Rode planeet Mars

mars2

 

Als wij het mogen geloven kunnen wij over een aantal jaren op reis gaan met een raket naar de planeet Mars. Ongetwijfeld zal dit weleens gaan gebeuren. Een paar eeuwen geleden dacht men ook dat onze aarde plat was en dat er achter de horizon niets meer was. Wetenschappers waren het in die tijd niet met elkaar eens, totdat het tegendeel eeuwen later werd bewezen. De aarde bleek rond te zijn.

Een trip naar de Maan, wie had dat ooit gedacht. Men verklaarde elkaar voor gek. Zo’n afstand richting het heelal, dat kon toch onmogelijk. Nu is de planeet Mars aan de beurt. Hij is voorlopig voorbestemd voor de rijken. De torenhoge kosten worden door hun betaald. Vroeg of laat zullen zij de kans  hebben om als eerste negen maanden te vliegen naar deze rode planeet. Avonturiers zijn er altijd al geweest of alsnog geboren worden. Aan de ene kant kan de trip ook belangrijk zijn voor onderzoeken door wetenschappers.

Toch vraag ik mijzelf af of een mens zich daar kan aanpassen. Men kan nu eenmaal niet zonder voedsel en water. Legt men bij aankomst niet het loodje door temperatuurschommelingen of anders. Voor mijzelf lijkt het een hele uitdaging om naar de rode planeet te gaan. Ik wil er niet aan denken, laat staat om ernaartoe te gaan. Al zou ik de geldelijke middelen hebben, dan duurt de reis mij al veel te lang. Op aarde heb ik al hoogtevrees. Wat zou ik daar moeten zoeken tussen al die rode bergen met al dat stof om mij heen. Misschien zweven er wel ziektekiemen rond, die de reizigers vervolgens weer meenemen naar de aarde. Komt men eigenlijk wel terug? Stel je voor dat de raket panne krijgt. Wat dan?

Ik ben nu eenmaal geen pionier. Daar heb ik simpelweg het lef niet voor. Eigenlijk ben ik heel saai. Ik houd van zekerheid en ben voorzichtig voor al het onbekende. Astronomie en het heelal blijft wel boeiend, dat is een ding dat zeker is, maar om een planeet te bezoeken, dat is voor mij een brug te ver.

Er zullen personen zijn met een portie ondernemingslust die deze lange reis  kunnen en willen ondernemen. Waarschijnlijk zitten daar ook onze nazaten bij. Mijn zegen hebben ze in ieder geval.

 

Advertenties

Feestgedruis

blaasband-carnaval

 

Ergens in de jaren tachtig ontmoette ik Marije op een station. De trein had vertraging. Zo stonden wij met z’n tweeën te wachten. Wij raakten in gesprek en ze vertelde dat ze op familiebezoek was geweest en naar huis ging om de week daarop naar het carnaval te gaan. Het klikte tussen ons en ze nodigde mij uit om met haar naar het carnaval te gaan. Ik kon bij haar drie dagen logeren. Wij wisselde even later in de trein adressen uit. Zo vertrok ik op een vrijdagochtend naar Breda. Diezelfde dag begon het carnaval en reden wij  naar de wijk het Ginneken dat in het centrum lag. In de tussenliggende straten waren diverse cafés. De muziek kwam ons al tegemoet. Het was druk op straat maar nog drukker in haar favoriete cafés, waaronder café ‘de vrachtwagen.’ Na al dat hossen en de nodige drank, die ik en passant van de feestvierders kreeg, stapten wij de kroeg uit om naar een andere locatie te gaan.

Zo ging dat al die dagen. De nacht van vrijdag op zaterdag zei ze tegen mij: ‘Ik begrijp niet dat je niet dronken bent. Je ziet nog zo fris.’

‘Dat klopt’ antwoordde ik. Ik houd namelijk niet van alcohol. Telkens als ik een biertje kreeg van iemand, plaatste ik het volle glas terug op de bar. De persoon had het door de drukte niet door of ik er wel of niet van dronk. Ik hield het maar bij frisdrank.’

Het weekend was hetzelfde ritueel. Hossen deed ik als de beste. Toch begon de vermoeidheid mij parten te spelen. Ik bedankte Marije op zondagmiddag voor haar gastvrijheid en vertrok met de trein huiswaarts. Maandag moest ik namelijk gaan werken. Omdat ik zo moe was en amper bij haar had geslapen, viel ik bij thuiskomst als een blok in slaap op de tweezitsbank. Die maandag zat ik achter mijn bureau toen mijn ogen begonnen te prikken en ik deze niet meer open kon houden. Ik was nog erg moe. Mijn collega’s wisten dat ik naar het carnaval was geweest. Op een onbewaakt ogenblik viel ik voorover op mijn bureau en was in slaap gevallen. Omdat ik van mijn werkgever niet naar huis mocht gaan met het openbaar vervoer, bracht een collega mij naar huis met zijn auto. De trip naar huis heb ik niet meer meegemaakt, omdat een film over het carnaval in mijn droom voorbijkwam.

Miskoop

 

 

‘Heb je een nieuwe tas?’ Ik kon geen antwoord geven op de vragenstelster over mijn miskoop die ik kocht tijdens mijn vakantie. Ik werd door mijn impulsiviteit gestraft. Het kreng was niet om te tillen. Zonder inhoud was de leren tas al zwaar, laat staan met. Het was mij tijdens de koop niet opgevallen dat de grote tas een behoorlijk gewicht had. Ik bekeek de tas op een stellage in de winkel en vond het een leuk model. De verkoopster opende het zwarte exemplaar, haalde het papier eruit dat de tas nog meer volume gaf. Ik zag dat hij ruim vanbinnen was. Dat was voor mij voldoende om hem aan te schaffen. De tas werd ingepakt waarna mijn man het pakket meenam naar onze auto. Zo af en toe heb ik een tassen tic. Van klein naar groot zijn door de jaren heen de revue inmiddels gepasseerd. De een na laatste tas beviel mij eigenlijk wel, maar binnen de kortste keren puilde deze aan alle kanten uit. Het probleem lag dus duidelijk bij mij. Waarom nam ik toch altijd zoveel spullen met mij mee? vroeg ik mijzelf af. Een grotere tas leek mij nu handiger. Dus niet, bleek nadien. Hoe groter des te meer ik meenam.  Alle inhoud zakte naar de bodem. En ik maar zeulen. Ik werd boos op mijzelf. De leren tas was ook nog prijzig. Praktisch, nee dat was hij niet. Ik zocht mij een pukkel naar mijn huissleutel of andere zaken die op een hoop lagen.

Omdat ik de tas recent had gekocht droeg ik hem alsnog, totdat ik er op een zeker moment tabak van had. Ik kreeg last van mijn pols. Op een ochtend ging ik op zoek naar mijn vorige schoudertas die weggemoffeld lag tussen wat shawls in de kledingkast. De tas was niet van leer, maar had drie vakken. Daar is het mij eigenlijk om te doen. Waarom ik hem had ingeruild voor het leren exemplaar was mij niet duidelijk, alhoewel! De nieuwe was een apart model. Daarvoor ben ik gevallen. Voorlopig heb ik hem in de kast opgeborgen en gebruik ik sinds kort weer mijn vertrouwde schoudertas die er overigens nog puik uitziet. Ik moet mijzelf nog trainen om niet zoveel spullen mee te nemen. Dat blijft het heikele probleem. Geen enkele tas is daartegen bestand.

Jouw laatste dans

 

 

Tijdens je huwelijk met papa leerde je van hem de kneepjes van het dansen. Ik heb nog een foto waar je tijdens je zwangerschap van mij aan het dansen was met hem. Wat hadden jullie een plezier. Als het even kon danste je op feestjes. Toen je ouder werd kwam het niet zoveel meer voor. Zo af en toe deed je nog weleens mee. Toen papa overleed was dat een hard gelag. Je gedachten waren soms moeilijk te peilen, maar ik wist dat je het er moeilijk mee had. Je had je middelste zus en jongste broer overleefd en nu ook je jongere man. Ik vond je kranig. Met je jongste dochter en haar gezin ging je naar de camping. Tijdens een gezellig avondje begon je te dansen op de muziek. Ik was er zelf niet bij toen ik van mijn zus telefonisch moest vernemen dat je in het publiek was gevallen. Met spoed werd je door de ambulance weggebracht naar een ziekenhuis in Ede. Samen met mijn gezin bezochten wij je vrijwel direct. In de tussentijd bleek je geopereerd te zijn en lag je op bed. Wij bleven bij je en spraken nog met elkaar, totdat de hoofdverpleegkundige tegen ons zei dat het beter was om naar huis te gaan en de volgende dag te komen. Het was erg laat geworden. Je jongste dochter en haar gezin bleven, omdat ze in de buurt op de camping stonden. Op het moment dat wij onze straat binnen reden ging onverwachts de telefoon. Onmiddellijk terugkeren want het ging slecht met je. De hele rit weer terug in het donker. Toen wij je kamer binnenkwamen bleek je in die tussentijd overleden te zijn. Had ik nu maar bij je gebleven en niet geluisterd naar de hoofdzuster. Kortom het was niet anders. Je lag met samengevouwen handen en met een wit gezichtje in bed. ´Het was heel snel gegaan vertelde de verpleegkundige aan mij. Je moeder haar nieren kwamen niet meer op gang. Daardoor raakte ze in een coma en stierf. Volgens haar schijnt dat een mooie dood te zijn. Het was vijf dagen na je zevenentachtigste verjaardag in september 2001 toen je stierf en wij je kort daarna naar je laatste rustplaats brachten. Ik mis je nog steeds.  

Bemoeizucht, bemoederen of betuttelen

 

 

Het kan allemaal. Bemoeizucht, bemoederen en betuttelen. Als een zwaan spreid ik mijn vleugels uit over alles wat mij dierbaar is. Ik houd alles onder controle. Het welzijn voor mijn gezin vind ik belangrijk. Voor betutteling moet ik oppassen. Het is door de jaren heen in mijn karakter geslopen. Onze dochter is inmiddels volwassen. Toch betrap ik mijzelf steeds op mijn waarschuwingen die ik zo af en toe naar haar toe ventileer, terwijl ik weet dat ze een onafhankelijke en sterke vrouw is.

‘Mam!’ nu betuttel je mij weer, riep ze weleens. Ik weet ondertussen wel wat ik wel of niet moet doen’ vertelde ze mij, soms met een geïrriteerde ondertoon.

Ben ik dan zo irritant dat ik het zelf niet meer in de gaten heb dat ik mij ongewild bemoei met haar leven?

Voor haar is het min of meer een oplossing dat ze samenwoont en mijn prevelementen niet meer aan hoef te horen. Althans dat denk ik zelf. Toch heb ik in de loop der jaren tijdens gesprekken met andere moeders gemerkt, dat er veel vrouwen dezelfde goedbedoelde betutteling hebben. Moeders zijn nu eenmaal bezorgd, al zijn de kinderen voorgoed het huis uit, en zullen dat ook blijven. In mijn geval is het de aard van de moederkloek zoals ik mijzelf soms noem. Ik ben en blijf nu een maal de moeder van onze dochter. Al heeft men tien kinderen, moeders geven goedbedoelde raad, die vaak in de wind wordt geslagen. Elk mens moet nu eenmaal door schade en schande wijs worden. Toch willen moeders hun kroost beschermen tegen het kwaad.

Sinds een tijdje neem ik mijzelf in acht en ben ik bezig om bijna op mijn tong te bijten als ik weer iets voel opborrelen. ‘Niet mee bemoeien’ zeg ik in gedachte tegen mijzelf. Je verstikt de andere partij. Geef haar de ruimte en de vrijheid om een eigen leven op te bouwen en kauw niet alles voor. Diep in mijn hart weet ik dit alles eigenlijk al. Een mens kan soms zo hardleers zijn en ik ben er blijkbaar een van.  

 

De merel sterven na dood

 

 

September 2016

Er volgt een bericht via het Journaal. In de afgelopen maanden zijn er duizenden merels gestorven in Duitsland door het usutu-virus oftewel  het USUV-virus. De verspreiders en boosdoeners zijn muggen afkomstig uit Swaziland die het virus overdragen op zwaluwen. Deze vogels zijn er niet bevattelijk voor. De merels blijkbaar wel. Ook andere zangvogels zijn de dupe.

Het was mijzelf al opgevallen dat ik in de vroege ochtend de merels niet meer hoorde zingen. Soms zongen ze naar mijn meningmerels%20usutu%201 wel erg vroeg, maar dat nam ik maar voor lief. Ook uilen zijn het slachtoffer geworden. In een rap tempo slaat het virus bij sommige vogels genadeloos toe.

Vijftien jaar geleden kwam het virus als eerste voor in Oostenrijk, waarna het zich verspreidde naar de omliggende landen. Ondertussen trekt het virus door Europa.

De muggentijd is nu vrijwel voorbij. De herfst staat weer voor de deur. Toch verwacht men dat naast Duitsland volgend jaar de Benelux aan de beurt komt. Volgens insiders wordt de ziekte niet overgedragen van vogel tot vogel. Dat neemt niet weg dat een merel met deze ziekte een verenkleed heeft dat niet glanst of netjes oogt. De vogel wordt in korte tijd mager en kunnen door evenwichtsstoornissen matig of niet vliegen. Na ongeveer 3 dagen sterft de merel, omdat er simpelweg nog geen antivirus bestaat.

De verwachting is dat merels uiteindelijk een anti stof zullen vormen tegen het virus en daardoor immuun zullen worden. In Oostenrijk, waar enkele jaren geleden het virus voorkwam, zijn nu de eerste tekenen van immuniteit waargenomen.

Het is te hopen dat de merel voor die tijd niet in grote getalen uitsterft. Dat zou tragisch zijn voor de vogel en voor ons die deze vogel een warm hart toedraagt al was het alleen maar wegens zijn mooie zang.

 

Stillevens

k6481980_35

 

Tijdens een wandeling door het bos, schittert er iets in mijn oog. De zon staat hoog aan de hemel. Zou het een stukje blik, glas of iets anders zijn? Ik loop ernaartoe. Het blijkt een speelgoed vrachtauto te zijn die onderaan een berkenboom staat. Een zonnestraal priemt in de kleine autospiegel. Ik kijk om mij heen. In de nabije omtrek is er geen kind te zien. Enkele mensen lopen voor mij uit. Zouden ze het speelgoed ook hebben gezien? Het vreemde is dat de vrachtauto keurig overeind staat, niet omgegooid of zo. Het staat er alsof er elk moment mee gespeeld gaat worden. Ik wacht een paar minuten om te zien of er soms een kind zijn speelgoed mist en misschien in de buurt is.

Er gebeurt helemaal niets en ik besluit om verder te lopen. Nog geen paar passen verwijderd van het vrachtautootje staat een kunststof paardje van het merk Little Pony. Hier heeft waarschijnlijk een meisje meegespeeld. De pony oogt alsof het zojuist is aan komen lopen. Het is niet vuil of verweerd. Meteen doemen er een paar vragen bij mij op. Komt het kind of de kinderen nog terug? Zijn ze in de buurt? Wat is de reden dat het speelgoed is achtergelaten? Zo af en toe kom ik tijdens mijn wandeling mensen zonder kinderen.

Waarom en wanneer het speelgoed in het bos, dat ik zojuist verlaat, is neergezet zal voor mij een raadsel blijven. Misschien is er ergens een kind verdrietig of heeft het speelgoed bewust achtergelaten. Kinderlijke fantasie is soms ongrijpbaar. Zou een andere bezoeker na mij het speelgoed misschien meenemen? Hoe het went of keert, voor mij blijven het twee stillevens achtergelaten in het bos.

Opa

 

 

Omdat mijn ouders eind jaren ’50 en ’60 werkten, bracht een van mijn opa’s mij en mijn jongste zus, in eerste instantie, naar de crèche en later naar de lagere school. Hij deed dat met veel liefde. Een kleine gedrongen man, die door een ongeluk nog maar een arm had. Zolang ik hem kende hing zijn rechtermouw deels in de zak van zijn grijze blazer. Ook liep hij mank. Ondanks het drama dat hem was overkomen, zat hij nooit bij de pakken neer. Hij had ook een zekere zelfspot. Als kind vroeg ik eens aan hem tijdens het naar school gaan: ‘Opa, waar is uw andere arm? waarop hij antwoorde: ‘Die heb ik in mijn tuin begraven.’ Ik begreep er niets van en nam het toen maar voor kennisgeving aan. Bij thuiskomst vroeg ik het aan mijn moeder die in eerste instantie om het antwoord van haar schoonvader moest lachen. Blijkbaar wist ze niet hoe ze dit aan mij moest vertellen en omzeilden het antwoord. Jaren later vernam ik dat zijn arm door het fatale ongeluk in het ziekenhuis was geamputeerd.

Ondanks zijn handicap deed hij nog wonderbaarlijk veel met één arm. Hij was koopman. Kleine meubelen die hij opkocht en verkocht tilde hij met een arm op en plaatste deze op zijn bakfiets. Oma hielp opa ook mee om bij thuiskomst de goederen in de loods op te bergen. Ook kocht hij tweedehands schoeisel dat later ook voor zijn gezin te pas kwam. Ooit vertelde hij mij het verhaal dat hij tijdens de oorlog voor zijn gezin en anderen schoenen repareerden. Hij klemde de leest tussen beide voeten. Plaatste de schoen erop om daarna de nieuwe- of tweedehands zool over de versleten zool te leggen. De minuscule spijkertjes drukte hij in de zool om deze met een hamertje in de zool te slaan. Hij had zich aangeleerd om dit met een arm te doen. Zo deed hij wel meer klussen.

Opa en oma waren gastvrije en sociale mensen. Niet alleen voor hun eigen kinderen en kleinkinderen, maar ook voor buitenstaanders in hun eigen omgeving die hulp nodig hadden. Altijd stonden ze voor iedereen klaar. Herinneringen uit het verleden die ik altijd zal blijven koesteren.

Ongemakkelijk

 

 

Rond mijn pubertijd tijdens een vakantie in de Friese plaats Hindelopen ontmoette ik een aantal leeftijdgenoten die in Friesland woonden. Wij trokken gezamenlijk met elkaar op. Omdat ik de enige was die hun taal niet sprak, spraken ze uit beleefdheid Nederlands. Wij hadden een leuke tijd in die week en ondernamen van alles. Omdat er een paar graag wilde zeilen nodigde ze mij uit om met hun mee te gaan. De vakantie vloog om.

Voordat wij huiswaarts gingen wisselden wij adressen uit en telefoonnummers. Een paar maanden later bezochten drie van hen mijn etage in Scheveningen. Omdat ik niet ver van het strand afwoonden bleek het strand favoriet te zijn. Laat in de avond vertrokken ze weer naar Workum. Een hele trip met de trein.

‘Kom je gauw bij ons langs?’ vroeg Aukje aan mij.

‘Dat wordt dan volgend voorjaar. In de wintermaanden reis ik niet graag’ antwoorde ik.

De afspraak was gemaakt. Het jaar daarop kwam ik vroeg aan in Workum, waar Aukje en haar vriendinnen Bregje, Afke en Boukje op mij zaten te wachten. Ook waren er enkele jongens die ik toentertijd had ontmoet. Akke, Dolf en Elbert kwamen wat later binnen. Er werd kort gesproken over de vakantie in Hindelopen. Opeens begon Akke te praten in het Fries en de rest volgde. Ze gingen zo in hun gesprek op, dat ze mij gewoonweg vergaten. Waar hadden ze het eigenlijk over? vroeg ik mij af. Ik probeerde mee te luisteren, maar verstond er vrij weinig van. Er werd zo snel gesproken, dat ik er geen touw aan vast kon knopen.

Op een gegeven moment onderbrak ik ze met de mededeling dat ik, door hun gesprekken in het Fries, mij ongemakkelijk voelde, omdat ik daardoor niet aan het gesprek kon deelnemen. Tijdens de vakantie van het vorige jaar spraken jullie namelijk wel Nederlands, vertelde ik. Akke verontschuldigde zich met ‘sorry’ en zei dat hij in zijn eigen omgeving automatisch Fries sprak. Enkele vrienden beaamden dit.

‘Natuurlijk begrijp ik dat, maar als vriend, die de Friese taal niet spreekt, moet je toch rekening met iemand houden. Ik voel mij momenteel buitengesloten’ zei ik weer. Of ze het nu wel of niet begrepen, de stemming sloeg om. De vrienden van toen veranderden en werden afstandelijker. Ik was een vreemde eend in de bijt.

In de trein naar huis, wist ik intuïtief dat ik deze vriendentumblr_inline_mr21vrbz431qz4rgp nooit meer zou zien.