Oude(jaars)bollen

 

Teun liep met zijn boodschappentas op weg naar huis. Net op het moment dat hij zijn voordeur wilde openen, stapte zijn buurvrouw Iris naar buiten.

‘Dat is een toevalstreffer Iris, zei Teun tegen haar. Ik wilde je namelijk wat vragen.’

‘Vertel het mij nu maar Teun?’ antwoordde ze.

‘Vandaag is het de laatste dag van het jaar. Agatha bakt net als voorgaande jaren oliebollen. Zouden jullie het gezellig vinden om oudejaarsavond bij ons te vieren?’

‘Reken maar op ons Teun. De oliebollen van Agatha zijn voortreffelijk. Dat weten wij nog van voorgaande jaren. Ik bak zo dadelijk wat appelbeignets.’

‘Tot vanavond Iris!’

Hij stapte zijn huis binnen en zetten de boodschappentas op de keukentafel neer. ‘Zal ik je helpen met de boodschappen Teun?’ vroeg Agatha vanuit de woonkamer.

‘Het lukt wel vrouw. Vanmiddag heb jij het druk met het bakken van de oliebollen. Ik heb Iris en Jan gevraagd om vanavond te komen.’

Alle boodschappen zette hij op een plank neer in de keukenkast. Er stond nog een restant Brinta in een plastic voorraaddoos zag hij. Wegdoen deed hij liever niet. Dat was zonde. Het nieuwe pak Brinta, dat hij had gekocht was teveel om daarbij te doen. Eerst moest hij het oude restant kwijt. Waar moest hij het laten? Alle voorraadbussen waren namelijk vol. Hij keek in de rondte en zag op de aanrecht de keukenmachine staan. Hij deed de Brinta tijdelijk in de beslagkom.

Door al dat geslenter in de supermarkt was hij moe geworden.

‘Ik heb alle ingrediënten voor de oliebollen voor je gehaald Agatha, zei hij tegen haar. Alles staat in de keukenkast. Het was zo druk in de stad. Vooral bij de bakker stonden de mensen in de rij.’

‘Wat ben ik blij dat ik de oliebollen elk jaar zelf bak Teun?’

‘Jij bent de beste oliebollenbakker! volgens onze buurvrouw.

Ze moest glimlachen.

Ik denk dat ik even een dutje ga doen boven op bed. ‘Doe dat man, dan kan ik in alle rust de oliebollen bakken.’

Nadat Teun naar boven was gegaan, liep ze naar de keuken. Ze had al wat voorwerk gedaan. Het ei en de melk waren al op kamertemperatuur. Uit de voorraadkast pakte ze de bloem, gist, suiker, kaneel en een mespuntje zout. Ze deed alles in de beslagkom die op het apparaat stond. Ook de krenten, rozijnen en de stukjes sukade. Ze drukte de knop om het apparaat te starten. Daarna plaatste ze de frituurpan op de aanrecht met de frituurolie. Uit de keukenla nam ze een ijsbolletjestang. Dat werkte het beste vond ze. Nadat de keukenmachine klaar was pakte ze de beslagkom en legde er een stuk plastic folie overheen. Het oliebollenbeslag moest nu nog één uur rijzen.

Het was al wat later in de middag. Teun lag nog steeds te slapen. Ze liet het maar zo. De buren zouden rond 20.00 uur komen had ze van hem gehoord.

Het beslag was nu klaar. Ze deed de frituurolie in de frituurpan. Van de beslagkom haalde ze het plastic af. Het beslag was mooi gerezen, maar zag er wel wat dikker uit dan normaal. Ze begreep er niets van. De frituurolie was nu heet. Ze dompelde de ijsbolletjestang in de hete olie en schepte uit het gerezen beslag een aantal bolletjes en liet het beslag zakken in de olie. Ze zagen er na een paar minuten goudgeel uit. Met een schuimspaan legde ze de oliebollen in een met keukenpapier bekleedde vergiet om ze uit te laten lekken.

Daarna legde ze de oliebollen neer in een ovale schaal. Ze bestrooide ze met poedersuiker. Nu moest ze de keuken nog opruimen. Alles rook naar de frituurolie alsook haar kleding en haar haren. Het was nu tijd om in bad te gaan.

Het was rond 20.00 uur toen de deurbel ging. Zoals afgesproken stonden Jan en Iris op de stoep.

‘Alsjeblieft Agatha! zei Iris. Een doos zelfgebakken appelbeignets.’

‘Kom gauw binnen en neem plaats. Teun schonk de koffie in en Agatha serveerde eerst de oliebollen. Iris pakte een oliebol en een servet. Ze zien er mooi uit Agatha en ze nam een hap. Wat een vreemde smaak, dacht ze. Het was een dikke brei waar ze in hapte in plaats van een smeuïge oliebol. Ze hield haar servet bij haar mond en spuugde de eerste hap uit.

Agatha keek Iris verbaast aan en zei: ‘Smaakt hij niet?’

Wat moest ze tegen haar zeggen. Dat de oliebol een andere smaak had dan dat ze had verwacht.

Gelijktijdig hadden Jan en Teun ook een hap genomen van de oliebol.

‘Jakkes, zei Jan eerlijk. Wat is dat voor een oliebol Agatha. Ik proef een dikke brei met een vreemde smaak.’

Agatha was met stomheid geslagen. ‘Ik vond het beslag ook al zo dik, antwoordde ze.’

‘Ik denk dat ik het weet, zei Teun. Het is allemaal mijn schuld en hij vertelde hun over het restant Brinta dat hij wilde bewaren. Hij had de Brinta in de beslagkom gestrooid omdat alle voorraaddozen in de keukenkast vol zaten. Na mijn middagslaapje heb ik er niet meer aan gedacht om een alternatief te zoeken op de Brinta op te bergen.’

‘Verdraaid nog aan toe man! Had mij even geroepen? Nu is al mijn werk voor niets geweest. Mijn oliebollen zijn inderdaad niet om te eten.’

‘Gelukkig hebben de appelbeignets nog.’ antwoordde Iris.

Ondanks alles werd het toch een gezellige avond.

Om 24.00 uur proosten ze allen met champagne die Teun voor deze gelegenheid had gehaald.

‘De Oudejaars bollen zijn nu verleden tijd Agatha. In dit Nieuwe jaar eten wij aan het eind van het jaar weer jouw vertrouwde oliebollen.

 

 

Advertenties

De kater

André was in een jubelstemming. Zo dadelijk zou hij de vrouw ontmoette waarmee hij avonden mee had gepraat. Ze hadden gezamenlijke interesses. Ook had ze een prettige stem vond hij. Zelfs tijdens de nacht hadden ze contact met elkaar via Msn. Hij fantaseerde hoe ze er uit kon zien. Een foto had hij tot heden niet gezien. Ik doe morgen iets roods aan zei ze tegen hem. Die kleur staat het beste bij mijn blonde haar. Wij zien elkaar morgen André en ze hing op.

Die ochtend realiseerde hij zich opeens dat hij haar naam niet wist. Ze hadden zoveel te vertellen, dat hij helemaal vergeten was om dit aan haar te vragen. Gelukkig had ze hem verteld hoe ze er uit zag. Hij had met haar afgesproken in de buurt van zijn studentenwoning. Hij plaatste zijn fiets tegen de gevel en stapte een hamburgerketen binnen. Bij binnenkomst passeerde er een meisje van zijn leeftijd met lang blond haar, die op punt stond om het restaurant te verlaten. Hij hield de deur voor haar open. Ze bedankte hem. Ze droeg een rood T-shirt met daarover heen een leren jasje. Ondanks ze een lief gezicht had, keek ze verontwaardigd. Hij keek haar nog na. Zij zou zijn type kunnen zijn.

Lisette zat te wachten in het midden van het restaurant. Ze keek op haar horloge. Waar bleef die man toch waarmee ze had afgesproken? Hij had er al moeten zijn. Een lok van haar blonde haar bungelde voor haar gezicht. Ze had de haarlok al verscheidene keren met een haarspeldje vastgezet. Nu liet ze het maar zo. Ze zag een donkerharige jongeman in het restaurant staan. Ondanks het druk was viel hij op. Hij keek maar in de rondte. Opeens kruiste hun blikken elkaar.  Hij kwam naar haar toegelopen. Het was een mager type met een blonde paardenstaart. Ondanks ze er vlot uitzag, was ze niet zijn leeftijd, zag hij. Ze leek ouder. Wat vreemd. Zou hij zich zo vergist hebben. Bij haar tafel aangekomen gaf hij haar een hand en zei: zoals afgesproken heb je inderdaad iets roods aangetrokken.

‘Dat had ik ook met je afgesproken!’ antwoordde ze. Haar stem klonk vreemd. Het was een andere stem dan die hij kende. Deze vrouw had een schelle stem en stelde zich voor als Lisette. In alle consternatie vergat hij zich aan haar voor te stellen en bleef staan.

‘Wil je iets van mij drinken?’ vroeg hij ietwat nerveus.

‘Koffie graag!’ antwoordde ze.

Hij liep weg en ze keek hem na. Deze jongeman was een paar jaar jonger dan zij. Of het  leek zo. Hij was leuk om te zien. Gitzwart haar had hij en een normaal postuur. Haar vriendin had haar gekoppeld aan een vrijgezelle neef die volslank was en donker haar had. In eerste instantie had ze die neef willen ontmoeten, maar haar vriendin had dit afgewezen. Zo’n ontmoeting moet spontaan gaan Lisette, had ze tegen haar gezegd. In het dagelijkse leven gebeurt dit ook. Laat het maar op je af komen.

Hij liep terug met twee koffie op een dienblad. Hij volgde haar met zijn ogen. Ze was knap om te zien. Toch stoorde het hem dat ze ouder leek. Maar het ergste was haar schelle stem. Zou ze soms een grapje met hem uithalen? vroeg hij zich af.

Bij aankomst bij hun tafeltje zette hij het dienblad neer. Even viel er een stilte tussen hen. Opeens begon ze te praten. Op de vragen die hij aan haar stelde kreeg hij een ander antwoord dan dat hij had verwacht. Ze studeerde niet meer, woonde niet meer bij haar ouder thuis en had een volledige baan. Verbaasd had hij haar aangehoord. De vrouw met wie hij al tijden via Msn had gesproken gaf andere antwoorden. Hij begreep er niets meer van.

‘Hoe heet je eigenlijk?

‘Dat heb ik je al gezegd! Lisette.’

‘Oh, ja, Lisette, nu wist hij het weer.

‘Hoe heet jij eigenlijk? Tot heden heb je je nog niet voorgesteld.’

‘Sorry! Mijn naam is André!’

‘André!’ Dit is een misverstand. Ik verwacht een zekere Jaap.’

Ongeloofwaardig keken ze elkaar een paar seconde aan.

‘Maar waar is de vrouw dan met wie ik heb afgesproken om 10.30 uur?’ Hij keek op zijn horloge en zag dat hij geen horloge droeg.

‘Je bent te laat André. Hoe zag die vrouw er eigenlijk uit?’

‘Ze zou iets roods aantrekken hadden wij met elkaar afgesproken. Net als u   heeft ze lang blond haar.’

‘Voordat je binnen kwam zat hier een jonge vrouw met lang blond haar. Ze had een rood T-shirt aan met een zwart leren jasje.’

‘Wat een sufferd ben ik. Een half uur geleden passeerde een meisje die aan de  beschrijving voldeed. Ik vond haar meteen al leuk.’

‘Dan hebben wij samen een probleem!’ zei ze weer met haar schelle stem.

‘Ik verwacht namelijk een zekere Jaap. Blijkbaar is hij geen man van de klok. Ik zit ook al even te wachten op hem.’

‘Het spijt mij dat ik u heb lastig gevallen zei hij tegen haar. Het is wel hilarisch zo’n ontmoeting, moet ik zeggen Lisette. Toch hoop ik dat het voor ons beiden alsnog goedkomt en hij stond op.’

‘Dat hoop ik ook André! En ze gaf hem een hand.’

Bij het naar buiten gaan stapte er een volslanke man uit een auto met een bos rozen in zijn hand. Hij had nogal haast zag hij.

‘Ongetwijfeld zou dit die Jaap kunnen zijn waarop Lisette zat te wachten.

Snel reed hij op zijn fiets weer naar zijn studentenkamer. Pakte zijn Gsm en  belde het meisje op met wie hij al een tijdje via Msn contact had. In eerste instantie reageerde ze teleurgesteld aan de telefoon en zei: ‘Ik dacht dat je onze afspraak was vergeten?’

Hij legde haar uit dat hij zich had vergist in de tijd en van de wonderlijke ontmoeting met Lisette die ook op haar date zat te wachten. Ze had namelijk een rood kledingstuk aan. Eén ding viel mij van haar tegen. Haar schelle stem. Ik kreeg er zere oren van.’

Samen moesten ze om het voorval lachen.

‘Toch zou ik je op korte termijn alsnog willen ontmoeten André?’ vroeg ze aan hem.

‘Ik heb het geluk gehad dat ik jou heb ontmoet. Ik hield zelfs de deur nog voor je open en je zei nog: bedankt tegen mij.’

‘Was jij dan die leuke jongen die binnenkwam? In die fractie van een seconde viel je mij al op, zei ze.’

‘Aanstaande zaterdag kom ik je thuis ophalen, om vergissing te voorkomen.’

Maar eerst wil ik je volledige naam weten. Tot heden weet ik die nog niet? Soms ben ik zo chaotisch!’

‘Iris, antwoordde ze. Iris Hoogland.’ Tot zaterdag dan André.

Hij was toe aan een drankje. Uit de koelkast pakte hij een biertje en schonk het in een glas.

‘Proost André!’ zei hij tegen zichzelf. Nog even mijn kater van vanochtend wegspoelen.

 

 

De laatste wandeling

 

 

Van de kapstok pakte Chiel zijn jack. Het was zijn gewoonte om elke dag te gaan wandelen. Vroeger deed hij dat met zijn vrouw Erica en zijn trouwe hond Bas.

‘Bas heeft een nier infectie Chiel, had de dierenarts op een ochtend tegen hem gezegd. Het is beter om hem in te laten slapen. Bedroefd ging hij samen met Erica naar huis. Zijn halsband hing hij aan de kapstok. Dat was nog het enige aandenken aan zijn trouwe viervoeter. Niet lang daarna stierf ook Erica door ouderdom.

Hij had nu alleen zijn dochter Irma nog, die samen met haar man Paul de zondagen bij hem op visite kwam. Hij sloot de voordeur en draaide voor alle zekerheid de deur op het nachtslot. Je wist het maar nooit in deze tijd. Toen Bas nog leefde sloeg de hond aan als er vreemd volk aan zijn deur kwam.

In deze, voor hem vertrouwde, straat woonde hij nu bijna vijftig jaar. De meeste mensen kende hij wel. In de loop van de tijd waren er ook velen verhuisd. Zijn vriend Jaap die zijn overbuurman was woonde er ook al een aantal jaren. Nu ging hij vaak wandelen met Jaap. Ze waren van dezelfde leeftijd en hadden elkaar bij de klaverjasclub in het wijkgebouw ontmoet.

Vandaag wilde hij een wandeling maken buiten hun vertrouwde buurt. Hij belde aan bij Jaap en samen gingen ze op pad. Hij mijmerde met Jaap over oude tijden. Na verloop van tijd begon Jaap moe te worden. Chiel had gemerkt dat hij kortademig was. Ook hoestte hij regelmatig.

‘Een kou gevat Jaap? vroeg hij aan hem.’

Hij gaf niet direct antwoord.

‘Nee, Chiel, ik ben moe en ik wil even gaan zitten.

Ze waren vlakbij het strand en gingen zitten op een van de stadsbanken die aan de boulevard stonden. Het ruisen van de zee maakte Chiel wat melancholiek. Hij vertelde aan Jaap dat hij hier vroeger was gaan zwemmen met zijn eerste vriendinnetje Annette. Hij had haar toen geholpen met zwemmen. Uit angst voor de diepe zee, hield ze het voor gezien.

Even ademde hij de zilte lucht in. Dat deed hem goed. Zijdelings keek hij naar Jaap. Hij was alweer aan het hoesten.

‘Ik was zo gek op haar Jaap, vervolgde hij zijn verhaal. Ze had blonde krullen en zat bij mij op de lagere school die werd gerund door nonnen en paters. Het was een strenge school. Er was een non die ik niet zo erg mocht. Als je niet direct naar haar luisterde, moest je vooraan in de klas gaan staan. Ze pakte dan een houten liniaal van haar lessenaar en sloeg daarmee een paar keer boven op je handen.

‘Ik weet er alles van Chiel. Ondanks ik op een openbare school zat konden de meesters er ook wat van. Lijfstraffen werden daar ook toegepast.

Op een keer was Annette het slachtoffer. Ons klasgenootje Elly die naast haar zat begon onder de les tegen haar te praten. Annette gaf antwoord. De non had niet gezien dat Elly was begonnen met praten. Ze trok Annette hardhandig uit de schoolbank en nam haar mee naar haar lessenaar. Ik protesteerde hevig. De non kwam ook naar mij toe.  Samen moesten wij in het bijzijn van onze klasgenoten apart van elkaar in een hoek van de klas staan. Wat had ik een hekel aan die non Jaap. Vanaf dat moment werden Annette en ik vrienden. Na een paar jaar verhuisde zij naar een andere provincie. Dat deed pijn. Later in de tijd leerde ik mijn vrouw kennen. Wij kregen één dochter, zoals je weet. En jij hebt je schoondochter Gea nog, Jaap.’

‘Jazeker Chiel, kuchte hij. Aan haar heb ik ook veel te danken. Ik vertelde je ooit dat zij een aangenomen kind van mij is. Als verstokte vrijgezel heb ik haar moeder Mary en haar leren kennen tijdens een boottrip. Wij trouwden. In eerste instantie leek ons huwelijk gelukkig, totdat ze André ontmoette. Een flierefluiter van de eerste orde. Na onze scheiding vertrok ze samen met hem naar Canada. Gea is hier gebleven en is een grote steun voor mij. Regelmatig komt ze bij mij op bezoek. Zo dadelijk na onze wandeling zie ik haar weer.’

Chiel knikte.

Langzaam stonden ze op van de stadsbank en liepen weer huiswaarts. Soms stonden ze samen stil omdat Chiel zag dat Jaap bijna geen lucht kreeg. Het gaf hem een angstig gevoel. Eindelijk waren ze thuis. Hij bracht Jaap naar zijn voordeur en belde aan. Gea deed open zag hij. Jaap liep langzaam naar binnen. Chiel vertelde aan haar dat hij vandaag niet zo fit was. Hij was regelmatig moe tijdens het wandelen en hoestte veel.

‘Bedankt Chiel, ik hou het in de gaten, antwoordde ze en sloot de voordeur.

Chiel kookte die avond zijn potje. Na de afwas deed hij de televisie aan. Net op het moment dat hij wilde gaan zitten, hoorde hij een sirene van een ambulance. De auto stopte voor de deur van Jaap, zag hij. Wat zou er gebeurd zijn? Hij bleef voor zijn raam staan en zag dat Gea de deur opendeed voor het ambulancepersoneel. Met een brancard liepen ze snel naar binnen. Kort daarna kwam de brancard met Jaap naar buiten gereden. Gea stapte in de ambulance en ging zitten naast de chauffeur en ze vertrokken.

Verontrust ging hij zitten. De televisie boeide hem niet meer en deed deze uit. Wat zou er gebeurd zijn met Jaap? vroeg hij zich af. Die nacht kon hij de slaap niet vatten. De telefoon die de volgende ochtend rinkelde, haalde hem uit zijn gedachte toen hij aan het ontbijt zat. Het was Gea hoorde hij. Jaap heeft een hersenbloeding gehad, maar leeft nog, vertelde ze aan hem. Hij moest ter observatie in het ziekenhuis blijven. Kort daarna hoorde hij van Gea dat Jaap niet meer naar huis mocht. Door complicaties kwam hij terecht in een verzorgingstehuis. Chiel bezocht zijn goede vriend zoveel als hij kon. Jaap was  moeilijk aanspreekbaar. Twee jaar later kwam hij zelf in een bejaardenwoning terecht. Zijn benen lieten hem in de steek. Zijn dochter Irma en haar man Paul kwamen hem vaak opzoeken en namen hem mee naar buiten in een rolstoel. Het wandelen was voor hem nu definitief voorbij.

 

 

Onbereikbaar

Zojuist was je uit de bus gestapt. Het gebeurde zo snel dat ik mij even niet realiseerde dat je daadwerkelijk wegging. Je bleef op de stoep staan. Wij waren nu gescheiden door een raam. De bus stond nog stil. Er moesten nog meer mensen in- en uitstappen. Wij keken elkaar aan. Ik stond op vanuit mijn zitplaats. Ik wilde jou omhelzen net als gisteren. Een gelukzalig moment. Je vertelde dat je voor drie jaar weg moest naar het buitenland. Zouden wij elkaar nog ooit zien, zei je vertwijfeld. Je was in dienst van Defensie als Marechaussee.

Ik bracht je weg met de bus naar het treinstation. Je wilde niet dat ik met je meeliep naar de trein. Dat zou te moeilijk zijn. Uit je schoudertas haalde je een ballpoint tevoorschijn en schreef iets in je hand. Ik hou van jou, las ik toen je jouw hand tegen de ruit drukte. Je huilde. Ik huilde mee. De laatste passagier was uitgestapt zag ik. Snel liep ik naar de uitgang. Ik wilde je nog even vasthouden. Met een klap viel de deur voor mijn neus dicht.  Langzaam kwam de bus in beweging. Snel liep ik weer terug naar mijn zitplaats. Je stond er nog steeds. Ik zwaaide,  jij zwaaide tot je voorgoed uit het zicht verdween.

De auto op de eerste plaats

 

 

Jessica houdt van auto rijden. Haar vriend Mark ook. Vaak is er tussen hen een gevecht wie het eerste mag gaan rijden. Vandaag is het haar beurt. Ze hebben erom geloot. Onderweg zegt Mark dat ze naar de auto-RAI in Amsterdam gaan. Hij blijft aan een stuk doorpraten. Zoals altijd over hetzelfde onderwerp: Auto’s. Zijn Mercedes is zijn troetelkind. De laatste tijd baalt ze ervan. Altijd komt ze op de tweede plaats. Zijn auto op nummer één. Het liefste heeft ze een eigen auto. Over een jaar heeft ze het gespaarde geld bij elkaar. Mark krijgt binnenkort een nieuw type Mercedes op zijn verjaardag had hij gehoord. Zijn ouders hebben geld als water. Haar ouders zijn ook niet onbemiddeld, maar verwennen haar niet. Ze moet zelf gaan werken voor haar auto. Dat vind ze terecht. Mark is wel verwend en vindt alles heel gewoon. Nog steeds hoort ze hem praten. Zijn stem galmt door de auto. Ze is het zat en doet de radio aan.

‘Waarom doe je dat Jessica? vraagt hij. Ik ben met je in gesprek.’

‘Ik word gek van al dat gepraat over je auto’s Mark. Hoe vaak heb je het er al over gehad sinds wij elkaar hebben ontmoet.’

Hij zegt niets meer tegen haar, merkt ze op. Mijnheer is zeker beledigd, denkt ze. Eigenlijk vindt ze hem maar een klein kind, die zoet is met zijn speeltje. Er gebeurt nooit iets spannends tussen hen. Wel is er vaak die spanning over auto’s.

Bijna een jaar is ze nu zijn vriendin. Niet zijn eerste. Dat had hij haar ooit verteld. Versleten had hij zijn vorige vriendinnen niet. Zijn auto’s wel. Toen ze  op een dag voorstelde om eens een keer met een vliegtuig op vakantie te gaan verklaarde hij haar voor gek. Je gaat toch niet met een vliegtuig naar Spanje, antwoordde hij. Zijn auto was beter. Je had dan alles bij de hand.

Het rijden in zijn auto werd nu een obsessie voor haar.

‘Kijk uit Jessica? Denk om mijn lak? Niet zo hard rijden? meid.’

Ze wilde niet meer naar hem luisteren. Ze hoorde zijn stem wel die steeds het woord ‘auto’ herhaalde. Ze was nu zijn zoveelste meisje. Hoe hield ze het met hem uit? Zou ze bij hem weggaan, vroeg ze zich af. Ze zou deze gedachten maar eens in daden moeten omzetten. Opeens had ze geen zin meer om naar Amsterdam te gaan. Ze besloot om bij de eerstvolgende afslag naar beneden te rijden.

‘Waar ga je nou naar toe Jessica?

Ze gaf geen antwoord. Ergens in deze stad moest een treinstation zijn. Ze wilde terug nar Leiden gaan en ze gaf wat meer gas. Mark was intussen aan het mopperen en keek maar om zich heen. Opeens las ze op een bord dat het station in de buurt van het centrum was.

Eindelijk was ze ter plekke. Mark begon weer te ratelen en vroeg waarom ze niet was doorgereden naar de auto-RAI, waar een tentoonstelling was. Hij had er zo graag naar toe gewild.

Ze stapte uit zijn Mercedes, pakte haar handtas van de achterbank en zei: ‘Volgens mij ben jij meer verliefd op je Mercedes dan op mij. Al je oude relaties zijn verbroken om een ding ‘Auto’s.’ Ze zijn een obsessie voor je. Vrouwen willen op hun tijd ook eens aandacht. Als je niet verandert vind je nooit je geluk. Het gaat je goed Mark en ze liet hem beteuterd achter. Door zijn autoruit zag hij haar het perron oplopen waar ze even later op de trein stapte. Nu realiseerde hij zich dat ze zojuist uit zijn leven was verdwenen.

 

Zijn laatste Strijdkreet

 

 

Hoeveel keren had hij het magazine de Strijdkreet aan mensen verkocht? Hij wist het zelf niet eens meer. Sinds jaren was hij vrijwilliger bij het Leger des Heils in zijn woonplaats. Ontelbare keren was hij de straat opgegaan, bij winkels gestaan, mensen aangehoord en bijgestaan. Personen, uit alle lagen van de bevolking met al hun sores. Hij voelde het als een roeping om mensen te helpen. Na de dood van zijn vrouw Johanna, die zich Janny noemde, was hij niet bij de pakken neer gaan zitten. Ze waren kort met elkaar getrouwd geweest, toen ze door een noodlottig ongeval om het leven was gekomen. Geschept door een stadsbus, had een politieagent hem verteld toen de man bij hem aan de deur stond. Net als hijzelf was Janny een sociaal bewogen vrouw.

‘Help je naasten zoveel als je kan Arnoud?’ had ze ooit tegen hem gezegd. Ze had wel meer van dit soort kreten. Ze voelden elkaar feilloos aan. Tot hun grote verdriet hadden ze geen kinderen. Daarvoor waren ze tekort getrouwd. Hij was nu alweer jaren weduwnaar. Nadien was hij nooit meer getrouwd geweest. Hij had in zijn leven nog weleens vrouwen ontmoet. Toch bleef het vaak bij een eerste ontmoeting.

Op een zekere dag las hij in de plaatselijke krant dat er vrijwilligers werden gezocht voor het Leger des Heils. Hij wilde zich daarvoor aanmelden. Als kind stond hij samen met zijn ouders te kijken bij een muziekuitvoering tijdens de kerstdagen. Meestal stonden deze vrijwilligers op een hoek van een straat of voor de deur van een groot warenhuis. Er werden kerstliederen gezongen en verkondigde ze het woord van Jezus. Van het geld dat het Leger des Heils kreeg uit donaties en van passanten, werden diverse activiteiten georganiseerd voor mensen die vrijwel niets hadden. Zelf wilde hij ook wat voor de verschoppelingen in de maatschappij doen. Hij kon een boek vol schrijven van al hun verhalen.

Een van zijn eerste ontmoetingen was Irene. Een kleine donkerharige vrouw. Ze leek ouder dan ze daadwerkelijk was. Ze was zesentwintig en een wees. Na de dood van haar ouders werd ze door haar familie ondergebracht bij een tante. Ze werd door haar zodanig in haar vrijheid beknot, dat ze op een zekere dag het huis ontvluchten. Ze zwierf twee jaar door de grote stad. Vaak was er geen eten. Ze had verschillende slaapplaatsen, waaronder een plek onder een spoorviaduct, waar hoofdzakelijk ook mannen sliepen. Ze was zo waakzaam als een kat en sliep daarom slecht. Ooit was ze door een man overvallen die wat spullen van haar had meegenomen. Haar tas was haar enige bezit alsook nog wat kleding. Van een eerzame vrouw werd ze, na verloop van tijd, een dievegge. Ze moest vechten voor haar eigen bestaan en stal hoofdzakelijk voedsel uit winkels en een enkele keer kleding.

Op een middag stond ik voor een warenhuis met ons magazine de Strijdkreet. Ik zag haar voor mij op de stoep staan met een plastic tas in een van haar handen, waarvan een van de handvatten kapot was. Ze stond daar al minstens een kwartier te wachten. Ondanks haar knappe gezicht zag ze er sjofel uit. Op een gegeven moment stopte er een automobilist. De man had zijn raam opengedraaid en sprak met haar. Opeens begon hij luider tegen haar te praten. Ze liep weg van zijn auto. De automobilist reed vrijwel meteen weer weg. Ze kwam mijn kant opgelopen en ik sprak haar direct aan. Er volgde tussen ons een onverwachts gesprek.

‘Je hoeft niet meer onder die spoorbrug te slapen’ vertelde ik haar. Ga zo dadelijk maar met mij mee naar het Leger des Heils, waar ik vrijwilligerswerk doe. Je kunt bij ons een maaltijd gebruiken en een slaapplaats krijgen. Wij beschermen jou als je dat wilt, zei ik weer.’

Vanaf dat moment was ze een trouwe gast. Ik had medelijden met deze jonge vrouw. Ze had een dochter van mij kunnen zijn. Ik had er moeite mee dat ze overdag in de prostitutie terecht zou komen. Het laatste gebeurde gelukkig niet. Ik had dit onderwerp tijdens ons eerste gesprek met haar besproken. De automobilist had haar namelijk oneerbare voorstellen gedaan had ze mij verteld, terwijl ze dacht dat hij de weg aan haar wilde vragen.

Na verloop van tijd kreeg ze op advies van het Leger des Heils hulp van het maatschappelijk werk. Ze kreeg een baantje en later in de tijd een flat. Soms kwam ze nog eens buurten bij ons. Ze was dankbaar dat ik haar had geholpen. Ik zag dat ze inmiddels haar leven goed had opgepakt.

Hoe anders liep het met de meeste mensen af. Gezichten van mensen die hij jaren achtereen zag. Ze zochten troost bij elkaar. Iedereen met zijn of haar eigen verhaal. Verslaafden baarden mij het meeste zorg. Het merendeel kwam niet van hun verslaving af. Vroeg of laat moesten ze het met de dood bekopen. Toch was het onze taak om al deze mensen te helpen. Helaas wilde een enkeling niet geholpen worden en gleed verder af.

In al die jaren als vrijwilliger, waren Frederik en zijn vrouw Saskia mij het meeste bijgebleven. Ik zag ze op die koude ochtend in december binnenkomen. Twee mensen die door hun kleding en uitstraling opvielen bij de mensen die ter plekke aanwezig waren. Ik stond op punt om te vertrekken toen hij mij onverwachts aansprak als jonkheer Frederik. Hij noemde bewust zijn achternaam niet, vertelde hij mij. Hij stelde zijn vrouw Saskia aan mij voor. Ik bood ze een plaats aan een tafel. Een van mijn collega’s serveerde koffie. Ik  legde de stapel magazines die ik in mijn handen had op tafel neer.

‘Na de dood van mijn vader, nu twee jaar geleden, vertelde hij, trouwde ik met mijn vrouw Saskia. Zij is van eenvoudige afkomst. Mijn moeder was ziedend dat ik niet met een vrouw trouwde uit mijn eigen milieu. Ze heeft mij recent onterfd. Ik heb intussen een advocaat ik de arm genomen. Mijn geld is nu bijna op. Mijn vrouw en ik zoeken nu tijdelijk onderdak. Het enige familielid dat ik nog heb is een oudoom die zijn bezit ooit heeft geschonken aan zijn enige dochter en haar gezin. Zelf zit hij al jaren in een verzorgingstehuis. Onze vrienden kunnen ons niet helpen, hadden ze tegen ons gezegd. Ik werkte als landheer op mijn eigen landgoed en had wat personeel. Nu kan ik niet meer in mijn eigen levensonderhoud voorzien. Mijn vrouw en ik staan nu ingeschreven voor een ander huis dat wij waarschijnlijk niet eens krijgen. Saskia en haar collega’s zijn drie weken geleden ontslagen door hun werkgever wegens een faillissement.

Ik hoorde hun gesprekken aan. Het enige dat ze bij hun hadden was een koffer en een handtas. Ze konden hier een maaltijd gebruiken en slapen, vertelde ik hun. Ik keek op mijn horloge en zag dat ik al een uur te laat was om de Strijdkreet te verspreiden. Ik stond op en gaf ze een hand. Eén van mijn collega’s zal u helpen, zei ik alsnog. Diezelfde avond zag ik het echtpaar bij binnenkomst niet meer zitten en vroeg aan een collega waar ze waren gebleven. Ze blijven vannacht hier Arnoud, zei ze. Ik heb hun een slaapplaats aangeboden. Een half jaar bleven Frederik en Saskia de opvang bezoeken. Niet lang daarna kreeg Saskia weer werk op kantoor bij een multinational en konden ze eindelijk een stadswoning betrekken. Het jaar daarop lag er op een ochtend een brief die aan mij persoonlijk was gericht. Het was van Jonkheer Frederik en zijn vrouw. Hij bedankte het Leger des Heils voor al hun goede zorgen en vertelde dat hij de rechtszaak tegen zijn moeder had gewonnen. Er was weer geld vrijgekomen. Ook zijn landhuis had hij terug. Hij was blij dat ik toen naar zijn verhaal had geluisterd. Als dank schonk hij het Leger des Heils een aanzienlijk bedrag. Deze situatie heeft zich jaren geleden afgespeeld.

Vanuit mijn leunstoel zie ik dat het buiten heeft gesneeuwd en ik sta op. Ik ruik de koffie die ik zojuist heb gezet. Ook smeer ik een paar boterhammen en beleg deze met kaas en jam. Koken doe ik nu niet. Ik gun mij de tijd er niet voor. Morgen vertrek ik uit mijn woning waar ik vanaf mijn huwelijk met Janny heb gewoond. Mijn gezondheid laat mij al enige tijd in de steek. Het doet mij verdriet dat ik mijn vertrouwde huis nu moet gaan verlaten. Dan opeens voel ik mij schuldig en moet ik opeens denken aan al die mensen die ooit geen huis hadden. Ik schaam mij. Een paar meubels verhuizen morgen naar een aanleunwoning. Nu ben ik tachtig. In gedachte zie ik mijzelf weer staan als jongeman die in weer en wind en tijdens de sneeuw de Strijdkreet verspreidde. Een jong iemand heeft nu sinds tijden mijn werk overgenomen. Zo af en toe bezoek ik nog steeds het Leger des Heils waar ik nog een enkele oud collega aantref. Een jongere generatie heeft het Leger des Heils nu overgenomen dat sinds 1865 bestaat.

‘Ik heb mensen zien komen en zien gaan. Herinneringen die ik altijd zal blijven koesteren zolang ik nog leef, mompelt Arnoud.

 

 

Een angstig ogenblik

 

 

Zoals gewoonlijk bracht Irene haar zoontje van bijna twee jaar naar de opvang. Het wegbrengen van haar kind kwam vaak voor haar rekening. Haar man en zij werkten beiden op een kantoor. Joris werkte buiten de stad. Elke dag ging hij eerder met de auto weg om op tijd op zijn werk te zijn.

Deze ochtend was het weer stressen voor haar. Nadat ze Jasper zijn rugtasje had ingepakt, liep ze naar de schuur en pakte haar fiets. Er stond veel wind en het was guur. De openslaande deuren die in verbinding stonden met de tuin deed ze nog niet op slot. Jasper was nog aan het spelen met zijn speelgoed. Via het achterpad plaatste ze haar fiets op de stoep bij haar voordeur. Via dezelfde weg ging ze weer haar huis binnen en deed de openslaande deuren op slot.

‘Kom Jasper? wij gaan naar de crèche.’

Ze deed zijn blauwe jack aan en zijn rugtasje op zijn rug. Ze pakte haar schoudertas en de huissleutel uit de keukenla. Samen liepen ze naar de hal. Ze deed de huissleutel in het slot van de voordeur. Bij het open doen van de deur, zag ze dat door de wind haar fiets was omgevallen.

‘Blijf even op mama wachten Jasper?’ zei ze tegen hem en ze zette haar schoudertas naast hem neer. Ze liep naar buiten en plaatste haar fiets tegen de gevel van het huis. Net op het moment dat ze haar huis binnen wilde gaan, sloeg de voordeur dicht. Ze raakte meteen in paniek. In de hal zat Jasper met haar schoudertas. De huissleutel zat nog aan de binnenkant in het slot van de voordeur. Ze keek door de brievenbus en zag dat ze de tussendeur van de hal naar de woonkamer had gesloten. Jasper kon dus nergens heen. Hoe moest ze nou naar binnenkomen als de huissleutel in het slot zat. Ook haar Gsm zat in haar tas.

Direct liep ze naar één van de buren toe en belde aan. Er werd niet open gedaan. Eigenlijk kon ze het weten. Er woonden veel jonge gezinnen in de straat, waarvan de meeste werkten. Vier deuren verderop deed er een jongeman open. Ze vertelde hem het verhaal. ‘Zou ik even mogen bellen?’ vroeg ze aan hem.’

Hij gaf haar zijn Gsm. Haar ouders die een extra sleutel hadden woonden in een andere provincie en zouden nooit op tijd kunnen komen.

‘Dan maar de politie bellen, mompelde ze. Ze vertelde haar verhaal. De agent zij dat ze een college, een slotenmaker en iemand van de brandweer zou bellen. De laatste had altijd materiaal bij zich. Ze zouden meteen komen. Nadat ze ook haar werkgever had gebeld, bedankte ze de jongen en liep terug naar haar huis. Ze hield via de brievenbus contact met haar kind, die intussen aan het huilen was.

De politie, brandweer en de slotenmaker waren snel gearriveerd. Het ging ten slotte om een jong kind die maar niet begreep wat er aan de hand was.

‘Wij hebben een probleem mevrouw, zei de brandweerman, toen hij was gearriveerd. Uw kind zit net achter de voordeur. De deur kan in het ergste geval naar binnen vallen als we hem open maken. Dit is een gevaarlijke situatie voor uw kind. De slotenmaker had intussen geprobeerd om het slot te forceren. Een speciale deurgreep zat op een dusdanige manier in de deur vast, dat deze niet verwijderd kon worden. De huissleutel zat nog steeds in het slot.

‘Ik moet de deur gaan forceren met een breekijzer!’ zei de brandweerman weer  tegen haar en de twee agenten. Dit moet wel zorgvuldig gebeuren.

Ze moest er niet aan denken wat er dan zou kunnen gebeuren.

In de voordeur zat een raam. ‘Ik heb een idee! zei een van de agenten.’ De enige houvast die wij hebben is de deurkruk. Dat is niet genoeg. De deur kan altijd naar binnen vallen. Ik bel een glazenier. Die hebben zuignappen die je op het raam van de deur kunt plaatsen. In overleg met zijn collega, belde hij de glazenier met het verzoek dat er haast bij was.

Intussen werd het Irene teveel. Ze begon te huilen. Een van de agenten ontfermde zich over haar. ‘Mijn kind is aan het huilen agent’ vertelde ze de vrouw.

‘Ik weet het mevrouw, wij doen ons uiterste best.’

Ruim drie kwartier was er intussen voorbij gegaan. De glazenier plaatste twee zuignappen op het raam van de voordeur en de brandweerman zette een breekijzer tussen de sponning en de deur. Een van de agenten hield de kruk van de deur stevig vast. Er volgde een hoop gekraak. Iedereen hoopte dat er niets zou gebeuren. Met de grootste zorgvuldigheid greep de agent, bij het zien van een kier, de zijkant van de deur vast. De zuignappen bleven keurig op hun plaats zitten die de glazenier stevig vast hield. De voordeur was nu deels geopend. De brandweerman stapte zijdelings de deur binnen, pakte Jasper op en zette hem meteen in de woonkamer neer. Samen met de agenten en de glazenier plaatste hij de voordeur weer terug op zijn plek. Het sluitwerk was nog intact. Bij het slot was de deur versplinterd.

Irene bedankte hun voor hun kranige optreden dat gelukkig goed was afgelopen. Omdat ze haar man niet had willen laten schrikken, vertelde ze hem tijdens het diner, wat er die dag was gebeurd. Hij was geschrokken en was in eerste instantie boos op haar dat ze hem niet had opgebeld.

‘Je had niets kunnen doen Joris. Ik ook niet. Dankzij de hulp van deze mensen is gelukkig het probleem opgelost.’

‘Een ding zal ik nooit meer vergeten, zei ze weer tegen hem. Mijn tas, huissleutel en mijn Gsm. Nooit laat ik meer mijn huissleutel in de voordeur zitten. Je ziet maar wat er had kunnen gebeuren. De volgende dag werd een nieuwe voordeur geplaatst en de verzekering kon zijn werk doen. Zo’n angstig ogenblik wilde ze nooit meer meemaken.

Treinperikelen

 

 

In de trein is het benauwd voor de tijd van het jaar. Het is winter. Een van de zachtste winters sinds jaren. Medepassagiers zitten opgepropt bij elkaar. ‘Ik ben vandaag de slemiel’ mompel ik. Pech! De auto staat ter reparatie in de garage. Tot overmaat van ramp heeft de trein ook nog vertraging. Vaak hoor ik deze kreten op de televisie. Nu maak ik het zelf ook een keer mee. Naast mij, in het gangpad, staat een man met een enorme buik. De knopen van zijn overhemd staan op springen. Als ze zouden springen zou er misschien een behaarde aap tevoorschijn kunnen komen of zijn buik is zo glad als een biljartbal. De man heeft blijkbaar gemerkt dat ik steeds naar hem kijk. Als blikken konden doden….. Meteen draai ik mijn gezicht weg. Na een werkdag van acht uur, ben ik nu al twee uur onderweg. Uit mijn aktetas pak ik een leesboek en probeer mij te concentreren op mijn verhaal. Na twee bladzijden houd ik het voor gezien. Er gebeurt teveel om mij heen. De trein schudt heen en weer. De mensen in het gangpad kunnen zich nergens aan vasthouden, althans de middenmoot niet. Ze staan als haringen in een ton tegen elkaar aan gedrukt. Onverwachts ruik ik een penetrante geur. Iemand uit het publiek heeft blijkbaar last van zijn of haar sluitspieren. Uit de zak van mijn jack pak ik een papieren zakdoekje en houd deze quasi nonchalant onder mijn neus. Naast mij zit een jonge vrouw die de hele rit naar buiten kijkt. Ze heeft, denk ik, net als ik, moeite met al die mensen in de trein.

Nog even, dan ben ik verlost van die menigte. Er wringt zich een hoogzwangere vrouw langs de mensen in het gangpad. Uit beleefdheid biedt ik haar mijn plaats aan en zeg tegen haar dat ik er zo dadelijk uit moet.

‘Bedankt mijnheer, ik kan niet tegen achteruit rijden. In mijn positie zou ik misschien kunnen overgeven. Daar sta ik dan met een mond vol tanden en mijn beleefdheid.

De trein nadert het station. Hier moet ik uit. Ik sta op en kijk niet meer achterom of de zwangere vrouw uiteindelijk toch plaatsneemt op mijn nog warme zitplaats. Zo snel als mogelijk, wring ik mij door de massa heen. Ik voel geïrriteerde blikken in mijn rug. Het deert mij niet. Ik zou hetzelfde doen denk ik. Op het moment dat ik uit wil stappen geven sommige mensen op het perron mij bijna geen gelegenheid om dit te doen. Sterker nog, ze duwen mij gewoon opzij. Dit getuigd niet van domheid, maar van gebrek aan beleefdheid. Ik hap naar frisse lucht als ik eenmaal op het perron staat. De rest van de dag heb ik geen behoefte meer aan menselijk contact en ga naar huis.

Vergane glorie

Als de dag van gisteren weet ik nog hoe Eerste kerstdag ergens in de jaren zestig was verlopen. Ik zou een jaar of acht zijn geweest en mijn zus ongeveer vier jaar. De kerstboom stond in vol ornaat in de hoek van de woonkamer, voorzien van minuscule kaarsjes geklemd in een knijphoudertje. Dat gold trouwens ook voor de gekleurde vogeltjes van gekleurd glas, die op de takken van de kerstboom werden vastgeklemd. Gekleurde glazen ballen en wat zilverkleurige kerstslingers hingen ook in de boom. Daarover heen was er engelenhaar gedrapeerd. Dat spul prikte in je handen als je het vastpakte vertelde moeder.

‘Ziezo!’ zei onze moeder, jullie zijn zojuist in bad geweest. Wij gaan zo dadelijk een spelletje spelen aan de eetkamertafel. Eerst geef ik jullie wat limonade en een Mariakaakje. Ga maar alvast zitten aan tafel. Mijn jongste zusje werd door vader  op een stoel neergezet. Ik ging naast haar zitten. Vader liep naar het dressoir toe en pakte uit één van de lades een spellendoos. Moeder was intussen de woonkamer weer ingelopen met een dienblad met daarop twee glazen, plastic kroesjes met limonade en de ronde gebloemde koektrommel.

Vader had het speelbord opengelegd en de pionnetjes klaargezet met daarbij een rode dobbelsteen. Vanavond spelen wij Mens erger je niet.

‘Jij weet toch nog hoe het gaat?’ vroeg hij aan mij.

‘Jazeker papa, dat weet ik nog wel’ antwoordde ik, maar Ganzenbord vind ik leuker.

Het spel begon in eerste instantie hilarisch, omdat mijn jongste zus de pionnetjes van het speelbord afsloeg. Ze was nog zo jong. Wij vonden het in eerste instantie wel grappig. Moeder vond het leuk dat ze bij ons kwam zitten aan tafel. Het spel werd opnieuw gespeeld. Alle pionnetjes werden opnieuw door vader neergezet. Weer sloeg zusje de pionnetjes om, waarop moeder opstond en uit nood haar kinderstoel pakte. Ze zetten haar in haar stoel en gaf haar wat speeltjes. Eigenlijk had ik helemaal geen zin meer in het spel. De pret was er voor mij af. Toch liet ik mij niet kennen en speelde mee totdat het spel afgelopen was. Mijn zusje werd naar bed gebracht en ik mocht nog even opblijven. Ik nam plaats naast de kerstboom die mooi was versierd.

Nadat vader de tafel had opgeruimd en het spel weer in de la had gestopt, stond hij te kijken naar onze grote kerststal die hij één jaar daarvoor had gemaakt. ‘Het blijft toch een mooie kerststal’ zei moeder tegen vader.

‘Jazeker, ik ben er best trots op, ondanks het vele werk, antwoordde hij.

Ik stond op en ging naast vader staan. De kerstgroep was mooi om te zien. Er waren: De Drie Koningen, twee herders met zes schapen, een os en de ezel. Een engel die boven aan de stal hing bungelde aan een haakje. Josef en Maria, het kindje Jezus in een echte houten kribbe stonden in het midden. Het geheel zag er mooi uit.

Net op het moment dat ik weer wilde gaan zitten in vaders leunstoel, stak vader drie dunne kaarsjes aan die in een klein stenen houdertje stonden. Een kaarsje stond te dicht onder het strooien afdak van de kerststal. Op het moment dat hij het kaarsje aanstak vatte vrijwel direct het afdak van de kerststal vlam. Ik gilde en zag mijn moeder vliegensvlug rennen naar het schuifraam van de woonkamer. Met een ruk trok ze de borgpen uit de sponning van het raam en schoof het raam omhoog. Intussen verspreidde het vuur zich razendsnel. Zo snel dat vader nog net de kerststal beetpakte en met beelden en al het raam uitgooide. Daarbij verbrandde hij ook nog een vinger bleek achteraf. Uit angst bleef ik maar gillen totdat moeder mij uiteindelijk bedaarde. Snel pakte moeder een dichtstbijzijnde bloemenvaas die op een bijzettafeltje stond en goot het water met bloemen en al op de verbrande kerststal. Op de drie Koningen, twee schapen en een herder na, die buiten de kerststal stonden, lagen alle beelden buiten. De meeste waren dusdanig beschadigd dat ze niet meer konden worden gerepareerd. Maria en de andere herder waren onthoofd. Het kindje Jezus had geen voetjes meer. Alleen de houten kribbe was niet kapot. Omdat het buiten al donker was had blijkbaar niemand iets gemerkt van de vlamgevatte kerststal. Moeder pakte het stoffer en blik en ruimde alles op van de straat. De beelden konden niet worden gerepareerd. Ze waren van gips gemaakt. Voor het eerst van mijn leven zag ik dat mijn vader tranen in zijn ogen had. De gezellige Eerste kerstdag eindigde die avond in een drama. Mijn jongste zus had van dit alles niets meegekregen.

Nadat het restant aan beelden en de kribbe door moeder werd opgeruimd, zag ze tot haar grote verdriet ook een brandvlek op het dressoir. ‘Het is een wonder dat de kast niet was verbrand’ hoorde ik haar tegen vader zeggen. Verdrietig werd ik naar bed gebracht en kon die nacht niet slapen. De kleine kaarsjes die in de boom waren geplaatst werden de volgende dag op Tweede kerstdag definitief uit de boom gehaald. Bovenop de brandplek legde moeder een gehaakt kleedje neer om de plek te verdoezelen. Samen met mijn zusje vierden wij Tweede kerstdag bij onze grootouders die uit ten treuren het drama van de kerststal moesten aanhoren. Het was een kerst om nooit meer te vergeten.