De mondharmonica

 

Vanachter het raam keek hij naar de overzijde van de straat. Daar zat hij weer de kleine Johan in zijn rolstoel, die zijn vader had voorzien van een afneembaar blad waarop hij dingen neer kon zetten. Zelf kon Johan dat niet, omdat hij geen controle had over zijn spieren, waardoor zijn armen en benen altijd in beweging waren. Hij was spastisch. Zijn hoofd was het enige dat hij bijna stil kon houden. Met mooi weer werd hij door zijn ouders naast de groene voordeur neergezet, waar zijn moeder, als ze niet met het gezin bezig was, op een kleine kruk naast hem ging zitten. Bij slecht weer zat hij voor het raam en keek door een spion, een spiegel die aan de buitenzijde van de sponning van het raam was bevestigd. Zo kon hij de lange straat inkijken.

Vandaag scheen de zon volop en was zo fel dat Josien, de moeder van Johan hem een pet had opgezet. Hij was net als Johan opgegroeid in deze volksbuurt. Het was augustus 1950, 5 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Hij was 4 jaar in Nederlands Indië geweest en was in dienst bij de LUWA (Luchtmacht artillerie). Hij was geen piloot, maar had als taak op een vliegveld op Java de manschappen van hun maaltijden te voorzien. Hij kreeg daarbij hulp van een baboe en een katjong. Nu was hij alweer een half jaar in zijn ouderlijk huis en had in april zijn dertigste verjaardag gevierd. Het zou niet lang meer duren of hij ging trouwen met Jo. Recent hadden ze een huis in een ander deel van de stad en waren het aan het opknappen. De oorlog had z’n sporen achtergelaten. Tijdens de hongerwinter hadden de vorige bewoners bijna al het hout uit het huis gesloopt, waaronder een gedeelte van de vloerdelen. De winter was zo streng, men had het koud en alles wat maar te vinden was om te stoken verdween in de kachel. Het huis was van origine een statig pand en stond in een van de betere wijken van de stad.

Het was zaterdag en zijn aanstaande vrouw Jo werkte als coupeuse in een gerenommeerde zaak in de binnenstad. Maandag ging hij beginnen bij zijn nieuwe werkgever als timmerman. Hij was nu bij zijn ouders op visite. Zijn broers en zussen waren allen getrouwd.

‘Wat sta je toch door het raam te kijken Frank? hoorde hij zijn moeder zeggen.’

‘Hij draaide zich om en ging zitten aan de lange tafel waar een smyrna kleed over heen lag. Zijn vader zat in zijn stoel bij de kolenkachel en rookte zijn sigaar. ‘

‘Wil je nog een kop koffie Frank? vroeg moeder weer.’

Hij knikte en pakte een Mariakaakje uit de gebloemde koektrommel.

‘Weet je moeder, dat Johan net zo jong als ik ben en dat hij al vanaf zijn geboorte invalide is?’

‘Ik weet het nog als gisteren Frank, de moeder van Johan en ik waren gelijktijdig zwanger met een verschil van een maand. Jij bent gezond thuis geboren, maar Johan zijn moeder moest onverhoeds naar het ziekenhuis worden gebracht. De bevalling was kritiek door een stuitligging van de baby en het scheelde maar weinig of het kind en zij hadden het niet overleefd,

‘Weet u dat ik, voordat ik naar Nederlands Indië vertrok, hem een regelmatig een plezier deed met het spelen op mijn mondharmonica?’

‘Jazeker, als jij voor hem ging spelen kwam er een lach op zijn gezicht. Doorgaans was hij vaak in zichzelf gekeerd. Enkele kinderen in de straat zochten hem op om hem een gevoel te geven dat hij niet alleen was.

‘Ik heb altijd medelijden met hem gehad. Hij heeft zo’n beperkt leven. Zie mij nu, binnenkort ga ik trouwen met Jo. Hij zit daar maar in zijn rolstoel en wordt ’s avonds in zijn bed gelegd.’

‘Ik hoorde dat het niet goed gaat met hem Frank. Zijn gezondheid verslechterd. Volgens zijn ouders heeft hij een vreemde hoest waardoor hij het benauwd heeft.’

Zijdelinks keek hij naar zijn vader die cirkels aan het blazen was met zijn sigaar. Dit kan nooit gezond zijn dacht hij en de stank van zijn sigaar rook je dagen later nog in huis. Hij had er zijn eigen gedachten over en wilde uit respect zijn vader hem daar niet over aanspreken. Het leven was zo oneerlijk. Hij had er moeite mee dat zijn vader met plezier zijn sigaar rookte en Johan het benauwd had.

‘Wat ben je onrustig Frank? Zo ken ik je niet.’

Hij zei niets, stond op en liep naar de lange gang waar zijn jack hing. Uit zijn binnenzak haalde hij zijn kleine piccolo de mondharmonica en zetten hem aan zijn mond. Een paar deuntjes speelde hij. Bij binnenkomst in de woonkamer had zijn vader plaatsgenomen aan tafel.

‘Jij kan zo mooi spelen Frank en zonder een noot te lezen. Van wie je de muzikaliteit hebt weet ik niet, maar niet van ons in ieder geval. Speel wat Frank?’

‘Ik heb een beter idee vader! Buiten is het stralend weer en wij zitten hier maar binnen. Ik ga naar buiten om speciaal voor Johan spelen. Ik zie hem graag blij.’

‘Een goed idee Frank, dan pak ik uit de keuken twee keukenstoelen en gaan buiten zitten. Gelijktijdig met zijn vader stond hij op en liep naar het raam. Johan zit er nog steeds en ik zie ook een paar buren buiten staan.

Ze liepen met z’n drieën naar buiten. Zijn ouders namen plaats op de stoelen en hij liep, al spelend op zijn mondharmonica, naar Johan toe. Ook de ouders van Johan zaten buiten en hadden plaats genomen op de brede rand van het raamkozijn.

‘Mag ik Johan meenemen naar het plantsoen om de hoek van de straat? vroeg hij aan de vader van Johan. Ik wil voor hem gaan spelen op mijn mondharmonica. Misschien is het leuk om met ons mee te gaan.’

‘Een leuk idee Frank’ antwoordde hij en samen met hun en zijn beiden ouders liepen ze naar het plantsoentje en zetten Johan met zijn rolstoel in het midden van het plantsoen neer. Ook een aantal buurtkinderen die het hadden gehoord waren van de partij.

Naast zijn muzikaliteit hield hij ook van dansen en stond hij er om bekend dat hij humor had, aldus zijn vader.

‘Johan keek hem maar aan en brabbelde iets onverstaanbaars. Hij zetten de mondharmonica weer aan zijn lippen en speelde een vrolijk nummer. Gelijktijdig danste hij om Johan heen alsook enkele kinderen vormden een kring en draaide in de rondte. Door de vrolijke sfeer kwamen meer mensen uit hun huizen. Frank vond het best, maar het belangrijkste vond hij de lach op Johan zijn gezicht. Het gaf hem voldoening dat de jongen het zo naar zijn zin had.

De zon was aan het zakken en het werd wat frisser buiten. Na afloop gingen ze weer naar huis. De ouders van Johan bedankte hem. Het deed hun goed dat hun jongen het zo naar zijn zin had gehad.

Ook voor hem was het tijd om Jo van haar werk te gaan halen. Ze zouden samen met andere familieleden verder gaan klussen in hun huis. Binnenkort zouden ze gaan trouwen, het huis moest dus af zijn.

Vader en moeder hadden hem uitgezwaaid en hij vertelde hun op de valreep dat hij na middernacht naar huis zou komen.

Die avond vertelde hij aan Jo dat hij Johan en zijn ouders wilde uitnodigen op hun trouwerij. Na zijn huwelijk zou hij Johan niet meer zo frequent zien. Jo ging ermee akkoord en de trouwdag naderde. In een feestzaaltje in de buurt werd de bruiloft gevierd met wederzijdse familie en met Johan en zijn ouders. Hij kon het niet laten om voor Johan te gaan spelen op zijn trouwdag. Johan glunderde bij het horen van de muziek. Na afloop mocht Johan de kleine mondharmonica vasthouden. Hij hield hem de rest van de avond stevig vast in zijn verwrongen knuist.

Na afloop van de bruiloft ging iedereen weer huiswaarts en gaf de vader van Johan de mondharmonica weer aan hem terug.

Maanden later hoorde hij het bericht van zijn ouders dat Johan aan een longontsteking was overleden. Hij vertelde het die bewuste avond aan Jo en pakte uit de la van de kast zijn mondharmonica. Samen ging hij met haar en zijn ouders de volgende dag naar de aula waar Johan lag opgebaard. Nog een keer speelde hij het lied ‘Droomland’ voor hem en legde voorgoed de mondharmonica tussen de samengevouwen handen van Johan.

De aanwezigen waren zichtbaar ontroerd bij het zien van dit gebaar. Bij het naar buiten gaan hapte hij even naar adem. Hij voelde tranen in zijn ogen prikken, keek naar Jo en zijn ouders en mompelde: ‘Mijn muziek toverde een lach op Johan zijn gezicht en voelde hij zich gelukkig.’ Jo kneep hem in zijn hand om zijn woorden te bevestigen.

Gemma van Etten

Advertenties

Voor de bakker

 

 

Het zure commentaar van het Algemeen Dagblad over de slechtste oliebollenbakker van der Wiel in Sneek heeft geresulteerd in een positieve feedback. ‘Oneetbaar en zo plakkerig als Kukident voor je gebitsprothese’ waren kreten in de krant. Gelijktijdig vraag ik mijzelf af wat zo’n krant bezielt om de beste oliebollenbakker van Nederland een veer in de kont te steken, terwijl bij de slechtst genomineerde bakker de poten van zijn oliebollenkraam worden weggezaagd.

Volgens mij is de krant oliedom. De negatieve berichten veranderde namelijk  in positieven reacties in bijna het hele land. Aardig wat mensen staken de verdrietige bakker een hart onder de riem. De man stond het huilen nader dan het lachen. De eerste tranen vielen omdat zijn oliebollen niet goed uit de test kwamen. Van der Wiel begreep er niets van dat zijn Kukidentkleefoliebollen een rapportcijfer 2 kregen. Het is om te janken. Al jaren bakt hij prima oliebollen aldus diverse reacties van mensen. Zelfs op Facebook werd de bakker de hemel in geprezen.

De oliebollenbakker bedankte de mensen die in grote getalen positieve reacties aan zijn adres brachten. De man is blij met zijn klanten die zijn bollen gelukkig wel lekker vinden. Zelf denk ik dat er over smaak nou eenmaal niet te twisten valt. De ene persoon houdt van een gladde oliebol, terwijl de ander een bol met krenten en sukade heel lekker vindt. Vet of juist knapperig daar kiest de klant zelf voor. Van de negatieve kritiek van het AD hoeft de bakker het niet te hebben, maar wel van zijn trouwe klanten die meteen in opstand kwamen. Zo rond het einde van 2016 is het voor Van der Wiel weer prima voor de bakker en kan hij zijn tranen drogen.

 

Ski-klas

 

 

Kwaad gooide Astrid haar skilatten neer in de sneeuw. ‘Ik leer het toch nooit’ schreeuwde ze verontwaardigd. Zojuist had onze Nederlandse skileraar tegen haar gezegd of ze soms moest poepen? ‘Je hebt een verkeerde houding, zei hij alsnog.’ Ik kon begrijpen dat Astrid boos was. Hij zette haar en public voor schut. Een paar andere mensen uit onze groep keken verontwaardigd naar hem.

‘Loop nou niet weg Astrid? Wij zijn hier met zijn allen om het skiën onder de knie te krijgen’ zei Marijke alsnog tegen haar. Astrid pakte haar skilatten op en liep weg uit onze groep. Ondanks het de derde lesdag was van de wintersportvakantie in Oostenrijk, ging het skiën in onze groep nog niet zo goed. Een meisje in de groep die Lonneke heette bleek een natuurtalent te zijn. Dezelfde dag mocht ze naar een gevorderde klas onder leiding van een Oostenrijkse skileraar. Wij bleven achter met z’n zessen. Het skiën was soms een gestuntel. Omdat ik voor de eerste keer op skiles ging, had ik ter plekke in een sportwinkel tweedehands skischoenen gehuurd. Kopen deed ik nog niet. Ondanks dat de maat werd opgenomen, bleken de skischoenen nadien te groot te zijn. Na drie dagen zat er een flinke snee in mijn huid boven mijn hiel. Ondanks de pijn, begon ik het skiën aardig onder de knie te krijgen al deed ik het nog wat krampachtig. Onze strenge skileraar mompelde iets onverstaanbaars tegen mij, waardoor ik achterom naar hem keek. Direct gleed ik weg met mijn skilatten richting het dal en raakte in paniek omdat ik niet meer wist hoe ik moest stoppen.

Halverwege stonden een paar mensen met elkaar te praten. Hoe moest ik remmen?  Opeens liet ik mij vallen in de sneeuw. Het scheelde niet veel of ik had met mijn vaart de pratende mensen omver geskied. Ik kreeg een lachstuip en kon daardoor niet meteen overeind komen. Voordat ik het wist stond de skileraar naast mij en maakte mijn bindingen los. Onderweg naar boven naar onze skiklas vertelde hij mij hoe ik had moeten remmen. ‘Het skiën ging je best aardig af’ vertelde hij alsnog. Dat vond ik ook op het remmen na, antwoordde ik. ‘s Avonds ging ik naar mijn hotelkamer en zag dat mijn been  was ontstoken. De vierde lesdag bracht ik door op de piste op een ligstoel in de zon met uitzicht op mijn skiklas.

 

De Eiffeltoren zo dichtbij, maar toch veraf

De Eiffeltoren zo dichtbij, maar toch veraf

 

De tweede dag van een lang weekend Parijs brak aan. Die middag zou ik met een gezelschap per touringcar de Eiffeltoren gaan bezoeken. Ik had al zo vaak gelezen over het toeristische object en had foto’s bij vrienden gezien. De dag ervoor hadden wij als vakantiegangers al diverse beroemde bouwwerken in deze stad bezocht. Halverwege de rit zouden wij in een restaurant gaan lunchen. Ik kon geen touw aan de menukaart vastknopen. Bij het lezen van het woord paté koos ik dit gerecht omdat het woord mij bekend voorkwam.

Tijdens het eten bleek ik de enige te zijn die paté op haar bord had liggen. De gerechten van de anderen kwamen mij niet bekend voor. Ik at een deel van mijn paté op die anders smaakte dan ik thuis gewend was. De helft liet ik staan. Tijd om uitgebreid te gaan lunchen was er niet. Voordat wij het wisten stapten wij met z’n allen onze bus in op weg naar de Eiffeltoren. Er was nog geen tien minuten voorbijgegaan, toen mijn darmen in opstand kwamen. Naar het toilet hoefde ik nog niet. Gelijktijdig werd ik kotsmisselijk. Een reisgenote die merkte dat het niet goed met mij ging liep snel richting de Nederlandse tolk die in de touringcar aanwezig was. Ik was zo misselijk dat ik op het punt stond om over te geven. Snel rende ik naar het toilet die in de bus aanwezig was. Onverwachts remde de buschauffeur en stond bijna stil. Hij opende de deuren. Net op tijd. Ik kon niet voorkomen dat er ergens in een van de arrondissementen van de wereldstad Parijs restanten van mijn lunch op straat lagen. Op dat moment kon het mij niet schelen. Ik voelde mij zo beroerd en liep terug naar mijn stoel. Ondanks de goede bedoelingen van een aantal passagiers en de tolk in de bus, wilde ik met rust gelaten worden. Het stadsgezicht ging geheel aan mij voorbij. Wij waren aangekomen bij de Eiffeltoren. Ik was zo ziek dat niets mij nog interesseerde. Een mevrouw gaf mij onverwachts een rol Mariakaakjes omdat mijn maag leeg was, vertelde ze. De buschauffeur bleef samen bij mij in de bus. Hoe vreemd het ook klinkt, door het eten van de Mariakaakjes knapte ik op. De misselijkheid was verdwenen. Terug in het hotel voelde ik mij beter. Een paar jaar later bezocht ik alsnog de Eiffeltoren.

Praten als Brugman

 

 

Het bekende gezegde ‘Praten als Brugman’ wordt soms over iemand gezegd die de oren van je hoofd praat. Zo iemand is Coby. Er zijn ongetwijfeld meer mensen die ook zoveel praten en hun aandacht opeisen. Dit komt ook bij mannen voor. Als toehoorder ben je ‘in de aap gelogeerd’ om nog maar eens een gezegde te noemen. Degene die in de luisterstand staat is de sigaar. Deze praatgrage mensen vestigen hun aandacht op de ander die, als je niet snel het ‘hazenpad kiest, overspoeld wordt met hun verhalen. Meestal gaat het om onbenullige zaken. Je denkt misschien: ‘Hoe kom ik hier onderuit?’

Recent ging ik samen met mijn man op visite bij voor mij volslagen onbekenden. Mijn man kende hun wel. Een alleraardigst echtpaar, dat wel. Onverwachte ontmoetingen kunnen soms leuk zijn of niet. Op de drempel van het huis van Jaap en Coby werden wij al overspoeld met haar  prevelementen. Ze vertelde al lopend richting de woonkamer over haar gezin, haar hobby’s en het wel en wee van mensen uit de buurt. Joop beaamde haar verhalen soms met ‘ja’ of ‘nee.’ Verder kwam zijn gesprek niet op gang.

Als mijn man en ikzelf iets wilde vertellen, walste ze er dwars door heen. Tussen de gesprekken door bleef ik haar beleefd aankijken, dronk mijn koffie met wat lekkers. Gastvrij was ze zeker moet ik bekennen. Coby praatte als Brugman. Ze zou een goede prediker zijn geweest op de kansel, alhoewel?

Een prediker was ook een zekere Johannes Brugman, die leefde rond 1400 en stierf in 1473. Deze man was een Middeleeuwse theoloog. Volgens de analen kon deze man welbespraakt en overtuigend preken. Zij verhalen waren dus een lust voor het oor van de aanhoorders als men het mag geloven. Het gezegde praten als Brugman is naar hem vernoemd.

Op een zeker moment was ik Coby zat. Er was geen speld tussen te krijgen. Onverwachts zei ik tegen mijn man dat het tijd was om weer naar huis te gaan. Blijkbaar vond hij mijn opmerking lastig en bleef hij nog enkele minuten zitten uit beleefdheid totdat Coby was uitgepraat.

‘Zullen wij gaan?’ vroeg ik weer aan hem en stond daarbij onmiddellijk op. Nadat wij nog een kwartier in de hal stonden om te luisteren naar haar gepreek, kreeg ik buiten een barstende hoofdpijn. Haar stem echode onderweg naar huis nog steeds door mijn oren. Mijn energie was definitief op en lag ik bij thuiskomst voor pampus op de bank.

 

Kersttradities en gewoontes

 

 

De aanbidding van bomen was in vroeger tijden normaal bij de ‘heidenen’ in Europa. Deze gewoonte heeft het christendom wel overleefd. Vandaag de dag kom je de kerstboom overal tegen. Niet meer weg te denken in onze maatschappij. Er is een tijd geweest dat de katholieke kerk de kerstboom hekelde. In hun ogen was de verering van de (kerst)boom een heidens ritueel. Bomen waren het symbool van de vruchtbaarheid tijdens de Germaanse tijd. Vandaag de dag is de  kerstboom voor ons een zichtbare traditie. Daarentegen doet de kerstkrans denken aan zowel de advent als aan kerstmis. De originele kerstkrans heeft kaarsen die in zijn groene takken worden gezet. Ook hangt de kerstkrans vaak aan menig voordeur als een welkomstgroet. Tijdens mijn bezoek aan een Duitse kerstmarkt zag ik een blank houten kerstpiramide staan. Een soort carrousel voorzien met christelijke afbeeldingen. De engeltjes met trompetten. De carrousel werd draaiende gehouden door de warmte van de kaarsen die in de rondte van de carrousel werden geplaatst en die de propeller deed draaien. Dit kerstitem komt van oorsprong uit het Ertsgebergte in Duitsland. Ook zag ik leuke rook mannetjes in alle soorten, maten en thema’s. Elke houten pop heeft een houten pijpje in zijn of haar mond waarin een rookkegeltje zit. Bij het aansteken van het kegeltje gaat het pijpje roken. Helaas zijn de poppen vrij prijzig. Toch blijven ze erg leuk. Deze zogenaamde notenkrakers, rook mannetjes en zelfs vrouwtjes, worden gemaakt in het Ertsgebergte in Duitsland. Persoonlijk vind ik dat de Duitse kerstmarkten vaak originele kerstspullen verkopen. Duitsland blijft  een aantrekkelijk land voor kerstattributen.

Lang voor het christendom was ook de hulsttak een belangrijk symbool. Net als de (kerst)boom staat deze voor vruchtbaarheid, aangezien het blad aan de takken het hele jaar groen blijft. De doorns van de hulst doet denken aan de doornen kroon van Christus. Hulsttakken met hun rode bessen en stekelachtig blad worden naast al het andere kerstgroen ook veelvuldig gebruikt tijdens de kerst.

Oud- en Nieuwjaar

Ooit ontdekte men een recept van de oliebol die in een kookboek uit 1667 stond vermeld. Zo kende men ook eeuwen geleden de voorloper van de oliebol, de zogenaamde (oliekoek) schrijf oliekoeck. Deze koek was in een platte uitvoering in plaats rond. De ingrediënten bleven ongeveer dezelfde, zowel voor de oliekoek als de oliebol. Zo heeft elk land zijn eigen tradities, net zoals wij deze in ons land kennen.

Brand in de kerststal

 

 

Kerstmis 1962

Mijn jongste zus en ikzelf mochten kerstavond opblijven. Ik was 10 jaar en mijn zus Jacintha 6 jaar. Zo zaten wij, met vochtige haartjes, na onze wasbeurt, naast de kerstboom. De boom was versierd met glazen ballen, slingers en engelenhaar dat prikte als je er aan kwam. In die tijd zaten er minuscule kaarsen in metalen knijpertjes in de kerstboom.

Vader had zijn zelfgemaakte kerststal, die voor het zoveelste jaar werd neergezet, geplaatst op het dressoir. Moeder had de kerstbeelden neergezet en de kerstengel aan een spijkertje bovenin de stal gehangen. Voordat de kaarsjes, die voor de kerststal waren neergezet, werden aangestoken, werden wij door moeder geroepen om gezamenlijk het spel ‘Mens erger je niet’ te gaan spelen. Als traktatie kregen wij een glaasje ranja en een Maria kaakje.

Het spel was bijna afgelopen toen vader onverwacht opstond en de kaarsjes bij de kerststal aan wilde doen. Wij woonden in een benedenwoning. Aan de overkant van de straat zag ik dat er bij verschillende buren al kaarsjes in de kerstbomen branden. Ik ging zitten op een stoel die het dichtst bij de kerstboom stond. Vader stak de kaarsjes aan. Opeens vatte het dak, dat uit stro bestond, vlam. Ik gilde het uit. Zonder blikken of blozen trok vader razendsnel de metalen pin uit de sponning van het raam, schoof het raam omhoog en pakte de kerststal op. Het vuur sloeg zo snel in het dak dat er geen tijd meer was om de kerstbeelden te verwijderen. De stal met de meeste beelden belanden buiten op de stoep. Mijn zusje begon te huilen.

Moeder liep snel naar de kaarsjes toe die nog brandend op het dressoir stonden. Tijdens het uitblazen kon ze niet voorkomen dat er een kaarsje omviel. Meteen ontstond er een brandvlek op het dressoir. Samen met vader renden wij naar buiten. Ik zag dat alle gipsbeelden kapot waren. Maria had geen hoofd meer. De engel was gebarsten, twee van de Driekoningen waren doormidden. Het was een drama. Vader bluste het vuur en ik nam de kapotte beelden op. Bij binnenkomst zag ik dat er drie schapen, een koning, Jezus en zijn kribbe en Jozef het hadden overleefd. Onze kerstavond eindigde in een misère. De kaarsjes in de boom gingen die kerst niet meer aan. De schroeiplek werd verdoezeld met een gehaakt kleedje met daarop een bloemenvaas. Een kerst om nooit te vergeten.

Het is niet wat het lijkt

 

Lonny bestelde een biertje aan de bar. Hij kwam voor de eerste keer in dit café. Een vriend had hem verteld dat het er vaak erg gezellig was.
‘Ik kom uw bier zo brengen mijnheer!’ zei de barman tegen hem.
Hij wachtte rustig zijn beurt af. Het was niet druk aan de bar. Twee personen kon hij op één hand tellen. Ze zaten naast elkaar. Hij zag dat een opgedirkte vrouw van middelbare leeftijd met een ballpoint hardhandig op een viltje schreef. Hij keek nog eens goed. Er lagen drie volgeschreven viltjes op de bar. De tekst kon hij vanuit zijn positie niet lezen.
‘Lukt het mevrouwtje?’ hoorde hij opeens de barman tegen haar zeggen.
‘Wat mot je nou man? Laat mij met rust?’
‘Doe dat dan ook met mijn viltjes. Ze zien er niet uit. Zo kan ik ze niet meer presenteren onder een glas bier’ gaf hij als antwoord.
De man naast haar op de barkruk knikte bevestigend. Ze keek hem schuin aan en fronste haar grove wenkbrauwen.’
‘Als je ergens mee zit meid, ik ben een en al oor.’
‘Ik ben je meid niet hoor. Ik ga mijn hele hebben en houwen niet vertellen aan een wildvreemde vent, antwoordde ze.’
De man naast haar gaf geen antwoord meer en nam een nip van zijn borrel. Hij richtte zich nu naar de barman en vroeg aan hem: ‘Waar is je compagnon eigenlijk Joop? Hij is hier namelijk altijd.’
Hij moest perse naar een bruiloft toe Henk. Ik baalde wel dat hij uitgerekend vandaag weg moest. Vandaag bestaat ons café namelijk vijfentwintig jaar. Alsof de duvel ermee speelt is het vandaag angstvallig stil. Waar mijn vaste klanten uithangen weet ik niet.’
Hij liep naar zijn nieuwe klant toe en zetten het bier voor hem neer. Deze is van de zaak mijnheer, omdat het vandaag feest is.
Lonny bedankte hem.
‘Proost! op uw vijfentwintig jarig jubileum, zei hij.’
Hij nam een slok van het bier en keek weer naar de man, die volgens Joop, Henk heette. Hij zag er sjofel uit. Zijn hemd hing uit zijn broek. Hij had een stoppelbaard en zijn haar zat door de war. Hij zag er niet al te florissant uit.
Nu keek hij in de rondte van het café. Het was inderdaad niet erg druk zag hij. Twee barkrukken verwijderd van deze personen nam hij nu plaats op een barkruk. De vrouw ging verwoed door met schrijven. Uit haar rode handtas pakte ze een doosje sigaretten.
‘Krijg de kolere, waar is die aansteker nou gebleven?’ zei ze met een schelle stem.
Joop deed net alsof hij niets hoorde en ging verder waarmee hij bezig was. Op de een of andere manier kwam de stem van de vrouw hem wel bekend voor. Hij had haar hier nog nooit gezien.
‘U mag hier niet roken mevrouw!’ zei Henk. Ziet u dat bord daar? Vanaf 1 januari mag er binnen niet meer gerookt worden.’
‘Heb je soms de pik op mij, zei ze? Je lijkt die politici wel met al hun stomme regels.’
Henk zei niets meer zag Lonny en hij nam een laatste slok van zijn bier.
‘U heeft toch gehoord wat die mijnheer naast u tegen u zei? Die sigaret moet nu uit’ zei Joop en kwam naar haar toegelopen.
‘Wilt u de sigaret buiten uitdoen mevrouw? ik heb namelijk geen asbakken meer in de zaak.’
‘Dan doe ik het toch zo!’ en ze drukte hardhandig de sigaret uit op één van de ongeschreven bierviltjes.
‘Ik ben u nu zat mevrouw! als u zich niet gedraagt verwijder ik u uit mijn café.’
Nu zal je het hebben, dacht Lonny. Zo gezellig is het hier toch niet.
Hij kon maar niet begrijpen dat deze vrouw aan de bar zo’n platvloers type was. Ze zag er keurig uit. Haar halflange haren waren blond. Ze had dure kleren aan en was meer het jetset type. Haar gezicht zat wel erg dik onder de make-up en volgens hem had ze valse wimpers op. Hij stapte van zijn barkruk af en liep naar haar toe en bood haar een drankje aan. Ze maakte hem op de een of andere manier nieuwsgierig. Was deze vrouw wel zichzelf? Waarom had ze zo’n afschuwelijk taalgebruik?’
Opeens hoorde hij buiten rumoer. Wat was daar aan de hand?
‘Voordat u mij een drankje aanbiedt moet ik even weg. Ze stapte meteen van de barkruk af en trok onverwachts aan de koperen bel die aan de bar hing.
‘Ik trakteer op een rondje van de zaak, omdat het vandaag feest is’ zei ze.
‘U bent nu wel heel erg brutaal mevrouw!’ zei Joop. De nieuwe klant biedt u nota bene een drankje aan en u loopt weg.’ Ik heb het met u gehad. Komt u maar met mij mee?’
Lonny zag dat de vrouw onverwachts haar half lange haar van haar hoofd aftrok, waardoor een zwart kapsel zichtbaar werd. Joop was met stomheid geslagen.
‘Paul, jij? stamelde hij. Je zou toch naar een bruiloft gaan? En waarom ben je verkleed?’
‘Eerlijk gezegd ben ik niet verkleed naar een bruiloft gegaan, maar naar ons café. Vandaag vieren wij ons jubileum. Ik wilde je verrassen Joop.’
‘Nou, dat is dan aardig gelukt Paul.’
Meteen liep Paul naar de ingang van het café, opende de deur en riep tegen de vaste klanten die buiten op de stoep stonden: ‘Kom maar binnen mensen het feest kan beginnen!’
‘Wat een verrassing! zei Joop toen iedereen binnen was. Opeens richtte hij zich tot Henk. ‘Hoe zit het eigenlijk met jou?’
‘Ik heb het spel maar meegespeeld Joop, op verzoek van Paul. Wij wilde je samen met alle klanten verrassen.’
‘Gefeliciteerd! riepen ze allemaal in koor.
Lonny was ook verbaasd. Zijn vriend had toch gelijk gekregen. Het leken gezellige vaste klanten. Op de een of andere manier voelde hij zich toch opgelaten. Hij was een nieuwe klant en stond op en wilde afrekenen.
‘Wacht nog even mijnheer, zei Joop tegen Lonny en hij trok nu aan de bel. Voor iedereen in de zaak een rondje omdat het vandaag feest is.
‘Wat wilt u drinken mijnheer? zei hij weer tegen Lonny.
‘Doet u mij maar een grote kop sterke koffie, daar ben ik nu wel aan toe?’

De scheve schaats

 

 

Er was eens een zekere Oscar. Hij was 40 jaar en woonde in de wereldstad Parijs. Hij had als hobby schaatsen. In de buurt waar hij woonde was een grote fontein die in het verlengde stond van het arrondissement ter hoogte van het Pantheon. Het was Kerstochtend. Buiten vroor het dat het kraakte. Elk jaar, tijdens de wintermaanden, schaatste hij in de grote en door ijs bevroren fontein. Oscar hield van sportieve vrouwen.

Sinds kort had hij José ontmoet. Schaatsen was voor haar favoriet, maar ook dansen. Dat laatste vond hij maar niets. Ondanks alles vond hij haar aardig. José stond, zoals afgesproken, voor zijn voordeur. Hij pakte zijn schaatsen van een stoeltje dat in de hal stond en ze liepen samen naar de fontein. Beiden deden hun schaatsen aan. Ze reden een paar rondjes over het ijs. De mensen die rondom de fontein wandelden en de passerende automobilisten die op de rotonde reden bekeken hun met enige verbazing.

Oscar trok onverwachts José naar zich toe. ‘Wat ruik je heerlijk’ zei hij tegen haar. Helaas kan ik de geur niet thuisbrengen’ zei hij alsnog. Ze glimlachte.

‘Ben ik eigenlijk de enige die altijd met je schaatst?’ vroeg ze aan hem.

‘Om eerlijk te zijn niet. Ik heb een paar vriendinnen gehad. Ze hielden niet van schaatsen’ antwoordde hij. Deze zomer had ik nog een relatie. Ik heb haar de bons gegeven. Ze vertelde mij vaak dat ze verliefd op mij was. Ze ging regelmatig vreemd.

‘Ze reed dus een scheve schaats Oscar?’

‘Dat kun je wel zeggen. Vaak schaatsten wij op haar favoriete kerstnummer: ‘It is a lonely Christmas without you…..’ Als ik dit kerstnummer hoor dan word ik weer sentimenteel José.’

‘Zo te horen heb je al menig teleurstelling meegemaakt Oscar.’

‘Helaas wel’ zei hij.

‘Zullen wij nog een rondje rijden?’ Ze pakte hem stevig vast. Na afloop van het schaatsen liepen ze gearmd richting het huis van Oscar. Ze hadden veel plezier gehad. Beiden besloten om elkaar binnenkort weer te ontmoeten. Een paar jaar later trouwde ze. Ze kregen twee kinderen. Elk jaar tijdens de vorst schaatste ze met hun gezin in de bevroren fontein en ze leefden ze nog lang en gelukkig.