De vloek van de hertogin

De vloek van de hertogin.

Kasteel Valkensteyn.

Het was het jaar 1345. In Bronckhorst, een dorp in het Gelre, blies de heraut van Hertog Joris Valkensteyn van Gelre op zijn trompet. Zijn ruin droeg een gekleurd dekkleed met het wapen van de hertog. De mensen kwamen uit hun houten huizen tevoorschijn en verzamelden zich bij de ruiter. Hij opende een rol perkament en sprak met luide stem: ‘Beste edelen en brave burgers. In augustus van dit jaar organiseert Hertog Joris Valkensteyn van Gelre een driedaags riddertoernooi in zijn kasteel Valkensteyn in het dorp Vorden. Ik roep de edelen op om hieraan deel te nemen.

Drie maanden nadat de heraut zijn boodschap had verkondigd, kwamen, ondanks de slechte verbindingen, ridders en koningen met hun gevolg te paard naar het robuuste kasteel Valkensteyn. Een bonte stoet van edelen voorzien van kostbare wapens, vlaggen en wapenschilden traden de binnenplaats binnen. Om deel te kunnen nemen moesten ze aan de schouw hun bewijs van adeldom overhandigen. In de laatste stoet zat Ridder Jan van Bronckhorst met zijn gevolg zoals zijn schildknaap, ruiters, soldaten en boogschutters. Van zijn jongste broer Aram, had hij vernomen dat er weer een riddertoernooi werd georganiseerd. In zijn dorp en omstreken stond zijn familie bekend als vechtjassen. Het vechten kwam hem goed van pas, omdat er soms bandieten en ander gespuis zich verscholen in de bossen die geld en wapens van de reizigers afhandig maakten. Hij streek door zijn rode haardos. Vorig jaar tijdens de valkenjacht op hetzelfde kasteel, had hij Jonkvrouw Elisabeth Valkensteyn van Gelre ontmoet. Een schoonheid met ravenzwart haar. Haar donkere ogen gloeide als kolen als ze hem aankeek. Hij had haar beter leren kennen. Ze was vriendelijk en gastvrij net als haar moeder Hertogin Johanna, Jacoba. De hertog was nors. Zijn vader Adalbert was ooit bevriend geweest met de hertog.

Het was een mistige ochtend de 28e september 1344. De nevel hing in flarden langs de bomen op haar landgoed. Het had iets spookachtigs. Even daarvoor had haar kamenierster de houten luiken opengedaan van haar slaapkamer. Ze zou vandaag met haar valkenier Joris gaan jagen samen met haar geliefde roofvogels, waaronder een slechtvalk. Haar geliefde Ridder Jan van Bronckhorst zou met haar meegaan. Een waterig zonnetje priemde door het wolkendek en loste de mist op. Zo reden ze op hun snelle paarden over het landgoed met in hun kielzog hun gevolg. Ze vroeg aan haar valkenier om met het gevolg voorruit te rijden. Ze wilde even met Jan alleen zijn. Samen stonden ze stil onder een robuuste eikenboom in een lichtglooiend gebied en raakte met elkaar in gesprek. Onverwachts pakte hij haar smalle hand en gaf haar een handkus. Ze glimlachte en zei: ‘laten wij gaan Jan, de valkenjacht gaat beginnen.’

Ze gaven hun paarden de sporen en kwamen bij hun gevolg aan. Het was een mooi gezicht om de vogels te zien op hun jacht naar de prooien. Ze hadden aan hun plicht voldaan. De vangst van die middag was: een aantal hazen en twee patrijzen. Vóór de schemering vertrokken ze weer naar het kasteel.

De valkenjacht was nu alweer een aantal weken voorbij. Regelmatig moest ze denken aan die goedlachse Jan. Ze nam zich voor om hem te schrijven en ging zitten aan een eikenhouten tafel in haar slaapkamer. Ze rolde een vel perkament open. Met een slagpen van een ganzenveer, gedoopt in inkt, schreef ze: Heer Jan van Bronckhorst: Zoete lief, jij bent de vreugde van mijn dagen. Wanneer zie ik u weer? Ze rolde het perkament op en beval haar heraut om de boodschap aan Jan van Bronckhorst te bezorgen.

Veel edelen hadden zich ingeschreven voor het toernooi in augustus, net als hijzelf. De eerste dag zouden er schijngevechten plaatsvinden tussen de deelnemers. Daar deed hij niet aan mee. Ze werden gestreden met botte wapens, waarvan de houten lansen hol waren. Met deze lans moest je elkaar uit het zadel werpen. Hij had zich ingeschreven voor tweegevechten met het zwaard. Op de derde dag van het toernooi won de winnaar de wapenuitrusting van zijn tegenstander, soms zijn paard en het prijzengeld.

Hij zag de kantelen van de twee donjons van het kasteel opdoemen. Hij verheugde zich ook om Elisabeth weer te zien. De zware kettingen van de houten ophaalbrug gingen langzaam naar beneden. Het volk vermaakte zich rondom het kasteel. Op de binnenplaats was het druk. Dampende paarden die door pages werden voorzien van water en een dekkleed. Hij sprong van zijn hengst af en gaf het aan een page die hem meenam naar een drinkbak. Via een uitgesleten, stenen trap kwam hij in één van de donjons terecht. Er hing een penetrante lichaamsgeur. Halfnaakte mannen liepen in het rond of zaten in bad. Op het plaveisel lag uitgestrooid stro. Er stonden een aantal ronde, houten kuipen, waar men werd gewassen. Dienstmeiden zorgden ervoor dat het water in ketels werd verhit boven het open vuur in de schouw. Hij liep naar een kuip in een hoek, waarvan het hete water werd gekoeld met koud water. Een page kwam aangelopen om hem te helpen met het verwijderen van zijn Gypoen, het overkleed dat over zijn harnas hing. Daarna werd zijn harnas verwijderd. Hij voelde zich vies. Zijn rood behaarde huid begon te jeuken. Zelf trok hij zijn wollen onderhemd uit en liet het vallen naast de kuip. Enkele vlooien sprongen weg van zijn borstkas. Hij wist niet beter, alleen aan de jeuk kon hij nooit wennen. Hij liet zich in het warme water van de kuip glijden. Op de bodem voelde hij wat glibberig zand tussen zijn tenen. Het water begon er troebel uit te zien. Hij stapte uit de kuip. Bij het aantrekken van schone kleding zag hij op een gelagtafel tinnen kroezen en kannen staan. De wijn zou hem goed doen.

Het doffe geluid van holle lansen weerkaatsten tussen de muren van de binnenplaats. Hertog Joris, zijn vrouw Johanna Jacoba en Elisabeth, woonden het toernooi bij. Ze zaten op hun zetels onder een donkerblauwe baldakijn. Rondom zaten edelen. Hij zou een zwaardgevecht houden tegen Hertog Reymar van Dijck. Het duel ging nu beginnen. Hij sloot het vizier van zijn helm. Eén van de scheidsrechters zwaaide met een vlag. In zijn harnas deed hij een stap naar voren en raakte het zwaard aan van Reymar die meteen een paar raken slagen teruggaf. Het zwaard kwam rakelings langs zijn taille. Nu hield hij zijn zwaard horizontaal. Reymar sprong op zij en miste zo het doel. Kordaat sloeg hij terug. Alsnog deed hij een poging om Reymar te raken. Het zwaard kwam in de hartstreek terecht. Een golf van bloed kwam uit zijn lijf. Hij viel achterover in het zand en verloor zijn helm. Hij trok het bloederige zwaard uit het verminkte lijf en sloot de ogen van zijn tegenstander. Het publiek joelde: ‘Leve Jan van Bronckhorst.’ Reymar werd door drie pages weggedragen, vergezeld van een bloedspoor dat met een straal over het zand van het plaveisel droop.

Hij maakte een buiging voor de hertog en zijn familie. Ze klapten in hun handen. Die avond werd er volop gefeest in en rondom het kasteel en werden de prijzen uitgedeeld aan de winnaars van het toernooi. Dezelfde avond vertelde hij aan Elisabeth, dat hij in het voorjaar van 1353 terug zou komen om haar hand te vragen aan haar vader. Overmorgen ging hij weer naar huis.

‘Ik zal op je wachten, lieve Jan, mompelde ze.’

Het jaar 1353 kon niet slechter beginnen. De hertog had van zijn hofnar gehoord over de builenpest, de zwarte dood. Een handelsreiziger had het hem verteld. In de winter van 1352 was de builenpest naar Nederland gekomen. Eén paar jaar daarvoor was de pest al uitgebroken in Italië, die via handelsroutes Nederland was binnengekomen. Duizenden mensen die builen kregen op hun lichaam stierven in grote getalen. De oorzaak zou de zwarte rat zijn en vlooien die de ziekte overbrachten. Er waren geen medicijnen voor. Onverwachts had de pest ook toegeslagen op het kasteel.

De hertog had zijn dochter op een ochtend verteld dat haar moeder niet uit bed was gekomen. In allerijl werd de geneesheer geroepen, die hem en zijn dochter dringend had bevolen niet meer bij de patiënt te komen. De ziekte was besmettelijk vooral als de bulten open gingen en de pus vrij spel had. De geneesheer droeg een lang kleed. Over zijn hoofd droeg hij een masker, waarvan alleen de ogen zichtbaar waren. In een lange punt ter hoogte van de neus zaten jeneverbessen en boerenwormkruid om kwalijke gassen te vermijden. Ze moesten voorlopig geïsoleerd van elkaar leven. Op een zekere dag waren de bulten opengesprongen.

Op 2 december van dat jaar stierf Hertogin Johanna, Jacoba, zonder het bijzijn van haar man en dochter.

‘Het is beter om uw vrouw en moeder niet te zien vertelde de geneesheer.’ U had haar niet meer herkend hertog. Haar gezicht en lichaam zaten vol met bulten. Het stonk vreselijk in haar slaapkamer. Alles zal moeten worden verbrand, ook de dode zelf. Ze waren overmand van verdriet omdat ze beiden geen afscheid konden nemen van haar.

Nadien had ze regelmatig aan Jan gedacht die haar had beloofd om met haar vader te spreken. Na de zomer van dat jaar liep de pest op zijn eind. Onverwachts werd er een bericht gebracht door een heraut. Ze vroeg de man om te wachten. ‘Lieve Elisabeth, ik kan onmogelijk weg uit Bronckhorst. Als de pest voorbij is kom ik je weer bezoeken. Ze had zijn brief onmiddellijk beantwoord met de mededeling dat haar lieve moeder aan de pest was overleden en haar vader nog leefde.

Het was een barre tocht de 17 oktober. Hij sloeg zijn wollen mantel dichter om hem heen. Thuis had hij zijn liefde voor Elisabeth met zijn vader Adalbert besproken. Dat uitgerekend jij om de hand van Elisabeth gaat vragen? had hij tegen hem gezegd. Die oude brombeer zal niet zo gauw toestemming geven Jan, hij is zo koppig als een muilezel. De man kan niet tegen zijn verlies. Mijn zegen heb je mijn zoon. Nu was hij weer onderweg naar haar toe. In zijn gevolg had hij twee boogschutters meegenomen. Vader had hem een houten kistje meegegeven. Er zat een gouden broche in met een grote, donkerrode robijn. Het was ooit het huwelijksgeschenk van zijn moeder. De broche was één deel van zijn bruidsschat. Ze kreeg al zijn bezittingen. Als geschenk had hij voor de hertog een zwaard laten smeden met het wapen van de hertog. Bij aankomst in het kasteel bracht een page hem en zijn gevolg naar één van de vier donjons. De man hielp hem uit zijn vochtige kleding. Na het bad werd hij aangekleed in donkerblauwe kleding gemaakt van fluweel. Wat later kwam er een vazal binnen die hem gebood om mee te gaan naar het vertrek van de hertog. Bij binnenkomst liep hij naar de hertog toe die voor de schouw zat. Hij maakte een buiging en liep naar Elisabeth toe en gaf haar een handkus. ‘Neem plaats Jan van Bronckhorst, mompelde de hertog? Hij wenkte een page die de wijn kwam brengen.

‘Namens mijn familie wil ik u ons medeleven brengen omtrent het verlies van uw gemalin.’

De hertog bedankte hem en vroeg: ‘Wat is de reden van uw bezoek Ridder Jan?’

‘Heer, ik heb uw dochter verschillende keren mogen ontmoeten en gesproken. Er is liefde tussen ons ontstaan. Ik wil u om de hand van uw dochter vragen?’

‘Ik heb inderdaad van mijn dochter Elisabeth vernomen, dat zij u zeer genegen is. Wat heb je haar eigenlijk te bieden?’

‘Land, kastelen en goederen heer. Ook heb ik een huwelijksgeschenk bij mij.’ Hij gaf het kistje aan Elisabeth. Ze opende het deksel en sloeg haar handen voor haar mond. Ze zag een gouden broche liggen in zwart fluweel met een grote, rode robijn.

‘Wat een prachtig sieraad Jan.’ Ze liet het aan haar vader zien die ook ingenomen was met het huwelijksgeschenk.

Over drie maanden zal jullie huwelijk hier plaatsvinden. Maar eerst wil ik je vader bezoeken.

Laten wij op het toekomstige huwelijk te klinken, zei de hertog en nam een slok.

Als huwelijksgeschenk wilde de hertog zich zijn dochter laten vereeuwigen op een doek. De kunstschilder en beeldhouwer André Beauneveu kreeg de opdracht.

De dag was aangebroken om de familie van Bronckhorst te bezoeken. Hij zou na jaren weer zijn oude rivaal ontmoetten. Het deed hem nog zeer, dat Adalbert alle toernooien had gewonnen en hij niet.

Net buiten het dorp stond het Kasteel Bronckhorst. Bij binnenkomst begroeten ze elkaar. De hertog deed zijn riem af waaraan zijn zwaard hing en gaf het aan een vazal die het op een bank neerlegde. Beiden families namen plaats rondom het haardvuur. Er werd rode wijn geschonken tijdens het gesprek over het aanstaande huwelijk van Jan en Elisabeth. Naarmate de avond viel het Elisabeth op dat haar vader luidruchtiger werd. Onverwachts stond hij op en sprak: ‘Beste Adalbert. Nog nooit heb ik gewonnen van een toernooi samen met jou. Ik wil je uitdagen om hier een duel met mij aan te gaan?’ Hij liep naar zijn zwaard en zwaaide ermee. Elisabeth, schrok en stond direct op. Ze zei: ‘Wij zijn hier te gast vader. Hoe durft u zijn familie te schande te maken?’

‘U bent dronken. Ik vervloek het zwaard, het brengt ongeluk!’ De hertog richtte zijn zwaard uitdagend richting Adalbert. Elisabeth probeerde het zwaard uit de hand van haar vader te trekken, maar werd door het zwaard gestoken in haar hartstreek. Ze zakte in elkaar.

‘Nee, niet jij, mijn lieve Elisabeth, schreeuwde Jan. Zijn stem galmde tussen de gewelven. Hij knielde op de grond en ontfermde zich over haar ontzielde lichaam. Uit haar borst vloeide bloed. Warme tranen rolde over zijn gezicht.

‘Elisabeth, wat heb ik gedaan?

Emoties gierde door het lijf van Jan. Hij schold er tierde tegen de hertog. Hij bracht zijn geliefde Elisabeth naar zijn hemelbed onder de donkerblauwe baldakijn. Met z’n allen stonden ze om haar heen. Er werd een bericht geschreven over het tragische overlijden van Elisabeth. De heraut met de boodschap galoppeerde op zijn paard de nacht in. Drie dagen van rouw werden afgekondigd.

Haar vader had besloten dat Elisabeth haar laatste rustplaats kreeg in de slotkapel van het kasteel. Omdat hij geen nazaten had schonk hij – na zijn dood – al zijn bezittingen aan Jan. Ook het schilderij alsook het beruchte zwaard dat hij ooit als een geschenk van hem had gekregen. Kort daarna vond een bediende hem dood onderaan de stenen trap liggen van zijn donjon.

Niet lang daarna troffen boeren Ridder Jan samen met zijn trouwe hengst in een ven aan. Ze waren verdronken. Nadat ook Adalbert was overleden gingen de bezittingen naar zijn zoon Aram.

Zeven eeuwen later.

Een prima staaltje bouwkunst architect, sprak de burgemeester van Vorden. Het museum is prachtig. Jan, één van de nazaten van de familie van Bronckhorst opende het museum. Een aantal bezittingen van zijn familie en van de familie Valkensteyn van Gelre werden definitief geschonken. Ook het schilderij van hertogin Elisabeth en het zwaard van de hertog.

Het nieuwe personeel was die ochtend aanwezig om hun museum te bewonderen, waaronder Rudolf van Brugge. Hij had kunstgeschiedenis gestudeerd en was geïnteresseerd in de vroege Middeleeuwen. Twee jaar had hij samengewoond met Andrea, die hem had verweten dat hij te vaak met zijn neus in de boeken zat en weinig tijd voor haar had. Hij was erg verdrietig omdat hij haar niet kon vergeten. Tijdens de receptie had hij met zijn naaste collega Mark kennis gemaakt. Diezelfde middag liep hij met hem de grote galerijzaal in waar ze samen zouden werken.

‘Kijk Rudolf, dit is nu die mooie dochter van de hertog’ en hij wees naar een schilderij. Ze werd door het zwaard van haar vader vermoord.’

‘Wat frappant Mark, deze vrouw lijkt op mijn ex vriendin Andrea. Ze zouden een tweeling kunnen zijn?

Met één verschil Rudolf, deze Elisabeth leefde in de vroege Middeleeuwen en Andrea leeft in 2004.

Het liet het hem maar niet los dat Andrea op de hertogin leek. Tijdens zijn werkzaamheden merkte hij dat hij regelmatig werd aangetrokken tot de ogen van de vrouw op het doek. Het waren Andrea’s ogen. Het werd een obsessie. Een paar weken later had hij een gesprek met de directeur die al had gehoord dat het niet goed met hem ging.

Hij ging samen werken met de archivaris en had het erg naar zijn zin.

Op een namiddag werd Bas ziek, een collega die voor hem in de plaats was gekomen in de galerijzaal.

‘Hij moest tijdelijk terug naar zijn oude werkplek omdat Mark niet alle bezoekers alleen kon begeleiden.

Het was de vrijdag voor sluitingstijd. De laatste bezoeker was vertrokken. Hij hoorde voetstappen naderen. Wie kon dat zijn? Hij keek in de rondte en zag niemand. Alleen het zwaard van de hertog. Het lag horizontaal op een marmeren blok, afgebakend door een gevlochten koord. Onverwachts dwaalde zijn ogen weer naar de vrouw op het doek. Het was Andrea, hij wist het zeker. Er overkwam hem een beklemmend gevoel en wist niet meer wat hij moest denken. Hij stapte over het koord, tilde het zwaard met beide handen van zijn sokkel en stak ermee in zijn maag. Hij voelde zich wegzakken en kwam terecht in een stille, atmosfeer.

‘Nee, Rudolf, niet doen! schreeuwde Mark die zojuist was binnengekomen. Hij rende naar zijn collega toe en wilde zich over hem ontfermen. Zijn maag draaide om bij het zien van het zwaard dat Rudolf had doorboord en met beide handen nog vast had. Zo snel hij kon rende hij de zaal weer uit richting het kantoor van de directeur en verzocht hem meteen mee te gaan. ‘Er is een drama gebeurd mijnheer?’ Bij aankomst in de zaal schrok de directeur hevig bij het zien van zoiets vreselijks. Meteen werd de politie gebeld. Bij aankomst vertelde Mark de recherche over de obsessie van Rudolf en wat hij had gezien. Het onderzoek gaf inderdaad zelfmoord aan. Tijdens de begrafenis van Rudolf ging het museum dicht.

Na de heropening, sprak de directeur het personeel toe. Deze tragedie zal nooit meer worden vergeten. Het verdoemde zwaard zal voorgoed verdwijnen in het depot van ons museum samen met de vloek van de hertogin.

Gemma van Etten-Arendse

Advertenties