Badmutsen

 

Vanavond is er een jubileum in een zaal van een restaurant. Het bouwbedrijf waar Toine sinds kort werkt bestaat namelijk 25 jaar. Alle personeelsleden met aanhang zijn  uitgenodigd. Zijn vrouw Loes gaat ook mee. Ze houdt wel van een feestje. Omdat hij bij het bouwbedrijf nog maart kort werkt, kent hij de meeste collega’s nog niet. Ze rijden naar het restaurant en parkeren de auto op de parkeerplaats. Loes, die vrij snel voor haar beurt praat, zegt tegen hem: ‘Kijk dan Toine! Daar staan je nieuwe collega’s. Ze hebben allemaal een badmuts op.’

Hij ziet in de verte een groepje mannen staan. Twee kent hij wel, Thijs en Johnny. Dat zijn naaste collega’s. Met z’n drieën zorgen ze voor het metselwerk op bouwplaatsen.

‘Badmuts? ’ik zie helemaal geen badmutsen Loes!’

‘Ik bedoel die kale kerels, die daar staan!’

‘Niet zo vrijpostig Loes, antwoordt hij geïrriteerd. Het zijn mijn nieuwe collega’s hoor. Gedraag je alsjeblieft?’

Ze voegen zich bij de groep mannen. Hij stelt Loes en zichzelf voor aan zijn nieuwe collega’s.

‘Daar hebben wij onze krullenbol, zei Thijs gekscherend tegen Toine. De baas en jij zijn de enige die nog haar op hun hoofd hebben.’

Loes onderdrukt een glimlach. Die Thijs heeft ‘haar’ op zijn tanden, denkt ze bij zichzelf.

‘Binnen de kortste keren word je hier ontgroend Toine, zegt een nog volslagen onbekende collega tegen hem. Pas maar op voor Henk, die magere die daar staat. Hij heeft altijd zijn tondeuse in de bedrijfsauto liggen.’

Toine lacht een beetje zuinig maar zegt niets. Hij kent deze makkers nog niet. De meeste bouwvakkers zijn nou eenmaal geen watjes, weet hij. In de verte zien ze de baas met zijn vrouw aankomen. Arnold zoals hij heet is van zijn leeftijd. Een joviale kerel.

‘Zo mannen, zullen wij maar naar binnen gaan, zegt hij tegen hun als hij met zijn vrouw Lia is gearriveerd. Volgens mij wachten jullie al even.’

Met z’n allen lopen ze het restaurant binnen waar een lieftallige serveerster hun de weg wijst naar de feestzaal. Binnen ziet het er gezellig uit. Slingers en ballonnen hangen er met het opschrift 25 jarig jubileum. Er klinkt muziek en iedereen neemt plaats. Toine en Loes gaan zitten naast Thijs en Johnny. Het jubileumpaar komt wat later de zaal binnen en iedereen feliciteert hun. Ze krijgen diverse cadeaus, bloemen en planten. Vrijwel direct komen serveersters aan de tafels met koffie en gebak.

Loes neemt het woord, omdat Toine niet zo’n prater is.

‘Klopt het, wat die nog onbekende collega, zojuist tegen Toine vertelde over die tondeuse van collega Henk?’

‘Die onbekende collega heet Gerard. Je moet hem maar met een korrel zout nemen’ antwoordt Thijs. Het kaalscheren is min of meer uit een grap ontstaan. Henk heeft inderdaad altijd zijn tondeuse bij zich. Ooit heeft hij een vrouwtje aan de haak geslagen, die na verloop van tijd tegen hem had gezegd, dat het beter was om zijn haren kort te wieken. Ze vond de kale plek op zijn achterhoofd maar niets. De liefde was snel over toen hij had gemerkt dat zij hem niet accepteerde zoals hij was. Maar zijn kale hoofd beviel hem uiteindelijk wel. Het was wel even wennen toen Henk op die ochtend kaalgeschoren op de bouwplaats stapte. Sommige mannen staken meteen de draak met hem.’

‘Als ik er zo over nadenk zie ik voor een man ook veel voordelen. Je hebt geen shampoo, conditioner, haargel en kam meer nodig. Om over de kapperskosten maar te zwijgen, zegt  Loes weer.’

Toine geeft onder de tafel een tik tegen haar been. Door al dat gepraat ziet hij de bui al hangen. Stel je voor dat die Henk zijn hoofd kaal wil scheren bij wijze van grap. Hij moet er niet aan denken. Zijn krullen staan hem best.

‘Toch zijn er jongens die het op een zeker moment wel leuk vonden om hun haar af te laten scheren. In plaats van naar de kapper te gaan, kocht Henk een tondeuse’ gaf Johnny te kennen.

‘Tel uit je winst! mannen´ zegt Loes.

‘Willen jullie soms een lekker hapje? onderbreekt een serveerster het gesprek.

De schaal ziet er verzorgt uit met diverse hapjes. Gretig pakken ze de lekkernijen van de schaal af.

‘Wat ben jij eigenlijk stil Toine?’ vraagt Thijs aan hem.

‘Bij aankomst bij het restaurant maakt Loes een grapje over het uiterlijk van jullie allemaal. Ze noemt jullie ‘badmutsen’, vanwege jullie kaalgeschoren hoofden. Ik vind dat niet zo leuk.’

‘Kop op man! niet zo dramatisch! Best wel een geinige opmerking Loes´ zegt Johnny tegen haar.

‘Eerlijk gezegd kan ik Toine niet voorstellen zonder zijn gekrulde haar.’

‘Geen haar op mijn hoofd meid dat ik mijn hoofd kaal laat scheren door Henk.’

‘Het is maar hoe je het bekijkt Toine. Kale mannen vliegen elkaar niet meer in de haren en voelen zich nooit meer in hun kuif gepikt.’

‘Ja, ja, Thijs, ik ben niet van plan om mij kaal te plukken door wie dan ook.’ Met z’n allen gieren ze het uit van het lachen.

De muziek begint onverwachts harder te spelen. Een stem door een microfoon vraagt aan de gasten of ze willen gaan dansen. Johnny en Thijs hebben geen partner bij zich.

‘Kom Loes? Laten wij eens een dansje wagen.´ Ze staan lachend op en lopen naar de dansvloer. Enkele collega’s verzamelen zich met hun aanhang.

‘Volgens mij gaan deze mannen wel relaxed door het leven. Ze houden te allen tijde hun hoofd koel’ fluistert ze in het oor van Toine.

‘Je bent mij er eentje Loes. Voortaan niet meer voor je beurt praten. Je ziet wat ervan komt.’

De gezellige avond is omgevlogen. Nadat ze het jubileumpaar hebben bedankt en afscheid hebben genomen van Thijs en Johnny stappen ze in de auto om naar huis te gaan.

Naast Toine aait Loes onverwachts liefkozend door zijn krullen.

‘Als je maar niet zo dwaas bent om je haar kort te laten wieken door die Henk.’

‘Geen kopzorgen Loes. Een badmuts staat mij simpelweg niet. Dat weet ik zeker!’

Advertenties

Kassiére vijf

 

Els kijkt naar twee klanten die zojuist haar lopende band zijn gepasseerd. Ze voelt zich verveeld. Elke dag is het een terugkerend ritueel. Klanten komen en gaan. Mensen die hun boodschappen uit de winkelwagen halen, op de loopband zetten en daarna hun boodschappen in hun boodschappentassen doen. Er komen veel vaste klanten in de winkel. Ze kent hun niet bij de naam maar wel aan hun uiterlijk. Mevrouw Knot, zoals ze de vrouw aan haar opgestoken haar kent, komt steevast elke week op woensdag bruinbrood halen. Op de zaterdagen doet ze haar overige boodschappen. Altijd is ze alleen.

Karakteristieke passanten ziet ze voorbijkomen, zoals een forse man met een stevige neus. Zijn neus past bij hem. Hij blijkt een vinoloog te zijn verteld hij haar op een dag tijdens het neerzetten van verschillende flessen wijn op de lopende band. De man is zo bevlogen dat de andere klanten in de rij ongeduldig worden door zijn verhaal. Ze vertelt de man vriendelijk dat er nog meer klanten in de rij wachten.

Ook komt er steevast een klein meisje met haar mama boodschappen doen. Haar moeder legt dan wat lichte verpakkingen in het kinderwinkelwagentje, waarna ze samen naar de kassa toelopen.

‘Ik heet Kim zei ze op een keer. Mama doe de grote boodschappen in haar winkelwagen en ik de kleine. In het prille begin dat ze de supermarkt bezoeken, begrijpt Kim maar niet dat ze het winkelwagentje niet mee naar huis mag nemen, waarna ze in huilen uitbarst.

Altijd moet ze beleefd blijven tegen de klanten. Dat staat in haar arbeidscontract. Soms valt dat niet mee. Ze heeft van die klanten die ze liever ziet gaan dan komen. Chagrijnen die zich snel uit de voeten maken. Egoïsten en behulpzame mensen. Ze herinnert zich een lange man die een dame op leeftijd helpt met haar boodschappen inladen. Toen hij daarmee klaar was vergeet hij bijna zijn eigen boodschappenkar mee te nemen, waarop ze hem daarop attendeert. Hij bedankt haar.

Op een keer staat er een mager type man voor haar kassa. Hij is erg nerveus en dwingt haar om op te schieten.

‘Rustig aan mijnheer! zegt ze beleefd. U ziet toch dat ik bezig ben. Zijn boodschappen die zijn afgerekend gooit hij min of meer in zijn boodschappenkar.

‘Waarom heeft u zo’n haast mijnheer? Hij geeft haar geen antwoord. Bij de laatste boodschap vertelt ze hem hoeveel hij moet betalen, waarop hij onverwachts een sprintje trekt en met boodschappenkar en al de supermarkt uitrent. Het gaat zo snel dat de klanten in de rij en zij te laat realiseren dat de man een dief is. Ondanks het niet in haar aard is schreeuwt ze om hulp. Gelukkig zijn er klanten die de supermarkt binnenkomen zo alert, dat ze de man grijpen. De politie wordt gebeld en de man wordt afgevoerd.

Ze werkt het beste onder druk heeft ze gemerkt. Als het minder druk is moet ze als kassière de boodschappen terugbrengen die klanten op de valreep toch niet willen kopen en bij haar achterlaten naast de kassa. Dat vindt ze het vervelendste van haar werkzaamheden. Toch altijd glimlachen is de slogan.

Opeens hoort ze een stem door de intercom van de supermarkt. Kassière vijf! Er staat een aantal klanten in de rij die geholpen willen worden? Blijft u alert?

‘Een goedemiddag mevrouw!’ zegt ze tegen de eerste klant in de rij en geeft haar een gulle glimlach.

 

Verjaardagcadeau

Over een paar maanden wordt mijn man 65 jaar. Voor zijn verjaardag kan ik hem nooit eens een plezier doen met een cadeau. Hij weet nooit iets te bedenken.

‘Geen idee, wat ik voor mijn verjaardag wil hebben’ antwoord hij steevast als zijn verjaardag in aantocht is. Dat is altijd zo geweest.

In die 27 jaar dat ik hem nu ken heb ik aardig wat ideeën aangedragen, van parfums, muziek- tot boekenbonnen. Manlief heeft meestal geen interesse. Geld geven vind ikzelf niet leuk. Ooit kocht ik, uit pure noodzaak, een reiswekker voor hem, omdat zijn oude reiswekker was blijven staan op een nachtkastje van een hotelkamer. Hij had er van gebaald dat hij het kleinood had vergeten om mee naar huis te nemen.

Het jaar daarop kocht ik een nieuw exemplaar. Het wekkertje ging mee tijdens een andere vakantie. Hij was blij met het kleinood, tot het moment dat de wekker de volgende ochtend afliep met het geluid van de Big Ben-klok van Londen. Direct stapte hij uit het bed. Met geweld pakte hij het ‘kreng’, zoals hij de wekker toen noemde op, opende het raam van de eerste etage en zwiepte de wekker het raam uit. Uit protest hoorde wij de wekker tussen het groen blijven ratelen. Daar ging mijn verjaardaggeld.
Nee, een cadeau geven aan hem blijft lastig.

Rond de Kerstdagen van het afgelopen jaar, wilde ik samen met onze dochter wat hebbedingetjes voor ons allen voor onder de kerstboom kopen, waarop ik met de moed in mijn schoenen aan mijn man vroeg: ‘Of ik nog iets voor hem kon meebrengen? waarop hij doodleuk antwoordde: ‘Neem voor mij maar een speculaaspop mee. Ik zag er laatst nog een paar liggen in de supermarkt.’

Op dat moment stond ik even met een mond vol tanden.

Iets op je lever hebben

 

 

‘Wie a zegt moet ook b zeggen Christa!’ zei Liza tegen haar medestudente. Jij bent altijd zo’n vooruitstrevend type. Waarom wil je het bijltje erbij neergooien?’

‘Ik twijfel Liza, of ik de opleiding wel zal halen. Ik vraag mij trouwens af, of het niet te hoog gegrepen is voor mij?’

‘Iedereen twijfelt weleens, ook ik, vooral als een vak moeilijker is dan ik dacht. Jij bent het eerste jaar met vlag en wimpel geslaagd.’

‘Mijn ouders zeiden: ‘de aanhouder wint.’

‘Zullen wij als onderbreking vanavond gaan stappen? Wij hebben voor vandaag lang genoeg met onze neus in de studieboeken gezeten. Het lijkt mij leuk om naar ons studentencafé te gaan. Ik ben er al een tijdje niet geweest Liza.’

‘Afgesproken!’

Na het diner vertrokken ze op hun fietsen naar het centrum van Leiden. Onderweg begon het zachtjes te sneeuwen. Christa dook wat dichter in haar kraag van haar wollen jas. Ze mompelde: Aprilletje zoet geeft dikwijls nog een witte hoed.’

‘En ook een paar koude handen’ antwoordde Liza.

Bij aankomst bij café ‘Het biertonnetje’ plaatste ze hun fietsen tegen de gevel. Binnen was het behoorlijk druk zagen ze. De warmte viel als een deken over hun heen.

‘Mijn vingers tintelen nog door de kou’ Christa.

‘Ja, meid, eigen schuld dikke bult. Je had je handschoenen aan moeten doen. Zullen wij bij het raam gaan zitten, vlakbij de open haard?’

Ze hingen hun jassen over de leuning van hun stoel. Vrijwel direct kwam een jonge ober naar hun toegelopen.

‘Wat een leuke jongen Christa. Hij is hier zeker nieuw?’

‘Wat kan ik voor jullie betekenen dames?’ zei hij met een grijns op zijn gezicht.

‘Twee witte wijn graag en iets om op te knabbelen’ glimlachte Liza naar hem.

‘Ik kom het zo dadelijk bij jullie brengen, samen met wat nootjes.’

Liza keek de jongen nog na.

‘Wat kijk je hemels!’

‘Nieuwe bezems vegen schoon Christa. De eigenaar heeft zeker een vrije avond. Ik heb hem nog niet gezien.’

‘Proost! Zeiden ze in koor, nadat de ober hun wijn en nootjes had gebracht. Gezamenlijk waren ze met elkaar in gesprek.

Aan een van de vele tafeltjes zaten een paar bekenden. Een daarvan was Jos. De opschepper van de universiteit.

Jos heeft ons gezien. Hij komt naar ons toe. Wat voor sterk verhaal zou hij nu weer hebben. Die pocher schept altijd weer op over hoe goed hij wel is. Ik zit niet op zijn verhalen te wachten hoor Christa. Ze knikte bevestigend.

‘Het valt nog maar te bezien of hij cum laude slaagt. Je moet de huid niet verkopen voor de beer geschoten is, mompelde ze weer.

‘Dat denk ik ook.’

‘Hoi Christa en Liza! Leuk jullie te zien. Ik ben hier samen met Ruud, Mark en Patrick. Wij zitten daar aan tafel.’

‘Wij hebben jullie bij binnenkomst al zien zitten. Ik dacht eigenlijk dat je ons kwam trakteren op een drankje. Je hebt dit al verschillende keren aan ons beloofd. Veel beloven weinig geven, doet een zot in vreugde leven, Jos en ze gaf Christa een knipoog. Aan zijn verontwaardigde blik te zien moest hij nu de daad bij het woord houden.

‘Wat willen jullie drinken?’ vroeg hij enigszins beduusd.

‘Twee witte wijn graag Jos! en neem zelf ook wat, grapte Liza. Ze zagen hem weglopen met de staart tussen zijn benen.

Wat later kwam hij terug en plaatste de twee glazen wijn op tafel. Eigenlijk kwam ik voor een praatje. Ik zie dat mijn vrienden op mij wachten. Tot ziens!’ en voordat ze iets terug konden zeggen was hij verdwenen.

Wat later op de avond kwamen er onverwachts enkele medestudenten bij hun zitten. Het was gezellig tot in de laatste uurtjes. Ze hadden besloten om binnenkort met elkaar naar een muziekevenement te gaan in Amsterdam. Na middernacht vertrokken ze met hun allen. Bij het naar buiten gaan sprak een van hen: ‘Bezoek brengt altijd vreugde aan, zo ‘t niet bij het komen is, dan bij het gaan.

Inbraak

 

 

‘Ik ben mijn sieraden kwijt! vertelde ik beduusd aan mijn ouders en heb alleen mijn doos nog. Een gouden ringetje met een robijn die ik ooit van oma kreeg is weg, een gouden hanger met ketting, broches en mijn zilveren bedelarmband met verschillende bedels.’

‘Volgens de politie waren het kruimeldieven. De antieke spullen van mevrouw beneden hebben ze laten staan’ gaf mijn moeder als antwoord.

‘Wij werden gewaarschuwd door de werkster van je hospita, zei mijn vader. Toen wij kwamen kijken mochten wij niets aanraken van de recherche. Het was een complete chaos. Door de hele villa lagen allerlei spullen, openstaande en opengebroken kasten en kapot gestoken schilderijen van mevrouw. Je was net een paar dagen op vakantie in Spanje, zei hij weer.’

‘Hoe zijn die kruimeldieven eigenlijk binnengekomen?’ vroeg ik.

‘Via de achterzijde. Ze hebben met een breekijzer de openslaande deuren geforceerd en zijn naar binnen gegaan’ gaf mijn moeder als antwoord.

‘Nu ziet alles er keurig uit als ik om mij heen kijk. Geen spoor te zien van een inbraak. Mijn kasten zijn gelukkig niet beschadigd.’

‘Nadat de recherche weg was hebben we alles opgeruimd samen met de werkster van je hospita. Je hebt geluk gehad dat je moderne kasten hebt. Mevrouw heeft antieke kasten staan, waarvan ze de sleutels had opgeborgen. Ze hebben toen de mooie kasten opengebroken en spullen meegenomen, waaronder antiek porselein en andere zaken.’

‘Enkel het idee al dat er vreemde lui in het huis hebben rondgelopen’ mompelde ik.

Diezelfde middag – in het bijzijn van mijn ouders – arriveerde er een rechercheur van mijn verzekeringsmaatschappij. De man ging niet over een nacht ijs en bestookte mij met allerlei vragen. Hij had zo’n indringende blik, dat ik het gevoel kreeg dat hij dwars door mij heen keek. Omdat ik kon aantonen dat ik in de week van de inbraak op vakantie was, werd hij wat milder. Kort na dit gesprek keerde de verzekeringsmaatschappij een luttel bedrag uit, ver onder de waarde van de gestolen spullen. De sieraden waren geschenken geweest, waardoor ik vanzelfsprekend geen aankoopbonnen kon aantonen.

Nooit zij mijn sieraden teruggevonden en zijn de daders niet gepakt. Mijn hospita had meer geluk. Enkele van haar antieke spullen werden in een naburige struik teruggevonden.

Dieven realiseren zich niet dat er aan persoonlijke zaken soms herinneringen kleven, die voor iemand vaak meer waarde hebben dan de gestolen goederen. Dat gold toen ook voor mij.

 

 

Gedumpt

Ooit woonde ik in een maisonnette. Beneden mijn woning woonde tante Leny, althans zo mocht ik haar noemen. Ze was al op leeftijd vertelde ze mij tijdens een gesprek in haar woonkamer.

´Ik ben al jaren weduwe. Mijn man was muzikant. Ik heb een zoon die in het Noorden van het land woont. Kort na Arnout zijn geboorte is mijn man door een tragisch ongeval om het leven gekomen. ´

Ik luisterde aandachtig naar haar verhaal.

´Omdat mijn man geen pensioen heeft opgebouwd, leef ik van een kleine AOW. Soms krijg ik wat geld van mijn zoon toegestopt. Hij en zijn vrouw hebben het financieel goed´ vertelde ze.

Tijdens de thee keek ik eens om mij heen. Er stonden mooie mahoniehouten meubels. Ik wees naar een schattig theekastje dat op hoge poten stond. Rondom zat er facet geslepen glas in. Bovenop lag een verzonken dienblad met koperen handvatten. Ze zag blijkbaar dat ik het kastje bewonderde, waarop ze zei: ´Van mijn man gekregen, kort na ons huwelijk. Het is een aandenken aan hem. ´

Bij het naar huis gaan viel mij op dat de eetkamertafel bezaaid lag met paperassen.

´U heeft nog een hoop administratie te doen zie ik. ´

´Eerlijk gezegd groeit mijn administratie mij boven het hoofd. Mijn zoon woon te ver weg en werkt regelmatig in het buitenland. ´

´Ik wil er weleens naar kijken met uw toestemming. Op kantoor doe ik ook administratief werk. ´

Zo gebeurde het dat ik een keer per maand belangeloos haar administratie deed. Als wederdienst zorgde ze voor mijn kat als ik eens een paar dagen weg was.

Op een keer ontmoette ik haar zoon Arnout. Hij kwam bij ons aan de eetkamertafel zitten en zag dat ik met zijn moeder Leny bezig was om wat paperassen door te nemen.

´Ze heeft mij over u verteld en dat u zo´n goede hulp voor haar bent. Mijn vrouw en ikzelf zouden graag willen dat ze bij ons in de buurt komt wonen. ´

´Je weet hoe ik daarover denk Arnout, viel ze hem in de rede. In dit huis woonde ik met je vader en jou. Ik wil hier niet weg!´

Ik hoorde het relaas eens aan. Leny had hier haar herinneringen liggen, dat begreep ik uit haar antwoord.

Na de onverwachte kennismaking vertrok hij weer. De tijd verstreek en Leny en ik hadden leuke contacten met elkaar. Op een dag toen ik thuis kwam van een lang weekend vakantie, lag er een rouwkaart op de deurmat. Het bleek van Leny te zijn. Op haar begrafenis ontmoette ik Arnout weer, maar nu met zijn vrouw Else. In de aula tijdens de koffie vertelde ik hun  dat ik haar zou missen. Hij knikte en ‘zij jou ook’ antwoordde hij.

In dezelfde week na de begrafenis was ik eerder thuisgekomen van mijn werk. Bij het naar binnen komen hoorde ik wat lawaai. Ik liep naar het raam. Beneden op de stoep stonden de meubels van Leny. Er stond een auto van de gemeentereiniging voor haar deur. Met afgrijzen zag ik dat een aantal meubelstukken in de auto werden gegooid en vermalen. Verbijsterd keek ik toe dat ook het mooie mahoniehouten theekastje erin verdween. Een aandenken van een sinds kort  overleden vrouw werd in één handeling versplinterd. Ik hoorde het glas breken. Ik moest even slikken. Leny haar huisraad en herinneringen werden die middag voorgoed gedumpt.