Duivelse streken.

Ergens in Nederland woonde een gezin met twee jongens. Het was een goed gelovig en vriendelijk echtpaar die hun kinderen een goede opvoeding gaven. Het geloof was voor hun  erg belangrijk. De man kwam uit een welgestelde familie. Ooit had hij een erfenis gekregen.

Op een dag werd zijn vrouw ziek. Na een kort ziekbed stierf zij in hun woning. Haar man en zoons waren ontroostbaar. Vooral haar echtgenoot kon niet met haar dood omgaan. De mensen uit zijn directe omgeving zagen dat de man veranderde van karakter. Van een vriendelijke man verbitterde hij. Ondanks hij zijn zoons in zijn nabijheid had, voelde hij zich eenzaam. Hij raakte verslaafd aan drank. Zo erg zelfs, dat hij al zijn waarden en normen verloor. Nooit was hij tijdens zijn huwelijk in een café geweest. Daar ontmoette hij een ander slag mensen dan zijn vertrouwde vrienden. Het waren ruwe kerels die grof in hun mond waren. Sommigen verafschuwden hun geloof of dreven de spot ermee. Zijn goede vrienden hadden hem gewaarschuwd om met dat gepeupel niet om te gaan. Hij luisterde niet. Door zijn halsstarrigheid verloor hij zijn beste raadgevers. Er heerste geen vrede meer in zijn huis. Zijn twee zoons, die tijdens het ziekbed van hun moeder de zorg voor haar hadden opgenomen, kregen van hun vader nu een Spartaanse opvoeding. Ze waren nog jong en werden besmet met de nieuwe leefwijze van hun vader. Ook zij kwamen met slechte vrienden in aanraking.

Hun vader en zij werden grof en wreed en ze deden waar ze zin in hadden. Ze hadden geen respect meer voor de ander. Langzamerhand verdwenen hun echte vrienden.

De jaren verstreken. Het geld gleed als zand zijn door hun vingers. Hij had vrienden bij de vleet die op zijn braspartijen uitwaren. Door hun kreeg hij een hekel aan de mensen die vroeger zijn huis bezochten.

Op een dag deed hij weer een greep in een ijzeren kistje waar hij zijn geld in bewaarde. Het was leeg.

‘Waar was zijn geld gebleven?’ vroeg hij zich af.

Hij begon te vloeken en te tieren en liet zijn zoons bij hem komen.

‘Weten jullie waar mijn geld is gebleven? Jullie denken zeker dat het feesten eeuwig door kan gaan!’ zei hij weer.

Zijn zoons gaven geen antwoord. Hoe kon hun vader dit zeggen. Hij was hun grote voorbeeld.

Hij stond op en riep opstandig: ‘Moeten wij nu de rest van ons leven in armoede doorbrengen? Hoe kom ik in korte tijd weer aan geld, zei hij weer. Ze liepen weg en lieten hun vader met al zijn kopzorgen zitten. Hij bleef nu eenzaam achter in zijn huis. Voor hem stond het lege kistje waar ooit een fortuin in had gezeten. Hij greep naar een fles wijn die op tafel stond. De drank was zijn beste vriend en zou zijn goede leven wat hij ooit had doen vergeten. Op een zekere dag werd hij bang voor het donker en in de nacht begon hij waanbeelden te zien. De drank had zijn denken vertroebeld. In een droom zag hij een gedaante met horens op zijn hoofd. Hij staarde hem aan met zwarte ogen waar geen straaltje licht door heen kwam. Hij schrok hevig.

‘Wie ben je vroeg hij aan de zwarte gestalte?’ Zie je dan niet dat ik de duivel ben. Je hebt je eigen duivelse karakter opgeroepen. Ooit, in het verre verleden, was je een goed mens die met je gezin een vredig leven leidde. Het geld heeft je in je greep. Toch zal je uit onverwachte bron geld ontvangen. Binnen het jaar kom ik weer bij je terug. Als je geld op is, wil ik iets van je hebben. Jouw ziel.

Hij rilde al bij de gedachte dat hij al zo snel dood zou gaan. Zo snel hij gekomen was, zo snel was de duivel weer vertrokken. Die nacht kon hij niet slapen en woelde in zijn bed. Hij vertelde niet aan zijn zoons dat hij een vreemde droom had gehad.

Een paar weken later viel er een aangetekende brief op de deurmat. In de brief las hij dat een overleden familielid een erfenis had geschonken. De tweede erfenis in een aantal jaren. Hij slaakte een vreugde kreet. Zijn zonen kwamen binnen en ze waren verwonderd dat het kistje  weer met geld werd gevuld. Nadat de erfenis binnen was gekomen, volgde een jaar met uitspattingen. De braspartijen werden erger dan voorheen. Hij was de droom inmiddels vergeten. Sneller dan gedacht verscheen de duivel weer in zijn droom.

‘Ik kom je ziel halen. Maar eerst ga je dood en hij boog zich over hem heen.

‘Nee, ik wil niet dood schreeuwde hij tegen de zwarte gestalte. Badend in het zweet werd hij wakker en keek om zich heen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten. Ondanks de slaapkamer schemerig was zag hij de duivel niet meer. Zijn zoons, die op het geschreeuw van hun vader waren afgekomen, stonden aan zijn bed en vroegen wat er aan de hand was. Hij vertelde hun van de twee dromen waarin de duivel aan hem was verschenen

‘Vader, een soortelijke droom heb ik ook gehad!’ zei de jongste van de twee.

‘Ik weet nergens van! zei de oudste. Wat een onzin vertellen jullie en hij vertrok. De dromen hielden de jongste zoon en de vader in hun greep. Ze waren er beiden zo van geschrokken dat ze, na verloop van tijd, bij bezinning kwamen. De schellen waren van hun ogen afgevallen. Wat het verdoemde geld allemaal teweeg had gebracht. Zijn vrouw had zich in haar graf omgedraaid als ze wist hoe losbandig hij en zijn zoons hadden geleefd. Maar het was nog niet te laat. Ze besloten beiden te stoppen met het verkwisten van het geld. Ze distantieerden zich van hun negatieve vrienden en kwamen niet meer in lounge kroegen. Alleen de oudste zoon wilde daar niets van weten en zetten zijn leven op dezelfde voet voort. De vader had besloten om samen met zijn jongste zoon te gaan verhuizen. De oudste bleef wonen in het ouderlijke huis. Ze wilden een nieuw leven beginnen. Het huis waar hij ooit met zijn vrouw woonde gaf teveel herinneringen. De verbittering verdween uit zijn leven. De normen en waarden werden weer in ere hersteld. Ook bij zijn jongste zoon. Hij had getracht om zijn oudste zoon te overreden om te stoppen met het leven dat hij nog leefde. Helaas kwam het voor hem te laat. Tijdens een vechtpartij over geld liet hij in zijn stamkroeg het leven,  tot groot verdriet van zijn vader en zijn broer. De duivelse streken waren nu voorgoed verleden tijd.

Advertenties

De domme dieven en een papegaai.

De domme dieven en een papegaai.

Twee dieven zwierven door de stad. Ze hoopte dat er iemand langs zou komen die ze konden bestelen. De lange dief had altijd zijn papegaai bij hem die steevast op zijn schouder zat. Er kwam een man aan op z’n scooter en plaatste deze tegen de gevel van een sigarenwinkel. De man had zo’n haast dat hij de sleutel in het contact liet zitten.

‘Kijk eens wat een mooi rood exemplaar!’ fluisterde de kleine dief tegen zijn lange maat.

Zodra de eigenaar de sigarenwinkel in was gegaan stapte ze beiden op de scooter en reden weg.

‘Houd de dief!’ krijste de papegaai.

‘Houd je snavel?’ zei de lange tegen hem, maar de vogel luisterde niet.

Toen ze net om de hoek van de straat waren, liep er een man op de stoep die ze bijna omver reden.

‘Houd de dief!’ krijste de papegaai weer, waarop de voetganger moest lachen en hij liep door. Even keek hij achterom en zag dat er twee mannen op een rode scooter zaten.

Toen hij de straat uitliep, hoorde hij een man schreeuwen die om zijn gestolen rode scooter riep. Hij bracht de man tot bedaren en vertelde hem dat hij zojuist twee mannen op een rode scooter zag rijden.

Ze hadden ook een papegaai bij zich, die riep: ‘Houd de dief.’

Wil je met mij mee gaan om die mannen op te sporen vroeg het slachtoffer aan de voetganger. U weet namelijk hoe ze er uit zien.

De voetganger had medelijden met hem en ze vervolgde de route van de dieven. Dat was niet zo moeilijk omdat ze in de verte de papegaai nog steeds hoorde schreeuwen.

Twee straten verder zag de lange dief een oude vrouw lopen achter haar rollator. Op de rollator stond een volle boodschappentas.

‘Pak die boodschappentas maat, zei hij tegen de kleine. In het voorbij gaan trok hij de tas van de rollator af.

‘Houd de dief!’ schreeuwde de papegaai.

De vrouw schreeuwde nog harder dan de papegaai. Er kwamen twee mannen aangelopen. Ze stonden stil bij de vrouw die zo aan het schreeuwen was.

‘Wat is er aan de hand? zeiden ze in koor.

De vrouw vertelde over haar gestolen boodschappen.

‘Er is daar vast en zeker wat aan de hand!’ zei de eigenaar van de scooter tegen de voetganger die met hem mee was gelopen. Ze zagen een vrouw staan met naast haar twee mannen.

‘Ik ben bestolen van mijn boodschappentas!’ zei de oude vrouw. ‘Het ging zo snel dat ik niet kon zien wie het waren. Ze reden op een rode scooter. Ik hoorde een papegaai schreeuwen: Houd de dief!’

‘Dat zijn de dieven van mijn scooter zei de man tegen de oude vrouw. De voetganger beaamde dit. Wij zijn naar ze op zoek, zei hij weer.

‘Willen jullie mij helpen? vroeg de vrouw aan de twee mannen die naar haar toe waren gelopen.’

‘Jazeker! Wij willen deze mannen graag in de kraag pakken. Met vijf personen achtervolgde ze de dieven. Ze hoorde nog steeds de papegaai schreeuwen. ‘Volgens mij zijn ze in het park! zei één van de mannen.’

Bij een grote vijver was een man aan het zwemmen. Hij had zijn kleding op een houten bank neergelegd.

‘Wat ligt daar op die bank? zei de kleine tegen de lange toen ze het park in reden. De lange stopte en zag dat het kleding was.

‘Dat zijn mooie kledingstukken zei de kleine. Zo te zien is het mijn maat. Hij stapte af. Snel pakte hij de kleding van de bank en stapte weer achterop de scooter. De man die aan het zwemmen was had gezien dat een kleine man zijn kleding had meegenomen. Snel kwam hij uit het water en rende naakt de dieven achterna.

‘Houd de dief!’ schreeuwde de papagaai.

Zo liepen zes personen door het park op zoek naar de dieven. Er passeerde een politieagent. Hij was stom verbaasd een groepje mensen te zien met een naakte man in hun kielzog. Hij hield hun staande en vroeg waarom ze zo’n haast hadden en waarom er een naaktloper meeliep.

‘Laat ons alstublieft doorgaan zei de oude dame tegen de politieagent. Wij zijn op zoek naar twee dieven. Ze hebben een rode scooter gestolen, een tas met boodschappen. Ook hebben ze mijn kleding gestolen zei de naakte man, die de hele weg zijn hand voor zijn edele delen had. Ik loop meteen met jullie mee zei de agent.

Ze liepen met z’n allen verder.

‘Ik hoor de papagaai niet meer!’ zei de oude vrouw.

Verderop in het park begon de scooter te sputteren. ‘Oh Nee, zei de lange dief, volgens mij is de benzine op. Beiden stapte ze af. Ze liepen met de scooter aan de hand naar een kleine kinderboerderij. Er was niemand te zien. Er hing een bordje aan het hek met de woorden: ‘Even schaften.’

Er liepen geiten, kippen, een haan en een ezel rond. Ze plaatste de scooter bij de achteringang, sloegen een ruitje in van de deur en stapte naar binnen.

‘Ze gingen zitten aan een lange tafel en waren net van plan om het eten uit de boodschappentas te halen, toen de papegaai weer begon te krijsen.

‘Houd de dief! schreeuwde hij. Door het geschreeuw begonnen de geiten te mekkeren, de haan te kukelen en de ezel te balken. Het was een oorverdovend geluid.

‘Draai jij die papegaai zijn nek eens om, zei de kleine dief tegen de lange.

Net op het moment dat hij dat wilde doen werd er op de deur gebonsd. Omdat ze niet opendeden trapte de politieagent de deur in. Een zestal mensen stonden in de deuropening, waaronder een naakte man.

De papegaai schreeuwde voor de laatste keer ‘Houd de dief!’ vloog de deur uit en ging zitten op het rieten dak van de kinderboerderij. Meteen was het stil. De dieven werden in de boeien geslagen door de politieagent. De eigenaar nam zijn scooter mee en liep samen met de oude dame met haar rollator richting hun huis. De twee mannen droegen de boodschappentas en de voetganger hielp de verkleumde zwemmer in zijn kleding.

‘Hadden wij de papegaai maar eerder zijn nek omgedraaid zei de kleine tegen de lange. Door hem zijn wij verraden.

‘De papegaai heeft zijn plekje gevonden op de kinderboerderij zei de agent tegen de dieven. Samen liepen ze mee met de agent naar het politiebureau.

‘Ik heb hier twee domme dieven, vertelde de politieagent bij binnenkomst op het politiebureau tegen één van zijn collega’s. Wie neemt er nou zijn papegaai mee op dievenpad?’

De terugkeer van een visser.

Dirkje van het Duin, een vissersvrouw uit Scheveningen trouwde met visser Teun Schellevis. Hij werd door de dorpelingen ‘graatje’ genoemd, omdat hij zo mager was. Hij zat er niet zo mee. In zijn dorp hadden de meeste mannen een bijnaam. Hij was een goedlachse man met humor. De vissers mochten hem graag. Zijn ouders hadden hem gewaarschuwd voor zwarte Dirkje. Ze deed haar naam eer aan. Naast haar gitzwarte haar nam ze het niet zo nauw met andere vrijgezellen vissers. De mannen pronkten met deze mooie vrouw. Maar een huwelijk met haar leek de meeste van hen niets. Door haar losbandige leven bleef ze uiteindelijk alleen. Teun, die haar ook regelmatige tegenkwam als hij weer terug was van de zee, kreeg medelijden met haar. Ze was bijna zesentwintig jaar en nog steeds ongehuwd. De meeste jongelui op het dorp waren al getrouwd. Teun, die één jaar jonger was dan Dirkje, had de waarschuwingen van zijn ouders in de wind geslagen en trouwde met haar. Op hun trouwdag stormde het hevig. Windvlagen en regen kwamen neer op het dorp aan de Noordzee. Twee dagen gierde de wind om de vuurtoren waarachter hun visserswoning stond. Er hing onheil in de lucht.

Dirkje was de dochter van de directeur van de visafslag. Ze had het hoog in haar bol. Haar ouders verwende hun enige dochter. Op de visafslag werken wilde ze niet. De vislucht bleef meestal in je haren of kleding hangen. Ze werkte liever als hulp in de huishouding bij een mevrouw op stand. Het huishoudelijke werk lag haar beter. De villa stond verscholen achter de duinen. Teun die als laatste bij zijn ouders woonde had sinds jaren gespaard. Hij werkte ook hard. Zijn eigen logger lag altijd in de haven. Samen met één van zijn drie broers ging hij varen op zee. Pieter was de enige die nog niet was getrouwd.

Al snel raakte Dirkje zwanger. Een meisje werd geboren met gitzwart haar. Geërfd door haar moeder. Het was een teer kind. Ondanks haar zwakke gezondheid groeide het vrolijke meisje op. Ze noemde haar Teuntje, naar haar vader. Eén jaar later werd Maarten geboren. Net als zijn oudste zus was de jonge tenger. Sinds haar huwelijk met Teun was Dirkje niet veel veranderd. Ze flirtte zelfs nog in het bijzijn van Teun als ze samen op stap gingen. Vaak was dat in de plaatselijke kroeg in het centrum. Teun was geen vechtersbaas, maar riep haar wel vaak tot de orde. Ze moest zich nou maar eens gedragen, had hij op een keer tegen haar gezegd. Ze waren nu al een aantal jaren getrouwd. Na de geboorte van haar dochter had ze haar baan opgezegd. Teun zorgde voor het gezin. Toch was ze niet tevreden. Ze wilde meer geld en leven als de bemiddelde dame waar ze ooit had gewerkt. Teun had er moeite mee dat zijn vrouw meer geld wilde. Toch hield hij van zijn vrouw en zijn kinderen en werkte zo hard als hij kon samen met zijn broer. Eigenlijk moest hij er een helpende hand bij hebben. Zijn zoon Maarten was 13 jaar. De jongen was al eens vaker mee geweest op zee. Nu ging hij definitief met zijn vader op zee. Teuntje hielp haar moeder mee in het huishouden. Ze was 16 jaar. Een mooie leeftijd voor een vrijer had moeder eens tegen haar gezegd. Een vrijer zag ze voorlopig niet zitten. Eerst wilde ze gaan werken op het kantoor van de visafslag van haar opa. Na zijn dood was er een nieuwe directeur aangenomen die een medewerkster zocht voor de administratie. Teuntje en Maarten trokken het liefste met hun vader op. Ze wisten dat hun moeder er maar rare gewoontes op na hield. Ook was ze erg ontevreden vonden ze. Er heerste al een tijdje geen prettige sfeer in het vissershuis achter de vuurtoren. Als Teun even vrij was nam hij zijn kinderen mee naar zijn stamkroeg om even zijn vrouw te ontvluchten. Vaak waren er woordenwisselingen om geld.

Ze bekeek zich in de spiegel. Haar mooiste jaren waren verdwenen. Teun had op een keer tegen haar gezegd dat ze een ontevreden uitstraling had. Waar was zijn knappe vrouw gebleven van toen. Ze wist dat haar man gelijk had. Rimpels en kraaienpootjes werden al zichtbaar. Mannen uit het dorp en andere dorpsbewoners negeerden haar. Men woonden zo dicht op elkaar dat de meeste mensen wisten wat er achter andermans deuren afspeelden. Ze voelde zich nog steeds verheven boven andere vissersvrouwen en pronkte op zondag steevast met haar juwelen die ze van Teun door de jaren heen van hem had gekregen. Ze had een onstuimige drang naar meer geld. Ze wilde ten koste van alles meer weelde in haar huis. Teun verdiende veel geld, maar nog te weinig om haar wensen te vervullen. Sinds een tijdje had ze een hekel aan hem gekregen. Hij dronk meer dan vroeger. Op een paar grijze plukken na was hij kaal. Hij was niet meer de knappe blonde Teun van vroeger. Van de week had ze hem uitgescholden en tegen hem gezegd dat hij maar voorgoed mocht wegblijven als hij niet meer geld binnenbracht. De kinderen hadden gehoord wat ze had gezegd tegen hun vader. Ze waren erg verdrietig. Zo hadden ze hun moeder nooit horen spreken.

Hij was weggegaan samen met zijn kinderen die hem hadden ondersteund. Ze waren nu bijna volwassen. Zijn dochter had werk gevonden op de visafslag en zijn jongste werkte bij hem op de logger. Van een goedlachse jongen was zijn zoon stil geworden. Zijn dochter had hem ook verteld dat ze haar moeder niet erg mocht. Hij kwam binnen in zijn stamkroeg.  Met zijn kinderen ging hij zitten in de hoek van de zaak. Onder het genot van een drankje en een warme hap spraken ze met elkaar. Teuntje vertelde haar vader dat de directeur van de visafslag haar leeftijd had. Sinds kort zagen ze elkaar ook privé. Ze hielden van elkaar had ze tegen hem gezegd. Teun kende Arie wel. Het was een goede jongen die serieus was, net als zijn dochter.

‘Ik wil voorlopig nog geen meisje vader, zei Maarten tegen hem. Ik vind varen veel leuker. Ik ga liever met u mee dan dat ik thuis bij moeder blijf. Zijn woorden deden hem deels pijn. Ooit hadden zijn ouders hem gewaarschuwd voor Dirkje. Nu pas drong het tot hem door dat zijn huwelijk een puinhoop was. Hij kon aan de wensen van zijn vrouw niet voldoen. Hij keek op zijn horloge. Het was al laat. Teuntje moest vroeg op om naar de visafslag te gaan. Ook Maarten en hij moesten op tijd uit bed. Zijn broer Pieter stond dan al op hun te wachten. Nadat hij zijn rekening had betaald ging hij met zijn kinderen huiswaarts.

Het regende buiten en er ontstond een straffe wind. Dat zag er niet zo best uit zag Teun, net voordat hij zijn huis binnenstapte.

Aanvankelijk leek het er de volgende ochtend op dat de wind even was gaan liggen. Niets was minder waar. Dirkje gaf Maarten een kus voor hij vertrok met zijn vader.

‘En ik dan?’ zei Teun gekscherend tegen haar. Hij had het bedoeld als een grapje. Ze had zich omgedraaid en was de woonkamer uitgelopen.

Maarten keek zijn vader aan. Hij gaf een knipoog aan zijn zoon. ‘Vrouwen zijn vaak een raadsel jongen.’

Toch zat het hem niet lekker dat Dirkje zo bot tegen hem deed. Hij zag zijn logger al liggen. Pieter was al aan boord. Hijzelf gooide de trossen los. De logger Scheveningen14 voer de haven uit. Midden op zee werd de lucht gitzwart. Onverwachts begon het hevig te stormen. Schuimkoppen kwamen met grote golven op het voordek.

‘Daar was ik al bang voor Teun!’ zei Pieter tegen hem.

‘Ga maar naar binnen in de kajuit Maarten. Het gaat nu spoken jongen.’

Samen met zijn broer haalde ze de netten met vis binnen. Dat lukte niet helemaal. Door al het water op het dek konden ze zich bijna niet staande houden. De ijzeren boot klapte door de storm op het water. De wind gierde om de mast.

Maarten had angstige momenten. Hij was wel meer met zijn vader mee geweest op zee. Ook had hij weleens slecht weer meegemaakt, maar zo slecht als het vandaag was kende hij niet. Zou hij zijn vader en zijn oom alsnog meehelpen, vroeg hij zich af? Vader en Pieter hadden het moeilijk zag hij. Hij was toch al bijna volwassen en had zijn zwemvest over zijn beschermde kleding aan. Hij gooide de deur van de kajuit open en stapte het dek op. Teun had Maarten niet in de gaten. Pieter wel. Hij was bezig om de enige sloep die op de logger aanwezig was los te koppelen. Dat lukte voor een deel. De sloep hing scheef richting de zee. Hij zwaaide met zijn armen dat de jongen weer de kajuit in moest. Teun die niet begreep wat er gebeurde, keek om en zag zijn zoon. Hij  riep luidkeels: ‘Maarten ga de kajuit in!’ De wind loeide zo hard dat hij niet hoorde wat zijn vader tegen hem zei. Teun liet het visnet los dat vastzat aan een lier en liep naar zijn zoon toe. Op hetzelfde moment dat Maarten de kajuit wilde binnenstappen sloeg de deur met en klap dicht. Teun probeerde zijn zoon vast te pakken aan zijn pak. Dat mislukte. Maarten gleed over het natte dek door naar zijn oom Pieter die de jongen met al zijn krachten vasthield. Beiden zagen dat Teun weggleed over het dek. Een hoge golf tilde hem op en hij viel over boord.

‘Vader, schreeuwde Maarten het uit. Zijn stem loste op in de wind. Vader! Ik kan je niet missen, riep hij weer. Hij probeerde zich uit de armen van zijn oom te bevrijden. Deze hield zijn neefje stevig vast. Door de wind schoot de kabel los die aan de sloep was bevestigd. De sloep hing nu bijna boven het water en sloeg tegen de boeg aan. Een hoge golf kwam boven de reling uit en tilde ook Pieter en Maarten omhoog. Ze vielen beiden overboord.

Door het slechte weer had Arie zijn medewerkster Teuntje thuis gebracht. Zulk weer had hij tot heden nog nooit meegemaakt. Als dank gaf ze haar verloofde een kus en ging het huis binnen. Haar moeder stond in de keuken het eten voor te bereiden. Het rook heerlijk.

‘Ik hoop dat vader, Maarten en oom Pieter veilig thuiskomen moeder, zei ze tegen haar. Haar moeder gaf geen antwoord. Ze had zo haar eigen gedachten. Moeder was stil had ze gemerkt. Na het eten ging ze naar haar eigen kamer. Regelmatig stond ze voor haar raam, De omgeving rondom het huis was net zo zwart als de lucht. Het was bijna spookachtig. Ze rilde. Waren ze nu maar thuis. Ze vond het maar vreemd dat moeder zo stil was. Dat was ze bijna nooit. Het was nu al bijna 21.00 uur. Ze kreeg pijn in haar maag en ging op haar bed liggen. Blijkbaar was ze in slaap gevallen. Toen ze wakker werd was het bijna ochtend. Het was zondag. Ze hoefde niet te werken. Vanmiddag zou Arie op bezoek komen. Plotseling ging de telefoon. In de verte hoorde ze moeders stem. Snel liep ze de trap af naar beneden. Aan moeders gezicht kon ze zien dat er iets goed mis was. Net op het moment dat ze aan haar wilde vragen wat de boodschap was, ging de deurbel. Daar stond Arie voor de deur.

‘Je zou toch vanmiddag komen? zei ze tegen hem.

‘Dat was ook de bedoeling Teuntje. De vuurtorenwachter en een paar vissers vertelde aan mij dat er twee loggers niet zijn teruggekomen van zee. De logger van Leendert Plat en van je vader.’

Ze stond aan de grond genageld. Een negatief scenario spookte door haar hoofd. Ze wankelde. Arie kon haar nog net opvangen anders had ze languit in de gang gelegen. Binnen in de huiskamer had hij haar neergezet en zag dat haar moeder ook aan tafel zat met haar hoofd in haar handen. De hoorn van de telefoon lag naast haar. Bij het oppakken van de hoorn hoorde hij dat het gesprek was afgelopen. Die middag ondersteunde Arie zijn Teuntje en haar moeder. De sfeer was dramatisch. Bij het afscheid zou hij hun op de hoogte houden of er nog berichten waren en hij vertrok.

Nu pas realiseerde Dirkje zich wat ze de laatste jaren had aangericht in haar gezin. Ze was niet de vrouw geweest die Teun van haar had verwacht. Door haar hebzucht was ze een onmogelijk mens geworden. Ook had ze niet genoeg aan één man. Ze moest denken aan de woorden die ze had uitgesproken. Dat hij niet meer terug moest komen. Ook had ze hem geen kus gegeven, voordat hij naar zee ging met Maarten. ‘Mijn god, wat had ze gedaan?’ Misschien waren ze allemaal wel dood. Nu kreeg ze eindelijk haar straf. Ze keek zijdelinks naar haar dochter, Haar ogen spraken boekdelen. Beiden kenden geen rust toen ze naar bed gingen. Morgen hoopte ze dat er meer nieuws was.

Het was maandagochtend. De visafslag was gesloten. Dat was normaal niet zo. Maandag was het meestal de drukste dag van de week. Er stonden veel dorpsgenoten op de kade. Er was goed- en tragisch nieuws binnengekomen. Arie had Dirkje en Teuntje opgehaald met de auto en brachten ze naar de visafslag. De logger van Leendert was gekapseisd en de logger van Teun was gezonken hadden ze gehoord. Wel was er een sloep gevonden met twee opvarenden van de logger van Teun. In de sloep lagen twee gewonden die het gelukkig hadden overleefd maar gewond naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis waren gebracht. Pieter en Maarten zijn gered. Leendert, Teus en Dirk zijn in de golven omgekomen.

De tranen stonden in de ogen van Dirkje en Teuntje. Dirkje was blij dat haar zwager en haar zoon waren gered. Maar waar was Teun? Niemand kon iets vertellen. Ze jammerde luidkeels en riep om hem. Arie, die wist hoe zijn aanstaande schoonmoeder daadwerkelijk was, was verbaasd dat ze zo luidkeels tekeer ging. Er waren ook families aanwezig die iemand hadden verloren.

‘Niemand weet wat er met Teun is gebeurd Dirkje, zei de vuurtorenwachter tegen haar en Teuntje. Wij wachten nog op nieuws. Het was nu zaaks om haar zoon en zwager Pieter te bezoeken in het ziekenhuis. Arie ging met hun mee. Een paar dagen later werden ze daar ontslagen. Maarten had al die tijd liggen ijlen en riep steeds maar om zijn vader, aldus de hoofdverpleegkundige.

Naarmate de dagen verstreken hadden ze nog niets vernomen van Teun. Op een dag was er een lichaam aangespoeld op het strand van Wassenaar. Na sectie bleek het Teun te zijn. De plaatselijk huisarts had Dirkje bevolen om niet te komen kijken. Het lichaam was in verre staat van ontbinding. Hij was herkenbaar aan een gouden oorring met inscriptie en een gouden snijtand. Dirkje, Teuntje en Maarten begroeven hun vader, samen met zijn broer Pieter, Arie en andere familie. Hij had geen zeemansgraf, maar werd begraven achter het kleine kerkje in het dorp. Ook de andere overledenen werden er begraven. Eén jaar later werd er een monument voor hun opgericht. Teuntje trouwde met Arie Kuis en ze ontfermde zich over haar broer. Dirkje werd niet meer de oude sinds de terugkeer van haar visser. Ze had haar eigen lot over zichzelf uitgesproken.

N.B. De namen in dit verzonnen verhaal zijn fictief.

Nov. 2015