Gevaarlijk

samsung-galaxy-s5-mini-black-4g-24479946

Zondagochtend zitten wij gezamenlijk aan het ontbijt. Zoals altijd legt mijn dochter haar smartphone naast haar ontbijtbord. Zij krijgt een Sms en stuurt de persoon in kwestie een berichtje terug. Ik zie dat mijn man zich er aan stoort.
‘Altijd heb je dat onding bij je of in je handen’ zegt hij.
Hij heeft gelijk weet ik. Waar je vandaag de dag ook komt lijkt het wel of het apparaat vastgebakken zit aan iemand zijn hand. Blijkbaar ben ik een uitzondering op de regel.
In het begin dat de zogenaamde mobiel op de markt kwam, kocht ik er een uit pure noodzaak. De reden was dat mijn vader ernstig ziek was. Ik wilde telefonisch de vinger aan de pols houden. Nadat mijn ouders waren overleden bleef mijn mobiel in mijn tas zitten en werd deze amper nog gebruikt. Sterker nog, soms vergeet ik het apparaat eruit te halen om hem op te laden.
‘Vanmorgen had ik wat vreemds aan de hand’ onderbreekt mijn dochter mijn gedachte. Mijn Smartphone, die nog aanstond, is onder mijn hoofdkussen terecht gekomen. Bij het uit bed stappen rook ik een verschroeide lucht. Ik schoof mijn kussen opzij en zag mijn Smartphone liggen waar die geur van af kwam.
‘Weet je wel dat je geluk hebt gehad. De Smartphone had oververhit kunnen raken met alle gevolgen van dien. In het ergste geval had er brand uit kunnen breken’ zei ik.
‘Weet je dat ik er mesjogge van word van die telefoon’ zei mijn man weer.
‘Doe hem voortaan uit en leg de Smartphone op je nachtkastje. Een ongeluk kan gevaarlijk zijn sloot ik het gesprek af. Ze knikte.

 

Advertenties

Campinggasten

626px-Camping_Flumet_F.jpg

 

 

‘Doet u mij nog maar een kop koffie?’ zei Leon. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen droog. De barman van de kantine bracht hem zijn tweede kopje. Voor het zesde jaar kwam hij op deze camping en vertoefde er soms drie weken.

In Utrecht, de stad waar hij vandaan kwam, was het altijd druk. Vooral in de zomer als de toeristen gingen varen in de grachten. Hij hield van de stilte. Als het hoogzomer was en de zon scheen rook je soms de uitlaatgassen van de auto’s, waardoor hij dan hoofdpijn kreeg.

Nee, hier op deze camping had hij het prima voor elkaar. Het was wel een aardig eindje tuffen met zijn auto, maar dan was hij op het Franse platteland. Hij sprak de taal. Dat moest wel. Stel je voor dat hij onderweg pech zou krijgen. Hoe moest hij zich dan verstaanbaar maken.

Er was ook een campingwinkel voor de broodnodige boodschappen. De camping had geen vaste staanplaatsen. Het was elk jaar een verrassing wie er dan naast hem kwam staan.  Vaak trof hij het met zijn buren, maar een enkele keer ook niet. Hij nam het dan maar voor lief.

Zijn toercaravan stond er nu bijna een week. Gisteren was er een stel van middelbare leeftijd aangekomen met opgeschoten pubers. Hij had de jongens geobserveerd. Aan hun lichaamstaal te zien beloofde het niet veel goeds. Het waren twee rauwdouwers.

Enfin, hij stond er nu eenmaal en moest de situatie maar nemen zoals het was.

Voor alle zekerheid had hij zich aan hun voorgesteld.

‘Hallo ik ben Leon’ had hij gezegd op een vriendelijke toon.

‘Theo en Joke van Vliet’ uit Schiedam, antwoordde ze en dit zijn Jos en Mik, onze zoons.’

‘Hoelang staat u hier al? vroeg Joke meteen aan hem.

‘Krap een week’ had hij geantwoord.

‘Eigenlijk staat u op onze favoriete plek van vorig jaar’ zei ze weer.

Meteen gingen de alarmbellen rinkelen bij hem. Die lui willen natuurlijk mijn plek inpikken.

‘Elk jaar sta ik op een andere plek op de camping’ zei hij weer. Niemand heeft hier een vaste plek, vandaar. Hij zag dat Theo nogal nors naar hem keek.

‘Als het goed is heeft u van de eigenaar het huishoudelijk reglement gekregen.’

‘Wilt u trouwens een kopje koffie bij mij drinken?’ had hij hun aangeboden om de pijn iets te verzachten.

Maar daar gingen ze niet op in. ‘Ze moesten hun spullen nog uitpakken’ hadden ze tegen hem gezegd.

Een bedankje kwam er niet af. Net op het moment dat hij wilde teruglopen naar zijn caravan, zei een van de jongens: ‘Hoe lang blijft u hier nog?’

‘Nog twee weken’ zei Leon eerlijk. De jongen gaf geen antwoord meer en liep weg.

Bij binnenkomst had Leon er geen goed gevoel over de nieuwe campinggasten. Vorige jaar stond hij op een andere plek met naast hem een jong stel met een baby. Ze hadden een leuk contact met elkaar. Zo leuk dat hij in de veronderstelling was dat hij het dit jaar weer zou treffen. Die middag liet hij zich niet meer buiten zien.

Eigenlijk was het te zot voor woorden dacht hij, toen hij zijn eten opzetten. Hij moest toch kunnen gaan en staan waar hij wilde. Het was zeker niet de bedoeling om zichzelf op te sluiten in zijn caravan vanwege campinggasten.

De volgende ochtend hoorde hij een hoop lawaai. Het leek wel op een voetbal. Die Jos en Mik waren nota bene naast zijn terrasje aan het voetballen, waardoor de voetbal af en toe onder de tuintafel kwam.

‘Niks tegen de jongens zeggen Leon’ mompelde hij in zichzelf. Zo dadelijk Krijg je mot met die lui. Dat was het laatste waar hij op zat te wachten. De volgende dag was het weer hetzelfde ritueel. Nu moest hij er iets over zeggen of hij het nou leuk vond of niet. Hij kon niet eens rustig zijn krantje buiten lezen. Tot twee keer toe was de bal op zijn terrasje gekomen.

‘Zeg jongens zouden jullie bij jullie caravan willen voetballen?’ ik kan hier niet eens rustig.’

Ze zeiden niet en dropen beiden af met een gezicht als een oorwurm, zag hij. Hij zag Theo even later naar buiten komen. Een van de jongens sprak met hun vader. Leon voelde zich daardoor ongemakkelijk. Eigenlijk wilde hij dit geharrewar niet. Deze mensen waren niet erg toegankelijk had hij gemerkt. Hij was allang blij dat Theo op zijn terrasstoel ging zitten. Toch was hij er niet gerust op.

De dag daarna was het weer zover. Volgens mij pesten ze mij hier weg. Hij stond meteen op en liep naar de campingeigenaar toe. De man was gelukkig aanwezig en zat achter zijn bureau. Leon legde uit wat er de afgelopen twee dagen was gebeurd.

‘Het is goed dat u dit meldt Leon. Vorig jaar waren dezelfde  mensen ook niet al te vriendelijk tegen een echtpaar die naast hun stond. Ik heb het toen even aan gezien. Als het weer gebeurt Leon, dan roep je mij maar?’

Alsof de duvel er mee speelde was het stel met hun zoons blijkbaar een dagje weggegaan. Maar de ochtend daarna was het weer raak. Tijdens het kopen van zijn krantje vertelde hij tegen de eigenaar dat hij de indruk kreeg dat hij werd weggepest.

‘Toen die lui net arriveerden zeiden ze tegen mij dat mijn plek hun favoriet was.’

‘Ze kunnen blijkbaar het huishoudelijk reglement niet lezen’ denk ik zo. Ik loop gelijk met je mee.’

Na een heftige woordenwisseling tussen het stel en de eigenaar verzocht hij het echtpaar en hun zoons dat ze meteen moesten vertrekken. Nadat de mensen waren vertrokken was het weer rustig.

Het weekend was voorbij. De volgende ochtend ging Leon verse broodjes halen bij de supermarkt. Daar trof hij ook de eigenaar aan van de camping. ‘Zeg Leon, vanmiddag komt er een ouder echtpaar naast je staan. Als trouwe campinggast heb ik er speciaal voor gezorgd dat deze mensen naast je komen te staan. Ze zijn rond de tachtig en hebben maar een zoon.

‘Ik hoop dat die zoon niet van voetballen houdt’ antwoordde Leon met matte toon. De campingeigenaar zag dat Leon zijn gezicht boekdelen sprak.

‘Je hoeft niet bang te zijn voor overlast hoor. Die zoon van het echtpaar dat ben ik.’

‘Dat is een goeie grap’ zei Leon tegen hem. Samen moesten ze om het antwoord lachen.

 

 

 

 

 

Een barre tocht

regenboog-en-trein-centrum-den-haag-groot

Vorig jaar vertrokken Oscar en Sanne met hun dochter Lotte met de NS naar Italië. Ze hadden een vakantie geboekt via NS-Travel. De autoslaaptrein bleek een goede optie, vooral met een kind. Nadat hun auto aan boord was gegaan, stapten ze in de trein. Door een storing was Den Bosch niet te bereiken werd er halverwege de rit omgeroepen.

‘Hebben wij dat weer? mopperde Oscar tegen Sanne. Wij zijn zojuist vertrokken en hebben nu al stagnatie. Nu kunnen wij niets anders doen dan wachten, gaf Sanne als antwoord. Het vervelendste vind ik het voor Lotte, zei ze weer.

‘Welnee, die zit lief te spelen met haar knuffel meid, kijk maar.’

Na een half uur zette de trein zich weer in beweging.

De tocht naar Italië was schitterend, doch vermoeiend. De airco werkte prima. Dat was een meevaller. Bij het uitstappen in Bologna voelde Sanne alsof er een warme deken om haar heen werd gelegd. Het was behoorlijk warm. In de schaduw was het nog 35 graden. Het wachten was nu op hun auto. Helaas werd deze niet door derden uit de terminal gereden. Ze moesten eerst wachten totdat de wagons met de auto’s aan de terminal werd aangeschoven om vervolgens zelf hun auto eraf te rijden. Het duurde nog een tijdje voordat alle auto’s eruit waren gereden. Lotte stond intussen aan de hand van Sanne te wachten totdat haar vader met de auto aankwam.

‘Weet je dat ik nu al moe ben van die hitte en van de auto ophalen. Mijn overhemd plakt aan mijn rug vast’ zei hij tegen zijn vrouw.

‘Kijk eens naar Lotte, die maakt zich niet druk. Ze houdt zich gelukkig rustig. Kom laten wij gaan we moeten nog twintig minuten rijden naar het hotel.’

Na een zorgeloze vakantie van twee weken gingen ze weer huiswaarts. Oscar moest hun auto weer parkeren in de terminal en daarna nog twee uur wachten op het perron om alvorens te vertrekken met de trein.

‘Het vervelendste is het wachten’ zei Sanne tegen Oscar. Daar gaat zoveel tijd inzitten. Tijdens onze boeking hebben ze niet gezegd dat wij zolang moesten wachten.’

Oscar knikte.

Nu moesten ze hun coupé nog zien te vinden. Bij navraag aan een jonge vrouw vonden ze uiteindelijk hun slaapcompartiment. Door de autorit was Lotte in slaapgevallen. Sanne legde haar neer op de slaapbank. In de coupé was het net zo warm als buiten. Sanne had in de folder gelezen, dat er in de trein airco was. Dat was wel het geval op de heenreis. In deze trein was niet te voelen. Het vocht gutste van haar hoofd af. Ze hadden een geluk dat Lotte een kind was dat zich gemakkelijk aanpasten. Het grootste gedeelte van de vakantie zaten ze bij het zwembad of bij de zee. Dat gaf verkoeling.

‘Hopelijk wordt het wat koeler als de trein gaat rijden’ zei Oscar die als laatste de coupé instapte.

Het bleek ijdele hoop te zijn. Het werd niet koeler eerder warmer. De airco werkte blijkbaar niet.

‘Ik doe eerst even een raam open?’ Sanne.

‘Dan ga ik op zoek naar een toilet’ en ze liet de schuifdeur van de coupé open staan. De eerste toilet die ze tegen kwam zat op slot.

‘Hoe kan dat nou?’ vroeg ze zich af. Lopende langs de coupés zag ze reizigers zitten die er net zo afgemat uitzagen dan zij.

‘Waar is verdorie toch die andere toilet, mompelde ze. Eindelijk vond ze er een. Het was toch van de zotte dat ze bijna een half treinstel door moest lopen om naar een toilet te gaan. Een slechte zaak vind ik dit, dacht ze. Voordat ze weer terugliep naar haar eigen compartiment, hield ze nog een tijdje haar polsen onder de kraan voor enige verkoeling.

Na het middagslaapje van Lotte liepen ze met z’n drieën naar de restauratie. Ze hadden gehoopt daar wat verkoeling te vinden. De enige verkoeling die ze hadden was een drankje. De ramen konden niet open en om de gordijnen dicht houden was geen optie. Een paar reizigers lagen in katzwijm op de banken. Oscar werd er chagrijnig van alsook sommige andere treinreizigers. Bij het weggaan ging men niet meer voor elkaar opzij in de lange paden van de trein.

‘Van mijn levensdagen ga ik niet meer met de trein’ zei Oscar tegen Sanne toen ze weer in hun coupé waren gearriveerd. Kijk nou eens naar Lotte. Onze dochter zwemt nu in haar kleding. Zodra wij weer in Nederland zijn stuur ik de NS een brief. Ik vind het absurd dat de airco kapot is.’

Ze knikte en had het ook moeilijk in deze omstandigheden. Ze zaten nota bene nog in een eersteklascoupé.’

De nacht was bijna ingevallen. Het voelde iets koeler aan door het open raam. Overdag hield hij dit raam steevast dicht. Buiten was het net namelijk net zo warm als binnen.  

De reis zat erop. Met een onfris gevoel reed de trein Den Bosch binnen. Nu moesten ze weer wachten op hun auto.

Een man, die het blijkbaar ook zat was, duwde tegen Oscar aan om uit te stappen.

‘Ga eens opzij man, ik wil eruit. Dit is verdomme de eerste en de laatste keer dat ik met de NS op reis ga. Wat een vreselijke rit was dat vanuit Italië.’

Oscar zei niets. Bijna iedereen zag er verhit uit en bij het minste geringste vloog de vlam in de pan.

Iemand riep: ‘dat hij het maar van de zonnige kant moest bekijken’ waarop de obstinate man link naar de persoon in kwestie keek die dit had gezegd. Snel maakte de persoon zich uit de voeten. Je wist maar nooit hoe hij zou reageren.

‘Ik wil mij even opfrissen alvorens wij naar huis gaan?’ vroeg Sanne aan Oscar en dat geldt ook voor jou en Lotte. De kleding plakt aan onze lijven. Hotel Nuland Van der Valk ligt dichtbij den Bosch. Daar wil ik naar toe? vroeg ze bijna wanhopig. Ook kunnen wij daar een hapje gaan eten.’

‘Dat lijkt mij een goed idee vrouw.’ Ze stapten in de auto en vervolgde hun weg. De volgende dag stuurde Oscar een boze brief naar de NS. Helaas was het antwoord negatief. Hun antwoord was ‘onmacht.’ Door dit antwoord had hun vakantie een wrange nasmaak gekregen.

 

Vlassig haar

68774-wat-doen-tegen-kaalheid-of-haaruitval

 

 

Het was druk in het bruine café. Alle klaverjassers waren aanwezig alsook andere klanten.

Jan kwam binnen en nam zoals gewoonlijk plaats aan de leestafel en bestelde koffie bij Joep.

Nel, de vrouw van Joep was ook aanwezig. Hij bracht hem zijn koffie.

Ze liep in zijn kielzog met de koektrommel in haar hand.

Nel was een kop groter dan haar man en keek bovenop zijn kruin.

Onverwachts ging ze met haar vingertoppen door het beetje haar dat Joep nog had.

 

‘Je wordt kaal man!’ zei ze.

 

‘Zet je mij nou voor gek Nel bij al mijn klanten? antwoordde hij.

 

‘Ik ken iemand die een middeltje heeft tegen kaalheid. Het schijnt te helpen.

Ik zal eens aan haar vragen waar ze dat middel heeft gekocht, zei ze weer.’

 

Enkele klanten hoorden haar opmerking en moesten lachen.

 

‘Ja Joep je wordt inderdaad kaal man. Bovenop ligt er nog wat vlassig haar.

Nog even en je wordt zo kaal als een biljartbal, riep magere Karel vanaf de bar.

 

De ene opmerking na de andere passeerde de revue.

Er kwam onverwachts leven in de bierbrouwerij merkte Jan. Een klaverjasser bij het raam begon plotseling te roepen: ‘Waar geen haar zit,

zitten hersens Joep.

 

‘Nel! zei Joep met een hoofd als een rode biet: ‘Wil je voortaan je mond houden.

Ik sta voor gek. Je ziet wat ervan komt.’ Hij stond meteen op en liep naar zijn bar.

 

‘Wat vind jij ervan? Hein, vroeg hij aan de man die op een barkruk voor de bar zat.

 

‘Mijn vrouw Alie heeft ooit gezegd, dat een dopje Pokon wonderen doet.’

 

‘Begin jij nu ook al! Ik voel mij door iedereen in mijn kuif gepikt.’

 

‘Ik maak maar een geintje Joep. Trouwens je hebt helemaal geen kuif.’

Je weet toch dat Pokon een groeimiddel is voor kamerplanten.’

 

Joep zag er werkelijk de humor niet van in, zag Jan.

 

Nel hoorde het relaas van Hein eens aan.

‘Sommige middelen zijn wel goed voor je haar. Als je je haren wil laten glanzen gebruik

je een geklutst ei, die je vervolgens door je haar smeert. Na het uitspoelen glanst je haar

als nooit tevoren.

Ook is bier een goede haarversteviging om stijl haar te laten krullen.

Mijn moeder doopte papillotten in het bier en draaide deze in mijn haren.

Kortom er zijn haarmiddelen zat.

 

‘Nou Nel, doe ons dan maar een rondje haarversteviger, riep een van de klaverjassers.

Zonde om bier voor je haren te gaan gebruiken. De klanten schaterden het uit van het lachen.

 

Nel liep terug naar Joep en pakte onverwachts zijn hoofd vast met haar beide handen.

Ondanks je vlassige haar blijf jij mijn eigen kale neut, zei ze.

Ze gaf hem een zoen op zijn schedel.

 

‘Dat vind ik nou eens humor, riep Jan vanaf zijn leestafel.

 

‘Mijn vrouwtje, heeft voor elke kwaal wel een oplossing mensen, antwoordde Joep.

Ze is een geboren onderneemster.’

 

 

De leukste thuis

ETALAGESTAANDER ETAST4-5P
ETALAGESTAANDER ETAST4-5P met Cogan solaire

 

 

Samen met mijn dochter gaan wij bij een opticien naar binnen. Op verzoek van de diabetesverpleegkundige moet ik foto’s laten maken van mijn ogen. Er wordt ons een stoel aangeboden omdat ik nog niet aan de beurt ben. Rondom in de winkel hangen diverse brilmonturen. Mijn dochter is geïnteresseerd in enkele exemplaren. Ze past er een paar. Een ervan vind ze erg leuk. Het donkerblauwe montuur staat haar erg goed moet ik toegeven.

‘Zal ik deze kopen? vraagt ze onverwachts aan mij. Maar dan met vensterglas.’

Ik ben stomverbaasd dat ze dit zegt en antwoord: ‘Weet je wel hoe duur die monturen kunnen zijn.’

Even later krijgen wij koffie aangeboden en komt ze weer naast mij zitten. Er komt een mevrouw de winkel binnen die aan mij vraagt of ze naast ons aan tafel plaats mag nemen. Ik knik en zeg ‘Jazeker er is nog een stoel over.’

De Hindoestaanse vrouw neemt plaats. Ze moet glimlachen om mijn dochter die weer opstaat en alsnog haar favoriete montuur opzet.

‘Deze vind ik toch de mooiste mam.’

De vrouw zegt tegen mij: ‘Uw dochter staat blijkbaar alle brilmonturen zo te zien. Ze zou eventueel model kunnen lopen op een catwalk.’

Ik moet er om lachen en ik zeg: ‘Thuis heeft ze ook een aantal hoeden. Die staan haar ook erg leuk. Ze is een type die vrijwel alles staat.’

Ik zie mijn dochter kijken naar het prijskaartje. Ze zegt niets. Ik weet wel beter. Ondanks ik tot heden zelf geen bril heb, weet ik dat sommige monturen erg duur kunnen zijn. Laat staan een montuur met geslepen glas.

Onverwachts word ik binnengeroepen bij de opticien die mijn ogen druppelt. Ze zegt dat ik nog even een half uur moet wachten alvorens ze mijn ogen na kan kijken. Als ik de winkel weer binnen loop, hoor ik mijn dochter zeggen tegen een verkoper dat ze ooit elders een oogmeting heeft gedaan. De uitslag was toen: min 25. Ik ben verbaasd en vraag haar even later hoe ze aan die wijsheid komt.

‘Een jaar geleden heb ik mijn ogen laten meten bij een opticien die aanwezig was op de auto RAI in Amsterdam’ vertelt ze aan mij.

‘Dat is voor het eerst dat ik dit van je hoor’ zeg ik weer. Verder ga ik niet meer op de kwestie in. Het half uur is inmiddels voorbij en ik moet weer terug naar binnen. Na een klein onderzoek van mijn ogen blijkt de uitslag goed te zijn. Ik hoef geen bril aan te schaffen. Dat is gelukkig al die jaren het geval. Even later stappen mijn dochter en ikzelf de winkel uit.

‘Mam? Ik heb alsnog een afspraak gemaakt met de verkoper’ zegt ze terwijl wij naar de auto lopen. Ik wil zo graag dat leuke montuur, maar dan met vensterglazen.’

‘Als je geen bril nodig hebt, heeft het geen zin om voor de grap een montuur aan te schaffen. Dat is een behoorlijke aanslag op je portemonnee, meisje en het wordt niet vergoed door de zorgverzekeraar.’

‘Ook heb ik intussen een foto gemaakt van mijzelf met mijn Gsm compleet met montuur. Ik heb de foto doorgestuurd naar twee vrienden.’

Ik weet niet meer wat ik moet zeggen. Wij stappen in de auto en rijden naar huis. Over het montuur wordt niet meer gesproken.

De volgende ochtend tijdens het ontbijt zegt ze onverwachts tegen mij: ‘Het is toch wel een groot bedrag voor dat leuke montuur met vensterglas.’

‘Hoeveel kost het montuur dan? vraag ik quasi nieuwsgierig aan haar. Ze noemt mij het bedrag.’

‘Ben je de leukste thuis!’ antwoord ik meteen.

‘Ik vind het achteraf ook erg prijzig. Ik denk dat ik zo dadelijk mijn afspraak maar annuleer mam.’

 

Ik knik en slaak een zucht van verlichting. Waarschijnlijk heeft ze over deze materie een nachtje geslapen.

‘Bijna twijfelde ik aan je verstand’ zeg ik gekscherend tegen haar. Wij moeten samen hard lachen om mijn antwoord.

 

 

 

 

Beter een goede buur……..

paniek700.jpg

 

 

De voorjaarsvakantie stond weer voor de deur. Henriëtte wist van enkele buren dat ze spoedig op vakantie zouden gaan. Haar gezin bleef thuis. Soms maakten ze dagtrips, maar daar bleef het dan ook bij. Eén keer per jaar gingen ze op vakantie. Dat was tijdens de zomervakantie.

Ze wist dat binnenkort de buren langs zouden komen om haar te vragen of ze voor hun weer enkele hand- en spandiensten wilden doen.

‘Ach, Henriëtte, zou jij voor de kat, de post en de planten willen zorgen? Ze had daarvoor ooit haar toestemming gegeven. Ze deed dit inmiddels al jaren. Dat gold ook voor de overburen die in hun tuin een ijzeren kooi hadden staan met daarin twee nertsen. Prachtige dieren om te zien. Wel bijtgraag had ze op een keer gemerkt. Bijna was ze haar vingertop kwijtgeraakt. Nee, voor deze dieren moest ze oppassen. Ook had het jonge stel een konijn, een zogenaamde Vlaamse Reus, die met zijn tanden een deel van het hok kapot had gebeten. Kortom, elk jaar was het weer een hoop gedoe en gestress had ze gemerkt.

‘Ik begin er tegenop te zien’ Ron, had ze tegen haar man gezegd, die op het punt stond om naar zijn werk te gaan.

‘Je kunt toch tegen de buren zeggen dat je het niet meer wilt doen’ antwoordde hij.

‘Ik doe dit al jaren. Ze zullen mij dit niet in dank afnemen, weet ik.’

‘Het enige dat wij dan kunnen doen is gaan verhuizen Henriëtte’ grapte hij en trok de voordeur achter zich dicht, haar met een mond vol tanden achterlatend.

Kachelhout

1-653x472

 

 

Een van mijn favoriete woonbladen valt op de deurmat. Soms sta ik er versteld van over de diverse woontrends. Er is een keuze uit diverse houtsoorten voor meubels. De trend voor 2016 zijn ook koperen- en bronzen artikelen. Vooral zie je dit terug in lampen, schalen en vazen. Er staan design interieurs in van betaalbaar tot onbetaalbaar. Ook zijn de aardetinten favoriet. Bruin, groen, wit en grijs zie je terug. Persoonlijk heb ik niets met aardetinten, althans niet in mijn interieur. Ik vind ze saai Ze zouden mij gauw gaan vervelen. Ik houd namelijk van kleur. Warme tinten spreken mij aan.

Vergeleken met de vijftig en zestiger jaren, waar het meubilair op elkaar was afgestemd is er veel veranderd. De eethoek van een bepaalde houtsoort, moest perfect bij de kast, salontafel en bijzettafels passen. Vandaag de dag is het mogelijk om een antieke kast in de woonkamer te plaatsen met daarnaast strakke designmeubelen. Ook maakt de kleur of de houtsoort niet meer uit. De een kiest nu eenmaal voor een minimalistisch en sober interieur, terwijl de ander voor kleurrijk huis kiest.

De muren en wanden, die ooit werden behangen of gestukadoord worden niet of nauwelijks nog afgewerkt. Wil je een industriële look dan kies je voor een onafgewerkte betonnen muur of vloer, of een gemetselde wand.

Woonaccessoires zijn er te kust en te keur. Gemaakt van verschillende materialen. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het is er. Jan des Bouvrie, een bekende binnenhuisarchitect, vertelde ooit in een woonprogramma waar hij werd geïnterviewd, dat hij een hekel had aan teveel accessoires in een woning. Hij vond dat overbodige rommel, zoals teveel sierkussens, sfeerlichtjes, vaasjes en andere prullaria.

In diverse woonbladen leer je kijken naar diverse stijlen van inrichting of je het nu mooi vind of niet. Op een bepaalde pagina word ik onrustig van de hoeveelheid aan tierlantijnen die aan de muur hangen en die her en der staan in bepaalde ruimtes.

Het geheel oogt rommelig. Zoals het spreekwoord luidt: Over smaak valt nu eenmaal niet te twisten.

Op pagina 107 zie ik een lange eetkamertafel staan. Het tafelblad bestaat uit blanke steigerplanken. Een ontwerp van Piet Hein Eek. De man is een befaamde meubelontwerper/designer. Helaas voor hem kan ik het niet mooi vinden. De tafel oogt goedkoop. Ook ziet het geheel er niet praktisch uit. De planken zijn ruw en niet geschuurd. Je zou je handen aan de oneffenheden van het hout kunnen openhalen. Voor mij is het rijp voor de houtkachel, mompel ik en leg het woonblad terzijde.

 

Zomerperikelen

464746.jpg

 

Toen Debby aan kwam lopen op de boulevard zag ze dat serveerster José druk doende was om de tafels schoon te maken op haar favoriete terras. Het was het begin van de zomer. Als ze naar het strand wilde gaan, ging ze meestal vroeg op pad. Voordat ze het strand opging dronk ze steevast koffie bij José, die ze inmiddels al jaren kende.

‘Hallo José’ zei ze tegen haar bij aankomst.

‘Dag Debby, wat leuk om je weer te zien. Het terrassenseizoen is alweer begonnen.’

‘Jazeker’ zei ze.

Na het gesprek liep Debby naar binnen in het restaurant om te zien of er al bekende klanten waren. Ze keek in de rondte, maar zag geen bekenden zitten. Alleen een zonderling persoon. Ze liep weer naar buiten en zag dat er intussen twee tafeltjes bezet waren.

Ze bestelde een cappuccino, die José even later bij haar bracht voorzien van een speculaasje. Ze pakte het melkkuipje van de schotel. Die kuipjes waren vaak lastig om open te maken. Op het moment dat ze het probeerde, stond de zonderlinge figuur onverwachts voor haar tafeltje. De vrouw vroeg aan haar of ze bij haar aan tafel mocht komen zitten.

Verbaasd keek ze haar aan. Er waren nog volop tafeltjes vrij. Ze begreep werkelijk niet waarom deze vrouw niet voor een ander tafeltje had gekozen.

Omdat ze werd overrompeld door haar vraag, gaf ze als antwoord: ‘Deze stoel is nog vrij!’

Wat had ze nou gezegd! bedacht ze zich opeens. Meteen kreeg ze spijt van haar antwoord.

De vrouw nam plaats. Ze keek haar aan. Een mager type van een jaar of veertig. Ze droeg een knot in haar haren. Haar gevoel zei haar, dat het een type vrouw was die haar zou claimen met een gesprek.

Opeens werd ze boos op zichzelf. Waarom trok ze dit soort mensen toch regelmatig aan. Vaak gebeurde dat als ze weleens alleen op pad ging.

Direct stak de vrouw van wal zonder zich aan haar voor te stellen. Zou ze een tafeltje  verderop gaan zitten, vroeg ze zich af? Helaas was ze te beleefd om dit te doen. Ze nam een slok van haar cappuccino. Het werd drukker op het terras. De vrouw had dit ook gemerkt.

‘Moet je nou eens kijken? zei ze. Volgens mij zijn die jonge mensen die daar zitten werkloos.’

Ze vond het maar een vreemde opmerking.

‘Dat kunt u toch niet zeggen’ zei ze enigszins verontwaardigd. U kent die mensen niet eens.’

‘Jawel!’ antwoordde ze. Ik ken die vrouw die in de hoek van het terras zit. Dat is de tandartsassistente van mijn tandarts. Vorig jaar rond deze tijd heb ik haar op dit terras ontmoet. Ik raakte met haar in gesprek net als met u. Toen vertelde ze mij dat ze tandartsassistente was. Omdat ik een tandarts zocht, heb ik mij ingeschreven bij haar werkgever. Ze is al enige tijd zonder werk heb ik gehoord. Kijk daar zit ze!’ en ze wees met haar wijsvinger.

Wat een brutaal mens. Zocht ze soms naar aandacht of zo? De jonge vrouw waar ze naar wees had het gelukkig niet in de gaten.

‘Waarom doet u dat?’ mevrouw. Wijzen naar iemand is onbeleefd. Ze kreeg meteen een hekel aan haar. Het liefste zou ze meteen weglopen.

Op hetzelfde moment kwam serveerster José weer aangelopen en vroeg aan de vrouw wat ze wilde drinken?

‘Doet u mij maar een vieux? zei ze.

Een vieux op de vroege ochtend. Die zet er de vaart in, mompelde ze.

José gaf haar een knipoog. Blijkbaar was ze het met haar eens dat de vrouw wel erg vroeg aan de sterke drank was.

‘Ik neem nog een tweede cappuccino José?’

‘De bestelling komt eraan Debby!’ en ze vertrok.

‘Ze is ontslagen, volgde de vrouw haar gesprek, omdat ze soms wat fouten maakten. Ook bij mij ging er bijna iets fout. Er ging iets niet goed met een stifttand.’

Het mens ratelde maar aan een stuk door. Ze wilde het verhaal niet meer aanhoren. De vieux en haar cappuccino waren gelukkig in aantocht, zag ze.

José zetten het op het tafeltje neer en ze betaalde haar rekening.

‘Zo dadelijk vertrek ik weer José. Wij zien elkaar wel weer.’

Toen José wegliep naar een andere klant, probeerde ze haar melkkuipje te openen. Ze trok onhandig het dekseltje er vanaf. Het kuipje schoot meteen uit haar handen en belandde met de koffiemelk op de rok van de kletskous.

Ze schrok ervan, maar corrigeerde zich. Meteen stond ze op, griste haar strandtas vanonder de tafel vandaan en zei bits tegen de vrouw die haar verontwaardigd aankeek: ‘laat uw rok maar stomen op mijn kosten!’ Natuurlijk meende ze dat niet. Het incidentje kon haar helemaal niets schelen. Eigenlijk was ze verlost van de betweterige vrouw. Ze rende gierend van het lachen het terras af en verdween tussen het publiek op de boulevard. De vrouw in verwarring op het terras achterlatend.

 

 

Haags vertier

Haagse-Kermis-2

 

 

Wat voor Amsterdam het Vondelpark is, is voor Den Haag het Malieveld. Een uitgestrekte vlakte waar kermissen waren, protestacties, circussen en dergelijke. Mijn ouders hadden simpel weg niets met kermissen. Je krijgt alleen maar rommel voor je zuurverdiende geld had moeder gezegd. Ze had gelijk. Vandaag de dag is er niet veel veranderd op kermissen. Ooit hoorde ik een kermisexploitant zeggen tegen een collega. Die fles champagne die een eventuele winnaar krijgt daar krijg je hoofdpijn van. Ik noem het hoofdpijnchampagne. Ik wist genoeg.

Toch herinner ik mij dat ik samen met mijn vader en jongste zus slechts één keer als jong kind de kermis hebt bezocht. Later in mijn pubertijd ging ik met vrienden naar de kermis toe. Ondanks al dat vertier had ik er niet veel mee. Het bezoek bleef maar bij twee keer. Ook viel het ons op dat de attracties steeds dezelfde waren en hielden het op een gegeven moment maar voor gezien.

Er liepen veel luidruchtige klanten rond. Toch was de kermis in die saaie vijftig- en zestiger jaren voor de meeste mensen een verademing.

Bij aankomst bij het Malieveld, samen met een paar vrienden, kwam het lawaai ons al tegemoet. Het leek erop dat heel Den Haag uitliep om naar het spektakel te gaan. Het was een mierenhoop van mensen. Bij binnenkomst rook ik een mengsel van gebakken vis, oliebollen en een vleugje suikergoed. Bij een kraam hing zoveel verschillend snoep dat wij na afloop van de kermis met een zuurstok naar huis toe gingen. Ook was de suikerspin erg in trek.

Het was toen een sobere tijd. Snoepgoed was thuis bij de meeste mensen buiten kijf. Alleen tijdens Sinterklaas kreeg ik een suikerbeestje en een snoepsigaartje. Daar kon ik het als kind  mee doen. Toch was ik nooit ontevreden. Wij wisten niet beter dan dat dit zo hoorde.

Ondanks de meeste mensen, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, nog geen cent te makken hadden, keek men op de kermis  niet op een dubbeltje. De flikkerende lichten en loeiharde microfoons kwamen je al tegemoet bij aankomst.

Met vrienden ging ik het beruchte spookhuis in. Wij stapten in een van de karretjes die een donkere ruimte inreed. Ik hoorde het geschreeuw van een heks, zag een paar skeletten voorbijkomen en raakte even verstrikt in een paar lange slierten die rakelings langs mij kwamen. Wij schreeuwden en lachten. Voor dat wij het wisten reden wij door een klapdeur heen en sprongen het wagentje uit.

Tijdens een ritje in de botsauto’s botste mijn duopassagier steevast tegen elk autootje die hij maar tegenkwam. Na afloop was mijn tand door mijn lip gegaan. Toch nam ik dit alles maar voor lief. Verderop stond een corpulente vrouw op een podium, waarvan ik de naam niet meer weet. Ze had een behoorlijke omvang, brede armen en bovenbenen, waar menig worstelaar jaloers op zou zijn.

Ik rook oliebollen, maar dat bleken poffertjes te zijn. Met z’n allen smulden wij van deze lekkernij in een grote tent waar lange banken met tafels stonden.

Een van de jongens wilde naar de schiettent gaan en wij gingen mee. Conny, een van mijn vriendinnen vertelde dat haar broer had gezegd dat de loop van zo’n buks krom was, waardoor je niet rechtuit kon schieten.

‘Wat een verlakkerij!’ zei Ron. Toch wil ik het proberen.’

Er stonden een zestal buksen op een rij. Ze waren geladen met kleine kogeltjes. Ron schoot twee keer op een witzwarte schijf waarvan de tweede keer bijna raak was. Als dank kreeg hij een plastic voetbalfluitje, die hij vervolgens aan een joch gaf die met zijn ouders langs de schiettent liep.

‘Wat moet ik met zo’n stom fluitje, zei hij tegen ons. Zonde van mijn geld.’

Touwtje trekken leek mij wel wat. Ik had gehoopt op een leuke beer die ergens in een hoek van de kraam hing. Het bleek een miezerig poppetje te zijn die ik kreeg. Voor mij was de lol er ook af. Het vlooientheater, de muizenstad en het spiegeldoolhof lieten wij links liggen.

In de verte hoorden wij geronk van motoren. Het bleken brommers te zijn van passanten die op eigen risico voor een klein bedrag tegen een steile wand konden crossen. Het was een spektakel moest ik zeggen. Arnoud, een van de vrienden bleef maar kijken. Soms ging het net goed tot op het moment dat een jongen van zijn brommer afviel en deze bovenop hem viel. Wij bleven er niet naar kijken, maar hoorde even later een ambulance aankomen rijden met zijn sirene aan.

‘Dat zal vast voor die jongen zijn’ zei ik.

Twee van ons gingen de achtbaan in waar gillende personen inzaten. Ik had hoogtevrees en ging voor geen goud mee. Na afloop vertelde Conny en Ron dat ze een prachtig gezicht hadden over de stad met de Haagse toren.

De draaimolen voor de allerkleinsten vond gretig aftrek. De houten paarden waren prachtig.

Bij het naar huis gaan lag het gras, of wat er nog van over was bezaaid, met papieren bekers, snoepwikkels, flesjes, entreekaartjes, stokjes van de suikerspin en andere papierwaren. Ook afgehapte worstenbroodjes zag ik liggen. De gemeentereiniging had heel wat te doen na afloop van de kermis.

De kermis is, na al die dagen weer vertrokken, las mijn vader ons voor uit de Haagsche Courant. Het alledaagse leven gaat weer gewoon zijn gang. Volgend jaar zullen de kermisexploitanten vast en zeker weer terugkeren’ zei hij. Daar kunnen wij Hagenaars het voorlopig mee doen.