Schadelijke exoten en dieren in Nederland

Sinds twee jaar mag er géén schadelijke flora en fauna meer worden ingevoerd, gehouden of gefokt, aldus een bericht in de media.
Heb je toevallig een sier- of roodwangschildpad gekocht om in je vijver te laten badderen, realiseer je dan, dat deze kleine exoten na verloop van tijd een behoorlijke omvang krijgen. Dieronvriendelijk en zelfs strafbaar is het om zo’n schattig baby schildpadje door te spoelen door het toilet, dat helaas vaker voorkomt dan je denkt. Het inwoneraantal wordt in je stad of dorp opeens verdubbeld.
Ook is er de rossige stekelstaart, een eenden soort met een prachtige rode veren jas die moet verdwijnen, samen met een aantal typen eekhoorns, te weten: ‘de grijze-, zwarte- en vos eekhoorn.’ Deze eekhoorns vormen een ernstige bedreiging voor hun inheemse soortgenoot, zoals de rode eekhoorn, die in ons land reeds jaren is gesetteld.
Volgens insiders is de grootste boosdoener de ‘Pallas eekhoorn’. Eind jaren ’90 ontsnapten er waarschijnlijk een paar uit een dierenwinkel. Ik vraag mij af of dit wel klopt. Misschien gaven de eekhoorns zoveel overlast, dat de dierenwinkelier én passant de deurtjes van de kooien heeft opengezet. Deze ontsnapte exemplaren knagen sinds jaren aan Pvc-buizen en elektriciteitskabels van woningen. Lastig, als je net naar je favoriete Tv-programma zit te kijken en het beeld plotseling uitvalt.
Ook exotische planten, zoals de grote waternavelplant, de kleine waterteunisbloem en de hydrilla, waarvan ik de laatste niet kan thuisbrengen, worden aan banden gelegd. Dat moet gebeuren omdat ze woekeren. Via de haven en het vliegverkeer komt ons land relatief vaak in contact met al deze voornoemde dieren en exoten. Deze dieren worden ingevoerd, ontsnappen of worden soms losgelaten. Toch mogen particulieren die deze dieren reeds in hun bezit hebben, ze blijven houden totdat ze een natuurlijke dood sterven, aldus het dagblad.
In de loop der jaren hebben heel wat exoten zich hier goed weten te vestigen, zoals de bekende ‘muskusrat’ die een eeuw geleden vanuit Noord-Amerika in Europa terechtkwam. Dit geschiedde door dat een buitenlandse landheer een schattig muskusrat stelletje had uitgezet. Hun nazaten graven zich nu een weg door de Nederlandse dijken. Zet je lieslaarzen maar klaar als je bij een dijk woont of plaats wat zandzakken voor je deur tegen onverwachte wateroverlast.
Maar zeg toch zelf: ‘Je wilt toch niet wakker worden gemaakt door een steek van een tijger mug of door een Amerikaanse brulkikker onder uw slaapkamerraam?’

Advertenties

Oudhollands snoepgoed

Hollanders zijn zoetekauwen. In de 16e eeuw kwam het snoepgoed op gang. Het gewone volk had voorlopig het nakijken. Lang voor die tijd aten mensen zoete vruchten. Er was simpelweg niets anders. Nadien werd met gesmolten rietsuiker suikerwerk gemaakt voor de elite. Later werd er suiker gewonnen uit suikerbieten voor het volk. Het zogenaamde Oudhollandse snoepgoed is sinds jaren op de markt. Als Haagse van geboorte leerde ik al snel het Haagse hopje kennen, dat smaakte naar koffie-extract. De zuurstok van de kermis, waar ik bijna mijn kiezen op brak. Trekdrop en Zoethout vond ik niet lekker.
Als ik op vakantie naar Zeeland ging zag ik steevast in etalages een blikje Zeeuwse babbelaars staan. Kaneelkussentjes waren zalig. Je moest erop zuigen omdat ze keihard waren. Maar het lekkerste en leukste snoepgoed waren de gekleurde hartjes.
Van pepermunt kan ik niet afblijven. Een slimme fabrikant plaatste op zijn pepermuntjes een beeltenis van de toenmalige Koningin Wilhelmina die toentertijd 12 jaar werd. Dit werd blijkbaar erg gewaardeerd. De pepermuntjes kregen het Koninklijke predicaat van Hofleverancier waarmee de Firma met de naam Fortuin erg blij mee was. De firma deed zijn naam eer aan. Tot vandaag de dag wordt het Wilhelmina pepermunt nog steeds gegeten.
De stroopsoldaatjes en de toverballen zie je niet veel meer. Die laatste mocht ik van mijn ouders niet eten vanwege verstikkingsgevaar. Mijn vader kreeg ooit te maken met een bijna verstikking in de Haagse tram. Een jong kind, die naast zijn moeder op de zitbank zat verslikte zich bijna in een toverbal, bleek later. Door vaders alertheid werd de jongen gered omdat hij de Heimlichgreep toepaste, waardoor hij het snoep uitspuwden. Na de schrik bedankte de moeder mijn vader die ook was geschrokken.
Ook was mijn vader geen fan van Lolly’s. Dat vond hij maar ondingen, vooral het stokje kon een boosdoener zijn. Snoepgoed is er de laatste eeuwen altijd al geweest. Wat niet weg te denken is, is de chocoladereep. Menigeen is er bijna aan verslaafd. Ongetwijfeld zal er ook snoepgoed zijn geweest die uit de handel is genomen zoals de beruchte snoepsigaret. Men was bang dat dit snoepgoed bij kinderen tot roken aan kon zetten, aldus een Amerikaans onderzoeksbureau. Het werd door de Europese Unie verboden. Helemaal ongelijk hadden ze niet. De snoepsigaret leek op de sigaretten voor volwassenen. Het uit chocolade met papier omringde sigaretje is uiteindelijk toch in rook opgegaan.

Kledingspelden en hun ontstaan

 

 

Vorig jaar rond deze tijd begon ik enthousiast met het breien van een gekleurde omslagdoek en was ik al aardig op dreef. In de wolwinkel lagen diverse kledingspelden/sluitingen/broches voor onder andere een omslagdoek of iets dergelijks. Ik kocht een ronde kunststof kledingspeld voorzien van een pin die ik door de wol kon steken als bevestiging.

Helaas ben ik, door mijn andere creatieve hobby’s, soms wat wispelturig van aard. Ik begin dan weer aan een ander project. Ondanks de omslagdoek bijna af was, had ik er op een gegeven moment tabak van en verdween het breien  naar de achtergrond. Eerlijk gezegd weet ik tot nu toe niet meer waar ik alles heb opgeborgen. Enfin, tijdens het surfen op het internet zag ik foto’s voorbijkomen uit de Oudheid en de Middeleeuwen, waar de mannen en vrouwen van toen kledingspelden gebruikten, hoofdzakelijk voor mantels. Ze werden van brons en edelmetaal gemaakt. Ze heten fibula’s.

Alleen al in ons land zijn er duizenden van gevonden tijdens opgravingen in onze bodem. Kledingspelden zijn net als onze huidige knopen, voorwerpen die men soms kan verliezen. Door de eeuwen heen zijn er in verschillende landen diverse volken neergestreken elk met hun eigen kledingstijl en de daarbij behorende accessoires. Ook in ons eigen land was dat het geval.

Naast potscherven van kruiken en andere huisraad zijn er prachtige exemplaren aangetroffen voorzien van dierfiguren, glas, brons of versierd met edelstenen.

Naast de zogenaamde mantelspeld droegen de vrouwen een aantal spelden om jurken en andere kleding mee te sluiten. Wij hebben onze knopen, ritssluitingen, elastiek, klittenband etc. voor onze kleding. De Schotse rok wordt nog steeds bijeengehouden met een speld. Er komt geen knoop aan te pas.

Toch vind ik het leuk dat ik een moderne versie heb van de fibula voor mijn omslagdoek. Deze blijft dan netjes op zijn plaats zitten zonder vast te houden. Eerst moet ik weer de moed opbrengen om het breisel op te zoeken. Zo af en toe berg ik mijn spullen te goed op. Ik heb een vermoeden dat dit pas volgend jaar winter zal plaatsvinden.

 

De schoen als beledigend object

 

 

In de tijd van de 16e eeuw leefde de welgestelde notarisdochter Weyn Ockers in Amsterdam die samen met haar dienstmeisje Trijn Hendicksdochter betrokken raakten bij de beruchte Beeldenstorm van die tijd. De aanleiding voor de Beeldenstorm kwam voort uit het opkomende Calvinisme in Nederland en uit onvrede over de Katholieke Spaanse overheersing.

Weyn was getrouwd met een zekere ter Meulen, een welgestelde uit haar eigen milieu. Er is niet bekend of ze kinderen hadden. Tot vandaag de dag weet iedereen wel wat de Beeldenstorm inhield. Grootschalige vernielingen werden verricht door de bewoners van een stad of dorp die het interieur van de kerk met toebehoren in puin sloegen en niet te vergeten de liturgische beelden. Veel mensen die aan de beeldenstorm meededen werden veroordeeld door de kerk. Een stadsgenoot die op de pijnbank werd gefolterd gaf te kennen dat Weyn Ockers in de Oude Kerk van Amsterdam haar pantoffel naar een Mariabeeld, dat versierd was met juwelen die welgestelden aan de kerk hadden geschonken, had gegooid. Ze was boos omdat priester Simon Slecht zich schuldig had gemaakt aan zelfverrijking. Deze sierraden waren geschonken door dochters van welgestelde lieden die zich hadden aangesloten bij een zogenaamd zusterschap waar de priester leiding over had. Door meermalen te zijn gemarteld, gaf Weyn uiteindelijk toe dat zij en haar dienstmeisje aanwezig waren in de kerk en dat zij haar pantoffel had gegooid naar het altaar. Dit was een grove belediging binnen de kerk. Uiteindelijk werd ze door het katholieke gezag gearresteerd en in opdracht van Hertog Alva, verhoord en samen met haar dienstmeisje veroordeeld. Op 22 juni 1568 werden zij verdronken in een ton op de Dam in hun woonplaats Amsterdam.

Smijten met schoenen blijkt een grove belediging. Een paar jaar geleden werd door een Iraakse tv-verslaggever een van zijn schoenen naar oud-President Bush gegooid die hij gelukkig kon ontwijken. Bush gaf nadien te kennen dat hij geen ‘hard feelings’ koesterde naar de schoengooier. Per definitie wordt een schoen in het islamitische geloof als onrein gezien, vandaar dat moskeeën zonder schoenen betreden moeten worden.

Een schoenzool is altijd vuil. Het tonen en ermee gooien ervan betekent dus dat je de persoon in kwestie die je wilt treffen ziet als een stuk vuil of beter gezegd als het stof en vuil onder je schoenen. Het is maar dat je het weet.

 

 

Feiten uit historische bron.

 

Over poppen gesproken

 

Poppen van stof, wol, hout en plastic hebben kinderen altijd geboeid. Sinds hun bestaan hebben ze een educatieve functie over het leven en religie. In verschillende delen van de wereld was, vanaf het begin dat ze waren ontstaan, poppenspelen gewoon. Indonesië met hun Wajangpoppen. Ook schijnt het zo te zijn dat de stam van de Hopi-indianen ook een  poppenspel kende. Poppen, zoals marionetten waren populair omdat ze het verhaal van de poppenspeler uitbeelden. Sommige poppen waren zelfs nog beroemder dan de poppenspeler zelf. De poppen Jan Klaassen en Katrijn spreken tot ieders verbeelding. Later kwamen poppen in beeld waarmee kinderen konden spelen. In eerste instantie waren de poppen stijf en konden ze niet bewegen. Vandaag de dag kun je een pop laten plassen en zelfs eten geven. De marionet, het allereerste exemplaar was kostbaar door zijn makelij,  prachtige beschilderingen en zijn kleding, zoals de bekende Wajangpop die nog steeds wordt gebruikt. Omdat de poppenspeler c.q. acteur de pop kon laten bewegen kwam deze tot leven. De bekendste pop die wij als marionet kennen is Pinokkio.

Zoals ik reeds eerder in een van mijn verhalen schreef was ik geen poppenliefhebber, althans ik hield meer van poppenkast poppen. Poppen moesten in mijn ogen iets te vertellen hebben, anders vond ik het maar niets. Aan het zogenaamde ‘moedertje spelen’ daar had ik simpel weg niets mee. Ik kon de fantasie niet opbrengen om met zo’n pop te spelen die mij maar stoïcijns aankeek. Zo’n onbeweegbare pop die mij blijkbaar wilde vertellen: ‘Komt er nog wat van? Wanneer speel je eens met mij?’ Die arme poppen van weleer. Nee, poppenwiegjes en stoeltjes heb ik nooit gewild. Wel kleur- en tekenpotloden, een schildersezel, boeken en dergelijke. Daar had ik meer aan. De poppen verdwenen voorgoed  in de kast en moesten helaas hun leven slijten in het donker. Blijkbaar had mijn moeder medelijden met ze. Op een dag vroeg ze aan mij of ze mijn poppen mocht weggeven aan een nichtje. Ik had daar geen problemen mee. Alleen mijn knuffel mocht niet weg en bleef ik mijn versleten haas trouw.

Kinderprogramma’s met beweegbare poppen die spraken vond ik wel leuk. Eindelijk poppen die iets te zeggen hadden. Mijn favoriete poppenserie werd de Thunderbirds. De ontwerpers/makers van deze serie waren hun tijd ver vooruit. Het was een spannende poppenserie die de poppen en hun materieel tot leven bracht. Een goede poppenspeler geeft zijn poppen een gezicht en maakt, door ze te laten spreken en bewegen, de pop levensecht.

Of men nu wel of geen poppenliefhebber is, de pop blijft onlosmakelijk verbonden met kinderen. Dat zal altijd wel zo blijven.

 

 

 

 

 

Bijnamen/pseudoniemen

 

Toen ik ooit met het schrijven van verhalen begon, had ik mijzelf een bijnaam, of beter gezegd een pseudoniem gegeven. Dat was nog niet zo gemakkelijk. Op een zeker moment kwam de naam Lea Lariekoek in mijn gedachte. Deze pseudoniem ontstond uit de voornaam van mijn peettante en Lariekoek paste daar precies bij. Mijn tante, de jongste zus van mijn moeder was een vrolijke vrouw die van een grapje hield op z’n tijd. Ze was wars van conservatisme. Daar hield ze niet van. Ze vond dat maar lariekoek. Je moest met je tijd meegaan, zei ze vaak. Helaas is ze op 50-jarige leeftijd overleden aan een hersentumor. Mijn pseudoniem heb ik gekozen als gedachtenis aan haar.

Een bijnaam is een bekende, niet-officiële naam van een persoon die voor de drager een positieve als een negatieve klank heeft. Je hebt spotnamen, scheldwoorden of koosnamen. Ze leiden allemaal hun eigen leven. De ene naam is positief terwijl de ander als onaardig wordt beschouwd. Heb je eenmaal een bijnaam dan ben je er je hele leven mee gezegend. Bijnamen zijn er al eeuwen geweest. Als je eenmaal zo’n bijnaam van derden had gekregen, werd je eigen naam nog amper gebruikt.

Bijnamen ontstonden vaak op verschillende wijzen. Als je pech had dat je je gezicht niet mee had door een vooruitstekende kin of een dikke neus, dan liep je het risico ‘de kin’ of ‘de neus’ genoemd te worden. Die laatste kon ook gebruikt worden als je een nieuwsgierig type was. Een wijsneus dus. Men kon dus worden afgerekend als je lichamelijke gebreken had. Sommige bijnamen kunnen ook stigmatiserend werken en de persoon in kwestie kwetsen. Men was dan in de aap gelogeerd, want je bijnaam droeg je meestal je hele leven mee.

Ook door vererving bleven namen soms generaties lang bestaan. De zoon van Piet Plezier werd dan Pietje Plezier of de gebroeders Hakkelaar. Ook kon het voorkomen dat je een bijnaam kreeg van de plaats waar je woont, zoals Van Veghel, Van Dordt, terwijl je achternaam Jansen was.

Zelfs mijn peettante Lea, werd ‘Pop’ genoemd. Ze was bij haar geboorte klein van formaat. Toen haar Brabantse opa in haar wieg keek zei hij, tegen de trotse ouders: ‘Lea lijkt op een kleine pop.’ Zolang ik mijn tante Lea heb gekend noemde men haar bij tijd en wijle ‘Pop’. Deze naam heeft ze tot aan haar overlijden met zich meegedragen.

 

Het einde van de schillenboer

 

Schillen! Wie heeft er nog schillen? riep de schillenboer door de straat. Zijn oude knol had leren oogkleppen aan de zijkant van zijn ogen. Paarden zijn namelijk nieuwsgierig. Stel je voor dat het paard door iets of iemand werd afgeleid. Hij zou op hol kunnen slaan. De schillenboer bij mijn grootouders in de straat schalde met luide stem dat hij in aantocht was. Sommige schillenboeren gebruikten een zogenaamde ratel om hun stem te sparen. Kobus, zoals het trekpaard heette was een stevige knol. Tijdens de zomer sloeg hij met zijn lange staart de vliegen van zich af. Zijn baas haalde namelijk naast de aardappelschillen ook restafval op zoals groente en fruit. Als de zon scheen rook je, als zijn kar vol was, een weeïge lucht  waar je soms misselijk van werd. Aan zijn kar bungelde steevast een emmer en een schep waarmee de paardendrollen van Kobus werden opgeschept en in de emmer werden gedeponeerd.

Schillenboeren kwam je tegen tot het eind van de 20e eeuw in alle windstreken van het land. Zodra mijn oma de stem van de schillenboer hoorde kwam ze snel met haar zinkenemmer met restafval naar buiten. Daar trof ze ook de buurtbewoners aan. De man nam de emmers aan en deponeerde de voedselresten in zijn kar. Zijn trouwe viervoeter Kobus droeg vaak een haverzak om zijn hals. Zo kon hij tijdens zijn wandeling door de wijk zijn haver eten. Hoe het zat met het drinken van water was mij toen niet duidelijk. Ongetwijfeld zal de schillenboer een emmer bij zich hebben gehad die hij met water mocht tappen, of iemand bood hem wat water aan voor zijn paard.

Door de komst van de schillenboer werd er geen voedsel verspild. Hoofdzakelijk kwamen de voedselresten terecht bij boeren voor hun vee. Toch kwam er een verbod om de schillen te gebruiken voor voedsel voor het vee, zoals voor de koeien en de varkens. Langzaamaan verdween de schillenboer uit beeld, omdat er geen cent meer te makken was. Met de komst van de afvalscheiding tussen ‘gewoon’ en gft-afval is er bijna geen schillenboer met paard en wagen meer te bekennen. Misschien dwaalt er nog iemand rond in een of ander gehucht, waarvan zijn paard nog een spoor achter laat van zijn eigen restafval.

 

 

Tante Riet de Kruidenier

 

Als ik het woord kruidenier hoor, denk ik in eerste instantie aan een winkelier die alleen maar kruiden verkocht. Deels is dat waar. Ook noemde men de kruidenier soms grutter, niet wetende dat de naam te maken zou hebben met graan, gerst en gort. Als jong meisje kocht ik soms levensmiddelen voor mijn ouders. Vaak was het een artikel die moeder vergeten was te kopen. Wij woonden in een winkelstraat waar bijna alles aan winkels voorhanden was. Bij de kruidenier kwam ik graag. De oude dame die achter de toonbank stond was een struise vrouw. Tante Riet, zoals de meeste klanten haar noemde was vrijgezel. Als kind viel het mij op dat ze moeilijk liep. Altijd was haar rechterbeen gezwachteld. Desondanks had ik op een keer gezien dat ze na sluitingstijd op vrijdag de plankenvloer aan het schrobben was. Haar kruidenierswinkel was haar bron van inkomsten. Ze was gek op kinderen. Op de toonbank stond steevast een glazen pot met een schroefdeksel. De ene keer zat er trekdrop in de pot en de andere keer lolly’s. Elk kind die met of zonder hun moeder kwam winkelen, kreeg iets uit de snoep pot. Het lekkers haalde ze zelf uit haar pot. ‘Geen kleine handjes in mijn snoepgoed’ had ze weleens gezegd. Je mocht alleen maar naar iets lekkers wijzen.

Naast koffie, thee, werd er ook tabak verkocht. Tabak vond ik altijd stinken. Vooral de pruimtabak. Tante Riet verkocht uitsluitend droge levensmiddelen. Het rook altijd naar kruiden in de winkel. Ook de geur van stijfsel en zeep hing als een walm in het knusse winkeltje. Vaak moest ik Cacao halen. Ik wist dat ik dan iets lekkers mocht kiezen uit de snoep pot.

Op een keer was de glazen pot leeg. Tante Riet zag mijn beteuterde gezicht. ‘Volgende week is de pot weer vol, zei ze met een glimlach tegen mij. Je krijgt dan twee snoepjes. Een voor je jongste zusje en een voor jezelf.’ Tante Riet hield zich altijd aan haar afspraak. Het was een doodgoed mens. Ze had helaas haar gezicht niet mee. Jaren later, toen naar haar dood de kruidenierswinkel ter zielen was, vertelde moeder aan mij dat ze ooit een vrijer had. Nadat hij haar had laten zitten, was er nooit meer een man in haar leven gekomen. Ik vond het maar een zielig verhaal. Op een doordeweekse dag had een bewoner in onze straat haar dood gevonden in de winkel. Ze lag languit naast een houten trapje. Om haar heen lagen een paar kruidenierswaren verspreid over de vloer. Ze had een gapende hoofdwond en bleek aan een hartaanval te zijn overleden.

Haar dood had als kind een behoorlijke impact om mij. Iedereen in de straat deed bij Tante Riet haar boodschappen. Van groot tot klein. Ik kon mij niet voorstellen dat die lieve vrouw was overleden. Moeder vertelde dat ik had gehuild. Haar winkel werd voorgoed gesloten. Het duurde voor mij nog een eeuwigheid voordat de inventaris werd weggehaald. De winkel was nu leeg. Alleen de toonbank stond er nog, zonder pot zag ik.

Een paar jaar later kwam de buurtsuper in beeld. De zogenaamde supermarkt. Ik had er in eerste instantie niets mee. De voor mij te grote winkel waar je van alles kon kopen vond ik te onpersoonlijk en te groot. Nee, de tijd met Tante Riet was voorgoed voorbij. De naam grutter is tot vandaag de dag wel gebleven. Nu wordt de supermarkt die op de kleintjes let soms ook grootgrutter genoemd. De eerste keten was eigenlijk de Gruijter die later uitgroeide tot Albert Heijn. Soms vraag ik mijzelf af waar de tijd van toen is gebleven met zijn gezelligheid en sociale contacten. Vaak had men een praatje met elkaar. Vandaag de dag zie je dit niet meer zo uitzonderingen daargelaten. Helaas komt de tijd van toen niet meer terug. Leegstand is nu aan de orde van de dag.