VOGELTERREUR

ringmus

koolmees

Tijdens mijn ontbijt zag ik vier ringmussen in één van mijn bomen zitten in de tuin. Twee koolmezen die al in onze tuin wonen zaten op afstand in een andere boom te wachten. De vetbol die het dichtstbij mijn schuifpui hangt is alweer bijna op. De zoveelste op een rij. De mussen, waarschijnlijk twee stelletjes, vochten om een plekje om te gaan eten aan de bol. Het was een gekrakeel van jewelste. De één joeg de andere weg etc. Ze bleven in de buurt. Degene die werd weggejaagd was het blijkbaar zat, kwam terug en hing samen met zijn soortgenoot aan de bol. Anderen waren aan het kwetteren om ook te mogen gaan eten, alsook de koolmezen. Toen kwam er opeens een roodborst, ging zitten op de klinkers onder de vetbol en at alle zaadjes op die de ringmussen lieten vallen. De situatie deed mij denken aan een bekende spreuk: ‘Als twee honden vechten om een been, gaat de derde er ras mee heen.’

Advertenties

SPUUGALARM

imagesCA6T6N9Y

 

Enkele Lama’s werden recent in Ouwehands Dierenpark verplaatst naar een ander gedeelte van het park, aldus een bekend dagblad. De reden is, dat er plaats moet worden gemaakt voor nieuwe soorten dieren. Het verplaatsen vanuit hun vertrouwde stal was nog niet zo gemakkelijk. Met bouwhekken hadden de dierenverzorgers een zogenaamde sluis gemaakt om Lama Tom en zijn harem vrouwen 350 meter verderop te verplaatsen.

De verzorgers liepen op veilige afstand naast hun geliefde dieren, omdat ze er om bekend staan te spuwen, vooral al ze iets moeten doen dat ze niet willen. Kom je te dichtbij dan houden ze je op afstand met een stinkende rochel. Een douchebeurt is dan zaaks.

De lama’s waren die dag licht gespannen door de verhuizing en spuugden naar elkaar. Hun dierenverzorgers waren de dans ontsprongen en hielden droge pakken. Na het ontdekken van de sneetjes brood en wilgentakken ter plekke, sprongen ze van blijdschap in hun nieuwe verblijfplaats.

Ik zou niet blij zijn bij een bezoek aan een dierentuin om verrast te worden door zo’n lama rochel. Enkel het woord ‘rochel’ al brengt mij tot kokhalzen. Liever kies ik voor het woord: ‘fluim’, dat klinkt wat minder confronterend.

Jullie zijn gewaarschuwd!

VLIEGANGST (GEPUBLICEERD)

imagesCAI9GR9E

Na jaren niet meer te hebben gevlogen, was nu het moment aangebroken dat Irene zou gaan vliegen naar Denemarken. Haar oudste broer Chris  was, toch nog geheel onverwachts na een ziekbed van acht weken, aan een longembolie overleden. Hij woonde sinds zijn huwelijk met de Deense Mette in Kopenhagen samen met hun enige zoon Mats. Over twee dagen was de begrafenis vertelde haar schoonzus haar in het Engels door de telefoon. Via de computer zou haar man Bob de tickets regelen en liet haar met hoofdpijn achter in de woonkamer van hun appartement in Utrecht.

          Negentien jaar had ze niet meer gevlogen. Haar leven lang wilde ze altijd het heft in eigen handen houden, maar nu moest ze zich overgeven aan een vliegtuig hoog in de lucht. Allerlei scenario’s spookten door haar hoofd en voelde ze wat transpiratiedruppels langs haar rug lopen, die bleven steken ter hoogte van de tailleband van haar tricot rok.

          ‘Ik heb inmiddels de tickets geboekt Irene, zei Bob, die de woonkamer weer was binnengelopen, vanavond rond 19.45 uur vertrekken wij met de KLM vanaf Vliegveld Schiphol in Amsterdam!’

          ‘Zullen wij dan samen onze koffers inpakken Bob, vroeg ze ietwat nerveus?’

‘Dat is goed Irene, ik haal ze meteen van zolder. De kleding werd ingepakt en even later stonden de koffers in de hal.

‘Jeetje, wat gaat de tijd toch snel Bob het is al 17.30 uur!’ Hij keek haar aan en zag hoe haar tengere handen beefde. Hij wist dat ze vliegangst had, want het was alweer wat jaren geleden dat ze een reis hadden geboekt naar het eiland Madeira. Ee vlucht naar Madeira die hun was tegengevallen. Het regende en onweerde die middag in augustus en had het vliegtuig last van turbulentie. Even rilde hij. Irene was in paniek geraakt en besloot bij thuiskomst nooit meer te zullen vliegen. 

‘Gaat het schat?’

‘Eerlijk gezegd niet Bob, weet je nog die reis van wat jaren geleden, ik had gezworen nooit meer te gaan vliegen?’

          Hij pakte haar liefkozend vast om haar tengere middel en voelde een vochtige plek.

‘Blijf  dichtbij mij Bob en ze streek hem door zijn gitzwarte haar?’ Hij zag er nog jongensachtig uit, ondanks hij de vijftig net was gepasseerd.

          Onderweg naar het vliegveld ging alles langs haar heen en voelde zij zich mat. Bob praatte maar aan een stuk door, waarvan de helft van het gesprek langs haar heen ging. Angst hield haar in de greep. Op een zeker moment stonden ze onderaan de trap van het verschrikkelijke vliegmonster. Er was geen weg meer terug, want ze moesten naar hun schoonfamilie toe om haar broer nog een keer te zien. Als ze nu niet zou gaan, dan zou ze dat zichzelf nooit vergeven. Gelukkig was Bob bij haar en liepen ze langzaam de trap op naar boven. Het duurde, voor haar gevoel, een eeuwigheid voordat ze in de cabine van het vliegveld stapte. Daar stond ze dan met in haar kielzog een corpulente passagier die een penetrante geur bij zich droeg en een ongeduldig heersschap bleek te zijn. Snibbig mompelde de man tegen haar of ze niet sneller kon doorlopen?

          Bij binnenkomst overviel haar een claustrofobisch gevoel want ze zag een smal interieur met kleine raampjes. Was dat jaren geleden ook ze, mompelde ze? Transpiratiedruppels gleden door haar blonde, gekrulde haar naar beneden en een straaltje liep langs haar hals.

‘Ik wil eruit’ riep ze opeens hardop!, maar ze stond midden in het gangpad opeen gepropt tussen een aantal passagiers en kon alleen maar voorruit lopen, want achter haar stonden meer mensen die ongeduldig werden en haar sommeerde om nu eindelijk eens te gaan zitten. Net achter de linkervleugel namen ze beiden plaats. Even later bracht een stewardess hun een dagblad en vroeg of ze iets wilde drinken.

‘Doet u mij maar een Tonic met een heleboel ijsklontjes, en jij Bob?’.

‘En voor mij een zwarte koffie mevrouw, mompelde Bob, die met een zucht ging herzitten.’

Ze voelde de temperatuur stijgen, of lag dat aan haar? Bob probeerde haar weer eens af te leiden met zijn misplaatste grappen, waar ze nu helemaal geen zin in had. Ondanks de vlucht niet zo lang duurde, had ze toch het gevoel dat ze al uren in het vliegtuig zat. Even hapte ze naar lucht en voelde zich nog niet helemaal fit. Door het geronk van de motoren en een kleine luchtverzakking, sloeg opeens de schrik om haar hart. Het deed haar meteen weer herinneren aan de reis van toen.

‘Help Bob, ik wil eruit, straks storten wij neer!’

‘Welnee paniekvogel, doe nu eens rustig aan en denk aan de mensen om ons heen?’

Een stewardess kwam snel naar haar toegelopen en bleef ter afleiding even met haar staan praten.

‘Wilt u alsnog iets drinken mevrouw?’

‘Geeft u mijn vrouw nu maar een stevige borrel stewardess, misschien wordt ze daar rustig van?’

Chagrijnig keek ze naar Bob, maar nam even later het glaasje port van de stewardess in ontvangst.

Voorzichtig keek ze om haar heen en zag dat een paar verontwaardigde gezichten  haar aankeken. Snel draaide ze zich weer om, ging onderuit zitten, streek haar rok glad en na verloop van tijd merkte ze dat ze slaperig begon te worden.

          Opeens schrok ze wakker door een indringende stem van een van de stewardessen die vertelde dat ze waren geland op het vliegveld van Kopenhagen. Ze keek op haar horloge en zag dat ze een half uur had geslapen. Zodra het vliegtuig stil stond, pakte ze haar zwarte schoudertas  en wist niet hoe snel ze van de trap van het vliegtuig naar beneden was gekomen, met een gniffelende Bob achter haar aan. Ze gingen snel met een taxi, die voor het vliegveld geparkeerd stond, naar hun hotel in het centrum van Kopenhagen.

‘Gaat het nu al wat beter Irene, na die stevige borrel?’

‘Ja Bob, en doe niet zo lollig? Eerlijk gezegd ben ik best wel een beetje trots op mijzelf, maar de vliegangst is nog niet helemaal verdwenen, merk ik.’

          Na het inchecken in het hotel stapte ze hun hotelkamer binnen, die er netjes, doch klassiek ingericht uitzag. Doodmoe van alle emoties gingen ze naar bed. Het was inmiddels al middernacht. Uitgerust kwamen ze de volgende dag bij de schoonfamilie aan die net buiten de stad Kopenhagen woonde. Chris lag opgebaard in een van de logeerkamers van het grote huis. Hij zag er mager uit vond ze. Op een warme dag brachten ze hem naar het kerkhof in Kopenhagen. Bob ondersteunde zijn schoonzus Mette en Irene bood Mats een arm aan. Het was druk op het mooi aangelegde kerkhof. Naast familie van zijn vrouw Mette, waren er ook veel vrienden en collega’s van Chris, die de laatste negen jaar op het Nederlandse Consulaat had gewerkt. Na drie dagen stonden ze weer op het vliegveld van Kopenhagen en vlogen terug naar Nederland. Ze merkte dat ze haar emoties wat beter onder controle had, waardoor het vliegen al een stuk rustiger was verlopen. Bijna waren ze thuis. Het vliegtuig had zijn koers al uitgezet om te gaan landen. Haar vliegangst had ze deze zomer overwonnen.

 

 

 

 

INGESLOTEN

imagesCAW0428T  Het gebeurde heel plotseling. Hij zag haar in een flits toen het licht van zijn koplampen over haar gestalte gleed. Hij trapte snel op de rem, reed een stukje achteruit en bracht de wagen tot stilstand. Ze stond in de regen, haar schouders opgetrokken terwijl de wind speelde met haar groene shawl. ”Waar gaat u naar toe”, vroeg ze toen hij het raampje opendraaide. ”Ik rijd zomaar wat rond zonder bestemming”, glimlachte hij. Aarzelend bleef ze staan en rilde zichtbaar in haar doorweekte jas. ”Stap gauw in”, zei hij. Ze bracht een vage geur van rozen met zich mee en een vleugje buitenlucht vermengd met vochtige kleding. De ruitenwissers zwiepten heen en weer en het zwarte wegdek glom. Hij probeerde zijn ogen op de witte streep gericht te houden, dwars door de stromende regen heen. Met een zakdoekje veegde zij de uitgelopen make-up van haar gezicht en fatsoeneerde haar gebloemde rok die aan haar lange benen kleefde. ”Hoe heet je”, vroeg hij na een poosje. Ondertussen zette hij de verwarming wat hoger, voor haar die zo lang in de kou had gestaan. ”Sintha”, antwoordde ze. Ze keek hem aan. Haar lichte ogen leken bijna transparant, omrand door lange donkere wimpers. Een beetje bleek zag ze wel, maar dat hoorde bij de tint van echte roodharige, wist hij. ”Een bijzondere naam”, merkte hij op. Ze glimlachte. Ze rommelde wat in haar tas en haalde een rol pepermunt tevoorschijn. Het was lang geleden dat hij pepermunt had geproefd. De scherpe smaak tintelde op zijn tong. Hij deed de radio aan. Gelukkig was ze geen prater. Daar hield hij niet van. Ze hield haar ogen gesloten en tikte met haar voet mee op de maat van de muziek. Phil Collins zong: ”In the air to night”. Ze zou beslist zijn vriendin kunnen worden, mijmerde hij. Hij vond haar zelfs meer dan leuk. Ze was zijn type; spannende rok, lang haar, mooie tanden. Wel wat aan de magere kant. Haar tengere polsen staken wit uit de wijde mouwen. Behalve de voorruit waren alle ramen beslagen. Afgescheiden van de buitenwereld door duisternis innig verbonden voelde hij zich bevoorrecht dat ze naast hem zat. ”Je komt me bekend voor”, zei ze opeens. Even schoof hij heen en weer in zijn stoel. ”Dat lijkt me zeer onwaarschijnlijk”, zei hij uiterlijk kalm. Maar zijn ogen prikten en zijn handen werden klam. Ingespannen tuurde hij over de natte glinsterende rijbaan. Eigenlijk zou hij een parkeerplaats moeten zoeken om even te pauzeren. Maar iets weerhield hem daarvan, alsof er niets mocht gebeuren dat de betovering van de rit zou verbreken. Bij het schijnsel van een tegenligger lichtten haar ogen op als een kat in een donker. Hij wenste dat hij haar kon tekenen; haar gelaatstrekken kon vastleggen op papier. De tere lijnen van kaak naar hals met speelse koperen krullen die ontsnapten uit een losse knot. Hij zou haar een blos van abrikoos geven op haar zachte wangen. Nog steeds had ze niet gezegd waar ze heen wilde. Misschien wist ze dat nog niet. Haar sierlijke handen lagen op haar bovenbenen, terwijl ze roerloos voor zich uitstaarde. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als ze bij elkaar zouden blijven. Hij en Sintha. Met open dak rijden door verre warme streken, wapperende haren. Samen onder een gouden zonsopkomst in de woestijn. Langs slingerende paden door eindeloze velden met wuivend koren. Door spookdorpen met volle maan of zwerven door nevelige donkergroene wouden waar geen sterveling te bekennen was. Vrij, zorgeloos en toch zou ze van hem zijn…. Een plotselinge windstoot deed de auto slingeren en geschrokken greep hij het stuur steviger vast. Vanuit zijn ooghoek zag hij dat Sintha haar rok verder over haar knie schoof. Zijn gedachten keerden terug naar de afgelopen periode. Al een paar troosteloze zondagen had hij in de bewoonde wereld doorgebracht ijsberend in zijn grauwe flat waar niets aan de muren hing. De telefoon rinkelde zelden. Soms bracht de stilte hem ertoe dwaze liedjes uit zijn jeugd te zingen. Sinds een maand was hij weer een vrij man, maar opnieuw gevangen tussen vier muren die zijn rusteloze gedachten weerkaatsten. Dikwijls liet hij zijn vermoeide hoofd in zijn koele handen zakken, sloot zijn ogen en probeerde nergens aan te denken. De goden van het toeval leken onverbiddelijk. Alsof hij werd achtervolgd door een geplande samenloop van omstandigheden die hij telkens opnieuw moest meemaken. Die laatste keer, alweer vijftien jaar geleden was het ook in zijn auto begonnen. Het was toen ook een mooie vrouw die naast hem zat. Toch leek ze in niets op Sintha. Plotseling had ze hem op de zenuwen gewerkt met haar nietszeggende gekwebbel en haar goedkope opdringerige parfum. Hij kon zijn eigen gedachten niet meer volgen. Daardoor was het allemaal gekomen. Monica heette ze. Ze had niets door, zelfs niet toen hij een donkere verlaten landweg insloeg en haar wijsmaakte dat hij de weg kwijt was….. Daarna kwam hij in die andere wereld, ver van de beschaving in alle betekenissen van het woord. Een paar streepjes licht hielden hem in leven. De gedempte zonnestralen die door het getinte glas van het getraliede raampje vielen hadden hem herinnerd aan het bestaan van ruimte, de open hemel, de sterren en de weidsheid van het heelal. Plotseling veerde Sintha overeind. Ze naderden een afslag die leidde naar een klein stadje. Ze stonden even stil voor het stoplicht. ”Ik ben hier al eens eerder geweest”, zei Sintha. ”Maar toch ken ik niemand die hier woont”. ”Dat heb ik nou ook zo vaak”, zei hij. Het licht sprong op groen. ”Waar moet je eigenlijk heen”, vroeg hij eindelijk. Zijn stem haperde een beetje. ”Dat weet ik nog niet”, zei ze een tikkeltje treurig. Opgelucht haalde hij adem. Ze moet wel voor mij bestemd zijn, dacht hij verwonderd. Sintha beviel hem wel. Haar doorweekte jas irriteerde haar en ze deed de knopen van haar jas los. ‘Kunnen wij misschien ergens iets gaan drinken?’ vroeg ze en passant aan hem. Dan kan ik mij ook even opfrissen. ‘Dat kan!, maar liever niet in een café; daar is het vaak te druk. Wij gaan op zoek naar een bemand tankstation, die hebben vaak ook een toiletruimte. Bij een kiosk kun je drinken en versnaperingen kopen. Dat is vreemd vond ze dat hij niet naar een café wilde gaan. Zijdelings keek ze hem aan en ze vroeg: ‘hoe heet jij eigenlijk? Hij draaide zich naar haar toe en zei: ‘zeg maar Ton!’ en hij ontblootte zijn vergeelde tanden. Onder zijn zwart gekrulde haar keken een paar indringende ogen haar aan. Hij was best wel knap om te zien, alleen zijn vergeelde tanden ontsierde zijn gezicht. Ongeduldig gaf hij een ruk aan zijn stuur en ze vervolgden hun weg door een aantal straten, waarvan er een uitkwam bij een kruispunt waar een tankstation stond aan de rand van de weg. Aan de zijkant van de kiosk parkeerde hij zijn auto. Uit zijn versleten broekzak haalde hij een biljet van twintig euro en gaf het aan haar. ‘Koop daar maar een paar blikje coca cola van, mompelde hij!’ Bij het uitstappen pakte ze haar zwarte laktas van de achterbank, die ze even daarvoor er in had geworpen, en in een flits zag ze vanonder een bruin suède herenjack een loop van een geweer. ‘Waarom lag dat ding daar, vroeg ze zich af?’ Haar blik verstarde en zonder nog iets te zeggen, sloeg ze het autoportier achter zich dicht en liep, zonder nog om te kijken,  richting de ingang van de kiosk van het tankstation. Ze voelde zich ongemakkelijk. Zou ze nog teruggaan naar hem; ze wist het niet! Hij had haar nagekeken en kreeg een warm gevoel van binnen. Een lekker ding om te zien ondanks haar natte haar en doordrenkte regenjas die tegen haar lange benen zat vastgeplakt. Ze was voor hem een moordvrouw. Maar waar bleef ze toch? Bij het afrekenen van de coca cola legde de verkoper het wisselgeld op een paar dagbladen die op de toonbank lagen. Met haar slanke vingers pakte ze het wisselgeld op. Een foto op de voorpagina werd zichtbaar alsook een koptekst. Ze bekeek de foto aandachtig en las de korte tekst. ‘Sjaak B. Gezocht voor een dubbele moord in Schin op Geul. Onberekenbaar en vuurgevaarlijk. Bij waarneming bel de politie op alarmnummer 112. Zijn profiel klopte met de man in de auto. Ze stond genageld aan de vloer en greep zich vast aan de rand van de toonbank. Er liep wat vocht langs haar benen voelde ze. ‘Scheelt er iets mevrouw, u ziet zo bleek, vroeg de verkoper aan haar? ‘Ik moet nodig naar het toilet, is er hier een toiletruimte?’ ‘Jazeker, buitenom achter het gebouw is een heren- en damestoilet!’ ‘Ik kom zo dadelijk de blikjes coca cola ophalen, zei ze nerveus en rende enigszins in paniek de uitgang uit richting het toiletgebouw. Bij het naar buiten gaan hoorde ze een claxon en een luide stem van Sjaak, alias ‘Ton’ die riep of ze nou eens eindelijk eens wilde instappen, maar ze keek niet om en rende zo snel als ze kon het toiletgebouw naar binnen en verdween in het toilet. Na het wassen van haar handen pakte ze haar GSM uit haar tas. Haar handen beefde en ze drukte op de toetsen het alarmnummer 112 in. Aan een agent van de meldkamer vertelde ze op nerveuze toon, dat ze van huis was weggelopen door onenigheid met haar vader. Omdat het slecht weer was stapte ze in bij een wildvreemde man. Zojuist kwam ze er achter dat het een bekende moordenaar bleek te zijn. Hij kwam mij al bekend voor zei ze. ‘Waar is de persoon, vroeg de agent weer?’ ‘Hij zit in zijn auto bij een tankstation in het dorp Teuven en staat op het punt om verder te rijden!’ ‘Niet teruggaan naar deze man adviseerde de agent haar. Wij komen er meteen aan en hij hing op. Ze ging weer het toilet in waar ze zojuist was uitgekomen, deed de deksel van de toiletbril naar beneden, ging er op zitten en wachtte op hetgeen gebeuren ging. Snel deed ze de deur op slot. De minuten leken wel uren te duren. Ze kreeg het warm en voelde transpiratiedruppels van haar rug afglijden die bleven steken ter hoogte van haar tailleband van haar rok. Ze voelde zich vreselijk. Opeens hoorde ze zware voetstappen klinken in de holle ruimte van het toiletgebouw. ‘Sintha! ben je hier? Ik wil nou eens weggaan en hij trok onverwachts aan de toiletdeur?’ Ze moest wat verzinnen en schreeuwde in paniek: ik voel mij ineens zo ziek en heb last van mijn darmen. Ik kan nu niet met je meegaan!’ Opeens klonken er sirenes. Er volgde een trap tegen de toiletdeur, die gelukkig in zijn slot bleef hangen. Van de spanning biggelde er tranen over haar wangen. ‘Snert wijf! ik had het kunnen weten en ik wilde nog wel een relatie met jou aangaan. Je leek mij wel mijn type. Ze hoorde hem wegrennen. Er volgde over en weer geschreeuw en het dichtslaan van portieren. ‘Politie!, riep er een man. ‘Is hier iemand?’ Ze deed voorzichtig de toiletdeur open en zag een agent staan met daarnaast de verkoper van de kiosk. De agent ontfermde zich over haar en bracht haar naar zijn  politieauto. In een andere politieauto zag ze een schim van de moordenaar die tussen twee agenten inzat. Op de achterbank realiseerde ze zich ineens, dat ze een ervaring rijker was geworden. Hoe anders had het afgelopen kunnen zijn.

HET POPCONCERT

imagesCA3A59DP

Met twee entreebiljetten in haar hand stapt mijn dochter van zeventien via de schuifpui, die daarna met een smak in het slot valt, de woonkamer binnen en kijkt mij smekend aan en vraagt: ‘mam, ga je met mij mee naar het popconcert van Jan Smit in de televisiestudio’s van Aalsmeer?’

Met het gedreun van de schuifpui nog in mijn oren mompel ik: ‘nee alsjeblieft niet zeg, ik heb last van claustrofobie.’

‘Luister nou even mam, zegt ze weer.’

‘Ja, ik hoor je wel, wil je soms thee?’

‘Lekker mam!’ en ze ploft neer op een eetkamerstoel voorzien van wielen die spontaan begint te rijden. Ze zegt met indringende stem: ‘het is al aanstaande zaterdagavond hoor! Mijn vriendin Suus kan niet en toen dacht ik aan u.’

‘Zo dadelijk wordt je vader nog jaloers met al dat vrouwelijke schoon in de studio, misschien wil hij wel mee?’

‘Nee mam, jij’ en ze lacht.

‘Weet je nog dat wij een keer met de auto naar Volendam zijn geweest en vanaf een terrasje Jan Smit zagen voorbij rijden in zijn auto; u zei nog daar gaat mijn grote vriend.’

‘Ja, ja, mompel ik tussen het geluid van de kokende waterkoker door, laten we dan maar gaan.’

‘Je bent geweldig mam.’

Ik neem weer plaats op mijn eetkamerstoel naast haar en samen drinken wij de thee die ik zojuist heb gezet.

Die zaterdagavond zitten wij op de vierde rij van de tribune in de televisiestudio tussen jongelui en enkele babyboomers, waar ik bijna ook toebehoor. Wat mij betreft kan het feest beginnen. Daar komt Jan Smit de showtrap afgelopen met een aantal kwieke passen en zingt meteen het lied: ‘als de morgen is gekomen…..’ en een veelvoud van liedjes er achter aan. Er ontstaat een gejoel van jewelste. Het lawaai overstemt het lied dat gezongen wordt. Wat jammer nou denk ik.

Tijdens de pauze is het dringen geblazen bij het buffet. Popcorn en cola staat  op het menu. Ik voel mij opeens weer achttien lentes en ga ik in gedachten even terug in de tijd toen ik met vrienden een popconcert bezocht in de jaren ’70 van de Golden Earrings in Palladium, een dancing in Scheveningen.

Het Palladium had diverse grote zalen met podia waar verschillende artiesten optraden. Rondom de dansvloer stonden allerlei zitjes en waren er verschillende bars.

Het was de dag voor Kerstavond dat ik er was. In het midden van één van de grote zalen stond een grote, verankerde kerstboom die bijna tot aan het plafond reikte. De boom was versierd met ballen, slingers en engelenhaar. Een wildvreemde en leuk uitziende jongen wilde met mij dansen. Er kwamen meer mensen op de dansvloer. Door de drukte kwamen wij al dansend te dicht bij de kerstboom. Op een zeker moment verloor mijn danspartner zijn evenwicht en belandde achterover in de kerstboom met engelenhaar. Het was zo’n komisch gezicht dat ik samen met enkele jongelui hard moest lachen. De jongen kon het niet waarderen. Nadat ik hem uit de boom had geplukt, zat zijn hoofd en een deel van zijn kleding onder het engelenhaar, dat zijn werk deed. Het begon te jeuken. Hij maakte zulke gekke bewegingen en rare gezichten, dat ik gierend van het lachen, met dichtgeknepen billen richting de toiletten rende, met de kerstengel in mijn kielzog. De rest van de avond heb ik hem niet meer gezien.

Ik kom weer bij mijn positieve omdat een schelle stem uit een speaker roept dat het tweede gedeelte van de show weer gaat beginnen. Ik loop snel achter mijn dochter aan naar onze zitplaatsen. Toen Jan Smit weer op het podium staat, zie ik links en rechts een paar gillende meiden staan die al heupwiegend de zanger handkusjes toewerpen. Al zwaaiend met de armen in de lucht zie ik bij één van de meisjes een navelpiercing zitten.

Er hangt een penetrante lucht gemengd met parfum en lichaamsgeur in de studio. Na afloop van het concert op het parkeerterrein hap ik even naar frisse lucht alvorens wij de auto in stappen.

‘Gaaf mam, zegt mijn dochter met de fotokaart en handtekening van Jan in haar hand.’

Ik zeg niets meer. Met de muziek, die nog nagalmt in mijn oren, rijden wij richting huis. Ik ben weer een muziekervaring rijker.

LOVE LOST IN A DAY

bruidstaart.

Bij het thuiskomen ziet Jeffrey door de glazen tussendeur van de hal zijn vrouw Annemiek somber voor zich uit staren. Haar hoofd rust in haar smalle handen. Hij zet zijn aktetas neer op een lage schoenenkast en hangt zijn denim jas aan de smeedijzeren kapstok.

‘Wat is er nu weer aan de hand’, vraagt hij zich af? Hij loopt naar de deur, tikt met zijn trouwring op het glas en stapt de keuken binnen.

Ze kijkt op en zegt: ‘Waarom tik je Jeffrey, dat doe je normaal toch ook niet?’

‘Ik wil je niet laten schrikken Annemiek!’.

Opeens staat ze op, pakt haar lege longdrink glas, loopt naar de kraan en tapt wat water.

‘Wil je misschien ook wat drinken Jeffrey?’

‘Doe mij ook maar een glas water Annemiek?’  

Ze zet de glazen op tafel neer en gaat weer zitten. Hij gaat tegenover haar zitten in een rieten leunstoel en ziet haar tengere gezicht met haar groene ogen. Haar koperkleurige lange haar maakt haar gezicht langer. Hij begrijpt dat mannen zijn vrouw mooi vinden, want hij ziet zo vaak dat ze naar haar kijken, als ze weer eens samen op pad zijn. Elke keer ontstaat er bij hem een gevoel van jaloezie, als een man weer eens naar haar kijkt.  Het probleem ligt bij hem, dat weet hij.

‘Wat ben je stil’, vraagt ze aan hem?’

‘Net als jij heb ik zo mijn gedachten Annemiek’.

‘Ik moet je wat opbiechten man, want er is iets wat mij al een hele tijd dwars zit!’

‘Nee, Annemiek, alweer praten, ik ben moe van een dag werken en praten doen wij de laatste tijd wel erg vaak’.

‘Luister nou eens even en geef mij nog een laatste kans om mijn verhaal te vertellen’.

‘Oké, maar niet te lang hoor?’

‘Ons huwelijk is na zoveel jaren verslechterd en je weet hoe dat komt. Door jouw jaloerse karakter drijf je ons steeds verder uit elkaar en krijg ik het gevoel dat je maar niet begrijpt hoe eenzaam ik mij voel. Je weet dat ik altijd trouw ben aan jou, tot die namiddag in februari, een jaar geleden’.

‘Wat wil jij mij nou eigenlijk vertellen Annemiek?’

‘Laat mij dan eens uitpraten Jeffrey, zegt ze kribbig en kijkt hem met gefronste wenkbrauwen aan. Ik ontmoet op die dag een man op het station CS in Utrecht en wacht op de trein naar Den Haag CS. Een man passeert en groet mij en ik groet uit beleefdheid terug. Omdat het zo koud is, loop ik  heen en weer op mijn naaldhakken over het perron. Opeens blijft een van mijn hakken steken achter een richel van het betonnen plateau en raak ik  uit balans, maar kan mij nog staande houden. Gelijktijdig voel ik ogen op mij gericht van mensen die op het perron staan en ik kijk achterom. De man die ik eerder had ontmoet staat naast mij en vraagt en passant: ‘gaat het mevrouw, want ik zie u bijna vallen!?’

‘ Ja, hoor, dank u wel, mompel ik!’

Net voordat hij mij iets wil zeggen, hoor ik een stem die via een microfoon mededeelt: ‘dat de trein naar Den Haag CS een uur vertraging heeft’.

‘Ook dat nog zegt de man: ik wil rond 19.30 uur thuis zijn! Sorry!, ik vergeet mij aan u voor te stellen, ik heet Mike.’

‘Ik heet Annemiek zeg ik tegen hem’. Als de trein toch nog niet komt dan ga ik beneden in de stationshal koffie drinken, want het is mij hier veel te koud.’

‘Mag ik dan misschien met u meelopen, want eerlijk gezegd heb ik ook wel trek in koffie?’ en ik zeg ‘ja’.

‘Zie je nou wel zegt Jeffrey, daar heb je het gedonder al, met een wildvreemde man op stap gaan!’

‘Mag ik nou nog verder gaan met mijn verhaal?’  Wij lopen dus gezamenlijk de trap af naar beneden en zien in de stationshal een restaurant met een terrasje. Ik loop naar een rood leren stoel en ga zitten . Mike biedt aan om koffie te gaan halen bij de kiosk. Bij het weglopen volg ik hem met mijn ogen en zie een lange, slanke man van rond de veertig. Zijn zwarte, gekrulde haar valt over zijn opstaande kraag van zijn beige trenchcoat. Bij terugkomst moet ik om hem lachen want hij houdt de plastic koffiebekertjes wel erg ongelukkig vast. Waarschijnlijk omdat ze heet zijn, denk ik.

‘Ook ik wil graag naar huis, begin ik mijn gesprek, net als jij. Ik werk als verpleegkundige in een groot ziekenhuis hier in Utrecht!’

‘Ik ben bankier en werk ook in deze stad’.

‘Mag ik zeggen dat je prachtig koperkleurig haar hebt, Annemiek!’

Opeens krijg ik het warm van binnen van het compliment en omdat hij mij deze vraag zo plotseling stelt.

‘Ik breng je toch niet in verlegenheid ?’

‘Eerlijk gezegd wel Mike, mijn man was ook altijd complimenteus, maar de laatste jaren helaas niet meer.’  Ik vertel hem het verhaal dat mijn man en ik in scheiding liggen, maar nog wel samen in een huis wonen’.

Opeens pakt hij mijn hand en zegt: ‘Annemiek! als je met mij wil praten, bel mij gerust op mijn GSM, hier heb je mijn visitekaartje’. 

Ik pak het kaartje van hem aan en lees: ‘Drs. M. ter Steege, Bankier en zijn GSM nummer en ik geef hem mijn telefoonnummer. 

In de hal van het station klinkt opnieuw de bekende stem door de microfoon en zegt dat de trein richting Den Haag CS er aan komt. Snel rennen wij de trap op naar boven richting het perron en stappen net op tijd  in de trein. Al puffend val ik neer op een groene bank in een coupé, waar Mike tegenover mij gaat zitten en de trein rijdt weg richting Den Haag.

Bij het uitstappen op het perron van Voorburg het Loo, zwaait hij mij gedag, ik zwaai terug en de trein rijdt verder. Ik loop in gedachten naar huis en merk dat ik enigszins verward ben door deze onverwachte situatie. Deze, voor mij nog vreemde man heeft aantrekkingskracht, maar anderzijds ben ik nog steeds officieel getrouwd en heb een man thuis.

Op een dag bel ik hem onverwachts op en maken wij een afspraak.

‘Zullen wij  in de namiddag na ons werk een eindje gaan rijden in mijn BMW, vraagt hij aan mij?’

De afspraak is snel gemaakt en die late namiddag zien wij elkaar weer in de bekende hal van het station Utrecht CS.

‘Wij gaan naar Wassenaar toe in de buurt van de duinen’, zegt Mike tegen mij.  

Ik voel dat ik kleur, maar het deert mij niet en voordat ik het besef rijdt hij na verloop van tijd een stille weg in langs een duinpartij. Onverwachts zet hij  de auto stil en ik voel opeens een opwinding. Voorzichtig kriebelt hij  in mijn hals, trekt mij zachtjes naar hem toe en kust mij heftig. Met zijn vingers maakt hij mijn knopen los van mijn fuchsia bloes en streelt mijn volle borsten. Ik kan hem niet weerstaan en onze handen glijden over elkaars lichaam en gaan wij volledig in elkaar op. Opzij zie ik een chaos van kleding op de achterbank liggen en doen wij, na een laatste tongzoen,  onze kleding weer aan.

‘Stop’ Annemiek, ik wil geen details meer horen, jij, jij……………….! Waarom ben je eigenlijk met hem mee gegaan?’

‘Dat ga ik je nu vertellen, Jeffrey!’ Door jouw jaloezie drijf jij mij in zijn armen; bij hem heb ik een luisterend oor, begrijp je?’ Hij geeft mij de aandacht die ik de laatste jaren van jou hebt gemist.’

‘Ik wil het niet begrijpen, Annemiek?’

‘Maar op een dag vertelt hij mij dat hij zijn vrouw Saskia nooit voor mij wil verlaten. Dat komt hard aan voor mij en ik voel transpiratiedruppels over mijn rug lopen. Mijn gezicht verstrakt, want eigenlijk had ik al een tijdje het gevoel dat hij er alleen voor mij was’.

‘Ik ben nu van plan om hem binnenkort te vertellen dat het afgelopen moet zijn met onze intieme escapades en gesprekken, want ik voel dat ik ook met hem geen toekomst heb, maar eerlijk gezegd ook niet meer met jou, want jij doet nooit geen moeite je jaloerse karakter te veranderen, waardoor ik mij steeds eenzamer voel. Ik haat je!’

Met een klap slaat ze op tafel. Het hout kraakt. Ze ziet dat hij onderuit gaat zitten op zijn stoel, en er tranen vallen. Even krijgt ze medelijden met hem, maar zet zich meteen weer schrap.

‘Ik kan niet verkroppen dat je overspel pleegt met die Mike.’

‘Helaas is er geen weg meer terug Jeffrey, voor jou en ook voor Mike niet, al voel ik nog steeds genegenheid voor hem, een genegenheid die jij niet meer hebt voor mij.’  

‘Laat mij nu maar gaan ik wil even een moment voor mijzelf?’

Bij het opstaan ziet hij dat ze haar trouwring afdoet en met een smak op de houten keukentafel gooit. Ze opent de glazen deur van de hal en loopt de trap op naar boven. Hij staart voor zich uit en na enkele ogenblikken staat ook hij op, schuift zijn trouwring op en neer om deze uiteindelijk af te doen van zijn vinger. Hij legt de ring neer naast die van haar, als stille getuigen van een ontbonden huwelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

HET DILEMMA

imagesCALPH49LimagesCALPH49LimagesCALPH49L

‘Wat een keuze hebben ze hier in deze herenmodezaak. Ik heb een kostuum gevonden Rob, hoe vind je het?’

‘De kleur blauw heeft een mooie glans en maakt het kostuum chique Bart. Het is wel toevallig dat wij hetzelfde kostuum uit het kledingrek hebben gehaald en ben benieuwd hoe het bij mij staat. Waar is onze broer Chris eigenlijk?

‘Ik zag hem zojuist paskamer 3 ingaan Rob. Ik zie nu dat paskamer 1 en 2 ook vrij zijn. Kom wij gaan!’

‘Wacht even Bart, dan loop ik met je mee, even een bijpassende stropdas pakken. Wat voor trouwpak zou onze bruidegom Chris gekozen hebben?’

‘Die winkeljuffrouw stond verbaasd te kijken, dat er een eeneiige drieling de kledingzaak binnenstapte Rob!’ Haar mond stond bijna wagenwijd open.’

‘Dat is begrijpelijk Bart, het komt niet veel voor dat broers die op elkaar lijken dezelfde zaak binnen stappen. Ik neem trouwens paskamer 2 en hij schoof het gordijn opzij.

‘Waar blijven jullie nou? Ik ben al bijna klaar met passen. Nu moet ik nota bene nog op jullie wachten.’

‘Sorry Chris, ik kom zojuist paskamer 2 binnen en Bart heeft plaatsgenomen in 1.’

‘Ik voel mij niet blij met dit kostuum Rob, het glanst mij teveel en het witte overhemd maakt mij bleek. Ik ga zo dadelijk op zoek naar iets anders.’

‘Het kostuum staat mij wel, maar eerlijk gezegd vind ik het dragen van een stropdas maar niets, ik krijg het er altijd benauwd van. Liever draag ik er geen, maar ik doe ik het toch maar voor Chris en zijn aanstaande bruid Femke.’

‘Wat een ‘gekrakeel’ jongens. Heb ik er nou verstandig aan gedaan om jullie mee te nemen naar dezelfde kledingzaak. Omdat jullie mijn getuigen zijn, heb ik dit gedaan broers!’

Hij hoort geen commentaar meer, staart voor zich uit en bekijkt zijn blauwe kostuum nog eens goed. Het staat hem mooi en het glansgaren geeft het kostuum iets speciaals. Hij heeft het wel warm gekregen van het passen en van het commentaar van zijn broers. Transpiratiedruppels lopen vanuit zijn donkerblonde haar zijn hals in en blijven steken aan de rand van de kraag van zijn overhemd. Opeens voelt het kostuum aan als een korset. Sinds kort is hij in een ‘netelige’ situatie beland, waarmee hij geen raad weet. Met Femke, die hij al vanaf de lagere school kent, gaat hij binnenkort trouwen. Ooit viel hij op haar spontane karakter en haar koperkleurige haar, maar sinds een paar weken is er iets veranderd in zijn gevoelens. Hoe moet hij haar vertellen dat hij sinds kort blonde Sjoerd heeft ontmoet en hij verliefd geworden is op hem. De gevoelens zijn wederzijds.

In een restaurant van een museum, waar een tentoonstelling was over ‘hedendaagse kunst’ kwam hij hem tegen. Het was druk in het restaurant. Hij had plaatsgenomen aan een tafeltje met 2 stoelen bij een raam dat uitkeek op een binnenplaats met kunstobjecten, toen iemand aan hem vroeg of de stoel, die naast mij stond, nog vrij was. Ik had ‘ja’ geknikt en de vriendelijke man nam plaats aan mijn tafel. Hij stelde zich voor als Sjoerd en ik voelde meteen een sympathie voor hem. Mijn hart begon te jubelen en ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Wij raakten met elkaar in gesprek. Uren zaten wij daar en gingen in elkaar op. Wij maakten een afspraak en meerdere volgden. Van dit alles wist Femke niets. Ik voelde mij schuldig, maar de ontmoeting met Sjoerd had veel bij mij losgemaakt.

Onze band werd steeds sterker., maar gelijktijdig realiseerde ik mij dat ik binnenkort zou gaan trouwen met Femke. Ik wilde haar niet kwetsen. Ik moest Femke vertellen dat ik sinds kort van een man was gaan houden. Vanavond zou hij haar vertellen dat Sjoerd en hij hun ‘prille’ liefde een kans wilde geven. Hij voelde het als een ‘verraad’ aan zijn jeugdliefde om het haar te vertellen, maar zij had recht om de waarheid te horen. Snel deed hij zijn trouwpak uit, het voelde niet goed.

‘Luister eens broers, net als jullie kan ik geen kledingkeuze maken. Ik heb een beter idee. Wij gaan zo dadelijk op zoek naar een horecagelegenheid hier in de stad. Ik heb behoefte aan een stevige borrel. Ik heb jullie namelijk iets belangrijks te vertellen!’

 

 

HET BESTEMMINGSPLAN

het bestemmingsplan

Ben en zijn jongste broer Siem Ammerlaan waren reeds jaren vrijgezel en woonden samen op de boerderij van hun overleden ouders in Pijnacker, een dorp in Zuid-Holland . Naast de boerderij stonden wat opstallen waaronder een grote koeienstal met maar liefst 200 melkkoeien.  Het melkveebedrijf was ooit van de ouders van de broers en zus  geweest. In 2001 zou de boerderij en het melkveebedrijf 250 jaar bestaan, maar het jubileum zou anders uitpakken dan de broers zouden verwachten.

Vader Bernhard was in 1997 overleden aan een kortstondige ziekte. Zijn vrouw Riek had haar man 3 jaar verzorgd en hem overleefd, totdat in het voorjaar van 2000, Siem zijn moeder dood aantrof aan de  grenen keukentafel in de bijkeuken met het aardappelschilmes nog in haar hand. Ze was voorover gevallen met haar hoofd in de aardappelschilbak en bleek aan een hartstilstand te zijn overleden.

Om de begrafenis te regelen werd de familie uitgenodigd, waaronder broer Peter en zus Antje, waarvan de laatste, zich – sinds ze getrouwd was met de zoon van notaris Van Leeuwen – Anneke ging noemen. Na de huishoudschool in Delft ontmoette ze in haar dorp Jan van Leeuwen. Het stel trouwde na een verkeringstijd van 2 jaar. Al snel werd het gezin verblijd met 2 jongens, Jeroen en Benjamin.

Peter de een na oudste zoon van het gezin Ammerlaan was de studiebol van het gezin. Vader Bernhard begreep dat zijn zoon geen boer wilde worden. Peter ging studeren in Delft voor aannemer. Tijdens zijn studietijd ontmoette hij Delftse Anja een struise meid die studeerde voor biologe. Nadat ze samen waren afgestudeerd kochten ze een grachtenpand in Delft en gingen samenwonen.

Ben de oudste had een vlotte babbel en had samen met zijn jongste broer Siem affiniteit met het melkveebedrijf.  Siem werd de stille genoemd in de familie. Moeder Riek zei altijd tegen hem stille wateren hebben diepe gronden. Na de dood van hun ouders  bleven beiden broers wonen op de boerderij.

Rond zijn 25e jaar  ontmoette Ben in het plaatselijk café De Zoete Inval,  Dieneke, een vlotte ietwat wulps meisje met rood kroes haar. Dat rode haar had ze van haar vader die door de dorpelingen Rooie Abraham werd genoemd. Dieneke vond Ben wel aardig maar hield van uitgaan en mooie kleding. Het melkveebedrijf vond ze wel interessant, maar wilde niet meewerken in het bedrijf. Na 2 jaar verkering met Ben hield ze het voor gezien en ontmoette al vrij snel erna een jongen uit een naburige stad.

Ben kon er niet lang om treuren, maar schuwde op de zaterdagavond het uitgaansleven niet. Ondanks zijn broer Siem en hij populair waren bij de vrouwen kwam het voor de beide broers niet tot een vaste relatie. De broers met hun gitzwarte gekrulde haar en hun slanke postuur leken veel op elkaar. Siem was de kleinste en Ben was 2 jaar ouder. Beiden zagen er knap uit. Daarentegen was broer Peter en hun jongere zus  beiden blond en hadden het haar van moeders familie.

De jaren verstreken voor beiden broers. Soms kwam er weleens een meisje op de boerderij, want Ben hield wel van de vrouwtjes. Siem vond het vrouwenvolk op de boerderij maar niets en trok zich langzamerhand  terug uit het uitgaansleven. De broers waren intussen de 60 jaar reeds gepasseerd.

Op een zekere namiddag viel er een brief op de roodgekleurde boeren plavuizenvloer. Siem, die net de hal in liep raapte de brief op en liep meteen naar de stal waar broer Ben de koeien aan het voeren was.  Kijk eens Ben, een brief van de gemeente Pijnacker. Hij las de brief voor aan zijn broer. De gemeente wil onze grond kopen voor woningbouw. Weet je Siem dat ik deze brief al had verwacht, want kijk maar om je heen. De woningbouw rukt al op vanuit de Randstad. Buurman Van der Burg is toch ook al een paar maanden  geleden vertrokken naar de Noordoostpolder. Daar is nog land zat. Wij zijn al te oud om te gaan verkassen en hebben geen nazaten.

Ze liepen beiden naar binnen en namen plaats aan de notenhouten eetkamertafel in de woonkamer. De gemeente doet overigens wel een goed bod voor ons land.

Pa zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat er op zijn land woningen zouden komen. Het land is al sinds onze voorvaderen  in ons bezit en strekt zich uit tot zover onze ogen reiken.

Tja, Siem maar wij worden ook een dagje ouder en jij wilde vroeg of laat stoppen met werken en op jezelf gaan wonen. Nu heb je de kans. Zelf wil ik het bedrijf kleinschalig nog wel voortzetten, maar ik ga niet van de boerderij af.  Mij krijg je niet in zo’n nieuwbouwwoning. We gaan pas akkoord als ik op de boerderij mag blijven met wat grond er omheen en 20 koeien, en dat jij een nieuwbouwhuis kan kopen.

De tijd verstreek en het zomerfeest in Pijnacker was in aantocht. De maand augustus was de juiste tijd hiervoor. De papieren voor de verkoop van het land waren door beiden partijen ondertekend. Van de 200 melkkoeien bleven er 20 in de stal van Ben. Siem kreeg zijn nieuwbouwhuis . Voor de laatste keer werden de verkochte  weilanden nog benut voor het zomerfeest. De gemeente Pijnacker had hier zijn toestemming voor gegeven. Er kwam een grote tent voor diverse spelactiviteiten, een braderie en er was het traditionele spel paalzitten.

Na de festiviteiten kwamen de bulldozers de weilanden oprijden. Hier en daar werd er gegraven en werden er heipalen neergezet. De woningbouw rukte opvanuit de Randstad richting de omliggende dorpen. Meerdere boerenbedrijven maar ook de tuinbouw gingen ter zielen of men verhuisden naar elders. Er rees een nieuwbouwwijk in Ben zijn achtertuin. Ergens in dat wijk zou binnenkort zijn broer gaan wonen. Het voelde vreemd na jaren met Siem te hebben samengewoond. Het geld dat de broers van de gemeente Pijnacker hadden ontvangen werd eerlijk verdeeld met zijn andere broer en zus.

Een waterig zonnetje verscheen op die ochtend de 6e oktober 2001 door het woonkamerraam van de boerderij. Er werd een sober feestje met de familie gevierd in verband met het 250-jarig bestaan van de boerderij en het afgekalfde melkveebedrijf.  Er werd gepraat over het verleden, hun jeugd en de toekomst van het  kleinschalige melkveebedrijf.  Rond de tijd dat de koeien nog moesten worden gemolken,  ging iedereen huiswaarts. Ben hoorde zijn koeien al loeien in de verte. Zo dadelijk zou de chauffeur van de Melkunie langskomen om de melk op te halen met zijn vrachtwagen en melktank.

Ben haalde zijn hand door zijn zwarte gekrulde haar, deed zijn denim pet op zijn hoofd en liep over het erf richting de koeienstal. Buiten begon het al te schemeren. Opeens stond hij stil en keek om zich heen. Aan de voor- en achterzijde van zijn boerderij  lag nog een stuk land afgebakend met een houten hek, met daarachter een brede sloot, waar voorheen het traditionele paalzitten werd gehouden. De jeugd die prijzen kregen als ze het langste op de paal bleven zitten, zonder er af te mogen gaan. Dit zou nooit meer terugkomen, althans niet meer op zijn verkochte land. Daar achter de slootkant gingen een voor een de lichten aan in de nieuwbouwhuizen. Met al die gezinnen om zich heen voelde Ben zich niet meer zo alleen nu Siem niet meer bij hem woonde. Af en toe hielp hij nog wel mee, maar daar bleef het ook bij. De gezinnen in hun nieuwbouwhuizen waren nu zijn naaste buren.

Hij streek over zijn kin en mompelde, het weidse land wordt nu langzamerhand  ingekapseld  door woningbouw. Er is geen weg meer terug, een verandering waar ik deels schuldig aan ben geweest.

 

 

 

 

 

 

EEN NIEUW BEGIN VOOR PEPIJN

2538951

In kleermakerszit rust Pepijn op het midden van zijn bed en huilt. Niemand is thuis alleen zijn jongere broertje Youp. Veel kinderen op de Mavo benijden mij om de mooie witte villa waar ik woon, mompelt hij door zijn tranen heen. Ze moeten eens weten hoe eenzaam ik vaak ben. De meeste avonden van de week zit ik alleen thuis dan ontferm ik mij over Youp. De cyperse kat die op het beige vachtje voor zijn bed ligt, springt op zijn bed en geeft hem een kopje langs zijn benen. Ach lief dier, jij en Youp weten dat we ons zo eenzaam voelen. Ik heb wel vrienden net als Youp maar onze ouders zijn bijna nooit thuis. Ze hebben het maar druk met hun horecabedrijven in Leiden. Ze houden van gezelligheid maar buiten de deur en blijven na sluitingstijd nog even praten met de gasten. Pas tegen de avond eten wij laat en Youp en ik moeten dan alweer bijna naar bed. Mijn ouders zijn niet slecht hoor, prevelt hij tegen de kat, maar Youp en ik krijgen te weinig aandacht. Soms eten wij gezamenlijk, maar ook vaak alleen. Er vallen wat tranen op het dier zijn kop die hem vragend aankijkt.

Hij stapt uit bed en loopt naar de linnenkast. Vanonder een lichtblauwe dekbedhoes haalt hij sigaretten tevoorschijn en steekt er een op en na verloop van tijd weer een. Zijn vader weet niet dat hij rookt en zeker niet dat hij sigaretten in huis heeft. Hij heeft hem ten strengste verboden te roken. Maar wat kan het hem schelen, niemand let op hem en zeker overdag niet. Zelf na schooltijd rookt hij, maar dan samen met zijn vriend Frits. Hoe zou het met Frits zijn ik zal hem eens opbellen. Frits zijn vader is ook bemiddeld maar heeft het geluk dat zijn ouders er wel altijd voor hem zijn.

Hij pakt zijn GSM en draait het nummer van Frits. Hallo, met Frits, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Met Pepijn!. Hoe is het met jou Pepijn? Nou, eigenlijk niet zo goed, ik voel me weer zo alleen. Youp is vandaag bij een vriendje en ik ben alleen met de kat. Mijn ouders komen vanavond weer laat thuis, want het is zaterdag. Kom maar naar mijn huis toe Pepijn, zegt Frits. Ik kom er zo aan, want ik moet mij nog even aankleden.

Wat later vertrekt hij op zijn fiets door het villapark waar Frits woont. Hij woont daar samen met zijn ouders in een bungalow. Daar is het huis al ziet hij. Het witte schelpenpad kraakt door de fietsbanden en zet zijn fiets naast de garagedeur. Het is een mooie bungalow. Frits zijn vader is bankdirecteur van de plaatselijke bank en zijn moeder is meestal thuis. Hij belt aan en Frits doet open. Is je moeder niet thuis Frits, vraag hij aan hem. Ze is vanochtend vertrokken naar een zieke vriendin en komt vandaag ook wat later thuis, maar wel rond etenstijd.

Wil je eerst wat drinken. Doe maar een cola met citroen. Met hun glazen drinken lopen ze richting de slaapkamer van Frits. Zullen we een sigaretje roken Frits. Nee, niet hier want mijn moeder zal dat gelijk merken. Pepijn neemt een grote slok van zijn cola. Heerlijk is dat. Wat zullen we eigenlijk gaan doen Frits? Nou ik dacht eraan om vandaag naar een muziekfeest te gaan in Noordwijk aan Zee. Dat lijkt mij gaaf Frits, maar eigenlijk heb ik nog niet gegeten. Als jij je ouders belt, dan bak voor ons een omelet met wat brood.

Hij pakt zijn GSM en belt het nummer van Café De Bierelier. In gesprek. Even wacht hij en probeert het opnieuw. Nog steeds in gesprek. Ik stuur ze een SMS-je, mompelt hij. Even later hebben ze beiden de lunch opgegeten. Op een tafeltje in de grote hal legt Frits een briefje neer voor zijn moeder, maar dat hij niet thuiskomt met eten en gaan naar buiten. Het is droog weer en het is niet koud. Ze stappen op hun fietsen en rijden naar Noordwijk aan Zee. Het is een uur rijden vanaf hun huis.

Op de boulevard aangekomen parkeren ze hun fietsen naast de reling van een trap die naar het strand gaat. Ze ketenen hun fietsen aan elkaar vast. Beneden aan het strand is een strandpaviljoen en in de buurt is het muziekspektakel. Bewaar jij de fietssleutels in je broekzak Pepijn, dan gaan we naar beneden. Frits geeft hem de fietssleutels. Op het strand aangekomen zien ze in de verte al een grote groep mensen staan te luisteren, zeker een paar honderd. Door het rulle zand lopen ze richting het podium waar de band speelt. Luister eens Frits, wat een geluid die Hip Hop muziek. De muziek gaat steeds harder en de mensenmassa joelt en ze deinen mee op de muziek.

Na drie kwartier vraagt hij aan Frits: ik wat te drinken halen voor ons bij dat paviljoen daar, waar we zijn langsgekomen. Wil je ook wat. Nou graag Pepijn, neem maar cola mee en voor ons beiden een zak popcorn. Ik wacht hier op je!

Met de bestelling in zijn gedachten worstelt hij zich door de mensenmassa richting het paviljoen. Daar is het ook al zo druk ziet hij. Ik ga eerst maar eens naar het toilet, dan zie ik wel weer. Wat verderop staat een houten vlonder met drie toiletcabines ziet hij. Op de bovenste tree van de drie stapt hij de middelste cabine binnen. Na zijn toiletgang zwaait hij de toiletdeur open die pardoes tegen de elleboog aankomt van een uit de kluiten gewassen lounge type, die net de toiletdeur naast hem in wil gaan. Au, dat doet verrekte zeer, kun je niet uitkijken, uilskuiken schreeuwt die man tegen hem. Voor dat hij sorry wil zeggen geeft de man hem een harde stomp op zijn bovenarm en wil hem vastpakken. Van deze agressieve man win ik het niet denkt hij en springt direct van de drie treden naar beneden in het zand en zet het op een lopen. Dwars door het publiek richting het paviljoen. Bij het strandpaviljoen aangekomen ziet hij dat het nog behoorlijk druk is. Die man heeft hem bijna ingehaald, maar hij krijgt een idee. Als ik nou wegduik tussen een groepje mensen dan ziet die man mij niet en enigszins gebukt loopt hij verder de hoek om achter het paviljoen. Daar zijn geen mensen ziet hij, wel staan er lege kratten met flessen, kartonnen dozen en bierfusten. Uitgeput valt hij neer en zijn adem stokt. Ik hoop dat die man mij niet heeft gezien, maar bij het omhoog komen kijkt hij in een paar kwade ogen van de man waarvoor hij op de vlucht was. Voordat hij wat wil zeggen krijgt hij een vuistslag in zijn gezicht. Alles draait voor zijn ogen en weet van niets meer.

De man ziet wat er gebeurt en schrikt van zijn agressieve daad. Hij ziet dat de jongen met zijn hoofd tegen de houten vlonder valt, waarop het paviljoen staat. Dat was niet zijn bedoeling en ziet dat de jongen roerloos blijft liggen. Er sijpelt wat bloed langs zijn hoofd. Even blijft hij staan en zet het meteen op een lopen, dwars door het publiek van het paviljoen. Twee mensen loopt hij omver, maar dat deert hem niet en weg is hij de gewonde Pepijn achter zich gelaten.

Waar blijft Pepijn nou? Ik wacht nu al een half uur op hem en begin dorst te krijgen en trek. Zou het zo druk zijn. In de verte ziet hij wel wat mensen staan, maar Pepijn is al een tijdje weg. De muziek speelt verder. Het begint hem opeens te irriteren en loopt een aantal meters van het podium vandaag. Zo hier is het wat rustiger. Ik zal hem eens bellen waar hij blijft met de cola en de popcorn, zegt hij hardop.

Wat ben jij toch een ondeugende meid, zegt John tegen Lisa en trekt haar dichter tegen zich aan en geeft haar spontaan een zoen op haar neus. Hé stouterd, dat mag je niet doen zegt ze plagend tegen hem en ze maakt zich van hem los uit zijn armen en rent weg door het rullen zand. Ze ziet het paviljoen en verdwijnt aan de achterzijde en gaat zitten in het zand en moet hard lachen. John allang gezien dat zijn vriendin de hoek om ging bij het paviljoen en loopt op zijn gemak naar haar toe. Voorzichtig kijkt hij om de hoek van het paviljoen en zegt lachend, ha, ha, Lisa ik heb je gevonden. Ze staat op om weer weg te rennen, maar de kratten limonade staan in de weg. Even raakt ze uit balans en grijpt zich vast aan een stapel kratten, maar wat ziet ze daar? daar ligt iemand deels op het zand en met zijn hoofd op de vlonder. Hij ligt zo stil. Ze raakt in paniek en schreeuwt tegen John dat hij moet komen. Kijk eens John daar ligt een jongen, hij ligt zo stil; misschien is hij wel dood.

John handelt meteen en vraagt aan Lisa of ze een ambulance wil bellen. Ik loop snel naar de paviljoeneigenaar en vraag om hulp, misschien is het nog niet te laat. Lisa belt meteen de ambulance. Intussen rent John het paviljoen binnen, het is vol met mensen. Help, help nou toch roept hij en enkele mensen kijken verschrikt om hem heen. Er komt een man naar John toe, wat is er aan de hand man? vraag de man aan hem. John vertelt in het kort het verhaal en de man vraagt of er mannen zijn die even mee willen helpen. Binnen vijf minuten ziet Lisa John weer terugkomen met drie mannen. Een van de mannen blijkt de eigenaar te zijn van het paviljoen. Een van de mannen pakt de pols van Pepijn en voelt dat deze zwak is. Lisa vertelt dat ze de ambulance heeft gebeld en dat die zich moeten melden bij het paviljoen. De eigenaar probeert een mond op mond beademing en meteen erna brengen ze Pepijn naar het paviljoen en leggen hem op een houten bank met kussens. In de verte horen ze een ambulance. Lisa loopt naar buiten en ziet het ambulancepersoneel met een brancard de stijle houten strandtrap aflopen vanaf de boulevard. Ze wacht hun op onderaan de trap. Komt u maar mee en de mannen lopen het paviljoen naar binnen. Het ambulancepersoneel hoort het relaas aan van John en Lisa en verzoeken hun om een telefoonnummer achter te laten om eventueel te getuigen bij een politieonderzoek, want de politie wordt gebeld zegt één van de ziekenbroeders. Pepijn wordt aan de beademing gelegd en in de ambulance geplaatst en naar een dichts bijzijnd ziekenhuis gebracht in Leiden.

Van dit alles heeft Frits geen weet en hij maakt zich erg ongerust. Hij had Pepijn gebeld, maar die nam de telefoon niet op en heeft hem toen een SMS-je gestuurd. Maar ook daar kreeg hij geen reactie op. Ongeduldig loopt hij weg van het lawaaierige podium richting het paviljoen en het is al wat later in de middag geworden. Hij heeft dorst en trek en kijkt in de rondte. Het is niet zo druk meer bij het paviljoen en ziet Pepijn nergens. Eerst maar even een broodje bestellen en een flesje drinken, dan ga ik wel op zoek naar hem, maar het zit hem niet lekker.

In de ambulance heeft een ziekenbroeder de zakken nagekeken van de broek van de jongen. Hij is nog niet aanspreekbaar ziet hij. Zojuist heeft hij hem een drukverband om zijn hoofd gedaan, want de jongen had een aardige wond aan zijn hoofd. Uit een van de jongen zijn zakken haalt hij twee fietssleutels, een zakdoek, portemonnee, een GSM-toestel . Hij kijkt in de portemonnee en vind het identiteitsbewijs van de jongen en leest Pepijn van Gent, zijn geboortedatum en zijn adres in Leiden. Hij pakt de GSM en leest wat berichtjes door en leest een melding van ene Frits die vraagt waar hij blijft. Zonder te twijfelen belt hij het nummer van die Frits.

Frits neemt net een tweede hap van zijn broodje en hoort zijn telefoon over gaan. Daar zal je Pepijn hebben, denkt hij. Hallo Pepijn roept Frits enigszins geïrriteerd door de telefoon. Sorry, maar spreek ik met ene Frits zegt de ziekenbroeder tegen een stomverbaasde Frits die een andere stem hoort en zegt meteen tegen hem. Niet schrikken hoor, u spreekt met een ambulancebroeder en vertelt meteen het verhaal aan Frits. Op hetzelfde moment rijdt de ambulance het Leids Ziekenhuis binnen. Sorry, ik moet ophangen. Kunt u mij nog even over twintig minuten terugbellen, zegt de man weer tegen Frits. Ja, natuurlijk en hij hangt op.

Licht verdoofd door het gesprek met de ambulancebroeder gaat Frits zitten op het zand tegen de trapleuning van het strandpaviljoen en neemt een flinke slok van zijn flesje drinken. Pepijn in het ziekenhuis, hoe kan dat en wat is er gebeurd??? De ziekenbroeder wilde hem het verhaal vertellen, maar werd onderbroken omdat de ambulance het ziekenhuis binnenging. Hij had afgesproken om de man –zoals afgesproken- na twintig minuten te bellen.

Nadat de ziekenbroeder Frits aan de telefoon heeft gehad, belt hij meteen de politie en vertelt in beperkte mate wat er is gebeurd bij het paviljoen in Noordwijk en geeft het telefoonnummer door van het jonge stel die Pepijn hadden gevonden. Net nadat het gesprek is geëindigd, doet zijn collega de ambulancedeuren open en samen rijden ze Pepijn eerst naar de spoedeisende hulp, waar een dokter ter plekke is. De dokter adviseert een van de ambulancebroeders de ouders van Pepijn te bellen, want die weten niet wat er is gebeurd. Aan de hand van het GSM-toestel van Pepijn belt de man het telefoonnummer wat vermeldt staat achter het adres. De telefoon gaat over en de ambulancebroeder vertelt het relaas aan de moeder van Pepijn die geschokt reageert. Haar kind in het ziekenhuis?

De twintig minuten zijn allang voorbij, als Frits voor de derde keer Pepijn’s nummer belt. Eindelijk gaat de telefoon over. Ja, hallo met Frits, de vriend van Pepijn, ik zou u nog terugbellen, maar de telefoonlijn was steeds in gesprek. Dat kat, zegt hij tegen Frits, ik moest nog een paar dringende telefoontjes plegen zoals de ouders van Pepijn. O gelukkig zegt hij tegen de man, maar wilt u mij nu ook eens vertellen wat er toch aan de hand is en de ambulancebroeder vertelt hetzelfde verhaal nu ook aan Frits.

Intussen heeft de moeder van Pepijn het verhaal verteld aan haar man en aan haar jongste zoon Youp. We gaan nu onmiddellijk naar het Leids ziekenhuis toe en stappen even later in de auto op weg naar Leiden. Ook Frits had niet stilgezeten. Het muziekfeest was een fiasco geworden. Na het telefoongesprek loopt hij in gedachten over het strand naar de boulevard. Het was al schemerig aan het worden en loopt richting de fietsen die ze vanmiddag hadden neergezet. Ook dat nog! zegt hij hardop. De fietssleutels zitten in de broekzak van Pepijn. Nu kan ik niet naar huis! Ook zijn ouders zouden ongerust zijn, want die weten nog van niets. Door de hele consternatie had hij ze vergeten op te bellen en misschien hebben ze al gebeld, maar door de harde muziek heb ik natuurlijk niets gehoord. Hij pakt meteen zijn GSM-toestel uit de borstzak van zijn denim-jack. Zie je nou wel, ze hebben één uur geleden gebeld en ik heb niets gehoord! Wat zal vader boos en ongerust zijn en hij draait meteen het telefoonnummer van zijn vader. Met van der Burg, hoort hij. Dat is de stem van zijn vader. Ja, pa, met Frits ik…….. en hij wordt onderbroken. Wel verdorie jongen, waar zit je! ma en ik proberen je al een paar keer te bellen, maar er wordt maar niet opgenomen. Je moeder is erg ongerust. Kom meteen naar huis en hij hoort dat zijn vader erg boos op hem is. Dat zou ik wel willen Pa, maar er is vandaag het een en ander gebeurd en hij vertelt gehaast het verhaal van Pepijn en van de fietssleutels die nog in de broekzak van Pepijn zitten en hij dus niet naar huis kan komen. Nou jongen wat doe je ons aan. Wij komen er direct aan met de jeep want daar kunnen wel een paar fietsen in. Weet de familie van Gent al wat er is gebeurd. Ja, pa dat heeft een ambulancebroeder al geregeld. Maar waar sta je eigenlijk jongen. Hij hoort dat de stem van vader al wat milder klinkt. Op de boulevard van Noordwijk naast Paviljoen de Zeester. Oké, jongen –je moeder trekt steeds maar aan mijn mouw-, maar ik leg het wel uit aan haar als we onderweg naar jou toe zijn. Oké en met een diepe zucht drukt hij de GSM uit. Hij gaat op de balustrade zitten waar de fietsen tegenaan staan. Hij kijkt achterom en ziet dat het strand al voor de helft is verlaten. De bandleden zijn al van het podium vertrokken, maar er staan nog een aantal mensen beneden bij het paviljoen. Hij rilt en het wordt frisser. Hoe zou het met Pepijn zijn??

Afzonderlijk van elkaar vertrokken ongeveer gelijktijdig de familie’s Van Gent en Van der Burg uit Noordwijkerhout. De een naar Pepijn en de ander naar Frits. Er is nu ongeveer een half uur voorbij gegaan en nog steeds ziet Frits geen Jeep. Zouden ze ouders het wel kunnen vinden, maar ineens wordt zijn gedachten onderbroken door een lichtsignaal van een auto. Daar heb je mijn ouders mompelt hij en rent naar de auto toe die net wil gaan parkeren. Zij vader stapt al eerste uit en omhelst hem en moeder in vaders kielzog ziet hij. Gelukkig we hebben je gevonden. Nu meteen de fietsen inladen want het is al laat. Morgenochtend bel ik meteen het ziekenhuis zegt hij tegen zijn vader. Doe dat jongen, maar nu gaan we naar huis. Onderweg vertelt hij zijn moeder dat hij Pepijn wilde opvrolijken, omdat hij in een dip zat en de reden en dat de dag een andere wending had gekregen. Hij had Pepijn willen opvrolijken om naar het muziekfestival te gaan, maar het pakte allemaal verkeerd uit. Morgen bel ik de ouders van Pepijn hoe het met hun zoon is en dat zijn fiets bij ons staat. Ja, doet u dat maar moeder en hij valt door vermoeidheid tegen zijn moeders schouder in slaap, net voor de deur van het huis. Frits nog even wakker blijven jongen, want we zijn thuis.

De arts constateert dat Pepijn even buiten bewustzijn is geweest, een zware hersenschudding heeft opgelopen en een gekneusde schouder, dat vertelt hij aan de ouders van Pepijn die net zijn binnengekomen. Daarom is uw zoon nog niet aanspreekbaar. Ze kijkt naar haar zoon met zijn witte gezicht en er vallen tranen. Ze had het SMS-je van hem gekregen en gezien dat hij met Frits naar een muziekfestival was gegaan en niet thuis kwam eten. Ze had zich in eerste instantie niet bezorgd gemaakt. Ze ziet dat haar man haar aankijkt en gaan zitten naast het bed van hun zoon. Bij de aanblik van zijn zoon realiseert hij zich ineens dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn.

De arts sommeert hun om te wachten in de wachtruimte. Onderweg er naar toe kan ze haar tranen niet meer bedwingen en zegt tegen haar man. Omdat ik als moeder teveel van huis weg ben, raak ik bijna mijn zoon kwijt en zo dadelijk ook nog ons jongste kind. Ik denk er nu over om minder te gaan werken. Dan nemen we maar wat personeel erbij. Je hebt gelijk Lies, zegt hij tegen haar, maar we praten er nog over. Pepijn is nu onze zorg en onze jongste Youp die zo stil naast ons zit. Gaat Pepijn dood papa zegt Youp ineens tegen zijn vader. Nee, hoor jongen, zo erg is het niet heeft de dokter gezegd, maar Pepijn is nog wel een tijdje ziek. Wanneer mag hij naar huis, vraagt hij weer en ook Youp begint te huilen. Pepijn en jij zijn voor ons heel belangrijk, maar wij hebben het altijd maar druk en waren bijna vergeten dat jullie er ook nog zijn, valt zijn moeder hem in de rede. Ja mama, dat is zo. De arts vertelt even later dat Pepijn nog niet bij bewustzijn is, en dat het beter is –omdat het al zo laat is- om naar huis te gaan. Ik zal u morgenochtend opbellen over de stand van zaken van u zoon. Rond 23.45 uur arriveren ze. Wat zal de dag morgen brengen?

De volgende ochtend gaat al vroeg de telefoon in huize Van der Burg. Een politieagent wil graag een gesprek met Frits de vriend van Pepijn. Hij heeft al een gesprek gehad met een jong stel die Pepijn hebben gevonden achter het paviljoen. Ik zal mijn zoon even roepen zegt de moeder van Frits. Ik weet net zoveel als u mijnheer, zegt hij tegen de agent. De agent vertelt Frits dat Pepijn niet aanspreekbaar is voor een verhoor. Frits zucht, maar ik wil zo graag naar mijn vriend toe? Ik zal als ik jou was even het ziekenhuis opbellen. En voor dat ik het vergeet, de twee fietssleutels bewaart de hoofdverpleegkundige. Neem maar contact op? Dat doe ik en hij zegt de agent gedag, die het verhaal van hem zojuist heeft opgeschreven.

De agent strijkt door zijn baard en mompelt. Tot nu toe heb ik in deze kwestie nog steeds geen getuigen. Het jonge stel heeft Pepijn wel gevonden, maar de dader is nog zoek. Frits die hij zojuist had opgebeld weet ook niets, maar ik maak alvast een proces-verbaal op. Het slachtoffer is nog niet aanspreekbaar en het is af te wachten of hij meer weet van de dader. Die zelfde middag vertrekt hij met zijn ouders naar het ziekenhuis waar zijn vriend ligt. Zou Pepijn al bij kennis zijn pa, vraagt hij aan zijn vader. Ik weet het niet jongen, maar eerst gaan wij de fietssleutels ophalen, althans jouw fietssleutel. Bij aankomst in de hal van het Leids ziekenhuis ziet Frits een agent zijn. Hij loopt naar de man toe en zegt: bent u degene die mij gisteren heeft gebeld?? Ja, zegt hij want ik hoop Pepijn nu te kunnen ondervragen.

Een arts loopt naar de agent toe en Frits hoort zeggen, dat de agent Pepijn mag ondervragen. Helaas moet u nog even wachten zegt hij tegen de familie van der Burg. In de wachtruimte kunt u koffie of thee gebruiken. Als de agent klaar is met ondervragen, mag u even een kwartiertje naar binnen. Hoera, denk Frits en hij loopt zijn ouders achterna richting de wachtruimte.

De verpleegkundige zet Pepijn rechtop door middel van twee hoofdkussens. U mag spreken met Pepijn van Gent , mar helaas niet te lang. De agent knikt en gaat zitten naast het bed van Pepijn en vraagt het een en ander aan hem. Hij kan zich nog het signalement herinneren van een man die er wat onguur uitzag. Hij had een kort kapsel en enigszins kalend en stevige armen. Een bodybuilding type, zegt hij tegen de agent. Ook vond hij dat de man zich erg agressief gedroeg. Hij droeg een groengeblokt hemd dat onderaan was vastgeknoopt met een zwart short en groene teenslippers. Hij zucht, mijn hoofd bonkt zo en gaat onderuit zitten. Ik weet voor vandaag genoeg zegt de agent tegen hem en bedankt hem. Als ik meer informatie wil kom ik weer terug. Wordt maar snel weer beter en loopt de kamer uit.

Nadat de agent is weggegaan mag alleen Frits even naar binnen om Pepijn gedag te zeggen. Zijn ouders mogen niet naar binnen want dat is nog veel te vermoeiend voor Pepijn zegt ze. Frits ziet bij binnenkomst Pepijn met een verband om zijn hoofd zitten en een mitella aan zijn arm. Hij ziet er grauw uit en zijn ogen staan vrij diep. Pepijn ziet zijn vriend en er komt een mager lachje over zijn gezicht. Wat fijn dat je er bent, maar ik ben te vermoeid om met je te praten. Zodra ik beter ben maak ik een afspraak en zal ik je vertellen wat er uiteindelijk is gebeurd en zwaait Frits gedag.

Na één week komt Pepijn thuis en ziet de kamer vol met mensen zitten, ook zijn vriend Frits is er met zijn ouders. Ook de agent is aanwezig, maar degene die hij het meeste heeft gemist is zijn broertje Youp en vooral zijn ouders die hem uit het ziekenhuis hebben opgehaald. Het wordt hem even teveel. Ze maken er een gezellige ochtend van, met taart en wat kleine kado’s. Als iedereen weer naar huis is, vertellen zijn ouders dat moeder wat minder gaat werken en dat zij wat meer thuis zal zijn voor haar kinderen en dat vader zal proberen om wat vroeger thuis te zijn. Hij zal zorgen voor meer personeel. De jongens waren opgetogen om dit te horen. Eindelijk kregen ze nu een gezinsleven waar ze altijd op hadden gehoopt.

Door een alerte vrouw werd de dader na drie maanden opgepakt en verdween achter slot en grendel. De getuige die op die dag koffie bestelde bij het paviljoen werd bijna omver gelopen door een man in een groen shirt met een zwart short en een enigszins kaal hoofd. Doordat hij zo hard rende liep hij bijna nog twee mensen omver en dat was de vrouw opgevallen. Ook keek de man maar steeds achterom. Door een oproep in de plaatselijke krant omdat er een signalement werd gevraagd, wegens een ongeval achter een paviljoen, reageerde de vrouw die bij hetzelfde paviljoen stond.

Met Pepijn ging het langzamerhand beter. Zijn broertje en hij waren blij dat hun ouders meer tijd voor hun vrij hadden gemaakt en Frits zijn grote vriend was daar getuigen bij geweest.