willen drogen, knippen en in model willen brengen?’

‘Jazeker mevrouw!’ en ik loop weer terug naar mijn stoel bij de spiegel.

‘U hoeft niets te betalen mevrouw van Dongen hoor ik Leo alsnog tegen mij zeggen.’

Jeannette heeft alles gezien en gehoord. Lieke met koperkleurig haar dat voor haar haren was bedoeld. Gelukkig was ze gespaard gebleven van de haarkleur die eigenlijk Lieke moest hebben. Hoe zouden de buren in de straat het vinden dat Lieke nu koperkleurig heeft? Wat had Leo zojuist tegen haar gezegd, niet roddelen mevrouw Vink?

‘Dat vind ik attent mijnheer dat ik de rekening niet hoef te betalen, zeg ik tegen Leo. Eerlijk gezegd vind ik de koperkleur best wel meevallen. Natuurlijk is het even wennen, vooral voor mijn man denk ik. De kleur maakt mij wel jonger dan het donkerbruine haar’ en ik zie dat er een flauw glimlachje om Tilly haar lippen verschijnt.

‘Zal ik alsnog de rekening met u delen mijnheer?’ vraag ik aan Leo.

‘Niets ervan mevrouw, uw haarbehandeling neem ik voor mijn kosten.’

‘Knip jij het haar van mevrouw van Dongen alsnog en droog het in model Tilly, dan ga ik mevrouw Vink even verder helpen?’

‘Ja, Leo dat doe ik.’

‘Zal ik een nieuwe kleur voor u aanmaken mevrouw Vink?’

‘Nee, Leo knip mijn haar maar in model, geen haarkleuring vandaag en ook geen permanent. Ik heb te lang gewacht.’

Na de kappersbehandeling stonden Jeannette en ikzelf bij de kapstok om onze jassen aan te doen en stapten gezamenlijk de deur uit, nadat ik de eigenaar en Tilly gedag had gezegd. Eigenlijk had ik Tilly willen vertellen dat het mijn bedoeling niet was om naar de kapper te gaan, ik liet het maar zo. Er was al tumult genoeg geweest vandaag.

‘Weet je Lieke, zei Jeannette tegen mij. ‘Die koperkleur staat je best wel goed’, toen wij de straat uitliepen. Ik keek op mijn horloge. Het was nu te laat om naar de buurtsuper te gaan, zag ik.

‘Wat zei je ook alweer Jeannette?’

‘Ik ben benieuwd wat je man en de buren in de straat van je haarkleur vinden?’

Even balden ik mijn vuisten in de zakken van mijn denim blazer, maar vrij snel daarna ontspande ik mijzelf en zei ik met een kordate stem tegen haar: ‘als je dat roddelen over mijn nieuwe haarkleur maar laat Jeannette!’ een beduusde buurvrouw achterlatend.

Advertenties

ALCOHOL.

imagesCA8QBDO7Men zegt vaak: laten wij eens gezellig een wijntje drinken. Met het woord gezellig en alcohol heb ik zelf wat moeite. Ik kan namelijk de link niet leggen. Je bent een gezellig type of niet, dat staat los van alcohol. Sterker nog, sommige introverte personen worden opeens mondig en de extraverten onder ons steeds luider en soms agressiever. Volgens mij is het een ‘trendy’ uitdrukking geworden ‘gezellig een wijntje drinken’, met andere woorden: ‘ik doe maar mee met de meute anders val ik uit de toon.’

Ooit was ik op een jubileumfeest van kennissen die een gedeelte van een sportkantine hadden afgehuurd, waar later op de avond volop alcohol werd geschonken. Ik was blijkbaar de enige spelbreekster in het gezelschap van rond de dertig personen die geen alcohol dronk, om de simpele reden dat ik alcohol niet lekker vindt, dus koos ik voor iets anders.

In het begin van de avond was het een prettig gezelschap, in die zin dat de gasten met elkaar in gesprek waren onder het genot van koffie en/of thee en zoete versnaperingen. Naar mate de avond vorderde kwam de alcohol in het spel, waarvan de glazen regelmatig werden vol geschonken door een aantal personen die rondliepen met dienbladen. De gasten ging steeds luider praten merkte ik en sommigen hadden de gewoonte om boven ander mans gesprek uit te komen. Dit mondde uit in: ‘kan je wat zachter praten, buurman?

Op een zeker moment werd door de gastheer de muziek in de zaal, die in eerste instantie hoorbaar was als achtergrondmuziek, harder gezet. Iemand riep: ‘kan de muziek wat zachter, ik kan namelijk niemand meer verstaan, waardoor een derde er zich mee ging bemoeien. Ik keek zo eens om mij heen. Een vrouw naast mij nipte voorzichtig aan haar rode wijn, alsof het de eerste keer was dat ze blijkbaar dronk. Ze zat voorbeeldig op het stoel met haar slanke benen over elkaar geslagen. Daarentegen bleek haar partner de drank te omhelzen. Hij kon er geen genoeg van krijgen. Zweetpareltjes liepen op een gegeven moment langs zijn gezicht. Zijn donkerblauwe blazer deed hij uit en hing deze over de kunststof witte stoel. Zijn das had hij al laten zakken en zijn knopen van zijn overhemdkraag had hij al losgemaakt. Hé, Hé, dacht ik, dat lucht op. De gastheer en gastvrouw deden ook gezellig mee met de drank. Er werd gezongen en gelachen. Dat laatste gebeurde, omdat er bijna iemand wankelde die op stond van zijn stoel en zijn partner mee nam, na enig protest van haar kant, naar de dansvloer.

Er werden geen glazen meer verwijderd van de tafels, zag ik. Een schattig kleedje lag besmeurd met het kostelijke vocht in elkaar gepropt op tafel.

‘Het buffet is geopend!’ werd er gegalmd door een microfoon. Het buffet zag er fantastisch uit moet ik zeggen, toen ik in de rij had plaatsgenomen. Voor mij stond een man die een transpiratievlek op zijn licht blauwe overhemd had en ik een penetrante lichaamsgeur rook, waardoor de trek in een lekker hapje mij even werd ontnomen. Ik stapte uit de rij en ging achteraan staan, pakte een bord en nam wat lekkers van de vissalade en wat stokbrood. Toen ik aankwam bij mijn tafel waar even daarvoor vijf personen zaten, zat alleen de vrouw er nog die bijna de hele avond op het glaasje wijn zat, dat voor de helft niet was opgedronken.

‘Het buffet ziet er heerlijk uit! zei ik tegen de zwartharige, jonge vrouw, om een praatje aan te knopen.’

‘Sorry, mevrouw dat ik niet teveel heb gezegd tegen u, zei ze tegen mij, ik voel mij namelijk misselijk. Ik drink nooit alcohol. Maar mijn vriend zegt vaak tegen mij als wij ergens worden uitgenodigd: ‘Je neemt toch wel een wijntje Irene voor de gezelligheid?’

‘Eerlijk gezegd houd ik niet van alcohol, ziet u?’

Ik knikte meegaand, waar had ik dit eerder gehoord. Ik was dus niet de enige in het gezelschap die niet van alcohol hield. Alweer kwam het woord gezelligheid aan de orde.

Het was op mijn 18e verjaardag in 1970, dat er tijdens mijn verjaardagsfeest summier alcohol werd geschonken. Het was een combinatie van frisdrank en licht alcoholische drank dat in de keuken stond, zoals frisdrank, Vieux en bessenjenever. Ook was er een advocaatje en een biertje voor de mannen. Alleen als er iets te vieren viel werd er geschonken. Doordeweeks kwam de sterke drank niet aan de orde. Alcohol was een luxe in die tijd.

Ik vroeg om Coca cola, nam een slok en merkte dat er een vreemde smaak aanzat. Een neef van mij die aan de andere kant van de kamer zat moest om mijn vertrokken gezicht lachen en ik begreep meteen dat hij meer van deze kwestie afwist dan ikzelf. Toen mijn moeder uit de keuken weg was, had hij wat Vieux in de cola gedaan vertelde hij. Blijkbaar teveel, want ik voelde mij akelig worden, moest spugen en mijn feest was vergald, met als gevolg dat de gezellige sfeer was verstomd. Mijn neef kreeg een waarschuwing en ging die avond eerder naar huis dan verwacht.

Ik begreep meteen wat die vrouw naast mij voelde en gaf haar advies dat ze geen dingen moest doen die ze niet leuk vond. ‘Vertel het gewoon tegen je vriend dat je niet van alcohol houdt, vertelde ik haar. Wat is er mis met een glaasje sap?’

‘Dat vind ik nou ook zei ze tegen mij.’ Op hetzelfde moment brak er enig tumult uit op de dansvloer. De man die even daarvoor wankelend met zijn partner naar de dansvloer was gelopen, had blijkbaar een aanvaring gehad met een man op de dansvloer. Er ontstond een hevige woordenwisseling en er werd geduwd en getrokken, waardoor de aangeschoten man was gevallen.’ Enkele gasten ontfermden zich over hem en de vrouw. Ik keek weer om mij heen. Voor mij was de gezelligheid er af en had mij iets anders van het feest voorgesteld.

Ik stond op, bedankte de gastheer en zijn vrouw, die er overigens niet zo fris meer uitzagen en vertrok.

Toen ik, na middernacht, buiten de trappen afliep van het sportgebouw op weg naar mijn auto, riep ik luidkeels: ‘Wie wil er nog alcohol, het is zó gezellig!’

KLUNEN

imagesCAJX6ODU‘Klunen’

Het vroor buiten dat het kraakte. De sloot naast het huis van Cees was dichtgevroren. Hij had vorstverlet en hoefde – zolang het buiten vroor – niet te werken in de bouw. De ‘hal’ zat in de grond. Hij had de schaatskoorts. Niets hield hem vandaag nog tegen, ook zijn lieve vrouw niet. Schaatsen op natuurijs, dat wilde hij.
Met zijn Noren in een tas ging hij – warm aangekleed – met zijn fiets op weg naar zijn geboortedorp. Het was een kilometer of zes rijden van zijn huis. Eenmaal aangekomen pakte hij uit een plastic tas van de plaatselijke supermarkt zijn schaatsen en legde de lege tas op het bevroren gras langs de oever van de vaart. Hij ging zitten en deed zijn schaatsen aan. Met zijn rug zat hij tegenover het vrijstaande ouderlijk huis, waar hij ooit woonde met zijn ouders, broers en zussen. Zijn ouders waren reeds overleden en de rest van de familie woonden verspreid over het Westland. Vandaag zou hij weer 150 km gaan schaatsen had hij zich voorgenomen. Het ijs was prachtig en spiegelglad zag hij. Vrijwel direct stapte hij op het ijs en hij schaatste weg met enkele bekende dorpsgenoten in zijn kielzog die hem langszij begroeten. Hij zwaaide terug. Hij zou de zogenaamde Westland route gaan rijden. Het was alweer een tijdje geleden dat hij had geschaatst. In de twee voorgaande jaren waren het slechte winters geweest met te weinig vorst. Het ijs was zo dun dat het gevaarlijk was om te gaan schaatsen.
De afgelopen twee weken was het ijskoud buiten er soms viel er wat lichte sneeuw. Dat laatste vond hij niet prettig. Door de poedersneeuw zag je de scheuren in het ijs niet zo goed, met als gevolg dat je zou kunnen vallen. Na ongeveer drie uur te hebben geschaatst en met een bijna volle stempelkaart op zak, zag hij aan de rechterkant van de vaart een koek en Zopie kraam staan. Op een bord stond geschreven: ‘erwtensoep met roggebrood’. Daar had hij wel trek in na zo´n lange tocht. Voor de kraam stond hij stil en hij rilde van de kou.
‘Hier, pak aan man! zei de verkoper, een lekkere kop soep met roggebrood en katenspek. Het speeksel kwam hem in de mond bij het ruiken van de heerlijke kop snert. Hij ging enigszins in de luwte staan naast de kraam. Een groepje schaatsers die ook bij de erwtensoepkraam waren gearriveerd, vroegen aan hem – nadat ze ook soep hadden gegeten – waar de laatste stempelpost was. Bij het eerstvolgende dorp zei hij en ze schaatsten weg. De soep had hem goed gedaan. Hij plaatste de kom op de houten tafel in de kraam en vervolgde zijn weg.
Na verloop van tijd begon het onverwachts te sneeuwen. In de verte zag hij nog net de contouren van een kerk van een dorp. De sneeuwvlokken belemmerde zijn uitzicht.
‘Die verdraaide sneeuw ook, mompelde hij geïrriteerd, nu moet ik extra opletten voor scheuren in het ijs. Hij was moe en beet op zijn tanden. Nog even doorschaatsen.’
Eindelijk was de laatste stempelpost in zicht, maar zag dat deze houten kiosk bovenaan de kade stond. Hij moest, net als alle anderen gaan klunen. Met zijn vermoeide lijf beklom hij de route naar boven, die was voorzien van kokosmatten. Eenmaal bij de stempelpost aangekomen kreeg hij zijn ‘kruisje’ van 150 km en de laatste stempel op zijn toerkaart. Ziezo, die heb ik binnen, mompelde hij. Het is alweer tijd om naar huis te gaan.
‘Gefeliciteerd man, zei de man van de stempelpost. De laatste afstand was zeker bar en boos geweest vanwege de sneeuw?’
Jazeker, antwoordde hij de man, vooral door de dwarrelende poedersneeuw. Ik zag bijna geen hand voor ogen.’
Al pratend draaide hij zich iets te snel om en liep met zijn vermoeide benen naar beneden weer terug naar de vaart. Plotseling bleef zijn rechterschaats steken in de kokosmat en viel hij voorover op het ijs. Hij slaakte een kreet en belandde op zijn buik, waardoor hij doorgleed.
Twee schaatsers die voorbij schaatsten zagen, moesten in eerste instantie lachen om het komische gezicht, maar hielpen hem vrijwel direct overeind. Met een met pijn vertrokken gezicht greep Cees meteen naar zijn enkel. Die is behoorlijk dik, dat ziet er niet zo best uit, zei één van de schaatsers, met rode krullen die vanonder zijn zwarte pet tevoorschijn kwamen, tegen hem.
‘Hoe heet je eigenlijk? vroeg de andere schaatser.’
‘Ik heet Cees en ben met schaatsen vertrokken vanuit mijn geboortedorp een paar kilometer hier vandaan. Ik ben met mijn fiets gekomen, die ik toevallig bij mijn ouderlijk huis heb neergezet. Alleen woont daar geen familie meer.’
‘Ik heet André en die rooie daar is Ben, grinnikte hij. Wij wonen hier in de buurt. Kom, wij brengen je wel naar de dichtstbijzijnde EHBO-post en voor wat betreft jouw fiets, daar vinden wij wel een oplossing voor.’
Met z’n tweeën brachten ze hem naar een verpleegkundige van de EHBO. Bij het zien van de vrouw, moest Cees in zichzelf lachen om de struise omvang van de verpleegkundige die ook nog een paar flinke handen had. Ze kon met gemak een bouwvakker in de houtgreep nemen. Hij was maar een mager mannetje, vergeleken bij deze flinke vrouw. Ze vroeg aan zijn helpers om plaats te nemen op een paar kunststof rode, stoelen in de behandelkamer en hielp hem zelf op een brancard.
Ondanks haar grove handen maakte ze voorzichtig de veters van zijn schaats los. ‘Nu moet je voet er nog uit zei ze.’
‘Au, au, gilde hij, wat doet dat verrekte zeer zeg.’
‘Ik zie dat je een kruisje in je handen hebt mijnheer, maar voorlopig zal dat het enige kruisje zijn. Je hebt je enkel verstuikt. Voorlopig mag je je voet niet gebruiken, laat staan gaan schaatsen.’
‘Ik kan nu onmogelijk terug naar huis met de fiets,’ zei hij hardop tegen de vrouw en hij keek met een vragend gezicht richting Ben en André.
‘Komt in orde Cees, wij brengen je naar huis en leggen je fiets in de auto. Je hebt geluk dat André een stationcar bij zich heeft, anders hadden wij je fiets moeten laten staan. Iemand zou de fiets in een later stadium moeten ophalen. Dat is nu niet nodig.’

Na de verpleegkundige te hebben bedankt zei hij tegen Ben en André: ‘Het is al laat. Mijn vrouw en dochter zijn vast ongerust. Ik laat haar even weten dat wij er aan komen en wat de reden is dat ik zo laat ben.’
Hij pakte zijn GSM uit zijn donkerblauwe jack, belde haar en vertelde haar zijn verhaal. Bij thuiskomst plaatste Ben de fiets tegen het ijzeren tuinhek en hielp samen met André, Cees uit de auto. Gerda en zijn dochter Lea stonden al voor het raam te wachten.
‘Een geluk bij een ongeluk dat je net daarvoor je kruisje hebt gehaald, zei Gerda tegen Cees toen ze met z’n allen de ruime hal inliepen van de woning. De mannen knikte en beaamden dit.
‘Willen jullie soms koffie?’ vroeg Gerda aan de mannen die haar Cees hadden thuisgebracht.
‘Dat gaat er wel in mevrouw, zei de praatgrage André.’
Even later bracht Gerda de koffie de woonkamer binnen en reikte Lea een schaal met plakjes cake aan. Bedankt voor jullie hulp, zei hij tegen Ben en André, nadat ze hun tweede kop koffie hadden genuttigd en afscheid namen.
‘Deze dag vergeet ik nooit meer jongens, een welverdiend kruisje, een dikke enkel en hulp uit onverwachte hoek.’
‘Zeker weten Cees, zei rooie Ben, zo snel hij kon, voordat André iets kon zeggen. ‘Het schaatsen en klunen kun je voorlopig wel vergeten.’
Even later zag Cees de mannen instappen in de stationcar van André en sloot Gerda de donkergroene voordeur.
Het bleek geen definitief afscheid te zijn. Jaren later zijn Ben, André en Cees onafscheidelijk. Vooral als de vorstperiode zich aankondigde.

Gemma van Etten

QUILTMANIE.

10705299_842535372445025_1066571864_n

Wat heb ik mij nu weer op de hals gehaald, vroeg ik mij af toen iemand aan mij vroeg of ik lid wilde worden van een Quiltgroep. Impulsief, zoals ik ben zei ik spontaan ‘ja.’ Creatieve bezigheden zijn nu eenmaal mijn favoriet.
Tijdens mijn autorit naar huis vroeg ik mij af: ‘heb ik het beoogde materiaal en vooral de lapjes stof in huis om een Quilt te maken?
Mijn vakantie was net achter de rug en mijn ‘knip met inhoud’ was al aardig geslonken. Een ander aangemeld lid van die ochtend vertelde dat ze nog een paar overhemden van haar overleden man in de kast had liggen.
‘Daar kun je leuke lapjes uitknippen hoor, zei oprichtster Irene, mits de overhemden van katoen zijn.’
‘Dat lijkt mij leuk, zei de vrouw weer, als ik de stukken geruite stof van André zijn overhemden in de quilt verwerk is het een blijvende herinnering.’
Bij thuiskomst wist ik dat deze nieuwe hobby een dure aanslag op mijn portemonnee zou worden. Ik wierp een blik in de kledingkast en herinnerde mij opeens, dat recent manlief zijn kast had opgeschoond en zijn kleding bij een charitatieve instelling had gebracht. Achter de andere deur lag er op een plank diverse katoenen theedoeken voorzien van een ruitjespatroon. Het merendeel van de theedoeken hadden hun beste tijd gehad. Eerlijk gezegd voelde ik er niet veel voor om mijn theedoeken te verknippen en te verwerken in mijn nieuwe quilt. Aan de gebruikte theedoeken had ik niets, daar zou ik zeker spijt van krijgen als ik deze zou gebruiken. Nee, dat was geen optie.
De quiltmanie bleef mij maar bezig houden. In de namiddag telefoneerde ik met een paar vriendinnen om te vragen of ze toevallig nog stofrestanten hadden liggen. De één, die vroeger veel naaide, had haar naaimachine intussen in de wilgen gehangen en de ander had een naald en draad nooit gehanteerd.
‘En wat doe je dan als je een knoop aan een kledingstuk moet zetten, vroeg ik aan Trudy? één van mijn beste vriendinnen.’
‘Dan koop ik een nieuw kledingstuk, meid.’
‘Een dure liefhebberij, antwoordde ik haar en hing op.’
Ik wist dat Trudy koopziek was en zich niet bekommerde om lappen stof om zelf iets leuks te gaan maken.
Een paar dagen later zag ik op Internet een keur aan Quiltsites. De één nog mooier dan de andere. De week daarop zag ik de Quiltleden weer en vroeg mij af waar hun de stoffen vandaan hadden gehaald.
‘Ik had nog wat oude lappen liggen Emma, zei de één. Via familie en op de markt zei de ander. De markt, dat ik daar nou niet eerder aan had gedacht. Eerlijk gezegd heb ik nooit iets met ‘de markt’gehad. Ik heb er slechte ervaringen mee, vooral met het voordringen van verschillende passanten bij zo’n kraam.
Ik moest een paar dagen wachten op de dinsdagmarkt. Uiteindelijk besloot ik om naar de stoffenkraam te gaan. Het regende die ochtend en tussen de regendruppels door kwam ik aan bij de stoffenkraam. De man had aardig wat stoffen liggen. Er waren twee dames voor mijn beurt. Intussen bekeek ik de stoffen en had iets leuks gevonden. Een groene stof met kleine paddenstoelen. Ook een lap met diverse kleurtjes trok mijn aandacht. Terwijl ik in de buurt stond van een klant die in een verhit gesprek was met de koopman, hoorde ik haar klagen over een kraam die recent was opgedoekt. Een peuter, die bij de magere vrouw hoorde en die in een wandelwagentje zat, begon te jammeren. De man probeerde de klant uit te leggen wat de reden was van het verdwijnen van de kraam. De vrouw ratelde aan een stuk door en snoerde de man herhaaldelijk de mond. De tweede klant, begon het gesprek blijkbaar te vervelen en liep de kraam uit.
Als een braaf meisje bleef ik nog even staan en hoorde de man tegen mij zeggen: ‘ik kom zo bij u mevrouw!’
Onverwacht begon het te stortregenen en stapte ik de overdekte kraam in. Zijdelinks bekeek ik de vrouw en vroeg mij af hoelang het gesprek nog kon duren. Op een zeker moment was ik het ook zat, legde de stoffen terug op de daarvoor bestemde tafel en liep geïrriteerd de kraam uit. Mijn auto stond gelukkig dichtbij geparkeerd, maar ik kon niet voorkomen dat mijn haar en jas behoorlijk nat waren. Nu had ik nog geen stoffen.
Thuisgekomen startte ik via mijn laptop het Internet op en via nieuwsbrieven meldde ik mij aan bij diverse Quiltsites om informatie betreffende hun voorraad quiltstoffen.
Nu krijg ik regelmatig verschillende aanbiedingen van stoffen en hoef de deur niet meer uit. De leukste stoffen zijn er te koop in verschillende prijsklasse. En de portokosten vallen bij sommigen erg mee. Geen geharrewar meer met lastige mensen op de markt. Mijn quilt vordert nu gestaag. Een leuk gezicht al die gekleurde lapjes met stofillustraties. Mijn doel is een klein wandkleed te maken. Ik heb nog even te gaan. Het quilten is een manie geworden, dat is één ding wat zeker is.