Gekrakeel in Renslo, deel 20 en 21

In de vroege ochtend rinkelde mijn Gsm en hoorde ik de stem van Cinthia.
‘Goedemorgen Herman, heb je goed geslapen?’
‘Als een ‘blok’ Cinthia, de zeelucht doet mij goed.’
‘Ik heb besloten om alsnog met je mee te gaan. Wij gaan niet met het openbaar vervoer maar met mijn auto. Heb jij voor mij het adres van je pension?’
Mijn hart maakte een sprongetje. Ik vond het geweldig dat ze met mij meeging.
‘Fantastisch Cinthia! Het adres is Pension ‘de Zeemeeuw’ aan de Badhuisweg. Hoe laat zullen wij afspreken?’
‘Rond 10.30 uur misschien?’
‘Ik zit nu nog op de rand van mijn bed’ Cinthia. Daarna heb ik nog een klein ontbijt.’
‘Bel mij maar op als je klaar bent dan kom ik je ophalen.’
Op de afgesproken tijd stapte ze uit haar witte Toyota Corolla. Ze was sportief gekleed in een spijkerbroek met een lange blouse. Haar lange blonde haar had ze in een paardenstaart gedaan. Zelf droeg ik een blauw poloshirt met een kort denimshort. Ze gaf mij een hand en ik stapte in de auto. Wij reden naar Madurodam, dat maar één kilometer verwijderd was van het strand. Op het parkeerterrein parkeerde zij haar auto. Er stonden al aardig wat auto’s geparkeerd zag ik. Bij de kassa betaalde ik de entree, want zij was tenslotte mijn gast. Wij waren nog niet binnen, of een brutale fotograaf maakte van ons twee foto’s. ‘Die kunt u na afloop kopen mijnheer’ zei hij. Wij passeerden een langwerpig bord waar al een tiental foto’s op stonden. ‘Daar komen onze foto’s vast en zeker naast te staan, grapte Cinthia.

Via een wandelpad liepen wij langs kleine, op schaal gemaakte, huizen, gebouwen, schepen, vliegtuigen, waterpartijen en kleine figuurtjes. Bijna heel Nederland kwam aan ons voorbij.
Via een wandelpad liepen wij langs op schaal gemaakte steden, waterpartijen, het paleis van de Koning en de Rotterdamse haven.
‘Wat een onderhoud moet dat zijn om alles te repareren en schoon te maken’ zei ik!’
‘Het onderhoud doen ze, na het seizoen als het park is gesloten’ gaf ze als antwoord.
‘Kijk daar eens Herman? en ze wees naar gebouw het Binnenhof. Daar zetelt onze regering.’
‘Ik zie Mark Rutten al staan tussen die kleine poppetjes’ grapte ik.
‘Ik zal Nederland wel gaan missen Herman!’
‘Gaan missen Cinthia? Ga je dan Nederland verlaten?’
‘Over een paar dagen al Herman. Ik zal het je vertellen!’
Ik voelde de grond wegzakken en voelde onverwachts een teleurstelling opdoemen.
‘Wil je het dan vertellen in het restaurant?’
‘Dat is goed Herman’ en wij liepen zwijgend naar het restaurant toe.
De patat- en krokettenlucht kwam ons al tegemoet. Wij gingen zitten bij een raam en lazen de menukaart.
‘Ik kies voor patat met een hamburger en wat salade!. En als drinken neem ik tonic’ Herman.
‘Dan neem ik hetzelfde Cinthia en ik liep rechtstreeks naar het buffet’.
‘Wat zou ze mij te vertellen hebben vroeg ik mij intussen af.’
Het hoge woord kwam er uit en ze vertelde mij dat ze de komende week zou gaan emigreren naar Canada. Ook vertelde ze over Bart Veenstra, een jonge Canadees die ze had ontmoet en dat ze over een paar maanden zouden gaan trouwen!’
‘Mis je jouw familie dan niet?’
‘Natuurlijk Herman, het zal even wennen zijn, maar ik heb er uitvoerig met mijn ouders over gehad. Bart en ik houden van elkaar. Mijn appartement in Den Haag heb ik inmiddels verkocht! Woensdag vertrek ik al.’Er spookte van alles door mij hoofd. Het was een vreemde gewaarwording. Gisteren had ik een leuke vrouw ontmoet die mij op de een of andere manier aantrok. Was ik niet te hard van stapel gelopen? vroeg ik mij af.
‘Luister je nog?’ Herman.
‘Dat is mij een verhaal Cinthia. Ik wens je alle goeds toe daar in dat verre Canada.’
‘Dank je Herman!’

‘Heb jij eigenlijk een vriendin?’ Je bent sympathiek en zier er leuk uit.’
‘Dank je voor je compliment! Eerlijk gezegd was ik ooit verliefd op mijn buurmeisje, waar ik jaren geleden naast woonde en ik vertelde haar het verhaal en over de teleurstelling in de liefde. Ik zag dat ze aandachtig naar mij luisterde en ze zei plotseling: ‘weet je Herman, als ik jou was zou ik eens met Tineke gaan praten, want misschien is er wel wat anders aan de hand geweest en berust alles misschien op een misverstand’ denk ik zo. Waarom ben je niet eerder naar haar toegegaan, want jij bent degene die toen wegliep uit het restaurant?’
‘Ik voelde mij op dat moment verraden Cinthia en wilde niets meer met haar te maken hebben.’
‘De tijd gaat snel Herman. Als je te lang wacht, komt er een tijd dat het te laat voor de liefde is.’
Wat een toeval dat Cinthia mij nu aan het denken had gezet. Onze ontmoeting had blijkbaar zo moeten zijn.
‘Je hebt misschien gelijk en ik ben blij dat je mij dit zetje hebt gegeven. Binnenkort ga ik praten met Tineke, dat beloof ik je.’
‘Nee, Herman je moet het jezelf beloven!’
‘Weet je Cinthia, dat er nog een vrouw steeds om mijn aandacht vraagt. Op de gekste momenten zoekt ze mijn gezelschap op. Ze ziet er knap uit en is breed georiënteerd in allerlei zaken. Eigenlijk irriteert ze mij.’
´Je moet je intuïtie volgen Herman, dan komt de rest vanzelf wel. De schellen vallen vanzelf van je ogen als de tijd rijp is.’
‘Ik vond het leuk je ontmoet te hebben Herman. Het wordt nu weer tijd om naar huis te gaan en jij moet naar je pension terug. Jij hebt morgen en maandag nog een vrije dag en dan is deze trip voorbij.’
‘Dat klopt Cinthia, bedankt voor je wijze woorden en ik wens je veel geluk met Bart. Toch ben ik blij je ontmoet te hebben, want door jouw visie zie ik opeens de dingen in een andere context! Wel wilde ik je nog vragen om een trouwkaart met foto naar mij op te sturen als je dat wilt?’
Uit haar tas pakte ze haar agenda en scheurde er een stukje papier uit. ‘Schrijf hier je adres maar op.’
Toen wij richting de uitgang liepen, kwamen wij langs het bekende fotobord. Tussen de foto’s pakte ze onverwachts twee foto’s eruit en zei: ‘Kijk eens Herman, wij staan er samen goed op. Hier heb je als aandenken een foto van mij en de andere hou ik zelf en ze betaalde de fotograaf.’
‘Dat is nog een leuke herinnering Cinthia!’

Buiten op de parkeerplaats stapte wij in de auto en even later stond ik weer voor de deur van het pension.
´Bedankt Herman, leuk je ontmoet te hebben en bedankt voor je uitnodiging!’
´Jij ook bedankt Cinthia en ik gaf haar een handkus! Haar wangen kleurde rood. Ze stapte in de auto, toeterde, reed weg tot ze uit mijn gezichtsveld was verdwenen.

DEEL 21

Met een leeg gevoel stapte ik het pension binnen en liep regelrecht naar mijn kamer. Cinthia was voorgoed uit mijn leven verdwenen.
Morgen was het zondag en ik had mij voorgenomen de binnenstad van Den Haag eens te bekijken met wat bezienswaardigheden, zoals de Gevangenpoort en ook een permanente tentoonstelling van kunstschilder Escher stonden op mij verlanglijstje.
De volgende dag ging ik weer terug naar Renslo. Onderweg naar huis zat ik relaxed in een coupé van de trein. De zeelucht had mij goed gedaan. Die paar dagen voelde voor mij alsof ik een week was weggeweest en dat was een goed teken. Cinthia had mij een goede raad gegeven om toch eens een gesprek aan te gaan met Tineke. ‘Als je nu niets onderneemt, dan komt er nooit meer iets van Herman’ had ze gezegd, maar thuis in Renslo had ik eerst nog een zakelijke ontmoeting met Heleen over haar artikelen over de ‘jongerenoverlast’. Bij het uitstappen uit de trein zag ik mijn vertrouwde auto staan op de parkeerplaats, stapte in en reed naar huis.

Bij thuiskomst schreef ik wat afspraken in mijn agenda en deed deze vervolgens in de binnenzak van mijn blazer. Na het eten van een pizza die nog in mijn vriezer lag ging ik languit op mijn bank liggen en keek onder het genot van een flesje bier, de rest van de avond naar de televisie.
De volgende ochtend was ik al vroeg op kantoor.
‘Goedemorgen Herman! je bent vroeg op de redactie’ zei redacteur Odijk. Hoe zijn je vrije dagen bevallen?’
‘Uitstekend mijnheer! Ik ben naar de kustplaats Scheveningen geweest en had mijn intrek genomen in een leuk pension met de naam ‘de Zeemeeuw’!
‘Een toepasselijke naam voor een pension aan de kust, Herman!’
Toen de redacteur weer achter de deur was verdwenen, belde ik mijn moeder op om haar te vertellen dat ik weer terug was van mijn trip naar Zuid-Holland.
‘Heb je genoten jongen?’ vroeg ze.’
‘Ja moeder het was fantastisch aan de Noordzee. De volgende keer neem ik u mee.’
‘Verder alles goed met u?’ vroeg ik nogmaals.
‘Ja, hoor alles is uitstekend. Ik zie je gauw.’
‘Dag moeder!’ en ik hing op.

Rond lunchtijd ging ik naar Croissanterie Bluemink. De winkel stond aan het Dorpsplein. Door de etalage zag ik Heleen al zitten. Ze was zoals altijd weer stipt op tijd.
Heleen gaf mij een hand toen ik aan haar tafel stond. Een croissant met Brie stond voor haar op tafel.
‘Voordat ik plaats neem bestel ik ook iets bij het buffet. Met een broodje oude kaas en koffie nam ik even later plaats.
Heleen zag er weer opgedirkt uit, viel mij op. Uit mijn binnenzak haalde ik mijn agenda tevoorschijn en legde deze voor mij op tafel neer.
‘Wat ben je getint in je gezicht Herman? Ben je soms naar het buitenland geweest?’ Ik had de vraag nog aan je redacteur gesteld, maar die liet niets los.’
Inwendig moest ik lachen. Heleen was een doortastend en nieuwsgierig type. Soms iets teveel.
‘Ik ben naar het Noordzee strand geweest. Trouwens, ik kom hier voor jou. Jij had mij toch iets te vertellen?’ Ze knikte. Opeens merkte ik dat mijn laptop nog in mijn auto lag. Mijn laptop ligt nog op mijn achterbank, ik ben zo terug Heleen.’ Ik stond op en liep richting de uitgang.
Haar blik viel op zijn agenda die voor haar lag. Wat zouden er voor afspraken instaan, vroeg ze zich af. Ze kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en sloeg de omslag van de agenda open. Even bedacht ze zich. Het kon toch geen kwaad om in zijn agenda te kijken. Hij was toch even weg. Ze bladerde zijn agenda door waar een aantal afspraken instonden. Het waren recente afspraken. Ze deed de deksel open van haar laptop en noteerde ze. Nadat ze het een en ander had getypt deed ze snel de agenda dicht alsook haar laptop. Op hetzelfde moment kwam een meisje van het buffet aan haar vragen of ze nog een bestelling wilde doen.
‘Waar is die mijnheer gebleven mevrouw? Zijn koffie wordt namelijk koud.’
‘Hij komt zo terug; ik zet de schotel wel bovenop zijn kopje’ en het meisje vertrok.
‘Na verloop van tijd tikte ze met haar lange nagels op de tafel. Waar bleef hij nou?
Ze had het nog niet gedacht of ze zag hem aan komen lopen.
‘Kon je de weg nog terug vinden’ zei ze met een sneer.
‘Ik moest nog een eindje lopen. Mijn auto kon ik niet voor de deur kwijt.’
‘Je koffie is inmiddels behoorlijk afgekoeld. Zal ik een nieuwe voor je bestellen?’
‘Ik loop zelf wel even naar het buffet.’

Met mijn koffie in de hand ging ik weer tegenover haar zitten. Ik nam een slok en een hap van mijn croissant met kaas.
‘Wat voor nieuws heb jij nu voor mij?’
‘Weet je nog dat Hans Heskes vertelde over de ‘hangjongeren’ op het Dorpsplein. Ik heb toen die kwestie besproken in de gemeenteraad. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat er een oplossing moet komen. Ik had een idee en besprak dit met de raadsleden. Zij vroegen of ik mijn ideeën in een artikel in de plaatselijke krant wilde zetten. Vandaar dat ik hier nu met jou zit. Op een zekere dag had ik een gesprek met Bert Timmermans van café ‘De Blauwe Ruiter’. De gemeente wilde tijdelijk de feestzaal huren voor activiteiten voor de jongeren. Hun vertrouwde buurtcentrum ‘Kom Op’ moeten ze binnenkort missen vanwege de asbest die op het dak van het gebouw is gevonden en verwijderd moet worden. Alle spullen van ‘Kom Op’ worden tijdelijk overgebracht naar de feestzaal. Omdat het van tijdelijke aard is, ging Bert akkoord met ons verzoek. Graag willen wij dat jij er een verslag van maakt en dit laat plaatsen. Ook moeten er een paar kranten worden uitgedeeld op de scholen.’
‘Wat een verhaal en een goed idee van jou Heleen’ Zo hebben de jongeren toch nog op korte termijn een leuke ruimte om zich voorlopig te vermaken.’
‘Zou je de verzending morgen willen verwerken Herman?’
‘Dat doe ik Heleen!’

Ik nam nog een laatste hap van mijn croissant en stond op.
’Ik ga nu meteen naar de redactie, stond op en gaf haar een hand. Van de tafel nam ik mijn agenda mee.
‘Op de valreep wil ik je nog wat vragen? Herman.’
‘En dat is?’
‘Wij kennen elkaar alweer een tijdje en ik vind je erg aardig. Hoe zou je het vinden om eens een keer met mij uit eten te gaan?’
‘Als zakenrelatie kunnen wij dat wel eens doen Heleen, maar niet op korte termijn. Ik heb namelijk nog wat afspraken staan. Eerlijk gezegd moet k nu naar de krant. Jouw verhaal moet worden geplaatst. Je zult dus nog even geduld hebben.’
Ik zei haar nogmaals gedag en liep gehaast naar de deur van de croissanterie op weg naar kantoor, want er lag nog meer werk op mij te wachten. Aan het eind van de week had ik nog een afspraak staan bij Heren- en Dameskapsalon ‘De Perfecte Knip, hier in de buurt.
‘s Middags had Heleen een ‘Mental Coach Sessie’ bij haar thuis in haar villa. Haar klanten waren hoofdzakelijk zakenlui. Ze woonde er alleen en had een zee van ruimte. Zo dadelijk zou er kantoorpersoneel komen van een levensverzekeringsmaatschappij uit de regio voor een training. Ze vulde alvast de kannen met water voor de koffie en voor de thee. Toen de gasten na twee uur weer waren vertrokken, liep ze naar haar werkkamer waar haar laptop open stond en las de berichten die ze uit de agenda van Herman had overgetypt. Ze zag dat de eerste afspraak een bezoek aan de kapper was. Ze kende de kapperszaak wel, ze liet zelf haar haren regelmatig knippen. Een leuke gelegenheid om Herman weer eens te ontmoeten. Ze had het lef gehad om hem te vragen om een keer met haar uit eten te gaan, maar kreeg toch de indruk van hem dat hij een afwachtende houding had. Ze had het etentje gepland als privéaangelegenheid en niet voor zaken. Blijkbaar was hij voor geen gat te vangen. Wat moest ze toch doen om zijn aandacht te trekken, vroeg ze zich af? Ze werd er radeloos van.

‘Uw haar is inderdaad te lang mijnheer Dankers, zei een van de kapsters toen ik net in een zwart leren kappersstoel ging zitten. Er mag best wel wat vanaf hoor, uw krullen vallen al over uw boord.’
‘Dat heb ik gezien en ik krijg mijn haar niet meer in model. Knipt u er maar wat vanaf, maar ook weer niet tekort hoor?’ Het laatste dat ik zei had ze blijkbaar niet gehoord, want ze liep weg en pakte uit een kast, die achterin de zaak stond, twee handdoeken. Toen ze terug kwam, herhaalde ik de laatste zin nog eens.
‘Het komt in orde mijnheer Dankers maakt u zich maar niet bezorgd’ glimlachte ze.’
In de verte hoorde ik de bel van de deur van de kapsalon. Ik keek op zij en zag Heleen van Dam binnenkomen. Nee maar! wat een toevalstreffer, dacht ik bij mijzelf. Een andere kapster liep naar haar toe, nam haar jas aan en hing deze op aan een staande kapstok die in een hoek van de kapsalon stond. ‘Gaat u hier maar zitten mevrouw’ hoorde ik haar zeggen tegen Heleen. Een dame op leeftijd naast mij stond op en liep naar de balie om af te rekenen. Heleen stond meteen op en kwam pardoes naast mij zitten. Mijn kapster was intussen bezig met mijn haar en vroeg aan mij hoe ik aan zo’n bruine tint kwam?
‘Bent u naar de zonnebank geweest, mijnheer Dankers?’
‘Nee hoor! een kuurtje aan zee, het was zulk mooi weer, zei ik tegen haar. De kapster ratelde maar aan een stuk door onder het knippen en vroeg het hemd van mijn lijf, maar ik omzeilde al haar vragen, want Heleen mengde zich op een zeker moment ook in het gesprek. Ik voelde er weinig voor om mijn verhaal te vertellen. Er viel een stilte.
‘U bent geknipt hoor’ zei de kapster alweer, om de stilte te doorbreken.’
‘Je ziet er weer goed uit Herman, zei Heleen.’
‘Dank je Heleen!’ en vroeg mijzelf af waar ik dit antwoord meer had gehoord. Ik stond op en rekende af, stapte naar buiten en liep regelrecht naar mijn kantoor.

Wordt vervolgd

Advertenties

GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 18 EN 19

‘Ik ga nu een strandwandeling maken. Een paar uur geleden ben ik hier gearriveerd en wil nog wel even genieten van het strand en de zee. Ik stond op en gaf haar een hand. ‘Dag Cinthia’ en ze zwaaide terug.
Op de boulevard en het strand was het nog aardig druk. Niet ver van het terras, waar ik zojuist vandaan kwam, zag ik een houten trap die naar beneden leidde richting het strand. Beneden aangekomen liep het pad tussen twee strandpaviljoens door en liep ik het strand op. Uit mijn rugzak haalde ik mijn teenslippers tevoorschijn en borg mijn schoenen op in een plastic tasje die ik van huis had meegenomen. Als eerste liep ik langs de waterlijn. De golfjes van de zee kriebelde tussen mijn tenen en ik liep verder naar de Pier. Een paar honderd meter voorbij de Pier liep ik terug omdat ik een naaktstrand in het vizier had. De haven lag precies aan de andere kant van de lange boulevard waar de terrassen waren. Halverwege hield ik het voor gezien. In het middengedeelte tussen het Kurhaus en de haven werd het wat rustiger met het publiek.
Uit mijn rugzak pakte ik mijn badlaken, schopte mijn slippers uit en liet mij vallen in de buurt van een ouder echtpaar, waarvan de vrouw zich in allerlei bochten wrong om zich te ontdoen van haar kleding. Ik moest erom glimlachen, omdat mijn leeftijdgenoten het niet zo nauw namen met aan- en uitkleedpraktijken in het openbaar. Ik draaide mij om en ging op mijn buik liggen, keek richting de zee en zag in de verte de contouren van een visserslogger. Het kabbelen van de zee gaf mij een rustgevend gevoel. Aan de waterlijn rende een hond achter een bal aan, die zijn baas steeds wegschopte. Zowel de baas als de hond rende heen en weer de zee in. Twee peuters waren lief met elkaar aan het spelen, totdat de kleinste een schepje afpakte van de ander, waarna het kind zijn groene emmertje pakte en zonder pardon op het hoofd sloeg van de dader. Een gekrijs volgde, totdat moeder tussenbeide kwam en de twee probeerde te sussen.

Ik stond op en keek op mijn horloge. Het was inmiddels 19.00 uur. Snel pakte in mijn boeltje bij elkaar. Mijn maag rammelde. Door het rulle zand liep ik langs de waterlijn richting de haven en zag een wandelpad van zwarte platte keien die naar de boulevard leidde. Met mijn handen wreef ik het overtollige zand van mijn voeten en stapte in mijn schoenen. Geen lekker gevoel omdat het zand deels nog tussen mijn tenen zat. Ik zag wat loggers liggen in de haven. Boven aan de kade waren een aantal restaurants. Een vislucht kwam mij tegemoet waardoor k nog meer trek kreeg. Bij een van de visrestaurants stapte ik naar binnen en bestelde een lekkerbek met friet en salade met een glas witte wijn. Ik was eigenlijk benieuwd naar mijn email en pakte uit mijn rugzak mijn laptop en plaatste deze op de tafel. Mijn bestelling was nog niet in aantocht. Er stonden een paar berichten op. Tussen een van de berichten stond een bericht van Heleen van Dam. Ze schreef: ‘dat ze van de redacteur had gehoord dat ik een lang weekend weg was. Ze wilde op dinsdag een afspraak maken bij Croissanterie Bluemink in de Dorpsstraat om gezamenlijk de lunch te gebruiken. Ze had een artikel voor de krant. Ze had een tijdelijke oplossing gevonden voor de overlast van de hangjongeren op het Dorpsplein. Ik schreef haar dat onze afspraak was gemaakt.

‘Alsjeblieft mijnheer, hier is uw diner! Laat het u smaken’ zei een ‘kittige’ roodharige serveerster die voor mijn tafel stond’.
‘Het ruikt heerlijk’ gaf ik als antwoord en deed mijn laptop dicht’.
Tijdens mijn diner moest ik denken aan Cinthia. Het was een leuke, onverwachte ontmoeting geweest. Wij hadden met elkaar gepraat, maar eigenlijk wist ik nog niet veel van haar, behalve haar leeftijd en woonplaats. In stilte hoopte ik dat ze morgen met mij mee zou gaan naar het park Madurodam.
Toen ik de deur van het visrestaurant achter mij dicht trok, was het intussen al schemerig en liep ik de lange boulevard af naar mijn pension. Op de boulevard en de terrassen was het een stuk rustiger geworden. Hier en daar klonk er muziek dat na verloop van tijd verstomde. Eenmaal bij het Kurhaus aangekomen stak ik het Gevers Deynootplein over en liep ik naar mijn pension.

DEEL 19

In het centrum van Den Haag stapte Cinthia op de vierde etage haar appartement binnen. Ze hing haar handtas aan de smeedijzeren kapstokhaak en liep naar de keuken. De sperziebonen en aardappelen die ze vanmorgen had klaargezet, zetten ze op een laag vuur. Ze was toe aan een fris bad. Nadat ze de kranen had opengedraaid, pakte ze uit het badkamerkastje een flacon met badparels en goot het in het ligbad. Een heerlijke lavendellucht verspreidde zich door de badkamer. Nadat ze haar kleding op de wasmand had neergelegd, liet zich langzaam in het bad glijden. Even ging ze kopje onder en kwam meteen weer boven. Ze pakte haar shampoo en waste en spoelde haar haren. Ze was toe aan een scrubbeurt. Uit een tube met scrub, die naast haar in een bakje lag, bracht ze de vloeistof op haar huid. De scrub voelde aan als kleine zandkorrels. Het was een gezellige, doch vreemde dag geweest met een onverwachte ontmoeting van een onbekende knappe man van haar leeftijd. Zijn dorp was voor haar onbekend. De streek waar hij vandaan kwam was niet naast de deur. Ze vond hem sympathiek.

Vanmorgen vroeg was ze vetrokken om voor de laatste keer naar het strand te gaan in haar geliefde Scheveningen. Over drie dagen zou ze gaan emigreren naar Vancouver-Island in Canada. Tijdens een familiebezoek had ze twee jaar geleden Bart Veenstra had ontmoet. Hij was de zoon van emigranten. Zijn vader was een Nederlander en was geboren in de Randstad. Zijn moeder was een Canadese. Samen met haar ouders logeerden ze bij haar grootouders. Op een zekere dag was er een jongeman bezig in de keuken om elektriciteit aan te leggen. Net op het punt dat ze de koffie samen met grootmoeder naar de woonkamer zou brengen, vroeg grootmoeder aan Bart of hij misschien ook koffie lustte. ‘Graag mevrouw’ had hij geantwoord en hij liep mee naar de woonkamer. Zo gebeurde het dat ik met hem in gesprek raakte. Er volgde in die drie weken nog verschillende ontmoetingen en toen ik samen met mijn ouders weer vertrok naar Nederland hadden wij afgesproken om contact met elkaar te blijven houden via internet. Nadat er een jaar was verstreken, was hij naar Nederland gekomen. Wij hadden elkaar gemist en onze band bleek sterker geworden. Hij had mij, op een zeker moment gevraagd, om met hem te trouwen en in Canada te gaan wonen. Om in Canada te gaan wonen daar moest ze nog over nadenken. Na een gesprek met mijn ouders hadden ze ermee ingestemd dat ze vertrok. Haar ouders waren niet onbemiddeld. Vroeg of laat zouden ze haar weer opzoeken, hadden ze gezegd. Nu stond ze op het punt te gaan emigreren. Haar appartement had ze opgezegd en haar koffers waren zo goed als ingepakt. Ze had een gedeelte van haar inboedel samen met het appartement verkocht aan een jong stel met een peuter.
Vandaag had ze Herman ontmoet die geheel onverwachts aan haar vroeg of ze morgen met hem mee wilde gaan naar Madurodam. Ze was verrast door zijn onverwachte verzoek, maar had nog geen ´ja´ tegen hem gezegd. Op het terras hadden ze al even met elkaar gepraat. Er was een wederzijdse klik had ze gemerkt. Toch vroeg ze zich af of hij een bedoeling had met deze afspraak? Als het uitstapje haar niet zou bevallen, dan was ze snel thuis had ze zichzelf voorgenomen. Maar kon ze wel met deze Herman meegaan? Ze stond immers op het punt van vertrek.

Het badwater was intussen afgekoeld. Ze rilde en stapte uit het ligbad. Ze pakte haar badlaken en droogde zich af. Op haar teenslippers liep ze naar de slaapkamerkast en pakte een lang shirt met tijgerprint. ‘Het eten zal inmiddels wel klaar zijn’ mompelde ze. Ze goot het hete water uit de pannen en bakte nog snel een visfilet in de koekenpan. Het eten smaakte haar goed. Ze had een besluit genomen. Morgen zou ze Herman opbellen.
Onder het genot van een glas wijn zat ik in de lounge van het pension mijn email op mijn laptop weer na te kijken. Ik kon het werken blijkbaar niet laten. Ik zag dat Heleen mijn email had bevestigd. De andere email beantwoorde ik wel als ik weer op kantoor was en dat was pas dinsdagochtend. Ik deed de deksel van de laptop naar beneden en keek in de rondte van de lounge. Er zaten nog aardig wat gasten zag ik. Morgen was het zaterdag. Ze zou mij morgenochtend opbellen om door te geven of ze met mij meeging of niet.
Iemand tikte mij op mijn schouder en ik keek omhoog. Ik zag een serveerster die mij vertelde: ‘dat over een kwartier de bar dicht ging en er niets meer werd geserveerd.’
‘Het is al laat mijnheer, wij gaan zo dadelijk sluiten.’
‘Oh, dank je wel, ik zat waarschijnlijk te dromen, juffrouw.’
Meteen pakte ik mijn laptop en rugzak en ging naar mijn kamer. Bij binnenkomst rook ik nog steeds die heerlijke frisse zeelucht en zag dat het raam nog steeds op een kier stond. Na een korte douche gleed ik onder het frisse dekbed en voelde mijn ogen zwaar worden.

WORDT VERVOLGD

Gekrakeel in Renslo, deel 16 en 17

Bij aankomst zag het wit geschilderde pand eruit alsof het in de Victoriaanse tijd was gebouwd. Langs een groen ijzeren hek liep ik over een grindpad richting een openstaande eiken deur. Aan weerszijden van de deur stonden twee buxusbollen in grote conische vazen. Via een uitgesleten stenen trapje kwam ik binnen in een hal waarin een enorme kroonluchter hing. Er stond een echtpaar bij de receptie die geholpen werd door een struise vrouw met hoogblond haar.
‘Hier heeft u de sleutelkaart van uw kamer, u kunt hier de trap op naar de eerste etage of gebruik maken van een lift. De eerste kamer aan uw rechterhand is nummer vijf, zei ze tegen hun en het echtpaar vertrok.
‘Goedemiddag mijnheer, hoe is uw naam?’, vroeg ze aan mij toen ik bij de balie stond.’
‘Mijnheer Dankers mevrouw. Ik heb uw pension via internet geboekt. Ik zag haar kijken op het beeldscherm van haar PC.
‘Ik zie inderdaad uw naam staan. U komt uit Renslo.’
‘Dat klopt mevrouw.’
‘Waar ligt Renslo eigenlijk? Ik heb er nooit van gehoord. Er komen al jaren vele toeristen in mijn pension, maar de naam Renslo zegt mij niets.’
‘Ik moest glimlachen. Het dorp ligt in de Achterhoek tussen Aalten en Winterswijk.’
‘Dan bent u ver weg van huis mijnheer, zei ze weer. Hier heeft u sleutelkaart nummer 7.’
‘Dan moet ik zeker ook de trap op naar boven en dan de tweede deur rechts, neem ik aan?’
‘U heeft het goed geraden, mijnheer. Ik heb nog een vacature openstaan voor een receptionist. Volgens mij bent u geknipt voor een baan in mijn pension lachte ze.’
‘Dat zal niet lukken. Ik ben verslaggever bij een plaatselijke krant in mijn dorp, maar vanaf vandaag even niet. Ik heb dit lange weekend geboekt voor een paar dagen ontspanning.’
‘Een verslaggever. wilt u misschien reclame maken voor mijn pension?
‘Dat is niet nodig mevrouw. Uw pension staat als ‘uitstekend’ geboekt op het internet.’
‘Fijn om te horen, mijnheer.’

Bij het naar boven gaan moest ik glimlachen, de vrouw leek mij een gezellig type die met iedereen wel een praatje maakte. Zij was zeker geschikt voor het beroep pensionhoudster. Op de eerste etage opende ik de deur, keek in de kamer en zag dat het er netjes uitzag. Een raam stond op een kier. De vitrage had vrij spel en waaide zachtjes door de kier naar buiten. Ik rook weer die zilte zeelucht. Alles zag er netjes uit. Ik zetten mijn rugzak op een kingsize bed, waar je gemakkelijk met z’n drieën in kon liggen. In de hoek stond een bureau met een stoel en een tweedeurs linnenkast. De Tv hing aan een muur tegenover het bed. Ook de badkamer zag er verzorgd uit met een ligbad en een douchecabine.
Mijn kleding deed ik in de kledingkast en plaatste mijn toilettas in de badkamer. Mijn laptop bleef in mijn tas zitten alsook een zwembroek en badlaken. Intussen was het al middag. Ik had nog niets gegeten.

Nadat de deur van mijn kamer achter mij in het slot viel, liep ik snel de trap af naar beneden en liep langs de receptie naar buiten. De pensionhoudster was nergens te bekennen. Ergens aan de boulevard zou ik mijn lunch gaan gebruiken. Ik liep de weg weer terug vanwaar ik gekomen was, stak het Gevers Deynootplein over en liep langs het Kurhaus de boulevard op. Het was voor de maand juni al een drukte van belang. Rechtsaf liep ik de boulevard op en zag de beroemde Pier staan. Naast elkaar stonden verschillende restaurants met terrassen en hier en daar wat winkels. Bij het derde restaurant liep ik naar binnen en ging zitten op het terras achter vensterglas naast een jonge vrouw van ongeveer mijn leeftijd.

DEEL 17

‘Hallo, zei ze uit beleefdheid tegen mij toen ik wilde gaan zitten en ik groette haar. De ober kwam direct naar mij toegelopen en vroeg: ‘Of ik wat wilde drinken of eten?’
‘Graag wil ik een uitsmijter met spek en een kop zwarte koffie’ antwoordde ik tegen de magere ober met een kleine snor.
‘Het komt er zo dadelijk aan, mijnheer.’
‘Vindt u ook niet dat de ober op een bekende komiek uit vroeger tijden lijkt, vroeg ik aan de jonge vrouw die naast mij zat, toen de man door de glazen deur van het restaurant was verdwenen. Hij mist alleen zijn wandelstok nog.’
‘Ze moest glimlachen!’.
‘Hoe heette die Amerikaanse komiek met die bolhoed ook alweer? vroeg ik alsnog.
Charly Chaplin, zei ze.’
‘Ik heet trouwens Herman.’
‘Mijn naam is Cinthia van der Steen. Ik woon hier niet ver vandaan. In Den Haag welteverstaan.
‘Ik kom uit het Achterhoekse dorp Renslo.’
‘Aan de andere kant van Nederland dus, antwoordde ze.’
‘Ik heb een lang weekend verlof genomen van mijn werk als verslaggever bij de plaatselijke Dorpskrant in mijn dorp.’
‘Ik kom graag op Scheveningen en pak ik de tram vanaf mijn huis en ben binnen tien minuten op het strand. Vandaag heb ik een dag verlof opgenomen. Meestal neem ik plaats op dit terras en daarna huur ik een strandstoel op het strand. Dan neem ik vooraf een broodje met haring mee van die haringkar die daar verderop staat.’
‘Heerlijk zo’n haring antwoordde ik. Maar nu even niet want ik zie Chaplin al aankomen met mijn uitsmijter.’
‘Zei u iets mijnheer?’ vroeg de ober.
‘Hij zetten het bord met de uitsmijter en de koffie op een tafeltje, waarna Cinthia en ikzelf moesten lachen om de ober nadat hij was verdwenen.
‘Eet smakelijk Herman!’ Ze pakte uit haar turkoois strandtas een vrouwenblad en was even later verzonken in een verhaal.

De uitsmijter liet ik mij goed smaken en na de laatste hap nam ik een slok van mijn koffie. Zijdelings keek ik naar Cinthia. Ze was volslank en had lang blond haar dat over haar schouders viel. Ze had een kleine wipneus en wat sproetjes. Haar witte short met een blauw T-shirt stond haar vlot. Tijdens het lezen hing een van haar witte instappers aan haar tenen te bungelen. Ze was het type vrouw die mij aantrok. Toch was ik niet op zoek naar een vrouw, maar wilde in die korte tijd genieten van de zee en het strand.
Onverwachts werd ik afgeleid door een mondige man op leeftijd, die aan de andere kant van het terras een jongeman lastig viel. Er ontstond een verhitte discussie over een zitplaats. Omdat de man zo hard praatte, vernam ik, en de andere gasten op het terras, dat de jongeman, net voordat hij wilde gaan zitten, zijn zitplaats in beslag had genomen.
‘Ik was net iets eerder dan u’ hoorde ik de jongeman zeggen tegen de man. U stond nog even met iemand te praten vlakbij de tafel waar ik nu zit. Omdat de stoel nog vrij was nam ik hier plaats.’
‘Nu kan ik nergens meer zitten, zei de man verbolgen. Waarom sta je jouw plaats niet af?’
Blijkbaar was de jongen het zat en gaf hem geen antwoord.
‘Wat een brutaliteit heeft de jeugd van tegenwoordig. Vindt u ook niet mevrouw? vroeg de man aan een vrouw die naast de jongeman zat.’
‘Het spijt mij mijnheer, maar de jongeman heeft gelijk’ zei ze ietwat pinnig. Ú had meteen plaats kunnen nemen.’
‘Aan u heb ik ook niet veel’ antwoordde hij met opgetrokken schouders en een rood hoofd. Kwaad liep hij van het terras af en botste bijna tegen een corpulente vrouw die een teckel op haar arm droeg. Het dier begon van schrik te keffen.
‘Kijk eens uit man!’ Je loopt ons bijna omver’, hoorde ik haar kribbig zeggen tegen hem toen ze net het terras passeerde.’ Maar de man had blijkbaar geen zin meer in een confrontatie en verdween in het wandelende publiek.

‘Wat was dat voor een tumult? vroeg Cinthia plotseling aan mij. Ik ben helemaal uit mijn verhaal.’
‘Er vond zojuist een misverstand plaats tussen een oudere man en een jongen. De man claimde onterecht deze jongen zijn zitplaats, waarna de man boos wegging.’
De ober kwam weer onze richting oplopen, nam mijn lege bord weg en vroeg of ik nog iets wilde drinken?’
‘Een fluitje graag?’
‘Mag ik dan van u een cola? vroeg Cinthia snel.
‘Die cola is voor mijn rekening, viel ik haar in de rede.’
‘Bedankt Herman’ zei ze met een glimlach.
Wat een spontane vrouw bedacht ik opeens. Het was alweer lang geleden dat ik mij zo prettig met een vrouw had gevoeld. Dit gevoel had hij ooit samen met Tineke. Waarom kwam ze weer opeens in zijn gedachte.
‘Nu ik toch hier ben, ga ik morgen naar Madurodam toe. Morgen is het weekend. Het lijkt mij leuk om een gedeelte van Nederland op schaal te zien.’
‘Vind je het misschien leuk om met mij mee te gaan? Cinthia, vroeg ik aan haar’
Verbaasd keek ze mij aan en zei: ‘Eerlijk gezegd overval je mij ermee; mag ik er nog even over nadenken?’
‘Natuurlijk Cinthia. Volgens mij ben jij van mijn leeftijd?’
‘Ik ben dertig jaar?
‘En ik twee jaar ouder dan jij’ Cinthia.
‘Ik geef je alsnog mijn telefoonnummer. Als je mij rond 10.00 uur niet hebt gebeld, dat ga ik alleen op pad.’
‘Oké, Herman, afgesproken!’

WORDT VERVOLGD

Het masker (wajang gedhog)

image2951
‘De traditionele wajangdansers met hun wajang gedhog geven een uitvoering in Djakarta, ter gelegenheid van het huwelijk van jullie neef Boy en zijn aanstaande bruid Soesila, vertelde Lien aan haar dochters die in het woongedeelte van het huis waren. Ik zag vanmorgen tot mijn grote schrik de doos staan met het masker en zijn kebaya erin van mijn broer Wajan. Na een logeerpartij van een paar dagen ging hij weer terug naar Djakarta. Jullie oom, een van de wajangdansers in de familie, was snel vertrokken. Er moest voor de trouwerij voor zijn zoon Boy nog het een en ander worden geregeld op zijn verzoek.
‘Zonder zijn masker kan hij niet meedoen met het traditionele toneelstuk’ antwoordde Merpati, haar oudste dochter. Ze had onbedoeld het telefoongesprek aangehoord tussen haar moeder en oom Wajan. Klopt het mama, dat wij het masker naar hem toe moeten brengen in Djakarta, zei ze weer.’
‘Jazeker. Dat is wel de bedoeling. Mijn broer heeft het aan mij gevraagd. De voorbereidingen voor het huwelijk van zijn zoon Boy zijn al in gang gezet. Er moet nog het een en ander binnen de familie worden geregeld. Morgen is het huwelijk.
‘Wij gaan morgenvroeg toch ook naar het feest? mama’ vroeg Djelita die ruw werd gestoord tijdens haar huiswerk.
‘Natuurlijk Delita, antwoordde haar moeder. Onze kleding ligt hier al klaar, genaaid en al. Er heb er hard aan gewerkt om ze allemaal klaar te krijgen. Ik had speciaal voor mijn broer een witte kebaya genaaid met mooie motieven erop geborduurd. Hij was speciaal naar mij toegekomen om het hemd te passen. Ook gaf het hem de gelegenheid om zijn inmiddels antieke masker te laten herstellen door de meester-schilder hier in Jatinegara. Door de loop der jaren was het masker deels versleten.
‘Het is toch wel een eindje rijden naar Djakarta’ zei Lina, de jongste van de drie zussen.
‘Ik weet het meisje. Maar er is geen tijd te verliezen.’ Jullie oom vertrok gisteren met zijn koffer en vergat het belangrijkste de doos met het gerestaureerde masker en de door mij genaaide kebaya.’
‘Het is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Morgen zouden wij met z’n allen en met mijn verloofde Asmar in zijn stationcar vertrekken naar het bruiloftsfeest in Jakarta’ zei Merpati tegen haar moeder.
‘Ik heb over jullie vervoer nagedacht.’
‘Gaan wij dan met de taxi?’ vroeg Lina. ‘Dat wordt te duur’ meisje. Omdat het kort dag is lijkt de enige oplossing om op de brommer naar jullie oom en tante te gaan. Oom vertelde dat jullie daar konden blijven logeren tot na de bruiloft. De brommer wordt na de bruiloft weer naar ons teruggebracht.’
‘En onze feestkleding dan mama? Hoe moeten wij die meenemen op de brommer. Iemand van ons drieën houdt de doos al vast. Meer kunnen wij niet meenemen, viel Djelita haar moeder in de rede.
‘Morgenochtend vroeg rijdt ik samen met Asmar naar het huis van oom Wajan en tante Kasidjah. Daarna vertrekken wij met de hele familie naar de bruiloft.
‘Eerlijk gezegd vind ik het maar een gedoe’ zei Djelita en klapte geïrriteerd haar lesboek dicht. Ze had deze ochtend met zichzelf afgesproken om nog wat extra lesstof te leren. Haar studie als docente was bijna afgerond.
‘Voordat jullie vertrekken gaan jullie eerst nog wat eten en drinken. Het is nog een behoorlijke trip om te rijden.’
Voor de middag stapten ze gedrieën op de brommer en reden door wat kampongs, wijken richting de grote stad Djakarta. Vanaf hun woonplaats Djatinegara was het nog een aantal kilometers rijden. Zoals gewoonlijk was het druk op de weg. Een mierenhoop van mensen. Taxi’s, bussen en een Riksja die hun bijna de pas afsneed. Bijna niemand hield zich aan de verkeersregels. Djelita, de middelste dochter reed de brommer. Zij was een type die zich niet zo snel druk maakte en was niet voor een gat te vangen. Lina, die naar haar moeder was vernoemd, zat in het midden en hield de doos stevig vast. Er mocht beslist niets mee gebeuren.
Merpati zat enigszins verzonken in gedachten achterop. De brommer was van hun vader geweest. Hij had 2 jaar geleden een ongeluk gehad met zijn klewang, machete, waardoor er een gapende wond was ontstaan op zijn onderbeen dat moeilijk genas. Door complicaties was hij gestorven. Vader was een strenge doch rechtvaardige man. Dat strenge karakter had hij van zijn vader. Zijn vader was militair en door het regime werd hij spartaans opgevoed. Deze mentaliteit had hun vader niet. Wel eiste hij dat zijn dochters naar hem moesten luisteren.
Haar zus Jelita had daar weleens moeite mee. Ze ging het liefste haar eigen gang waar vader weleens moeite mee had. Dan kreeg ze weleens een paar tikken. Lina, moeders naamgenoot had het zachte karakter van haar. Ze waren beiden zorgzaam. Zelf leek ze het meeste op haar vader. Respect vond ze belangrijk. Moeder naaide kleding voor het gezin en verkocht het op de markt. Ze hadden het financieel niet slecht, totdat vader stierf. Toen hadden ze een inkomen minder. Toch waren ze zeker niet arm.
Ondanks vaders brommer sinds 2 jaar afgedekt met een zeil onder hun afdak stond, deed hij het nog prima. Vader was er zuinig op geweest. Het had het gezin een hoop geld gekost. Ooit had moeder de brommer willen verkopen maar wij als dochters hadden ertegen geprotesteerd. ‘Hij kon altijd van pas komen, had ze als oudste tegen haar moeder gezegd. Vandaag was dat het geval.
Nadat ze een tijdje hadden gereden hadden ze dorst gekregen. Djelita stopte bij een stalletje langs de kant van de weg, waar ze wat konden drinken. ‘Wat ben ik moe Merpati. Van ons drieën zit ik vastgeklemd tussen jullie beiden in. Ik kan letterlijk geen kant op en ze zetten de doos neer op de zitting waar ze een deel van de rit had gezeten. Jelita bestelden drie bekers met klappermelk. Wat smaakte dat heerlijk. Even praatten ze met de verkoper die aan hun vroeg waar de reis naar toe ging. ‘Naar een buitenwijk van Djakarta mijnheer’ vertelde Merpati aan de man. Wij moeten een doos wegbrengen naar een oom.’
‘Is dat die doos die zojuist een jongen meeneemt? Pas op!’riep de verkoper alsnog. ‘Houdt de dief!’ schreeuwde Djelita. Ze trok meteen een sprintje en rende achter de knaap aan. De jongen kwam helaas niet ver. In zijn haast botste hij tegen een chauffeur op die aan het laden en lossen was van zijn handelswaar. Hij greep de jongen vast en zag een jonge vrouw aan komen rennen. ‘Hij heeft onze doos gestolen’ mijnheer zei ze luidt tegen de chauffeur. Mijn zussen staan verderop op mij te wachten bij een stalletje. ‘Geef hier die doos?’ zei ze boos tegen de jongen. Hij hield de doos stevig vast waardoor ze deze uit zijn handen trok. De doos viel op de grond en het deksel viel er af. De witte kebaya viel daardoor in het zand en was besmeurd. Toen de jongen zag dat rende hij weg en verdween in het publiek.
Ze pakte de kebaya op en deed deze weer in de doos. Ze bedankte de chauffeur dat hij de jongen in zijn kraag had gevat en liep snel terug naar haar zussen die nog op haar stonden te wachten. Bij aankomst vertelde ze hun haar verhaal. ‘Met het masker is er gelukkig niets gebeurd’ zei Lina toen ze in de doos keek. Maar de kebaya zal op tijd gewassen moeten worden door tante. Het is een geluk dat moeder van dit alles niets afweet.’
Na het drinken van de klappermelk verwisselden ze van plaats. Nu hield Djelita de doos vast en mocht Merpati rijden. Lina hield zich angstvallig vast aan haar zus. Haar armen waren moe van het krampachtig dragen van de doos. Nog een paar kilometer en dan waren ze gearriveerd bij oom en tante.
Ze waren moe en stoffig van het straatvuil toen ze aankwamen bij hun familie. Na de begroetingen friste ze zich op. Tante had het eten al voorbereid.
‘Na het eten vertelde Merpati dat er iets vervelends was gebeurd. ‘Hebben jullie mijn masker dan niet bij je?’ vroeg oom.
“Jawel en hij ziet er weer als vanouds uit oom Wajan. Zoals u weet had onze moeder voor u een mooie kebaya gemaakt. Helaas is deze besmeurd geraakt en zal vandaag dus gewassen moeten worden. Ze vertelde het relaas van de diefstal. De kebaya was zo mooi wit’ vertelde Merpati alsnog.
Bij het openen van de doos was oom verrukt bij het zien van zijn masker die zo mooi was geschilderd. Mijn mooie hemd maakt mijn vrouw wel weer schoon, zodat ik deze met trots kan dragen samen met het masker tijdens de voorstelling. Tante nam het besmeurde hemd uit de doos en waste deze in de wasmachine. Na een gezellige avond gingen ze bijtijds naar bed. Morgen zou hun moeder met Asmar komen samen met hun feestkleding.
De volgende dag ging de familie naar de bruiloft van Boy en Soesila. Samen met de andere dansers gaf oom Wajan een mooie wajangshow weg. Hij zag er prachtig uit met zijn masker en zijn witte kebaya. De bruiloft was een groot succes. Merpati, Djelita en Lina hebben tot heden nooit verteld wat er die dag voor de bruiloft met, de door hun moeder prachtig gemaakte kebaya, was gebeurd.

Lente-tragedie

koolmees a

Koolmezen in mijn tuin
Achter het broedgebied
Ze vlogen af en aan
En zongen hun lied

Tot op een mooie lentedag
Ik de koolmezen niet meer zag
Geen aanvliegroute meer
Dat was een hard gelag

Een blik van mij
in het nest aan de muur
zag ik een doods gemoed
het vrouwtje zat op haar gebroed
haar dagen daar gesleten

Het mannetje was niet teruggekeerd
Kon haar geen voedsel geven
Zijn wachtte tevergeefs
En is toen dood gebleven

Het lot van de koolmeesman
Kom ik dus nooit te weten
Maar een ding weet ik wel
Ik zal het nooit vergeten.

GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 14 EN 15

Diezelfde avond hielp Hans Heskes in zijn boekhandel nog een laatste klant met het uitzoeken van een boek. Na het vertrek van de man sloot hij zijn winkeldeur. Het was intussen bijna half 10. Buiten begon het te schemeren. Hij zou nog naar het ‘open huis’ kunnen gaan van Herman. Eerder die dag had hij aan Jan Ruiters een felicitatiekaart meegegeven die in zijn boekenzaak aanwezig was. Ook om een andere reden weerhield het hem om naar Herman toe te gaan. Zijn oude vriendin Heleen van Dam. Ondanks hun leeftijdsverschil van dertien jaar klikte het ooit tussen hen en hadden ze een aantal maanden een platonische relatie gehad. Ze had hem gek gemaakt met haar woorden: ‘Dat hij er nog goed uit zag voor zijn leeftijd.’ Zelf was ze slank en had geen moeite met mijn stevige postuur. ‘Jouw prachtige haar vind ik toch het mooiste van alles.’ Haar gevlei deed hem goed, totdat ze vertelde dat hij haar deed denken aan een kunstenaar die ze van vroeger kende. Vaak deed het mij pijn als zij mij weer eens vergeleek met de een of andere relatie uit haar verleden. Ik liet mijn ongenoegen niet meteen merken. Ze had nu eenmaal een aantrekkingskracht op mij en andere mannen. Daardoor werd ik steeds heen en weer geslingerd tussen mijn gevoel en mijn verstand.
Als wij samen uitgingen, zocht ze toch steeds weer de aandacht op van andere mannen en voelde ik mij op dat moment overbodig. Als ik haar, na een avondje stappen, weer naar huis bracht met mijn zwarte Volvo en ik weer huiswaarts ging, was ik boos op mijzelf. Ze speelde regelmatig met mijn gevoelens. Toch kon ik haar niet weerstaan en ondanks ze op een gegeven moment vertelde geen ‘heil’ meer in onze relatie te zien, bleven wij contact houden, maar niet meer in de relatiesfeer. Met vrouwen had ik het nu wel even gehad.

Naast mijn boekhandel was de voordeur van mijn woning. Ik woonde boven de zaak en had een dubbele etage. Mijn huis met drie kamers was klassiek ingericht. De etalage van de boekhandel keek uit op het Dorpsplein. Achterin de zaak was een groot magazijn voor de opslag van mijn boeken, een keukenblok en een toilet. Ik was al jaren vrijgezel. Klanten kwamen graag in mijn zaak. Soms vertelde ik hun over mijn grote passie ‘historische boeken’.

Het was een gezellige drukte voor mijn woonboot.
‘Ik heb een schaal met kippenpoten, saté of een hamburger mensen. Tast toe?’ en plaatste de schaal op tafel.’
‘Wat wilt u eten?’ hoorde ik Tineke vragen aan mijn moeder.
‘Een kippenpoot graag.’ Ze pakte een kippenpoot met een servet en gaf deze aan haar.
‘Hoe is het eigenlijk met jou? Tineke. Ondanks wij al jaren naast elkaar wonen spreek ik je amper. Kun je wel wennen zo alleen, sinds je ouders zijn verhuisd naar het verzorgingstehuis?’
‘In het begin was het even wennen’ mevrouw Dankers. Ik bezoek mijn ouders wekelijks. Gelukkig heb ik een goede baan en vrienden, zoals mijn vriendin Heleen van Dam, de vrouw die daar blootvoets in de hoek van de tent zit.’
‘Vanaf je prille jeugd kwam je nog weleens regelmatig bij ons op visite. Met of zonder je ouders en trok je als kind op met Herman. Op de een of andere dag zagen mijn man en ik je niet meer. Alleen bij de begrafenis van mijn man ben je nog geweest. Heb je trouwens nog contact met mijn zoon?’
‘Niet meer zo intensief als vroeger. Vandaag is het een uitzondering. Soms zien wij elkaar op het Dorpsplein.’
‘Wat is de reden dat wij je niet meer zien?’
‘Dat is een lang verhaal mevrouw Dankers, dat ikzelf niet begrijp. Eerlijk gezegd wil ik het er nu niet over hebben. Sorry!’ en ze liep richting Heleen. Mevrouw Dankers keek haar verbaasd na. Ze begreep werkelijk niet wat er toch aan de hand was tussen haar zoon en haar buurmeisje.

‘Zeg Heleen, hoe vind je mijn rok met bijpassende blazer?’ vroeg Tineke aan haar toen ze voor haar stond.
‘Een leuk setje meid. Ook die blouse met die mintkleur past er leuk bij.’
‘Het geheel hoort bij een nieuwe zomercollectie. Ik heb van dezelfde stof ook nog twee jurken.’
‘Je maakt nieuwsgierig Tineke. Ik kom gauw eens bij je kijken.’
‘Sinds kort verkopen wij ook schoenen en damestassen.’
Tineke liep terug naar haar stoel en schonk, voordat zij weer ging zitten, haar glas vol met jus orange en liet haar glas met champagne halfvol staan.
Ik liep naar mijn moeder toe en schonk haar glas vol met appelsap en vroeg aan haar: ‘wat bent u stil moeder?’
‘Het is jammer dat je vader helaas niet meer kan meemaken dat je zo mooi aan de plas woont, jongen.’
‘Het is, zoals het is moeder. Natuurlijk realiseer ik mij dat ook, maar vader is al zolang overleden.’
Teus hoorde het gesprek eens aan en liep naar mevrouw Dankers toe. Hij vroeg: ‘Heeft u het naar uw zin’ mevrouw.
‘Jawel hoor Teus, het is leuk om te zien dat mijn zoon een aantal vrienden heeft.’
‘Vriendschap is altijd belangrijk mevrouw. Sinds een tijd ben ik bevriend met uw zoon, zoals ik u vertelde. Hij ziet mij ook als een ‘vaderfiguur.’
‘Dat begrijp ik volkomen Teus. Mijn man kwam al jong te overlijden en hij had nog zoveel met zijn vader willen bespreken. Ik heb mijn zoon, zo goed mogelijk proberen op te vangen en hij mij en daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Maar gelijktijdig realiseerde ik mij ook dat hij niet ‘eeuwig’ thuis kon blijven wonen. Als een volwassen man moet hij ook een eigen toekomst opbouwen. Daarom kwam uw aanbod om uw woonboot te verkopen aan hem, als een ‘geschenk uit de hemel.’

DEEL 15

‘Mag ik u, na afloop van deze party, naar huis toe brengen?’ mevrouw. Herman heeft dan tijd om alles op te opruimen.’
‘Hoe vind je dat Herman?’ vroeg moeder aan mij.
‘Eigenlijk wel een goed idee van Teus moeder.’
Na een tijdje gelopen te hebben, ging ik zitten en zag dat al mijn gasten, op één na, animerend met elkaar zaten te praten. Jules had in het begin van de avond even gesproken met mijn moeder, maar voor de rest van de avond was hij wel erg stil, vond ik. Opeens zag ik dat Jan het woord nam en vervolgens met hem in gesprek ging.
Zo verstreek de gezellige avond en zetten ik voor mijn gasten nog een kan met koffie. Het afscheid naderde en iedereen ging huiswaarts. Moeder gaf ik een kus en Teus pakte haar arm en bracht haar naar zijn Volkswagen. Een paar vrienden boden aan mij te helpen met opruimen, maar ik zei dat ik dat zelf deed omdat ik vanaf morgen een lang weekend op stap ging. Ik was toe aan wat rust.
Toen iedereen was vertrokken had ik spijt dat ik geen hulp had aanvaard van een paar vrienden toen ik de rommel overzag. De moed zakte in mijn schoenen. Nu maar gelijk alles opruimen, dacht ik bij mijzelf. Het was al middernacht toen alles weer aan kant was en ik eindelijk mijn bed indook. Ik voelde mijn lichaam tintelen van vermoeidheid. Even lag ik naar kort naar het plafond te kijken en viel vrijwel direct daarna in slaap.

De volgende dag ging ik, na een stevig ontbijt, met mijn rugzak en laptop de deur uit. Ik stapte in mijn auto en reed naar het dichtstbijzijnde station niet ver verwijderd van het centrum. Wat later parkeerde ik mijn auto op een nabij gelegen parkeerplaats. Ik wilde gaan reizen met de trein. Zo kon ik met mijn laptop werken als dat nodig mocht zijn. Ik had mijn zinnen gezet om naar het strand van Scheveningen te gaan in het Westen van het land. Het was ongeveer twee en een half uur reizen met de trein. Via internet had ik een pension geboekt dat net achter de boulevard stond aan de Badhuisweg. Jaren geleden was ik als kind in deze badplaats geweest samen met mijn ouders en een paar familieleden. Eenmaal in de trein las ik een boek en keek naar mijn email op mijn laptop. Omdat ik een lang weekend weg was beantwoordde ik de email niet. Ik was nu even weg van alle beslommeringen. Het rijden met de trein gaf mij een relaxed gevoel. Wel merkte ik dat richting het Westen het veel drukker was dan in mijn eigen woonomgeving.

Zo reed de trein richting Den Haag Centraal, waar ik vervolgens op tramlijn 7 stapte richting de boulevard van Scheveningen. Bij het uitstappen zag ik het bekende ‘Kurhaus’, een imposant gebouw met daarachter de boulevard en het strand. Er hing een zilte zeelucht. Dat kwam waarschijnlijk omdat er een zachte bries stond. Vanaf de tramhalte liep ik over de Gevers Deynootweg richting de Badhuisweg, naar mijn pension met de naam ‘de Zeemeeuw.’ zijdelings keek ik op mijn horloge. Het was de 15e juni.

WORDT VERVOLGD

GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 12 EN 13

Sinds kort woonde ik in mijn groene woonboot aan de Korte Gracht en keek op De Plas. Ik had het prima naar mijn zin. Naast mijn drukke bestaan was dit een plek om tot rust te komen en genoot ik van de groene omgeving en het water. De avond van het ‘open huis’ was aangebroken. Voor mijn brede loopplank had ik op mijn grasveld een partytent neergezet met klapstoelen, een campingtafel. Een hoge koelkast die ik had gehuurd bij een verhuurbedrijf stond op het voordek. Op het achtersteven plaatste ik een barbecue. In de namiddag had ik mijn moeder met mijn auto opgehaald. Ze bewonderde het interieur van de woonboot. Ze glimlachte. In de verte zag ik Teus aan komen rijden in zijn Volkswagen.
‘Gefeliciteerd Herman met je aankoop van de boot’ zei hij toen hij uit de auto was gestapt. Ik heb een verrassing voor je.’ Bij het openen van het bruine pakpapier kwam een schilderij tevoorschijn met als voorstelling de groene woonboot. Hij had er twee personen bij geschilderd die verdacht veel op ons leken.
‘Wat een origineel cadeau Teus. Hij krijgt een ereplaats boven de zithoek.’
‘Kijk eens moeder wat ik van onze kunstschilder Teus heb gekregen!’ en ik liet het schilderij aan haar zien.
‘Prachtig mijnheer’ antwoordde ze.
‘Zegt u maar Teus, mevrouw Dankers. Ik ben namelijk de vorige eigenaar van de woonboot. Uw zoon heeft hem van mij gekocht.’
‘Ik heb zoiets van Herman vernomen; u bent dus de vriend van mijn zoon. Herman vertelde m dat u kunstschilder bent.’
‘Mijn doeken beschilder ik hoofdzakelijk met acrylverf mevrouw. Ik houd van realistisch werk. Herman moet er zelf maar een bijpassende lijst voor kopen.’
Opeens hoorde ik een autoportier dichtslaan. Het was Jules Beekman met in zijn kielzog Jan Ruiters, de hoteleigenaar en man van Gerda. Moeder ging zitten in een campingstoel die iets comfortabeler zat dan de klapstoelen. Teus liep naar binnen om de inrichting van de woonboot te bekijken na de kleine verbouwing.
‘Hallo Herman, gefeliciteerd. Hier heb je een cadeaubon.’
‘Bedankt Jules die kan ik goed gebruiken. Mijn inventaris is nog niet compleet.’
‘Voor jou hebben wij wat wijnflessen’ zei Jan. Een paar van mijn horeca collega Bert Timmermans en een van ons. Je zult begrijpen dat Gerda het familiehotel draaiende moet houden en dat geldt natuurlijk ook voor Bert. Voordat ik het vergeet. Hier heb je ook nog een felicitatiekaart van Hans Heskes.’
‘Hartelijk dank voor jullie gulle gaven en bedank Bert en Hans van mij? Neem plaats Jan, er zijn stoelen genoeg. Ik zet gauw koffie en thee voordat Tineke en Heleen komen.’
‘Wat is het binnen veranderd Herman’ zei Teus tegen mij toen ik de loopplant opliep en hij mijn kajuit uitstapte. hij van de woonboot afstapte. ‘Ik ken het slaapgedeelte niet meer terug. Van de grote slaapkamer heb je nu twee kamers gemaakt. Zelfs de badkamer heb je grondig aangepakt.’
‘Ik heb het laminaat vervangen door donkerblauwe vloerbedekking. Het enige dat nog vervangen moet worden is mijn ovale spiegel. Met de cadeaubon die ik zojuist heb ontvangen weet ik nu wel raad.’
Net op het moment dat Jules en Jan gingen zitten, zag ik door het keukenraam Tineke aan komen lopen. Ik liep naar buiten met mijn dienblad met koffie, thee en cake. Ik was alsnog blij dat ze was gekomen, want na het praatje in het café en de onverwachte stilte die daarop volgde, was ik er niet meer zo zeker van of ze zou komen.
Ze gaf mij een hand en zei: ‘Gefeliciteerd Herman.’ en gaf mij een vluchtige kus. Ik heb een boekenbon voor je gekocht, eventueel te besteden bij de goede vriend Hans Heskes.’
‘Bedankt meisje en sloeg mijn armen om haar heen. Even keek ik haar na toen ze wegliep en ging zitten naast Jules en mijn moeder. Ze had nog steeds haar volslanke figuur, zoals ik haar al jaren kende. Ik liep terug naar binnen om de borrelnoten te pakken. Terloops keek ik naar buiten en zag dat moeder in gesprek was met haar. Net, toen ik de borrelnoten in de bakjes had gedaan, hoorde ik getik van naaldhakken op de loopplank en zag ik Heleen met een grote bos rode rozen in haar hand.
‘Is Herman binnen? vroeg ze aan Teus die het dichtst bij de loopplank zat.’
‘Jazeker! antwoordde hij.’
Ik hoorde dat ze op het dek stapte.

DEEL 13

‘Kijk uit voor de drempel!’ riep Teus alsnog. Het was te laat. Ze lag languit in het keukengedeelte. Door het gebeuren schrok ik waardoor de borrelnoten door de keuken vlogen. Ondanks Heleen op de vloer lag begon ze hard te lachen. Ze had het boeket nog steeds in haar handen. Het wat zo’n gekke situatie. ‘Heb je je niet bezeerd Heleen, vroeg ik proestend aan haar, waarop ze zei:
‘Welnee Herman, alleen een hak van mijn schoen is gebroken’ zie ik nu. Vond je het trouwens geen leuke verwelkoming van mij?’
‘Verbaasd door haar reactie antwoordde ik: ‘Je had je kunnen bezeren Heleen. Dan was deze avond voor ons allemaal afgelopen, voordat het begonnen was.’
‘Sorry Herman, je hebt gelijk. Ik zal voortaan beter uitkijken.’
Ik nam het mooie boeket van haar aan, bedankte haar en zetten het voorlopig neer in de gootsteen die ik bijna vol liet lopen met water. Op blote voeten met haar rode pumps in haar hand liep ze voorzichtig de loopplank af richting de gasten en gaf ze allen een hand.
Even was ze geen ‘opgedirkte dame’, zoals ik haar kende. Toch moest ik glimlachen omdat ze op een klapstoel had plaatsgenomen klapstoel met haar pumps nog in haar hand. Snel ruimde ik de borrelnoten van de vloer. Gelukkig had ik nog een paar reserve zakjes in huis.
‘Zullen wij eindelijk eens gaan zingen voor Herman’ toen ik mijn kajuit uitstapte, riep een enthousiaste Jan en hij begon met het lied: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon… en iedereen galmde mee. Ik zetten de bakjes neer op een campingtafel.
Na het zingen sprak Jan met Heleen die naast hem zat. Heleen was een vrouw waarmee je gezien kon worden. Ze was modebewust, maar dat gold zeker ook voor Tineke. Zij was degene die de mode op de voet volgde als verkoopster in een modezaak. In die tijd dat ik nog met Tineke omging, kon ze behoorlijk kritisch op vrouwen wiens kleding er niet uitzag. Dan antwoordde ik: ‘dat er ook mensen waren die zich dure merkkleding niet konden veroorloven.’ Zijdelings keek ik weer naar Heleen. Ze droeg een witte jurk met een grafische print. Ik werd enigszins geprikkeld door zo’n knappe vrouw, maar iets hield mij tegen. Was het Tineke waar ik nog gevoelens voor had of kwam het door de dorpsroddelaarster mevrouw Kraakman die mij had verteld dat Heleen een ‘mannen verslindster’ was. Deze spichtige vrouw woonde in de Teugelstraat om de hoek van het Dorpsplein. Deze weduwe hield alles en iedereen nauwlettend in de gaten. Soms hield zij mij staande als ze mij zag op het Dorpsplein, omdat ze informatie had voor De Dorpskrant. Ik publiceerde haar roddels niet. Daar was De Dorpskrant niet voor bestemd.
Mijn gedachten werden verstoord, door de woorden van Teus. Hij zei: ‘Wat sta je toch te dromen Herman. Zullen wij eens een toast uitbrengen?’ Tineke was mij voor en pakte de champagnefles die op de campingtafel stond, ontkurkte de fles die onverwachts zo’n knal gaf, die je de echo aan de overkant van De Plas kon horen. Ze schonk de glazen in.
‘Veel geluk in je nieuwe woonboot’ zeiden mijn gasten in koor en namen een slok van het kostelijke vocht. Buiten was het een aangename temperatuur, het was medio Juni.

WORDT VERVOLGD

GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 11

Ik zag Johan aankomen. Een lange slungel met licht blond haar.
‘Hallo Tineke en schudde mij de hand. ‘Kom gauw ik wil je wat laten zien. Het is niet prettig hoor.’ Er overkwam mij een onaangenaam gevoel.
‘Wat is aan de hand Johan?’
‘Kom maar met me mee?’ Samen liepen wij naar een hoek in de hal waar een flinke door stond. Johan tilde de deksel op. Ik schrok hevig. Daar lag mijn lieve poes Mimi. Ze lag zo roerloos met haar kopje opzij. Uit haar bek vloeide wat bloed. Is ze dood? Johan. Hij knikte bevestigend. Ik voelde tranen in mijn ogen opkomen en begon te huilen.
‘Daarom was ze niet thuis gekomen, jammerde ik. Sinds gisterenochtend miste ik haar. Weet jij wat er is gebeurd?’ Johan.
‘Helaas wel.’
Hij deed de deksel op de doos toen hij zag dat ik radeloos werd.
Met een brok in zijn keel vertelde hij mij dat hij Mimi had aangereden met zijn bestelbus op de hoek van de Parkweg en de Koningsweg. De poes rende geheel onverwachts de straat op Tineke. Ik remde met volle kracht, maar kon het dier niet meer ontwijken. Vanonder mijn auto hoorde ik een klap. Omdat ik niet direct kon stoppen op de weg parkeerde ik mijn auto iets verderop. Meteen stapte ik uit en liep zo snel als ik kon naar het dier toe, pakte haar op en legde haar op de achterbank neer van mijn auto. Haar kopje hing slap naast haar lijf. Als dierenvriend was ik aangeslagen door deze situatie. Ik wist toen nog niet van wie de poes was. Terug in het hotel pakte ik uit het magazijn een lege doos en legde haar erin, maar vertelde niet aan tante Gerda wat er in de doos zat. Ze vroeg er ook niet naar. Ze zag mij regelmatig met spullen en dozen lopen. Eerst wilde ik weten waar de poes vandaan kwam. Gelukkig had ze een rood halsbandje met een kokertje om. In het kokertje zat een briefje en las jouw gegevens.
Ik was ontroostbaar en legde mijn hoofd op Johan zijn schouder. Hij sloeg zijn armen om mij heen en streek met zijn hand door mijn haar. Hij verontschuldigde zich voor deze ongelukkige situatie. Over mijn schouder keek hij richting het restaurant en zag Herman zitten. Ook zag hij dat Herman zijn kant opkeek, opstond en meteen wegliep. ‘
‘Herman is in het restaurant aanwezig’ zei hij. Ik heb zojuist mijn hand opgestoken. Hij negeerde mij.’ Ik begreep meteen dat Herman mijn situatie verkeerd had ingeschat. Snel liep ik hem achterna, maar merkte dat hij niet achterom keek en snel richting de uitgang liep.
In paniek riep ik hem met de woorden: ‘Dat het anders was dan het leek.’ Voordat ik het wist was hij verdwenen. Ik besloot om terug te lopen naar Johan, die mij een kop koffie gaf. Nu zat ik met twee drama’s. Herman die waarschijnlijk dacht dat ik vreemd ging en mijn overleden poes.
‘Wat doe je nu met Mimi?’ vroeg Johan.
‘Ik denk dat ik haar begraaf in de tuin. Gevoelsmatig is ze dan nog dichtbij.
‘Doe dat Tineke, zei Johan. Hij begreep mij volkomen.
Toen mijn koffie op was, nam hij de doos onder zijn arm en bracht mij naar huis. Aangekomen bedankte ik hem alsnog voor zijn hulp. Mijn moeder was nog niet thuis van haar bezoek aan haar zus. Ik belde naar mijn werkgever en legde alsnog uit wat er was gebeurd. De eigenaresse adviseerde mij om de rest van de dag maar thuis te blijven.
‘Als ik jou was zou ik Herman alsnog bellen en hem vertellen over de dood van Mimi.’

Hij plaatste de doos in de gang en sloot de voordeur. Mijn ouders vertelde ik bij hun thuiskomst wat er die dag was gebeurd. Ook zij waren van slag. Na het vertrek van Johan belde ik Herman op zijn Gsm. Na diverse pogingen hield ik het voor gezien. Ik had hem mijn verhaal willen vertellen. Na die bewuste dag zag ik hem twee maanden niet en begreep dat hij inmiddels was vertrokken naar Zuid-Afrika. Samen met mijn ouders begroeven wij onze lieve poes in een hoekje in de tuin bij een vlinderstruik, waar ze vaak zat. Wat voelde ik mij die avond eenzaam. Twee vrienden had ik verloren.

WORDT VERVOLGD

GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 9 EN 10

Op het gemeentehuis in Aalten stond Heleen voor het raam van haar werkkamer. De zon scheen naar binnen. Ze liet het rolgordijn tot halverwege het raam zakken, ging zitten en pakte ‘haar agenda uit haar aktetas. Volgende week vrijdag was het ‘open huis’ bij Herman Dankers, las ze. Drie avonden per week werkte ze als raadslid voor Gemeente Belangen op het gemeentehuis. De overige dagen was ze ook een ‘mental coach’ met een praktijk aan huis. Op weg naar haar villa aan de rand van het dorp, reed ze altijd langs de woonboot van Herman. Sinds kort woonde hij bij haar in de buurt. Tijdens de verbouwing van zijn woonboot zag ze regelmatig in de weekenden Jules Beekman klussen bij hem. Herman kende haar rode auto. Meestal stak hij zijn hand op als ze weer eens voorbij reed. Eén keer per week kwam hij bij haar op bezoek om verslaglegging te doen van het nieuws uit de gemeente. Meestal ging het over de perikelen in hun dorp en in de omliggende gemeenten. Hij was altijd vriendelijk tegen haar. Ze vond hem knap met zijn donkerblonde krullende haar. De dorpsgenoten namen hem snel in vertrouwen had ze gemerkt. Als verslaggever had dat zijn voordelen. Sinds enige tijd was ze verliefd op hem. Ze had haar vriendin Tineke de Rooij, het buurmeisje van Herman, gevraagd of hij nog steeds een relatie met haar had. Vanaf hun pubertijd werden ze regelmatig in het dorp gezien.
‘Niet meer Heleen. Wij zien elkaar zo af en toe en praten amper nog met elkaar’ had ze tegen haar gezegd.
Ook had ze vernomen, dat na het vertrek van Tineke haar ouders, die naar een verzorgingstehuis in Winterswijk gingen, zij in haar ouderlijk huis bleef wonen. Regelmatig kocht ze kleding in Modezaak Swinkels waar Tineke als verkoopster werkte. Zij gaf haar altijd een goed kledingadvies. Het klikte tussen ons en wij werden vriendinnen. Tineke was nu ook vrijgezel. Af en toe gingen wij in de weekenden samen op stap. Tijdens het stappen zag ze al snel dat de mannen sneller oog voor haar hadden dan voor Tineke. Ze had een nare eigenschap wist ze. Ze werd snel verliefd op mannen, maar zag dit vooral als een spel. Mannen die afstandelijk waren trokken haar juist aan. Zodra ze iemand op het oog had en de persoon te serieus werd, liet ze hem vallen als een baksteen. Dat was een slechte karaktereigenschap. Ze had nu eenmaal een ontembaar jachtinstinct wat mannen betreft.
Tineke daarentegen was meer het serieuze type. Sinds de relatie met Herman voorbij was ondernam ze zelf niet zoveel. Ze had als motto: ‘Als de tijd rijp is komt er wel iemand op mijn pad Heleen.’ Ooit had ze tegen mij gezegd: ‘Heleen, je bent een mannen verslindster. Vroeg of laat krijg je de deksel op je neus.’ Ik nam het haar niet in dank af, maar diep in mijn hart wist ik dat ze gelijk had. Het verliefde gevoel voor Herman was anders dan bij die andere mannen uit het verleden. Toch bleek hij onbereikbaar voor haar, al deed ze nog zoveel moeite om hem te imponeren. Ze voelde dat hij op gepaste afstand van haar bleef, waardoor ze allerlei capriolen begon uit te halen om zijn aandacht te trekken. Tot nu toe waren haar pogingen tevergeefs geweest. Steeds was hij in haar gedachten. Het werd een obsessie en ze wilde hem vooral niet met niemand delen. Waarom de relatie was uitgegaan tussen Herman en Tineke wist ze niet. Ooit had ze het aan haar gevraagd. Tineke was zo gesloten als een oester als het op haar gevoelens aan kwam.

DEEL 10

Na het verslag van het Bezoekerscentrum van de Kinderboerderij reed ik naar huis en kwam tegen dinertijd aan. Onderweg moest ik denken aan die verkoolde schapen die het niet hadden gered tijdens de brand. Gelukkig waren de andere boerderijdieren gespaard gebleven. Nadat ik mijn laptop had opgepakt vanaf de achterbank van mijn auto, stapte ik op mijn woonboot. Ik woonde nu alweer twee maanden aan de Korte Gracht en keek uit op De Plas. Over twee dagen was het mijn ‘open huis’. Ik verheugde mij erop om iedereen weer te zien. Vooral Teus en mijn moeder. Op mijn eetkamertafel zetten ik mijn laptop neer en hing mijn blazer over de rugleuning van mijn stoel. Ik zag dat mijn woonkamer één grote chaos was. Het werd tijd om de boel eens aan kant te doen. Stel je voor als mijn vrienden dit zagen, ze zouden ervan schrikken. Veel trek in avondeten had ik niet en besloot om een blik tomatensoep open te trekken en een paar boterhammen te smeren. Mijn voeten waren opgezwollen. Ik maakte de veters los van mijn schoenen en zwiepte ze onder mijn salontafel. Het was een dag vol met emoties geweest. Na mijn maaltijd liep ik op blote voeten door de woonkamer. Er was werk aan de winkel. Met een moe, maar voldaan gevoel ging ik rond middernacht naar bed.
Diezelfde nacht kon Tineke niet slapen. Ze rolde van links naar rechts in haar grenen houten bed. Regelmatig sloeg ze haar dekbed open richting haar voeteind en trok het even later weer naar zich toe.
‘Pff, wat is het hier warm, of maak ik mij zo druk’ zuchtte ze. Na de zoveelste keer haar dekbed verplaatst te hebben kwam ze overeind en zat chagrijnig op de rand van haar bed.
‘Waarom ben ik toch steeds aan het piekeren als ik Herman weer eens zie’ mompelde ze. Ze deed haar badjas aan en liep de trap af naar beneden. Uit de koelkast pakte ze wat melk en schonk het in een longdrink glas. Ze was nu negenentwintig jaar en had sinds een tijdje geen relatie meer. Ze nestelde zich in een paar lichtgrijze kussens van haar tweezitsbank. Elf jaar geleden vertrok haar buurjongen en jeugdliefde Herman naar Mali in Zuid Afrika. Hij had haar verteld dat hij wegging. Na zijn reis zou hij gaan werken als verslaggever bij De Dorpskrant waar hij ooit stage had gelopen zei hij. Zelf werkte ze bij Modezaak Swinkels. Haar ouders waren blij voor haar dat ze een leuke baan had. Vanaf hun trouwen woonde haar ouders naast de familie Dankers en konden ze het als buren goed met elkaar vinden.
Op een dag in de winter zat Herman op een slee. Ik stond voor het raam te kijken naar de sneeuwvlokken die naar beneden vielen. Herman tikte op het raam en wenkte mij om naar buiten te komen. Moeder liep met mij mee naar de voordeur en vroeg wat de bedoeling was.
‘Mag Tineke mee op de slee mevrouw Dankers? vroeg hij. Wat hadden wij een pret die middag. Vanaf die tijd trokken wij veel met elkaar op en groeide er rond onze pubertijd een prille liefde.
Weken voor zijn vertrek naar Zuid Afrika, had hij tegen haar gezegd dat hij zich had ingeschreven om als vrijwilliger te helpen in Mali. Er moest een weeshuis gebouwd worden voor weeskinderen. Ik vond het een mooi gebaar van hem. De bewuste dag voor zijn vertrek werd ik onverwachts opgebeld door Johan, de neef van Gerda Ruiters de eigenaresse van het hotel in ons dorp. Dit gebeurde, net op het punt dat ik moest gaan werken. ‘Of ik alsjeblieft direct kon komen, want er was iets gebeurd’ zei hij. Snel belde ik nog even naar mijn werkgever dat ik, door omstandigheden, wat later op mijn werk zou komen. Mijn moeder zou ik later opbellen. Zij was eerder die ochtend vertrokken voor een bezoek aan haar zus. Waar was de poes eigenlijk? Ze had haar al sinds gisteren niet meer gezien.
Over het Dorpsplein voor mijn huis, liep ik richting het familiehotel en stapte de marmeren hal in. Gerda stond achter de receptie en ik vroeg aan haar of ik Johan kon spreken. Gerda liep via het kantoor naar achteren door een deur waar ‘Privé’ op geschreven stond. Even later kwam Gerda weer aangelopen en zei: ‘Johan komt er aan hoor Tineke!’ en ze liep weer richting haar kantoor en sloot de deur.
WORDT VERVOLGD