Latten

LATRELATIE

Latten

LAT betekent in het Engels ‘Living Apart Together.’ Ofwel ‘samenwonen.’ Dit is niet van de laatste tijd.
Rond de jaren 70 werd dit langzamerhand een gangbaar begrip. Sommige mensen waren er fel tegen gekant, andere zagen het anders. Naast de keuze voor een huwelijk is ‘Latten’ nog steeds ‘in.’
Deze vorm van een liefdesrelatie is in hoofdzaak een monogame relatie. Mensen kiezen voor een gezamenlijke huishouding, maar willen om de een of andere reden toch apart blijven wonen. Beide partners willen hun zelfstandigheid niet opgeven. Ze zijn in principe ongehuwd, tenzij de partner officieel nog niet gescheiden is. Dat is dan een keuze die men maakt. Wel kan het consequenties hebben voor bepaalde uitkeringen die iemand zou kunnen hebben.
Van de 50- tot 79-jarigen met een nieuwe relatie wil in de toekomst niet gaan samenwonen. Men is min of meer gesetteld, heeft een huis, etc. Volgens de statistieken geeft het merendeel van de ‘latters’ aan hun vrijheid niet op te willen geven. Er kunnen nog andere redenen zijn waarom men wel of niet wil latten. Negatieve ervaringen met andere samenwoonrelaties of problemen door kinderen voor de keuze van een nieuwe partner. Vooral dat laatste kan soms lastig zijn. Wordt men wel of niet geaccepteerd? Het komt dan voor dat een goede vriendschapsband teniet gaat.
Bij een Latrelatie kies je voor dubbele lasten. Bij het definitief samenwonen komt dit te vervallen. Bij een Latrelatie blijf je je zelfstandigheid behouden en heb je de keuze op een moment om de ander weer te zien en ben je niet helemaal alleen. Voor iedereen is deze keuze weer anders. Er kan een tendens zijn dat men na verloop van tijd toch met elkaar gaan samenwonen of dat men het ‘latten’ meer koestert. ‘Doordat wij niet samenwonen, voelt onze relatie gelijkwaardiger’ vertelde een kennis. Soms koken wij samen of kies ik even voor het alleen zijn. Als ik behoefte heb aan een gezellig samen zijn dan verheug ik mij weer op onze afspraakjes.’
Over iemands keuze valt niet te twisten. Iedereen vult zijn of haar leven op hun eigen manier in. De een voelt zich happy bij het aangaan van een huwelijk, terwijl de ander nog behoefte heeft aan vrijheid. Zelf zou ik zeggen: ‘Leg de LAT hoog als je iemand hebt ontmoet, waarvan je houdt en met wie je wilt gaan latten. Dan zal het ongetwijfeld wel lukken.

VREUGDE OF VERDRIET

FOTO DEN HAAG

VREUGDE OF VERDRIET

Na jaren niet meer in mijn geboortestad te zijn geweest, bezoek ik het Gemeentemuseum. Na afloop van een interessante schilderijenexpositie, steek ik de rijbaan over richting mijn auto die ergens in de wijk staat. Onverwachts word ik melancholisch en voel ik tranen in mijn ogen komen. Het is een verdrietig gevoel. Wat overkomt mij nou? denk ik. Mijn ouders die hier werden geboren, trouwden en hier hun woonplaats hadden zijn al jaren overleden. Ooit verhuisden ze naar mijn huidige woonplaats. Familie heb ik hier, voor zover ik weet, niet meer wonen. Het merendeel is overleden of naar elders vertrokken.
Ik voel dat er iets tastbaars ontbreekt. Den Haag is niet meer dat het ooit was. Intuïtief rijd ik richting mijn ouderlijk huis waar ik tot mijn vierentwintigste heb gewoond. Even een blik op mijn ouderlijk huis, waar ik in een warm gezin opgroeide bij lieve ouders en jongste zus. De stad is ook veranderd. Sommige straten herken ik niet meer.
Even later rijd ik mijn straat in, die ik niet meer als zodanig herken. De huizen zijn gerenoveerd of vernieuwd. Dichtbij het huis parkeer ik mijn auto. Ik bekijk de gevel van top tot teen en voel dat dit mijn ouderlijk niet meer is. Huisnummer 43 zie ik staan. In 36 jaar ben ik hier niet meer geweest. De tijd heeft niet stilgestaan. Ik vind hier niets meer wat mij bindt. Mijn jeugdjaren staan in mijn gedachten gegrift. Vooral goede tijden heb ik er gekend, maar ook liefdesverdriet. Vlakbij waren mijn scholen. Ik heb er mijn eerste liefde ontmoet. Familie die in de omgeving woonde. Een gevoel van geborgenheid. Jaren hield ik mij vast aan deze mooie herinneringen.
Een autoclaxon haalt mij uit mijn gedachten. Wat doe ik hier nog waar ik niets meer tastbaars vind. Ik start de auto weer en rijdt even later de stad uit op weg naar mijn woonplaats waar ik nu langer woon dan mijn geboortestad. Weer rollen de tranen over mijn wangen. Met het gemis moet ik om leren gaan.
Bij aankomst wachten mijn man en dochter op mij. De tijd van toen is er niet meer. Vergane glorie. Dat geldt voor iedereen van ons. Herinneringen blijven, maar komen nooit meer terug, omdat de tijd nu eenmaal voortschrijdt en het verleden voorgoed achter zich laat.

Vakantieperikelen

VAKANTIEFOTO

Beter een goede buur……..

De zomervakantie stond weer voor de deur. Henriëtte wist dat enkele buren spoedig op vakantie zouden gaan. Zelf ging ze met haar man tijdens de herfstvakantie weg. Ze zouden wel wat dagtrips maken tijdens de zomervakantie, maar daar bleef het dan ook bij.
Ze wist dat elk moment de buren aan haar zouden komen vragen of ze tijdens hun afwezigheid weer enkele hand- en spandiensten wilden gaan doen.
Mia, haar naast buurvrouw, vroeg steevast of ze voor haar kat, de post en de planten wilden zorgen. Dit gold ook voor de overburen die een grijze roodstaartpapegaai hadden. Een schreeuwlelijk en bijtgrage vogel. Op een keer was ze door de papegaai gebeten. Ook had het jonge stel een konijntje gekocht dat achteraf een Vlaamse Reus bleek te zijn die met zijn tanden een deel van zijn buitenhok kapot had gebeten. Het konijn lag dood in zijn kooi en bleek gestikt te zijn in een houtsplinter. Ze had met deze kwestie in haar maag gezeten. Ongewild werd ze soms opgezadeld met problemen die zij niet had veroorzaakt. Kortom, elk jaar was het weer een hoop gedoe en gestress had ze gemerkt. Ooit had ze ermee ingestemd om een helpende hand te bieden aan de buren. Nu was ze deze verplichtingen zat.
‘Na al die jaren begin ik er nu tegenop te zien’ Ron, had ze tegen haar man gezegd.
‘Als je aan hun vertelt dat jouw hulp de laatste jaren voor jou meer stress oplevert dan gemak, zullen zij dit toch wel begrijpen?’ antwoordde hij.
‘Ze rekenen op mij Ron en zullen dit mij niet in dank afnemen, denk ik zo.’
‘Als je niets onderneemt Henriëtte, verandert er ook niets. Het enige dat wij dan kunnen doen is gaan verhuizen vrouw’ grapte hij en liet haar met een mond vol tanden achter.

Vanzelfsprekend? of toch niet?

LETTERREGEN

Vanzelfsprekend of niet?

De namen van diverse instanties, clubs etc., worden meestal in de wandelgangen afgekort. Gemak dient de mens, zegt men. Meestal wordt deze keuze bewust gemaakt, omdat veelal de naam te lang is. Er zijn afkortingen die veel mensen wel kennen, zoals bijvoorbeeld het UWV en het WMO-loket die doorgaans bekend zijn. Werkt men bijvoorbeeld bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, dan wordt de afkorting BiZa binnenskamers genoemd. Wat voor een personeelslid vanzelfsprekend is, blijft voor buitenstaanders soms een raadsel. Waarom de naam niet voluit noemen? Is het soms gemakzucht of is men bang om zijn of haar tong te verslijten.
Afkortingen zijn er te kust en te keur. Er komen er steeds meer bij. Overal kom je ze tegen. Bij navraag om wat gegevens bij een van mijn vorige werkgevers, vertelde de telefoniste aan mij: ‘Ik verbind u door met de afdeling FA (Financiële Administratie). Deze afkorting was voor mij logisch, omdat het een financiële kwestie betrof.
In het woud van afkortingen komt men vroeg of laat terecht als je te maken krijgt met diverse instanties. Vooral voor de ouderen onder ons is dit lastig, omdat ze bepaalde afkortingen niet begrijpen. Zelf zet ik er ook weleens mijn vraagtekens bij. Als men vraagt waar zo’n afkorting voor staat, kijkt men je vreemd aan. Soms wordt je ook op het verkeerde been gezet. Bij het aanvragen voor een aanleunwoning NS, voor mijn ouders, ontving ik een folder en begreep niet waar de afkorting NS in de folder voor stond, althans: Wat had NS (Nederlandse Spoorwegen) met aanleunwoningen te maken? Bij navraag kreeg ik als antwoord: ‘aanleunwoningencomplex Nieuwe Stijl’ mevrouw. De tekst moest de folder en het gebouw enigszins opleuken. ‘Waarom de afkorting dan niet voluit zetten in de folder?’ gaf ik als antwoord. ‘Opdracht van hogerhand mevrouw’ kreeg ik als mededeling. Daar kon ik het mee doen.
Mijn ouders en ikzelf vonden deze afkorting toentertijd maar LK (Lariekoek) om maar eens een zelfverzonnen afkorting te gebruiken. Duidelijkheid is toch wel een pré.

Oh, dat verpakkingsmateriaal

VERPAKKINGSMATERIAAL

Op een zekere dag goot ik mijn aardappelen af in de gootsteen en liet ik pardoes de pan uit mijn handen vallen. De aardappelen verdwenen in de groenbak en ik kon opnieuw gaan schillen. Geleidelijk aan verdween de kracht uit mijn handen. Er was een tijd geweest dat ik met gemak verpakkingen open kreeg. Ook met deksels van potten had ik geen probleem. Veel artikelen werden door fabrikanten aangepast. Toch bleek dit niet altijd het ei van Columbus te zijn. Ik ben reumapatiënt en velen met mij. Zelf probeerde ik meestal oplossingen te zoeken als ik verpakkingen niet open kreeg. Dan moest ik mijn man inschakelen. Afhankelijk voelen van een ander is niet leuk. Naast karton is het merendeel van de verpakkingen van plastic gemaakt, waaronder, petflessen, flacons waarvan de laatsten ook moeilijk open te krijgen zijn. De dop van de chloorfles moet ingeknepen worden om deze te kunnen openen. Terecht, met het oog op gevaarlijke stoffen voor de kleintjes.
Bij iedereen ligt er wel een schaar binnen handbereik of een ander handig gereedschap. Soepblikken met lipjes gebruik ik allang niet meer. Soms breken ze af bij het openen. Met de blikopener kan ik moeilijk kracht uitoefenen. Vacuümverpakkingen met vlees zitten in stevig plastic materiaal, waarvan de meeste zijn voorzien van een uitsparinkje in een van de hoekjes van de verpakking. Lastig om vast te houden en soms te stevig om open te trekken.
Op een zondagochtend tijdens het ontbijt, pakte ik, de in plastic verpakte kaas, uit de koelkast. Ik bekeek het omhulsel en zag dat dit na het openen afsluitbaar was. Op zich een goed idee dacht ik. Met mijn beide handen probeerde ik de verpakking uit elkaar te trekken zoals de bedoeling was. Mijn kracht liet weer eens verstek gaan. Mijn man nam het van mijn over en trok de verpakking met meer kracht open, waardoor het plastic omhulsel doormidden scheurde en alle plakken kaas op zijn boterham belandde. Wij moesten allebei lachen om dit gebeuren. ‘Wat een gedoe!’ zei hij. ‘Zelfs mij lukt het dit keer niet.’ Ik stond op, pakte de kaasdoos uit de keukenkast en deed het restant aan plakken kaas erin. Het gescheurde zakje verdween voorgoed bij de andere plastic verpakkingen waarvan ik de aanrecht mee kon vullen. Voor mij geen plastic meer. Het doel heiligt helaas niet altijd de middelen al doen fabrikanten nog zo hun best.

Paardenperikelen

FRIESE PAARD

Paarden zijn edele dieren. Mensen die op een paard rijden benijd ik soms. In mijn ogen zijn het krachtige dieren. Misschien door hun kracht word ik onzeker. Paarden voelen blijkbaar aan hoe mensen zijn die hun benaderen. Zolang ze in de wei staan of in hun stal heb ik het lef om naar ze toe te gaan, angsthaas die ik ben. Een paar jaar geleden logeerden mijn man en ik bij een B&B in het Brabantse land. De eigenaar was fokker van het Friese paard. Op mijn verzoek liet hij mij een aantal paarden zien die in hun boxen stonden.
Ooit had ik gehoord dat, als je een paardenstal binnenkomt, je moet praten, zodat het paard niet schrikt als je onverwacht voor hem staat. In de eerste stal stond een Merry met haar veulen. Ondanks ik het paardje benaderde schrok het, sprong weg en gleed uit over het stro. Ik vond dit vervelend omdat ik bang was dat het dier zijn benen kon breken. Het veulentje kwam weer terug en ik aaide over de neus. Ik was niet veel groter. De Merry bleef staan en keek toe. Vervolgens bekeek ik de andere paarden in de andere boxen en liep als laatste naar de vijfde box toe. Daar stond een, in mijn ogen reusachtig paard, ongetwijfeld zou dat een hengst zijn geweest. Meteen kwam hij met zijn hoofd over de deur van zijn stal hangen, waarop de eigenaar meteen ingreep en hem enigszins van mij afduwden. Helaas vergat ik toen te vragen wat de reden was dat hij dat deed. Misschien te dominant of bijtgraag. Toch had hij in mijn ogen een rustige uitstraling.
Hoe anders was dit tijdens een evenement in Den Haag op het Lange Voorhout, waar Politie te paard was. Een van de paarden stond niet stil en was blijkbaar ergens door geïrriteerd geraakt. Op een zeker moment legde hij zijn oren in zijn nek. Iemand riep luidt: ‘Oppassen het paard is boos, waarop ik wegliep van mijn plek. Ik heb toen niet meer gezien hoe het incident was afgelopen.
Paardrijden durf ik niet. Blijkbaar komt het omdat ik klein van postuur ben en het paard zo groot is. Paarden zijn gevoelig. Mensen ook. Door mijn onzekerheid zou hij geen been kunnen verzetten of zelfs de benen nemen. Het probleem ligt duidelijk bij mijzelf en niet aan het edele dier dat ik alsnog een warm hart toedraag.

DE SLEURHUT

LOUNGE CABIN

De caravan alsook de camper kan worden gezien als de opvolgers van de woonwagen en de huifkar. Zelf vind ik de naam ‘sleurhut’ een leukere benaming.
Onbekend maakt onbemind. Wij als jonge kinderen hadden geen ervaring met kamperen. De reden was dat onze ouders niet van kamperen hielden. Ook kwam het er simpelweg niet van door hun beroepen. Wij wisten niet beter en vroegen er ook niet naar. Zelfs in de naaste familie was men niet zo gecharmeerd van het kamperen. Slechts een keer heb ik gekampeerd met een schoolvriendin. Haar ouders hadden een grote tent. Ze hadden een groot gezin. Iedereen ging mee naar de boerencamping in Scherpenzeel en ik mocht mee.
Er stonden meer tenten dan caravans op het land. Het was behelpen. Toch bleek ik flexibel te zijn en hielp zoveel als mogelijk mee. Na 3 dagen ontstond er ’s nachts een hevig onweer. Opeens een harde knal. Een paar seconden daarna een getrappel van jewelste. Ik raakte enigszins in paniek net als mijn vriendin en de rest van de kinderen. Wij durfden niet naar buiten te gaan. Slapen konden wij niet meer en waren de volgende dag geradbraakt. Bij het openen van de tent zagen wij om ons heen een grote ravage. Huisraad, stoelen en enkele tenten lagen verspreid over het veld. Wat was er gebeurd? vroegen wij ons af. Later hoorden wij dat een koe door de bliksem was getroffen. In paniek waren de andere koeien dwars door het hek gelopen en richting het veld renden van de kampeerders. Dat er geen ongelukken waren gebeurd was een wonder. Nadien heeft het kamperen in een tent mij niet meer aangetrokken.
Toen ik jaren later trouwde en onze dochter een peuter was, logeerde wij elk jaar in een bungalow. Ik had duidelijke een luxeprobleem. Een keer hebben wij te impulsief een stacaravan gekocht op een bungalowpark in Bennekom. Toch bleek dit niet aan ons besteed. Beiden vonden wij het helemaal niets. De oorzaak was ook dat wij maar een kort weekend konden blijven vanwege de werkzaamheden van mijn man. De caravan werd verkocht en waren blij dat wij ervan af waren.
Sinds 7 jaar huren wij een stacaravan voorzien van een overkapping met een veranda en loungebank. Rondom staan er 10 dezelfde caravans op het veld. De afstand is ruim te noemen. Toch begint het weer te kriebelen en gaan wij op zoek naar hotels.

Gevelstenen

GEVELSTEEN

Hoeveel gevelstenen telt Nederland? Natuurlijk kan ik dit opzoeken. Het gaat mij niet zozeer om de hoeveelheid, maar om de gevelsteen zelf, waarvan de meeste een bepaalde afbeelding hebben. Het stelt altijd iets voor. Ook zijn er gevelstenen met alleen een tekst. Naast oude uithangborden, wegkruizen etc. heeft een gevelsteen mij altijd geboeid. In de tijd dat ze werden gebruikt keek men er meer naar dan nu. Er is informatie te vinden over deze bijzondere gevelstenen. In het land vind je ze nog. Jammer genoeg zijn er door de tijd heen enkele gesneuveld of gered van de ondergang, ontvreemd of voorgoed verdwenen door afbraak van de woning voor nieuwbouw.
Zo schijnt een gevelsteen, voorzien van een beeltenis van Joris met de draak, te maken hebben met het St. Jorisgilde. Waarschijnlijk hoorde de bewoner bij deze gilde. Vaak heeft de achtergevel ook een gevelsteen. Maar liefst 47 gevelstenen zijn, nadat ze door sloop van hun eigen pand zijn verwijderd, verhuisd naar het Amsterdamse Museum, waar ze nu zijn ingemetseld aan de gevel. Ze trekken nu meer aandacht van passanten. Achter elke gevelsteen zit wel een verhaal, zoals die van Jan Teuniszoon Mol, die van beroep schuitenvoerder was en later schipper werd. Hij liet na zijn overlijden in 1680 vier panden na, waaronder een pand met een gevelsteen D’3 Swarte Molle. Zeer waarschijnlijk is dat hij zijn achternaam ‘Mol’ heeft ontleend aan deze gevelsteen. Er zijn diverse gevelstenen te bezichtigen in het museum. De meeste zijn gemaakt van natuursteen en sommige zijn ingekleurd. Ook bestaat er zelfs een Eikenhouten exemplaar in de Noord-Hollandse plaats Hoorn.
Gevelstenen ontstonden in de tweede helft van de 16e eeuw en werden tot het jaar 1800 gebruikt als een soort ‘huisteken.’ Toentertijd bestonden er nog geen huisnummers. Veel gevelstenen hadden betrekking op het beroep dat de bewoner uitoefende, bijvoorbeeld een ‘Kuiper’ die een botervat kon laten afbeelden of iemand die een schrijver was een ‘veer’ op zijn gevelsteen liet plaatsen. Zo kon men meteen zien wat voor beroep de bewoner had. Mensen die nog geen familienaam hadden en niet door hun beroep werden aangeduid, hadden soms een uithangbord. Zo zijn er uithangborden bekend met de namen: Zwaan, De Bock en de hond. Volgens mij ontstond er een probleem als een persoon met een bepaald beroep zou gaan verhuizen. De nieuwe bewoners werden dan opgezadeld met het beroep van de vorige eigenaar. Ten goede of ten kwade.