INVENTIEF

c-a-yessica-jurk-rood-groen-zwartVan de week ging de deurbel. ‘Daar is mijn verwachte pakketje, mompelde ik. Inderdaad, de vaste bezorger, een man met een grijze baard bood het pakketje aan. ‘Bedankt, riep ik de man nog na, die meteen de pas er in had gezet.’ Ik hoorde nog iets onverstaanbaars zeggen en sloot de voordeur. Ik ging naar mijn slaapkamer, opende het pakketje en haalde het verwachte jurkje eruit. Ik trok mijn kleding uit en deed het jurkje aan. Het zag er leuk uit met al die kleurtjes. Het deed mij denken aan de zigeuner-stijl van een aantal jaren geleden. Gekleurde patronen die verticaal in elkaar overliepen. Een combinatie van rood, blauw en groen met aan de hals een band. Het jurkje heeft geen mouwen.

Na een paar keer het jurkje te hebben bekeken, besloot ik het te kopen. De laatste jaren heb ik gemerkt dat, bij sommige jurken, tops en blouses zonder mouwen, er vaak ophanglussen in de kleding worden genaaid. Soms is het handig, om te voorkomen dat, bij het ophangen in mijn kledingkast, de kleding daardoor niet van de hanger valt. Toch hebben deze lussen ook een nadeel,  omdat ze vroeg of laat tevoorschijn komen. Ik kwam ooit tot de ontdekking dar één van de lussen uit mijn jurk was gepiept en onder mijn oksel bungelde. Ook zo’n vervelende label die vanuit de achterzijde van je hals van zo’n kledingstuk er boven uit komt. Kortom, zodra ik iets heb gekocht, knip ik deze versierselen uit mijn kleding. Ik pakte de schaar en knipte de lussen uit de jurk alsook een witte binnen label die aan de binnenzijde ter hoogte van mijn heup vastgenaaid zat. Er bleken drie exemplaren aan elkaar vast te zitten. Ziezo, dat was gebeurd. Ik hing de jurk op aan een hanger aan de kastdeur. De zondag daarop deed ik de jurk aan.

Je hebt een gaatje in je nieuwe jurk, zei mijn man toen hij vanuit de tuin de schuifpui binnenkwam. ‘Een gaatje? Waar dan? vroeg ik. Ik bekeek mijn jurk en zag niets. ‘Neen, niet aan de voorzijde, maar aan de achterkant ter hoogte van je schouderblad. Nee toch, mompelde ik.’ Ik stond op en liep naar de halspiegel, trok mijn jurk uit en zag inderdaad een mooi rond gaatje zitten. Zo mooi rond dat het op een gaatje leek van een perforator. Ik wist zeker dat door mijn knipkunst ik het gaatje niet had veroorzaakt. Wat nu, bedacht ik mij opeens. De jurk terug brengen kon niet meer. Ik moest het even laten bezinken. Tijdens de lunch kreeg ik opeens een idee. Ik ben dol op halskettingen, gemaakt van allerlei soorten materialen. Uit mijn mand in mijn slaapkamer, haalde ik tussen ongeveer veertig kettingen een ketting tevoorschijn. Deze bestond uit een combinatie van rode, blauwe en groene kralen met daar tussen in dezelfde kleuren sierknopen als de kleuren van de jurk.  Wat een toeval! Ik vond het wel jammer om de ketting te demonteren. Er moest toch een oplossing komen voor mijn nog nieuwe jurk.

Uit mijn voorraad gekleurde klosjes, pakte ik de kleuren die ik nodig moest hebben. Eerst zorgde ik, om te voorkomen dat het gaatje groter zou worden, dat het rondom werd dichtgemaakt met een zogenaamde festoneer steek. Daarna pakte ik één van de vijf gekleurde knopen en naaide deze over het dichtgemaakte gaatje heen met hetzelfde gekleurde garen als de kleur van de knoop. Er zat nu een platte knoop op mijn schouderblad. Het restant van de gekleurde knopen naaide ik zowel voor- als achter op mijn jurk en twee knopen op de kraag van mijn jurk.

Wat een leuke jurk is het geworden mam, met al die verschillende knopen. U bent wel inventief hoor en dat laatste gaf mij een goed gevoel. Die zondagavond waren wij op een verjaardag en ik kreeg van mijn vriendin een complimentje over mijn jurk. ‘Wat leuk die zigeuner-jurk met al die gekleurde knopen, zei ze.’ Ze moest eens weten.

images knopen

Advertenties

De Belofte, gepubliceerd in 2014.

naamlooszolder

 

‘Ze bevond zich in totale duisternis op zoek naar het licht dat ze nooit meer kreeg te zien. Ze was voor eeuwig verdoemd.’

 

‘Mama, waar ben je?’ Een wanhopige kreet galmde voor de zoveelste keer door de oren van Kitty. Ze werd er gek van. Hield het dan nooit op? Het geluid kwam van zolder, dat wist ze. Een muffe zolder met donkerbruine hanenbalken, met boven in de nok een klein, half openstaand zolderraampje. De zolder stond vol met onbruikbare inventaris van haar overleden ouders.

‘Mama, kom nou toch?’ Nu hoorde ze een onbedaarlijk huilen. Dat deed hij bijna nooit, alleen maar schreeuwen om zijn moeder. Ooit had ze haar zus Ella op haar sterfbed beloofd voor haar enige kind te zorgen. Hoe had ze zo stom kunnen zijn om aan deze belofte te voldoen. Als oudste meisje was ze vijf jaar lang alleen geweest. Alle aandacht kreeg ze van haar ouders, totdat Ella werd geboren. Een nakomertje. Ze had gevoeld hoe blij haar ouders met haar jongste zusje waren. Vanaf Ella haar geboorte kende ze geen zustergevoelens voor haar. Ze zag haar meer als een indringster en voelde zich achtergesteld. Alle jaren had zij alle aandacht opgeëist, maar moest die nu delen met de jongste telg.

Haar zusje was knap om te zien en had grote, blonde krullen. Moeder had al snel door dat ze jaloers was op haar jongste zusje en zei: ‘Jaloezie is een slechte eigenschap Kitty, vroeg of laat krijg je daardoor problemen. Vader en ik houden net zo veel van jou als van Ella, begrijp dat dan toch?’. Op latere leeftijd koos Ella altijd partij voor haar als ze weer eens het gevoel had dat ze van mensen te weinig aandacht kreeg. Ze was eigenlijk heel lief voor haar, maar door haar obsessie om aandacht kreeg ze langzamerhand een hekel aan Ella.

Op een zekere dag trouwde Ella met Thomas, een makelaar in Onroerend Goed uit haar dorp. Ze kregen een zoon die ze Tommy noemde. Kort na de geboorte van Tommy stierf Thomas, door een noodlottig ongeval met zijn auto en bleef ze achter met haar kind. Ella was blij met haar enige kind en zorgde goed voor hem. Zelf was ze al jaren vrijgezel. Ze had weleens een vriend gehad, maar die liet het snel afweten, omdat ze zoveel aandacht opeiste dat hij het gevoel had dat hij zich overbodig voelde bij haar. Na de dood van haar ouders bleef ze in het ouderlijk huis wonen. Het was eigenlijk te groot voor haar alleen met twee etages en een grote zolder. Ella woonde in een villa met Tommy in een naburig dorp.

Op een zekere dag werd Ella ernstig ziek en viel ze aanzienlijk snel af. De arts constateerde botkanker. Ella vroeg aan haar of ze haar wilde bijstaan tijdens haar ziekte en de zorg voor Tommy op haar te willen nemen als ze zou komen te overlijden. Ze gaf haar woord als zus, maar gelijktijdig wist ze dat ze hieraan niet kon voldoen. Tommy leek op zijn moeder, had hetzelfde lieve karakter en ook haar krullende haar. Zou de geschiedenis zich gaan herhalen, vroeg ze zich af? Nu kreeg haar zoon alle aandacht, die ze hem moest geven, maar wie had haar de laatste jaren aandacht gegeven?

Via de notaris werd een akte opgesteld dat ze de voogdij over Tommy kreeg. Ella had daar alsnog voor gezorgd. Tommy was nu vijf jaar. Op haar sterfbed vroeg ze aan haar of ze Tommy nog een keer mocht zien. De arts die in de slaapkamer aanwezig was beval haar Tommy te gaan halen, voordat zijn moeder zou gaan sterven.

‘Uw zus is erg ziek. Het kind had recht om zijn moeder te zien zei hij.’

De arts stond op uit een eiken leunstoel en vertrok. Tommy hield ze die middag weg bij zijn moeder. Tijdens de begrafenis riep het kind om zijn moeder. Lopende achter de witte, houten kist keken familie en vrienden van Ella vol medelijden naar het kind. Over haar opgestoken kraag van haar grijze tweedjas keek ze richting Tommy. Tranen rolden over zijn witte gezichtje en zijn handje voelde koud aan in haar hand. Het was een gure dag de 22e |maart. Nadat iedereen was vertrokken van het kleine kerkhof gingen ze naar huis. Eenmaal thuis gekomen ging ze zitten op haar groene sofa. Tommy kwam voor haar staan en vroeg of hij op haar schoot mocht zitten. Zijn lichtblauwe ogen keken haar vragend aan.

‘Nu niet Tommy, tante is moe’ en ze weerde hem af met haar handen.

Hij ging op zijn knietjes zitten op het bonte vloerkleed dat op de grenen houten vloer lag. Het leven met Tommy viel haar zwaar. Overdag bracht ze hem naar school. Bij thuiskomst huilde hij vaak om zijn moeder. Vriendjes mocht hij bijna niet mee haar huis nemen, dat wilde ze niet. Omdat het huilen maar aanhield en ze er geen raad mee wist, kreeg ze op een zeker moment een hekel aan hem en besloot hem, iedere dag na schooltijd, naar zolder te brengen. Op een namiddag liepen ze naar boven en via een vlizotrap klommen ze op zolder. Vlakbij de vlizotrap lag een tweepersoons matras, die nog van haar ouders was geweest en wat lichtblauwe dekens. Een waterig zonnetje priemde door het hoge openstaande zolderraampje naar binnen. Ze wilde meteen aanstalten nemen om weg te lopen.

‘Ik wil met u naar beneden toe tante Kitty jammerde hij, waarom neemt u mij niet mee; het is hier zo eng?

‘Ga hier maar spelen! Straks krijg je eten en drinken.’

Met zijn grote blauwe ogen keek hij haar aan en voordat hij iets kon terug zeggen sloot ze het luik en stapte op de Vlizotrap om naar beneden te gaan. Zachtjes hoorde ze hem huilen. Het ontging haar niet dat een glimlach over haar lippen kwam. Ziezo, nu had ze even rust.

Hij voelde zich angstig in die schemerige ruimte. Het was er stil. Voorzichtig keek hij om zich heen en liep langs een paar oude stoelen, waarvan de stoffering was versleten. Wat lag daar naast een stoelpoot, een knuffelbeer met één oog. Hij pakte het op en liep er mee naar het matras, ging zitten en keek naar zijn nieuwe vriendje. Op hetzelfde moment voelde hij een zachte bries om zich heen waaien en viel hij even later in slaap.

Tegen zessen bracht ze wat eten naar zolder en wat water. Voorzichtig deed ze het luik open. Tommy lag te slapen onder de klamme dekens. Snel zetten ze alles neer en sloot meteen het luik. Ze hoopte dat Tommy rustig zou blijven, maar hij bleef om zijn moeder roepen. Het gejammer was door het hele huis te horen. Op een dag besloot ze eerder naar boven te gaan.

‘Boos zei ze tegen hem toen ze het luik opende, dat hij, als hij steeds maar om zijn moeder bleef roepen, aardappelschillen te eten zou krijgen.’ Er veranderde niets.

Vanaf nu af aan bracht ze hem iedere namiddag een bord aardappelschillen en water. Zes maanden was Ella nu overleden. Wat had ze ook weer aan haar gevraagd op haar sterfbed? ze dacht er liever niet aan.’

Hij voelde zich iedere avond eenzaam, alleen de knuffelbeer was zijn grote vriend. Als hij om zijn moeder riep, voelde hij steeds een zachte bries om zich heen. Hij was moe en voelde zich leeg, zijn maag deed nu geen pijn meer van de honger en hij staarde naar het dakraampje. Twee sterretjes twinkelde in de nacht. Een vredige rust kwam langzaam over hem heen.

Diezelfde avond toen ze het luik opende en op de zolder stapte om het lege bord en de beker op te halen, keek ze naar Tommy. Hij lag er zo stil bij met een glimlach om zijn lippen in zijn witte hemdje met een teddybeer in zijn handje geklemd. Ze zag nu pas dat zijn lijfje sterk was vermagerd. Het leek wel een vreemd kind, iemand die ze niet kende. Zijn openstaande ogen staarden naar de nok van de zolder. Ze voelde opeens een rilling over haar hele lijf. Onverwachts pakte ze zijn pols. Ze voelde het niet meer kloppen. Transpiratiedruppels liepen over haar rug en haar hart klopte in haar keel. Enkele seconden staarde ze naar het kind. Nu pas realiseerde ze wat ze had gedaan. Het was te laat.

‘Wat had haar moeder ooit tegen haar gezegd?’

‘Wat heb ik gedaan Ella schreeuwde ze luidkeels! Ik heb je zoon vermoord en heb niet aan mijn belofte voldaan om goed voor je kind te zorgen. Mijn obsessie om aandacht werd mijn ondergang. Moeder had het voorspeld.’

‘Mijn God!’

Haar stemgeluid weerkaatste niet, maar verstomde tussen de houten hanenbalken van de zolder.

Ze wankelde, zonder achterom te kijken deed ze een stap achteruit en viel achterover door het openstaande luik naar beneden. Als scherpe messen voelden ze de traptreden langs haar rug gaan. Steken van pijn doorboorden haar lijf en hoofd. Als een flits zag ze haar levensloop aan haar voorbij gaan en kwam ze terecht in een stille, donkere atmosfeer.

 

 

 

 

 

 

 

Waakzaamheid.

Waakzaamheid.

Elk moment kunnen de koolmeesjes uitvliegen. Jammer genoeg heb ik het nog nooit meegemaakt in die vijftien jaar dat wij hier nu wonen. Volgens zeggen vliegen de kleintjes meestal in de vroege ochtend uit het nest. Maar wat is vroeg? Gisterenmiddag kwam ik tot de ontdekking dat mevrouw ringmus is bevallen van drie musjes, die nu in onze tuin aan het scharrelen zijn. Met z’n allen hebben ze onze tuin in beslag genomen, ondanks ze elders wonen. Dat heb ik gezien. Na hun maaltijd vliegen ze uit onze tuin naar de overzijde van de weg. Steevast hangt moeder of vader ringmus aan de mezen bol van onze familie koolmees, wiens kroost nog niet is uitgevlogen. Drie kleine mussen zijn de zaadjes aan het oppikken die hun ouders laten vallen, door hun gulzigheid, uit de mezen bol. De koolmezen die in onze tuin wonen, hebben nu het nakijken. Ze krijgen geen kans om van hun bol te eten. Sterker nog, de koolmezen laten zich wegjagen. Ook komt er sinds twee weken een ekster buurten. Hij zit dan op de rand van de schutting in de buurt waar het vogelhuisje van de koolmezen hangt. Ik heb het niet zo op eksters, ondanks ik een vogelvriend ben. Ze staan er om bekend dat ze sommige nestkasten leegroven. Eksters zijn doerakken vind ik. Ooit had ik gezien, dat twee eksters een kauw achterna zaten, die waarschijnlijk in hun territorium was beland. Stelselmatig zaten ze hem achterna, zodat hij door uitputting met de dood moest bekopen. Hij lag in onze heg bij de voordeur. Ik blijf waakzaam als ik een ekster zie en zwaai dan met mijn armen, waardoor hij vrijwel direct wegvliegt. De ekster weet blijkbaar dat de nestkast nog bewoond is. Soms hoor ik een repeterend geluid van twee angstige koolmezen die met elkaar aan het converseren zijn. En ja, hoor de ekster is weer gearriveerd. Natuurlijk begrijpen wij dat de natuur zijn beloop moet hebben, maar toch werp ik mij soms op als Jeanne d’ Arc en hoop ik dat het jonge grut het overleeft, als ze eenmaal zijn uitgevlogen. De natuur kan wreed zijn en daar heb ik moeite mee.

(Sch)apentrots

(Sch)apentrots

Ik ben trots op mijn man die recent een schaap heeft gered uit zijn benarde positie in de buurt van de Benthuizerplas. Die avond in juni ging hij fietsen en hoorde op een gegeven moment een geblaat van jewelste. Hij is opgegroeid in de polder en een polderjongen let wat meer op geluiden in een weidse omgeving dan een ander. Hij keek op door het tumult en zag een schaap vastzitten met zijn kop in een afrastering van het weiland. Het schaap was helemaal alleen en dat viel op. Zijn soortgenoten liepen elders in het weiland. Hij kon niet direct bij het schaap komen, omdat er naast het fietspad en tussen het weiland een wetering was. De enige optie was om te rijden. Na een behoorlijke omweg plaatste hij zijn fiets tegen een houten hek aan de rand van het weiland. Hij deed zijn fiets op slot en stapte over het dichte hek heen. Door het hoge gras zag hij het schaap niet meer. Om te traceren waar het schaap zou zijn, begon hij te mekkeren en gaf het schaap met zijn gemekker antwoord. De andere schapen liepen nog steeds aan de andere kant van het weiland. Opeens zag hij het schaap staan. Zij kop zat vast in draadwerk. Hij kon geen kant op. Om het dier te bevrijden trok hij met beiden handen voorzichtig het draad uit elkaar. Meteen deed het schaap zijn kop eruit en liep zo snel als hij kon richting de andere schapen. ‘Bedankt voor de hulp, riep mijn man hem nog lachend na. Hoelang het schaap vastgezeten heeft weet niemand, maar hij was die avond alert en heeft daardoor het schaap gered.