Verloren verleden.

imageslos boliches, spanje.‘Verloren verleden’

In een ligstoel op een zonovergoten terras van een appartementencomplex  dwalen mijn gedachten af naar augustus 1968.

LOS BOLICHES.

Mijn toenmalige verloofde Gerard, onze getrouwde vrienden Edward en Jacqueline en ik zelf besloten voor het eerst een buitenlandse reis te maken naar Los Boliches, een klein dorp in de streek Andalucia. Gerard en ik waren beiden zeventien jaar en onze vrienden één jaar ouder. Edward en Jacqueline waren vier maanden getrouwd en zagen deze vakantie als hun huwelijksreis. Met een taxi reden wij naar Amsterdam en werden afgezet voor de ingang van vliegveld Schiphol. Het inchecken ging vlot bij de paspoortcontrole. Wij zouden landen op het vliegveld van Malaga. Onze koffers werden op een lopende band gezet en verdwenen uit zicht. Vanuit de hal zagen wij het vliegtuig van maatschappij Transavia al staan. Via een sluis kwamen wij door een smalle deur binnen in een voor mij claustrofobische ruimte. Door het gangpad van het vliegtuig zag ik links en rechts kleine ramen. Gerard en ik namen plaats bij de linker vleugel. De vlucht zou twee uur en drie kwartier duren. Voor mijn gevoel duurde de reis wat langer, maar dat kwam omdat ik erg nerveus was en niet wist wat er gebeuren ging. Toen het vliegtuig net was opgestegen, voelde ik mij wat duizelig worden, omdat hij draaide en koers zetten richting Spanje.

‘Sonja! wat ben je stil? vroeg Gerard onverwachts aan mij. Ben je nog steeds zo nerveus?’

‘Praat er alsjeblieft niet over Gerard, het voelt niet goed, gaf ik als antwoord.’

Op hetzelfde moment begon het vliegtuig opeens te zakken en kwam vrij snel weer omhoog. Het gaf mij een gevoel dat mijn maag omkeerde en ik misselijk werd. Een passerende stewardess met een serveerwagen met drank en versnaperingen, zag het gebeuren en gaf mij direct een plastic bekertje met cola.

´Drink maar snel op. Het is tegen de misselijkheid en ik bedankte haar voor de gulle gave.

Onze vrienden zaten één rij achter ons en vermaakten zich prima met elkaar. Als twee verliefde tortelduiven keken ze elkaar aan en zaten aan elkaar te plukken.

Enkele weken voor de vakantie hadden wij met z´n vieren deze reis geboekt bij een groot reisbureau in de Randstad en kozen voor een gezamenlijk appartement. Wij hadden er geen problemen mee hetzelfde appartement te delen en hadden per stel aparte slaapkamers. De medewerkster van het reisbureau vertelde dat het appartementencomplex zo goed als nieuw was. Alleen het zwembad dat bij het complex hoorde, was nog niet in gebruik.

Eindelijk waren wij geland en moesten nog langs de douane. De douaniers waren niet zo gemakkelijk als in Nederland. Wij werden van top tot teen bekeken en onze paspoorten werden doorgelicht. Misschien was het onze leeftijd wel! Van de lopende band pakten wij onze koffers en liepen naar een wit personenbusje, die zijn beste tijd had gehad en ons naar Los Boliches zou brengen. Samen met een handje vol toeristen stapten wij in het busje en werden sommigen van onze medepassagiers afgezet bij verschillende accommodaties die wij onderweg tegenkwamen. Daar ging veel tijd inzitten. Het was erg warm in de bus. Daar moest ik aan wennen. Volgens de Spaanse chauffeur, die goed Engels sprak, waren wij aangekomen in het dorp Los Boliches. Het was een klein dorp en zo te zien was er niet veel te beleven toen wij door het centrum reden. Bijna aan de rand van het dorp stonden een viertal hoge appartementen, waarvan er één nog in aanbouw was. Het was 10.00 uur in de ochtend en er klonk lawaai uit de bouwput. Gelukkig bleek ons appartement iets verder weg te staan. Wij moesten er niet aan denken om veertien dagen lang in de herrie te zitten.

Het busje stopte bij een appartement dat twaalf etages hoog was. Boven de ingang prijkte een naam in neonletters ´Playa del Sol´. Bij binnenkomst was er een grote hal met diverse zitjes, een bar, restaurant, een brede trap en twee liften. De vloer bestond uit wit marmer. Bij de balie ontvingen wij de sleutels van de receptioniste van het hotel, schreven onze namen in het gastenboek en gingen met de lift naar de achtste etage naar onze kamer. Bij het naar binnen gaan keken wij onze ogen uit, een vrij grote kamer met een bankstel, eettafel en stoelen, twee slaapkamers, keuken en een mooie badkamer met douche en toilet. Over de volle breedte van de woonkamer was een terras dat uitkeek op de bergen. Het zwembad bleek aan de achterzijde van het complex te liggen. Vier opvouwbare strandstoelen stonden op het terras. Met zoveel luxe waren wij in onze nopjes. De receptioniste had ons verteld dat het complex recent was gebouw.

Jacqueline zwaaide de openslaande deuren open, liep meteen het terras op en ontvouwde de strandstoelen. Ze zagen er leuk uit met hun fel gestreepte kleuren.´

‘Ziezo, zei ze, het was een lange reis. De koffers pakken wij zo dadelijk wel uit Edward en ze ging zitten.’

Ik was ook moe, maar wilde niet gaan zitten, er was nog wat werk te doen. Onze koffers moesten nog worden uitgepakt. De hitte van buiten viel als een deken in het woonkamergedeelte. De reis was vermoeiend geweest, vooral de busrit van Malaga naar Los Boliches. Onderweg zag ik wel veel en reden wij soms langs de kust met de daaraan liggende plaatsen. Ik had dorst gekregen. Het blikje cola wat ik op het vliegveld had gekocht was leeg. Ook Gerard had niets meer. Ik liep richting de aanrecht en deed de kraan open. Onverwacht deed ik de kraan weer dicht. Wat had die reisadviseur van het reisbureau ook weer tegen ons gezegd: ‘geen water uit de kraan drinken, want het water was niet zo gezuiverd als in Nederland en er zat teveel chloor in.’ Als je water wilde drinken, dan moest het eerst worden gekookt en dan af laten koelen, alvorens je het kon opdrinken. Wat een gedoe, dacht ik bij mijzelf. Dat was geen optie. Wij moesten vanmiddag nog boodschappen doen en op zoek gaan naar een winkel of supermarkt. Het appartement was geboekt met alleen logies, dus moesten wij zelf zorgen voor alle maaltijden. Ik zocht naar een fluitketel in een van de kastjes, die naast een nest schalen en wat simpel serviesgoed stond. Ik deed het gas aan, tapte kraanwater in de fluitketel en liep de slaapkamer weer in. Gerard was intussen bezig zijn kleding uit zijn koffer op te hangen in de slaapkamerkast die wij samen moesten delen. De kast was helaas niet zo groot en wij besloten om een gedeelte van de kleding maar in onze koffers te laten zitten. Na het opruimen schoof ik onze koffers onder het tweepersoonsbed.

Ik liep de woonkamer weer in, omdat de fluitketel zijn deuntje speelde en zag dat de koffers van Edward en Jacqueline nog steeds naast een zwart, houten salontafeltje stonden. Op hun gemak zaten ze op het terras en lieten de koffers voor wat het was. Ik had mijzelf beloofd om niet teveel op hun te letten, want ik was nogal kritisch ingesteld en hield de boel graag netjes. Het kokend hete water schonk ik in een glazen kan, die eigenlijk bestemd was voor de koffie, maar ik moest toch wat. Het zou nog even duren voordat het water was afgekoeld.

Edward keek vanaf het terras de woonkamer in, zag mij staan en kwam naar binnen.

‘Zou die televisie het doen Sonja? vroeg hij aan mij.

‘Probeer het maar, zei ik tegen hem.’ Hij liep regelrecht naar het apparaat toe die op een dressoir stond. Hij drukte op een paar knoppen en bekeek een paar zenders.

´Allemaal buitenlandse zenders, daar heb ik niets aan mompelde hij.´

´Wat dacht je dan Edward! Wij zitten in Zuid Spanje. Nederlandse zenders kun je voorlopig vergeten, zei ik wat droog.´

Jacqueline stond eindelijk op uit haar stoel en vroeg aan Edward of hij met haar mee wilde gaan naar hun slaapkamer en neem de koffers ook even mee schat?´ Hij deed de televisie uit en liep haar achterna de slaapkamer in.

Eerlijk gezegd zou het voor ons ook wel even goed zijn om te gaan rusten, dan doen wij vanmiddag de boodschappen, zei ik tegen Gerard toen ik onze slaapkamer inliep. Dat lijkt mij een prima idee. Het was intussen 12.00 uur zag ik op mijn zilveren horloge. De zon stond hoog aan de hemel.

Blijkbaar waren wij in slaap gevallen. Opeens schrok ik wakker en keek in eerste instantie verbaasd in de rondte. Waar was ik eigenlijk? Ik had zo vast geslapen, dat ik mij niet realiseerde dat ik in Spanje was met mijn lieve Gerard. Wij waren nu bijna één jaar verloofd. Toen ik hem leerde kennen viel ik als een blok voor hem. Hij was slank, had donkerblond, licht golvend haar. Hij was behulpzaam, maar hij had toch ook een negatieve karaktertrek en dat was dat hij gauw jaloers was. Zelf was ik volslank en had lang, blond haar. Ik wist dat jongens graag naar mij keken, maar maakte er geen misbruik van. Door mijn spontaniteit legde ik ook vrij snel contact.

Ik ging op de rand van het bed zitten. Gerard lag nog te slapen. Mijn zwarte teenslippers schoof ik aan mijn voeten en liep de woonkamer weer in, die wij gezamenlijk veertien dagen moesten delen. Uit mijn zwarte handtas haalde ik een rol ‘kaakjes’, nam er twee en legde de rol op het tafeltje neer. Ik ging zitten op het terras. Licht glooiende bergen doemden op. Het landschap bestond uit wat lage dorren struiken, zon gebleekte grasvlakten en zanderige wegen. Hier en daar zag je een boom die wel bestand zou zijn tegen de felle zon.

In de nabij gelegen slaapkamer hoorde ik wat gestommel en besloot om de woonkamer binnen te gaan.

‘Hoi Sonja, zei Angelique tegen mij, die in de slaapkamerdeur verscheen. Ik heb toch heerlijk geslapen?

‘Nou ik ook hoor! Eerlijk gezegd zat ik al op jou te wachten, want wij gaan vanmiddag op zoek naar een winkel om de nodige boodschappen te doen. De receptioniste had tegen ons gezegd dat de winkels pas in de namiddag open zouden gaan vanwege hun siësta.

´Wat is een siësta nou eigenlijk Sonja?’

‘In verband met de hitte van de zon, gaan de Spanjaarden rusten tussen 12.00 en 14.00 uur. De zon staat dan hoog aan de hemel. De meeste mensen sluiten dan hun winkels en staken met buiten werkzaamheden.

‘Laat de mannen dan maar even verder slapen, ik leg wel een briefje voor ze neer dat wij boodschappen aan te doen zijn, Sonja.’

‘Een ding moeten wij niet vergeten, zei ik weer: flessen met water. Water drinken uit de kraan is slecht dat wij het risico lopen om diarree te krijgen.’

Jacqueline fatsoeneerde met haar smalle vingers haar donkerblonde, halflange haar. Ondanks ze stevig van postuur was volgde ze de mode op de voet. Zelf had ik het niet zo met mode. Eigenlijk waren wij tegenpolen. Zij hield van kleding en ik droeg kleding vaak uit noodzaak en liep hoofdzakelijk rond in spijkerbroeken. Gerard had weleens tegen mij gezegd: ‘koop eens een leuke, korte, rok?’

‘Wat sta je in gedachten Sonja; kom wij gaan? Wij moeten nog uitvinden waar de dichtstbijzijnde winkel is. Jacqueline krabbelde snel iets op een stukje papier dat ze uit haar agenda had gescheurd en legde het op de kleine salontafel neer. Wij pakten onze handtassen en gingen op weg.

Vanaf het hotel liep de weg glooiend naar beneden richting het dorp. Er was nog geen winkel te zien, maar wel Spaanse mensen die ons groeten en voor hun deuren zaten op houten stoelen met biezen matting. Er waren niet veel oudere kinderen op straat. Die waren blijkbaar nog op school. Halverwege de weg was er een kleine benzinepomp, maar nog steeds was er geen winkel te zien. Hier en daar zag ik een wirwar van straatjes met witgekalkte huizen. De middenweg was niet geasfalteerd, maar bestond uit verhard zand, dat opstoof als er een auto passeerde. Een gedrongen man met een zwarte, platte pet passeerde ons met een ezel, die er net zo stoffig uit zag als de straat. Het dier had een strooien hoed op, waarvan de rafels zichtbaar waren. Tussen zijn oren zat de hoed geklemd. Het was zo’n grappig gezicht dat ik bijna moest lachen. Het lastdier droeg aan weerszijden middelgrote kruiken die vastzaten aan diverse touwen in twee manden.

‘Wat zou er in zitten vroeg ik mij af? Wijn misschien?

‘Kijk daar eens Sonja, riep Jacqueline. Aan de linkerkant is volgens mij een kleine supermarkt.’

‘Het wordt tijd, want wij zijn nu al drie kwartier onderweg.’

Een allervriendelijkste Spaanse verkoopster van middelbare leeftijd zei ons gedag toen wij haar supermarkt binnenstapte en wij zwaaiden naar haar. Tussen de schappen zochten wij naar de boodschappen en namen het hoognodige mee. Ook harde broodjes namen wij mee, die de vrouw zorgvuldig in een plastic zak deed. Ze mompelde iets in het Spaans, maar ze had al gauw in de gaten dat wij toeristen waren. Na het betalen van de benodigde peseta’s kreeg ik de kassabon, die ik zorgvuldig bewaarde voor mijn plakboek thuis. Het leek mij een leuk aandenken om kassabonnen te bewaren.

Met een korte knik zeiden wij de vrouw gedag en gingen de lange weg terug omhoog.

‘Wat zijn die waterflessen zwaar, zei Jacqueline tegen mij en wat heb ik het warm.’

‘Ik heb het ook warm hoor, zei ik met een afgezakt gezicht. De volgende keer halen de mannen maar boodschappen.’

De receptioniste van ons complex riep ons, bij het zien van het dragen van de boodschappen en zei keurig in het Engels, dat er een paar keer per dag een busje naar het dorp reed om toeristen te vervoeren. Wij bedanken haar en vonden het jammer dat wij er zojuist geen gebruik van hadden gemaakt.

‘Dat had ons wat voetstappen gescheeld, mompelde ik.’

Jacqueline moest lachen en wij stapten de lift in. Ik deed de kamerdeur open en zag dat de mannen al in de kamer zaten. Edward kamde zijn rossige haar en Gerard zat onderuit op de bank televisie te kijken.

‘Kom maar hier dames, ik pak de boodschappen wel aan en ruim ze op bood Edward aan. Ik zie dat jullie ook broodjes hebben meegebracht. Dan smeer en beleg ik ook nog wat broodjes voor ons. Tot heden hebben wij nog niet veel gegeten.

‘Gerard, wil jij voor ons wat water inschenken; dat hebben wij wel verdiend, vroeg ik aan hem. Natuurlijk doe ik dat. Weet je dat het afgekoelde water wat op de aanrecht staat niet te drinken is, het smaakt naar chloor.

‘Gatver…! riep Jacqueline. Thuis heb ik in een tijdschrift gelezen dat je last krijgt van je darmen als je ervan drinkt.’

‘Dat zei ik toch Jacqueline.’

‘Nou vanaf vandaag is dat afgelopen. Wij hebben ons gesjouwd aan zes flessen water en de nodige boodschappen. Kijk maar de striemen staan nog in mijn handen van het handvat van de plastic tasjes en liet mijn handen aan Gerard zien.

Edward nam de boodschappentasjes aan en ik liep naar de slaapkamer, pakte uit mijn koffer wat brochures en las dat er op de boulevard van Torremolinos, een stad in de regio, wat restaurants waren en cafés. Daar gaan wij vanavond dineren zei ik tegen de anderen en nam een flinke teug van het gekoelde water dat Gerard had neergezet. Het chloorwater dat op de aanrecht stond goot ik in de gootsteen.

‘Heerlijk zeg, wat heb ik daar naar verlangd, koel water. Ik nam een hap van het broodje met worst. Het broodje was wel vrij hard.’

In de namiddag vertrokken wij met het hotelbusje naar Torremolinos met zijn mooie strand, boulevard en palmbomen. De chauffeur vertelde ons, dat hij een paar keer per dag het strand bezocht tot 23.00 uur. Daarna moesten wij een taxi nemen om terug te gaan naar het restaurant. Op het warme zand legden wij onze badlakens neer en bleven er tot de avond. Na een paar uur was het tijd om een restaurant te zoeken op de boulevard.

Zo’n honderd meter verder zag Gerard een restaurant. Het terras had leuke gekleurde stoelen en tafels.

‘Zullen wij hier maar plaatsnemen, vroeg Gerard? Ik zie de ober al aankomen lopen, grapte hij’.

De man met een smalle snor, mompelde iets onverstaanbaars en gaf ons de menukaart. Onder een Spaanse tekst stond gelukkig met Engels geschreven, wat het menu betekende. Wij kozen gezamenlijk voor een eiergerecht, tortilla genaamd en een kleine karaf met Sangria. Het duurde nog vrij lang voordat het eten werd gebracht. Vanaf het terras, keken wij richting de zee en keuvelden wij over wat deze eerste dag ons had gebracht. De tortilla smaakte ons goed.

Het busje bracht ons weer terug naar ons appartement en namen nog plaats op ons eigen terras. Het was al vrij donker buiten en in de verte hoorde wij het geluid van wel honderden krekels. Mijn oogleden voelde zwaar aan. Het was tijd om naar bed te gaan.

De volgende ochtend was ik vroeg wakker en besloot ons ontbijt klaar te maken. Met het flessenwater dat ik in de fluitketel deed, zetten ik wat koffie, smeerde de broodjes en plaatste een bord met Spaanse worst, kaas, chocopasta en jam op tafel. De kaas zag er wat gebleekt uit en bleek bij het lezen op de verpakking uit Spanje te komen. Bij nader inzien was de kaas wel lekker, maar anders dan thuis. Eén voor één kwam iedereen uit bed en aten wij ons ontbijt op. Edward en Jacqueline besloten om vandaag naar Fuengirola te gaan een andere grote stad in de nabijheid van Los Boliches. Jacqueline had gehoord, dat daar meer winkels waren, want ze was dol op winkelen. Dat wist ik van haar. Gerard en ik besloten om eerst eens te gaan kijken of het zwembad van ons complex al gereed was om daarna met het busje weer naar Torremolinos te gaan. Het strand daar was ons goed bevallen. Met een fles water en wat versnaperingen gingen wij op weg. Op de terugweg zouden wij wat boodschappen meenemen voor de komende dagen.

De Spaanse chauffeur parkeerde zijn busje naast een potsierlijke open koets met een paard die geel met blauw gekleurde pluimen op zijn hoofd had. Aan zijn leidsels hingen rode kwasten en hij had oogkleppen voor. Op de bok zat een keurig geklede man in een zwart jacquet met op zijn hoofd een platte zwarte hoed. Bij het uitstappen grijnsde hij naar mij met zijn witte tanden, waardoor ik een gouden tand zag zitten. Snel liep ik Gerard achterna die al op het strand liep. Niet ver van de boulevard verwijderd vonden wij een leuk plekje. Net voordat ik de badhanddoeken wilde neerleggen zag in een aantal strandstoelen staan, die er gisteren niet stonden.

‘Zullen wij een strandstoel huren? vroeg ik aan Gerard die bezig was om zich om te kleden in zijn blauwe zwembroek. Ik zie alleen die strandstoelenverkoper nergens.’

‘Hier heb je mijn portemonnee Sonja, ik neem intussen een duik in zee.’

Ik nam plaats, pakte een tijdschrift uit mijn tas die ik vanuit mijn ouderlijk huis had meegenomen. Na enige tijd stond er opeens een corpulente man voor mijn neus, mompelde wat in het Spaans, maar ik begreep wat hij bedoelde. Drie vingers stak hij op en ik betaalde drie peseta’s. Hij stopte het geld in een juten zak die hij aan zijn broekriem had vastgemaakt, grijnsde en liep verder naar een echtpaar die een paar stoelen verwijderd van mij zaten. Met Edward had Gerard afgesproken dat hij en Jacqueline na hun bezoek aan Fuengirola, naar ons toe zouden komen op het strand. Wij zouden dan gezamenlijk weer gaan eten in een nieuw te ontdekken restaurant.

Wat later in de middag arriveerden ze en vertelden hoe ze de stad Fuengirola hadden beleefd. Ik moest lachen om Jacqueline. Ze vertelde honderduit over de nodige kledingwinkels. Ik kende haar al een tijdje. Ze woonde voor haar trouwen in de buurt van mijn ouderlijk huis en wij werden vriendinnen. Voor ze Edward leerde kennen op een schoolfeest gingen wij de zaterdagmiddagen regelmatig naar de stad om te winkelen. Vergeleken bij mij was ze koopziek en kocht ze regelmatig kleding. Edward had moeite met haar koopgedrag, maar nam het soms voor lief nu ze waren getrouwd.

Er passeerde een leuke, vlotte jongen van onze leeftijd en hij bleef onverwachts staan. Hij had zwart, gekruld haar dat op zijn schouders viel. Zijn donkerbruine ogen keken mij aan van top tot teen. Ik werd er bijna verlegen van. Uit een koelbox haalde hij een blikje cola tevoorschijn en met een glimlach gaf hij het aan mij. Ook de anderen gaf hij een blikje. Voordat wij wat konden zeggen stak hij een paar vingers op om aan te geven hoe duur de blikjes waren. Edward betaalde hem de peseta’s. Nadat hij het geld had aangepakt wees hij met zijn wijsvinger naar zijn borst en zei: ‘Manuel!’en gelijk wees hij naar mij en ik zei:

‘Sonja!’

Hij probeerde mijn naam na te zeggen, maar het kwam er zo stuntelig uit, dat wij allemaal moesten lachen, op één iemand na: Gerard. Verontwaardigd keek hij mij aan, er viel een stilte. Manuel had het blijkbaar in de gaten en droop af. Hij vervolgde zijn weg.

‘Waarom ben jij met die Manuel aan het flirten Sonja? vroeg hij geïrriteerd aan mij.

‘Flirten, hoe kom je erbij, je hebt toch zelf gezien hoe het ging. Het is gewoon een gewiekste zakenman, die ons overrompelde met zijn frisdrank. Ik moest alleen lachen hoe hij mijn naam uitsprak. Jij moet toch beter weten, wij zijn verloofd Gerard, weet je nog?

Jacqueline keek beteuterd mijn kant op, maar zei niets. Ze had zo’n reactie van Gerard zeker niet verwacht.

‘Zullen wij eens een restaurant opzoeken? vroeg Edward aan Gerard. Mijn maag begint onderhand te rammelen. Kijk niet zo droevig man, er is niets aan de hand.’

Wij sprokkelden onze spullen bij elkaar en kozen een nieuw restaurant uit op de boulevard. Enigszins in mijn eer getast, liep ik op gepaste afstand achter Gerard aan. Hij was altijd zo gauw jaloers en dat verpestte vaak de sfeer. Bij aankomst konden wij helaas niet buiten op het terras zitten en besloten om naar binnen te gaan. Het restaurant was in een typisch Spaans interieur opgetrokken met zwarte houten meubels. Hier en daar hingen kleine wijnkruiken in een groot visnet aan het plafond. Rondom de bar lag de stenen vloer bezaaid met schillen van garnalen, die sommigen Spanjaarden, na het eten ervan op de grond gooide. Wat smering dacht ik bij mijzelf en ging deels met mijn rug naar hun toe zitten. Deze keer bestelden wij een pan paella, wat frisdrank en sangria voor Edward, die er verslaafd aan bleek te zijn.

‘Ik slaap er lekker op Sonja, grapte hij, toen hij zag dat ik naar de karaf keek, die even later op tafel werd gezet. De ober bracht een grote pan paella binnen en vertelde in wat gebrekkig Engels dat wij gezamenlijk uit deze pan moesten eten.

‘Elk land heeft zo zijn gewoontes Edward, zei Jacqueline tegen hem.’

Na het heerlijke diner wandelden wij terug over de boulevard en kocht ik bij een souvenirwinkeltje een paar ansichtkaarten voor mijn ouders en zus. Ik vond twee leuke geborduurde kaarten met een voorstelling van een typisch Andalusisch danspaar erop. Ook nam ik een schattige, kleine ezel mee van stro gemaakt, die er uit zag als de ezel die ik eerder had gezien, met zijn strooien hoedje. De bus stond al te wachten en voor wij het wisten waren wij alweer gearriveerd bij het appartementencomplex.

De dag was alweer om. Edward keek nog televisie en Jacqueline pakte een boek en was even later verzonken in een verhaal. Gerard kriebelde opeens in mijn nek toen wij op de bank zaten. Ga je mee naar bed schatje, vroeg hij lief.

‘Hij had zeker iets goed te maken, mompelde ik binnensmonds.’

‘Wat zei je Sonja?’

‘Laten wij maar naar bed gaan, loog ik.’

De dagen vlogen voorbij en wij hadden veel ondernomen met of zonder elkaar. In de directe omgeving was er veel historie te zien. Wij hadden deze tips te danken aan een Spaanse gids die om de dag beneden in de lounge van het complex aanwezig was voor de toeristen. Hij stond ons met raad en daad bij. Bijna zat onze vakantie erop.

Vanonder zijn hoofdkussen van ons bed haalde Gerard zijn portemonnee tevoorschijn.

‘Wij zijn zuinig geweest Sonja en niet teveel geld uitgegeven, wij hebben namelijk nog een paar dagen te gaan.

‘Ik ga vanochtend niet met je mee naar de supermarkt, zei ik tegen hem. Vraag anders of Edward met je mee gaat?

‘Die ligt zijn roes nog uit te slapen van de Sangria van gisterenavond’.

‘Alweer! die drinkt dat spul als limonade, zei ik weer.’

‘Vraag of Jacqueline met je meegaat? Hier heb je het boodschappenbriefje.

Die middag vertrokken Gerard en Jacqueline met het busje richting de supermarkt. Op de terugweg zouden ze nog een kijkje nemen bij het zwembad. Ik wilde mij douchen deze ochtend en liep naar de badkamer toe. Er hing een penetrante lucht van vochtige handdoeken, die hier en daar rondslingerde. Er hing er zelfs een in de wasbak. Ik pakte het boeltje bij elkaar en legde het neer in een hoek van de badkamer. Vanavond zou ik het met de anderen bespreken. Een beetje opruimen kon toch wel vroeg ik mij af. Ik keek op mijn horloge, het kamermeisje had er al moeten zijn met de schone handdoeken. Ik liep naar de slaapkamer waar Edward lag te slapen, deed de deur op een kier en hoorde een gesnurk.

‘Die is voorlopig niet wakker te krijgen, mompelde ik.’

Opeens herinnerde ik mij dat rond deze tijd onze gids José in de lounge aanwezig was. Ik moest schone handdoeken hebben, ook voor de anderen. Ik stapte in mijn zwarte teenslippers die onder de salontafel lagen, deed zachtjes de deur achter mij dicht en liep door de gang richting de lift. Toen ik uit de lift was gestapt zag ik José in een animerend gesprek met een echtpaar. Wat verderop aan de lange tafel zaten twee jongens, die mij iets ouder leken dan ik zelf was.

´Hebben jullie zo dadelijk ook een gesprek vroeg ik aan een van de jongens met rood piekhaar en zijn gezicht vol sproeten? Jazeker, antwoordde zijn vriend. Maar het echtpaar is al drie kwartier met de gids in gesprek.

‘Het is niet anders, fluisterde ik zacht. Ik ga even wat te drinken halen aan de bar. Als jullie José gesproken hebben willen jullie mij dan even roepen, vroeg ik beleefd. Ik blijf even bij de bar.

´Akkoord! zei hij weer en ik liep richting de bar en nam plaats op een met rood fluwelen zitting van de barkruk.

Nadat ik een tweede tonic had genuttigd, stapte ik van de kruk af en zag in een hoek van de lounge een bekend persoon zitten in gesprek met de manager van het appartementencomplex. Het was ´Manuel` de drankverkoper uit Torremolinos. Maar wat deed hij hier? Hij zag mij niet en ik liep terug naar de jongens die net opstonden en mij wenkte dat zij klaar waren met het gesprek.

‘Hallo Sonja, vertel! wat kan ik voor je betekenen, vroeg José aan mij?’

‘Het is mij opgevallen dat er gisteren en vandaag geen schone handdoeken zijn gebracht door een van de kamermeisjes. Ik wilde mij gaan douchen en trof alleen vochtige handdoeken aan.´

‘Je bent al de zoveelste van vanochtend Sonja, wij zijn sinds twee dagen onderbezet, omdat één van de kamermeisjes ziek is geworden en de andere heeft niets meer van zich laten horen. Maar ik zal meteen zorgen dat je schone handdoeken krijgt.’

‘Bedankt José en ik ging snel weer naar boven. Net toen ik was uitgekleed en in mijn korte badjas door de kamer liep, werd er op de deur geklopt. Dat is snel en liep naar de deur. In mijn haast vloog een van mijn slippers van mijn voeten en belandde in de buurt van de deur. Een stem zei: ‘ik heb hier een stapel handdoeken voor u.’

´Komt u maar binnen hoor en opende de deur zonder te kijken wie het was en liep meteen de woonkamer weer in.

‘Waar kan ik de handdoeken neerleggen antwoordde de persoon weer?’

Edward was intussen wakker geworden door luidruchtig gepraat en ging zitten op de rand van zijn bed. Wat was dat voor een onbekende stem. Nieuwsgierig opende hij de deur en keek voorzichtig, zonder dat iemand hem zag, de kamer in. Op hetzelfde moment hoorde hij een gil en een manspersoon lag languit met een partij handdoeken in de kamer. Eduard en ik zagen de man overeind krabbelen, wat niet direct lukte. Ik zag dat hij was gevallen over een van mijn slippers die nog bij de deur lag. Op het moment dat ik hem overeind wilde helpen, viel de bovenzijde van mijn badjas open, waardoor mijn borsten zichtbaar werden en keek ik in de ogen van Manuel. ‘Sonja! en hij mompelde iets onverstaanbaars in het Spaans, draaide zich om en rende de nog openstaande deur uit. Hij liep Gerard bijna omver, die aan de grond genageld in de deuropening stond. Snel verborg ik mijn borsten achter de kraag van mijn witte badjas. Gerard begon meteen te schelden en riep: ‘wat een mooie verloofde ben jij, vreemd gaan met die Manuel. Zie je nou wel dat je niet te vertrouwen bent. Heb je soms een stoeipartij gehad met die drankverkoper van het strand met al die handdoeken. Je borsten hingen als rijpe appels uit je badjas.’

Ik wilde wat tegen hem zeggen, maar kreeg geen woord uit mijn keel. Door zijn onverwachte reactie was ik overdonderd. Edward hoorde wat Gerard tegen mij zei, kwam de woonkamer binnengelopen en schoot mij te hulp.

‘Gerard! Niets is wat het lijkt! Er is helemaal niets gebeurd, want ik heb alles vanuit mijn slaapkamer zien gebeuren.´

Maar Gerard was boos en liep meteen de deur weer uit en passeerde Jacqueline, die net naar binnen wilde komen met een tas met boodschappen.´

De andere tas met boodschappen staat nog bij de lift Gerard!´, riep ze hem nog na, omdat ze niet wist wat er aan de hand was. Ik ruimde de handdoeken op en begon opeens onbedaarlijk te huilen.

‘Ga zitten Sonja ik zet wel even koffie, zei Edward.´

De rest van de dag zag ik Gerard niet meer. Rond middernacht kwam hij binnen. Maar Edward was streng en beval hem te gaan zitten en te luisteren wat hij te zeggen had. Zelf hield ik mij samen met Jacqueline afzijdig op het terras van ons appartement en sloten de openslaande deuren. Binnen ging het er heftig aan toe. De schellen waren van mij ogen afgevallen. Met deze jaloerse jongen kon ik niet gaan trouwen en ik vertelde tegen Jacqueline dat ik van plan was een punt achter onze relatie te zetten als ik weer in Nederland was.

‘Weet je het zeker Sonja, vroeg Jacqueline aan mij?’

‘Heel zeker, ook al biedt hij zijn verontschuldigingen aan, mijn besluit staat vast.’ Rond middernacht verontschuldigde hij zich, maar ik nam het voor kennisgeving aan.

Onderweg naar het vliegveld verontschuldigde hij zich opnieuw voor zijn woedeaanval en zijn onuitstaanbare gedrag, maar ik was niet te vermurwen en vertelde hem dat het over en uit was tussen ons. Bij aankomst op Schiphol ging hij weg zonder afscheid van mij te nemen en ging ik samen met Edward en Jacqueline met de taxi naar huis. Nooit heb ik meer iets van Gerard gehoord. Jaren later trouwde ik met mijn lieve man Cees.

Edward en Jacqueline verloor ik na jaren uit het oog, tot op het moment dat ik een rouwadvertentie in een landelijk dagblad las. Jacqueline was overleden. Ik was zelf sinds twee jaar weduwe van Cees en wist wat Edward nu moest meemaken en nam mij voor om naar de begrafenis te gaan. Ik had hem in jaren niet gezien. Zo kregen wij onverwachts weer contact met elkaar. Vier jaar na de dood van Jacqueline trouwden wij met elkaar en verbleven elk jaar in de winter in ons koopappartement in Spanje.

Opeens hoorde ik voetstappen, keek omhoog en zag twee blauwe ogen die naar mij lachten en hij zei: Wat zit je toch in gedachten Sonja? ´

´Ach, ik dacht weer even aan vroeger tijden Edward, vooral aan het moment dat jij tegen Gerard zei: ‘Niets is wat het lijkt! Toen wist ik hoe Gerard werkelijk was en met een jaloerse man kon ik niet leven.

Wat een verloren verleden was, is nu een nieuwe toekomst voor ons beiden!

 

 

EEN NIEUW BEGIN VOOR PEPIJN

2538951

In kleermakerszit rust Pepijn op het midden van zijn bed en huilt. Niemand is thuis alleen zijn jongere broertje Youp. Veel kinderen op de Mavo benijden mij om de mooie witte villa waar ik woon, mompelt hij door zijn tranen heen. Ze moeten eens weten hoe eenzaam ik vaak ben. De meeste avonden van de week zit ik alleen thuis dan ontferm ik mij over Youp. De cyperse kat die op het beige vachtje voor zijn bed ligt, springt op zijn bed en geeft hem een kopje langs zijn benen. Ach lief dier, jij en Youp weten dat we ons zo eenzaam voelen. Ik heb wel vrienden net als Youp maar onze ouders zijn bijna nooit thuis. Ze hebben het maar druk met hun horecabedrijven in Leiden. Ze houden van gezelligheid maar buiten de deur en blijven na sluitingstijd nog even praten met de gasten. Pas tegen de avond eten wij laat en Youp en ik moeten dan alweer bijna naar bed. Mijn ouders zijn niet slecht hoor, prevelt hij tegen de kat, maar Youp en ik krijgen te weinig aandacht. Soms eten wij gezamenlijk, maar ook vaak alleen. Er vallen wat tranen op het dier zijn kop die hem vragend aankijkt.

Hij stapt uit bed en loopt naar de linnenkast. Vanonder een lichtblauwe dekbedhoes haalt hij sigaretten tevoorschijn en steekt er een op en na verloop van tijd weer een. Zijn vader weet niet dat hij rookt en zeker niet dat hij sigaretten in huis heeft. Hij heeft hem ten strengste verboden te roken. Maar wat kan het hem schelen, niemand let op hem en zeker overdag niet. Zelf na schooltijd rookt hij, maar dan samen met zijn vriend Frits. Hoe zou het met Frits zijn ik zal hem eens opbellen. Frits zijn vader is ook bemiddeld maar heeft het geluk dat zijn ouders er wel altijd voor hem zijn.

Hij pakt zijn GSM en draait het nummer van Frits. Hallo, met Frits, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Met Pepijn!. Hoe is het met jou Pepijn? Nou, eigenlijk niet zo goed, ik voel me weer zo alleen. Youp is vandaag bij een vriendje en ik ben alleen met de kat. Mijn ouders komen vanavond weer laat thuis, want het is zaterdag. Kom maar naar mijn huis toe Pepijn, zegt Frits. Ik kom er zo aan, want ik moet mij nog even aankleden.

Wat later vertrekt hij op zijn fiets door het villapark waar Frits woont. Hij woont daar samen met zijn ouders in een bungalow. Daar is het huis al ziet hij. Het witte schelpenpad kraakt door de fietsbanden en zet zijn fiets naast de garagedeur. Het is een mooie bungalow. Frits zijn vader is bankdirecteur van de plaatselijke bank en zijn moeder is meestal thuis. Hij belt aan en Frits doet open. Is je moeder niet thuis Frits, vraag hij aan hem. Ze is vanochtend vertrokken naar een zieke vriendin en komt vandaag ook wat later thuis, maar wel rond etenstijd.

Wil je eerst wat drinken. Doe maar een cola met citroen. Met hun glazen drinken lopen ze richting de slaapkamer van Frits. Zullen we een sigaretje roken Frits. Nee, niet hier want mijn moeder zal dat gelijk merken. Pepijn neemt een grote slok van zijn cola. Heerlijk is dat. Wat zullen we eigenlijk gaan doen Frits? Nou ik dacht eraan om vandaag naar een muziekfeest te gaan in Noordwijk aan Zee. Dat lijkt mij gaaf Frits, maar eigenlijk heb ik nog niet gegeten. Als jij je ouders belt, dan bak voor ons een omelet met wat brood.

Hij pakt zijn GSM en belt het nummer van Café De Bierelier. In gesprek. Even wacht hij en probeert het opnieuw. Nog steeds in gesprek. Ik stuur ze een SMS-je, mompelt hij. Even later hebben ze beiden de lunch opgegeten. Op een tafeltje in de grote hal legt Frits een briefje neer voor zijn moeder, maar dat hij niet thuiskomt met eten en gaan naar buiten. Het is droog weer en het is niet koud. Ze stappen op hun fietsen en rijden naar Noordwijk aan Zee. Het is een uur rijden vanaf hun huis.

Op de boulevard aangekomen parkeren ze hun fietsen naast de reling van een trap die naar het strand gaat. Ze ketenen hun fietsen aan elkaar vast. Beneden aan het strand is een strandpaviljoen en in de buurt is het muziekspektakel. Bewaar jij de fietssleutels in je broekzak Pepijn, dan gaan we naar beneden. Frits geeft hem de fietssleutels. Op het strand aangekomen zien ze in de verte al een grote groep mensen staan te luisteren, zeker een paar honderd. Door het rulle zand lopen ze richting het podium waar de band speelt. Luister eens Frits, wat een geluid die Hip Hop muziek. De muziek gaat steeds harder en de mensenmassa joelt en ze deinen mee op de muziek.

Na drie kwartier vraagt hij aan Frits: ik wat te drinken halen voor ons bij dat paviljoen daar, waar we zijn langsgekomen. Wil je ook wat. Nou graag Pepijn, neem maar cola mee en voor ons beiden een zak popcorn. Ik wacht hier op je!

Met de bestelling in zijn gedachten worstelt hij zich door de mensenmassa richting het paviljoen. Daar is het ook al zo druk ziet hij. Ik ga eerst maar eens naar het toilet, dan zie ik wel weer. Wat verderop staat een houten vlonder met drie toiletcabines ziet hij. Op de bovenste tree van de drie stapt hij de middelste cabine binnen. Na zijn toiletgang zwaait hij de toiletdeur open die pardoes tegen de elleboog aankomt van een uit de kluiten gewassen lounge type, die net de toiletdeur naast hem in wil gaan. Au, dat doet verrekte zeer, kun je niet uitkijken, uilskuiken schreeuwt die man tegen hem. Voor dat hij sorry wil zeggen geeft de man hem een harde stomp op zijn bovenarm en wil hem vastpakken. Van deze agressieve man win ik het niet denkt hij en springt direct van de drie treden naar beneden in het zand en zet het op een lopen. Dwars door het publiek richting het paviljoen. Bij het strandpaviljoen aangekomen ziet hij dat het nog behoorlijk druk is. Die man heeft hem bijna ingehaald, maar hij krijgt een idee. Als ik nou wegduik tussen een groepje mensen dan ziet die man mij niet en enigszins gebukt loopt hij verder de hoek om achter het paviljoen. Daar zijn geen mensen ziet hij, wel staan er lege kratten met flessen, kartonnen dozen en bierfusten. Uitgeput valt hij neer en zijn adem stokt. Ik hoop dat die man mij niet heeft gezien, maar bij het omhoog komen kijkt hij in een paar kwade ogen van de man waarvoor hij op de vlucht was. Voordat hij wat wil zeggen krijgt hij een vuistslag in zijn gezicht. Alles draait voor zijn ogen en weet van niets meer.

De man ziet wat er gebeurt en schrikt van zijn agressieve daad. Hij ziet dat de jongen met zijn hoofd tegen de houten vlonder valt, waarop het paviljoen staat. Dat was niet zijn bedoeling en ziet dat de jongen roerloos blijft liggen. Er sijpelt wat bloed langs zijn hoofd. Even blijft hij staan en zet het meteen op een lopen, dwars door het publiek van het paviljoen. Twee mensen loopt hij omver, maar dat deert hem niet en weg is hij de gewonde Pepijn achter zich gelaten.

Waar blijft Pepijn nou? Ik wacht nu al een half uur op hem en begin dorst te krijgen en trek. Zou het zo druk zijn. In de verte ziet hij wel wat mensen staan, maar Pepijn is al een tijdje weg. De muziek speelt verder. Het begint hem opeens te irriteren en loopt een aantal meters van het podium vandaag. Zo hier is het wat rustiger. Ik zal hem eens bellen waar hij blijft met de cola en de popcorn, zegt hij hardop.

Wat ben jij toch een ondeugende meid, zegt John tegen Lisa en trekt haar dichter tegen zich aan en geeft haar spontaan een zoen op haar neus. Hé stouterd, dat mag je niet doen zegt ze plagend tegen hem en ze maakt zich van hem los uit zijn armen en rent weg door het rullen zand. Ze ziet het paviljoen en verdwijnt aan de achterzijde en gaat zitten in het zand en moet hard lachen. John allang gezien dat zijn vriendin de hoek om ging bij het paviljoen en loopt op zijn gemak naar haar toe. Voorzichtig kijkt hij om de hoek van het paviljoen en zegt lachend, ha, ha, Lisa ik heb je gevonden. Ze staat op om weer weg te rennen, maar de kratten limonade staan in de weg. Even raakt ze uit balans en grijpt zich vast aan een stapel kratten, maar wat ziet ze daar? daar ligt iemand deels op het zand en met zijn hoofd op de vlonder. Hij ligt zo stil. Ze raakt in paniek en schreeuwt tegen John dat hij moet komen. Kijk eens John daar ligt een jongen, hij ligt zo stil; misschien is hij wel dood.

John handelt meteen en vraagt aan Lisa of ze een ambulance wil bellen. Ik loop snel naar de paviljoeneigenaar en vraag om hulp, misschien is het nog niet te laat. Lisa belt meteen de ambulance. Intussen rent John het paviljoen binnen, het is vol met mensen. Help, help nou toch roept hij en enkele mensen kijken verschrikt om hem heen. Er komt een man naar John toe, wat is er aan de hand man? vraag de man aan hem. John vertelt in het kort het verhaal en de man vraagt of er mannen zijn die even mee willen helpen. Binnen vijf minuten ziet Lisa John weer terugkomen met drie mannen. Een van de mannen blijkt de eigenaar te zijn van het paviljoen. Een van de mannen pakt de pols van Pepijn en voelt dat deze zwak is. Lisa vertelt dat ze de ambulance heeft gebeld en dat die zich moeten melden bij het paviljoen. De eigenaar probeert een mond op mond beademing en meteen erna brengen ze Pepijn naar het paviljoen en leggen hem op een houten bank met kussens. In de verte horen ze een ambulance. Lisa loopt naar buiten en ziet het ambulancepersoneel met een brancard de stijle houten strandtrap aflopen vanaf de boulevard. Ze wacht hun op onderaan de trap. Komt u maar mee en de mannen lopen het paviljoen naar binnen. Het ambulancepersoneel hoort het relaas aan van John en Lisa en verzoeken hun om een telefoonnummer achter te laten om eventueel te getuigen bij een politieonderzoek, want de politie wordt gebeld zegt één van de ziekenbroeders. Pepijn wordt aan de beademing gelegd en in de ambulance geplaatst en naar een dichts bijzijnd ziekenhuis gebracht in Leiden.

Van dit alles heeft Frits geen weet en hij maakt zich erg ongerust. Hij had Pepijn gebeld, maar die nam de telefoon niet op en heeft hem toen een SMS-je gestuurd. Maar ook daar kreeg hij geen reactie op. Ongeduldig loopt hij weg van het lawaaierige podium richting het paviljoen en het is al wat later in de middag geworden. Hij heeft dorst en trek en kijkt in de rondte. Het is niet zo druk meer bij het paviljoen en ziet Pepijn nergens. Eerst maar even een broodje bestellen en een flesje drinken, dan ga ik wel op zoek naar hem, maar het zit hem niet lekker.

In de ambulance heeft een ziekenbroeder de zakken nagekeken van de broek van de jongen. Hij is nog niet aanspreekbaar ziet hij. Zojuist heeft hij hem een drukverband om zijn hoofd gedaan, want de jongen had een aardige wond aan zijn hoofd. Uit een van de jongen zijn zakken haalt hij twee fietssleutels, een zakdoek, portemonnee, een GSM-toestel . Hij kijkt in de portemonnee en vind het identiteitsbewijs van de jongen en leest Pepijn van Gent, zijn geboortedatum en zijn adres in Leiden. Hij pakt de GSM en leest wat berichtjes door en leest een melding van ene Frits die vraagt waar hij blijft. Zonder te twijfelen belt hij het nummer van die Frits.

Frits neemt net een tweede hap van zijn broodje en hoort zijn telefoon over gaan. Daar zal je Pepijn hebben, denkt hij. Hallo Pepijn roept Frits enigszins geïrriteerd door de telefoon. Sorry, maar spreek ik met ene Frits zegt de ziekenbroeder tegen een stomverbaasde Frits die een andere stem hoort en zegt meteen tegen hem. Niet schrikken hoor, u spreekt met een ambulancebroeder en vertelt meteen het verhaal aan Frits. Op hetzelfde moment rijdt de ambulance het Leids Ziekenhuis binnen. Sorry, ik moet ophangen. Kunt u mij nog even over twintig minuten terugbellen, zegt de man weer tegen Frits. Ja, natuurlijk en hij hangt op.

Licht verdoofd door het gesprek met de ambulancebroeder gaat Frits zitten op het zand tegen de trapleuning van het strandpaviljoen en neemt een flinke slok van zijn flesje drinken. Pepijn in het ziekenhuis, hoe kan dat en wat is er gebeurd??? De ziekenbroeder wilde hem het verhaal vertellen, maar werd onderbroken omdat de ambulance het ziekenhuis binnenging. Hij had afgesproken om de man –zoals afgesproken- na twintig minuten te bellen.

Nadat de ziekenbroeder Frits aan de telefoon heeft gehad, belt hij meteen de politie en vertelt in beperkte mate wat er is gebeurd bij het paviljoen in Noordwijk en geeft het telefoonnummer door van het jonge stel die Pepijn hadden gevonden. Net nadat het gesprek is geëindigd, doet zijn collega de ambulancedeuren open en samen rijden ze Pepijn eerst naar de spoedeisende hulp, waar een dokter ter plekke is. De dokter adviseert een van de ambulancebroeders de ouders van Pepijn te bellen, want die weten niet wat er is gebeurd. Aan de hand van het GSM-toestel van Pepijn belt de man het telefoonnummer wat vermeldt staat achter het adres. De telefoon gaat over en de ambulancebroeder vertelt het relaas aan de moeder van Pepijn die geschokt reageert. Haar kind in het ziekenhuis?

De twintig minuten zijn allang voorbij, als Frits voor de derde keer Pepijn’s nummer belt. Eindelijk gaat de telefoon over. Ja, hallo met Frits, de vriend van Pepijn, ik zou u nog terugbellen, maar de telefoonlijn was steeds in gesprek. Dat kat, zegt hij tegen Frits, ik moest nog een paar dringende telefoontjes plegen zoals de ouders van Pepijn. O gelukkig zegt hij tegen de man, maar wilt u mij nu ook eens vertellen wat er toch aan de hand is en de ambulancebroeder vertelt hetzelfde verhaal nu ook aan Frits.

Intussen heeft de moeder van Pepijn het verhaal verteld aan haar man en aan haar jongste zoon Youp. We gaan nu onmiddellijk naar het Leids ziekenhuis toe en stappen even later in de auto op weg naar Leiden. Ook Frits had niet stilgezeten. Het muziekfeest was een fiasco geworden. Na het telefoongesprek loopt hij in gedachten over het strand naar de boulevard. Het was al schemerig aan het worden en loopt richting de fietsen die ze vanmiddag hadden neergezet. Ook dat nog! zegt hij hardop. De fietssleutels zitten in de broekzak van Pepijn. Nu kan ik niet naar huis! Ook zijn ouders zouden ongerust zijn, want die weten nog van niets. Door de hele consternatie had hij ze vergeten op te bellen en misschien hebben ze al gebeld, maar door de harde muziek heb ik natuurlijk niets gehoord. Hij pakt meteen zijn GSM-toestel uit de borstzak van zijn denim-jack. Zie je nou wel, ze hebben één uur geleden gebeld en ik heb niets gehoord! Wat zal vader boos en ongerust zijn en hij draait meteen het telefoonnummer van zijn vader. Met van der Burg, hoort hij. Dat is de stem van zijn vader. Ja, pa, met Frits ik…….. en hij wordt onderbroken. Wel verdorie jongen, waar zit je! ma en ik proberen je al een paar keer te bellen, maar er wordt maar niet opgenomen. Je moeder is erg ongerust. Kom meteen naar huis en hij hoort dat zijn vader erg boos op hem is. Dat zou ik wel willen Pa, maar er is vandaag het een en ander gebeurd en hij vertelt gehaast het verhaal van Pepijn en van de fietssleutels die nog in de broekzak van Pepijn zitten en hij dus niet naar huis kan komen. Nou jongen wat doe je ons aan. Wij komen er direct aan met de jeep want daar kunnen wel een paar fietsen in. Weet de familie van Gent al wat er is gebeurd. Ja, pa dat heeft een ambulancebroeder al geregeld. Maar waar sta je eigenlijk jongen. Hij hoort dat de stem van vader al wat milder klinkt. Op de boulevard van Noordwijk naast Paviljoen de Zeester. Oké, jongen –je moeder trekt steeds maar aan mijn mouw-, maar ik leg het wel uit aan haar als we onderweg naar jou toe zijn. Oké en met een diepe zucht drukt hij de GSM uit. Hij gaat op de balustrade zitten waar de fietsen tegenaan staan. Hij kijkt achterom en ziet dat het strand al voor de helft is verlaten. De bandleden zijn al van het podium vertrokken, maar er staan nog een aantal mensen beneden bij het paviljoen. Hij rilt en het wordt frisser. Hoe zou het met Pepijn zijn??

Afzonderlijk van elkaar vertrokken ongeveer gelijktijdig de familie’s Van Gent en Van der Burg uit Noordwijkerhout. De een naar Pepijn en de ander naar Frits. Er is nu ongeveer een half uur voorbij gegaan en nog steeds ziet Frits geen Jeep. Zouden ze ouders het wel kunnen vinden, maar ineens wordt zijn gedachten onderbroken door een lichtsignaal van een auto. Daar heb je mijn ouders mompelt hij en rent naar de auto toe die net wil gaan parkeren. Zij vader stapt al eerste uit en omhelst hem en moeder in vaders kielzog ziet hij. Gelukkig we hebben je gevonden. Nu meteen de fietsen inladen want het is al laat. Morgenochtend bel ik meteen het ziekenhuis zegt hij tegen zijn vader. Doe dat jongen, maar nu gaan we naar huis. Onderweg vertelt hij zijn moeder dat hij Pepijn wilde opvrolijken, omdat hij in een dip zat en de reden en dat de dag een andere wending had gekregen. Hij had Pepijn willen opvrolijken om naar het muziekfestival te gaan, maar het pakte allemaal verkeerd uit. Morgen bel ik de ouders van Pepijn hoe het met hun zoon is en dat zijn fiets bij ons staat. Ja, doet u dat maar moeder en hij valt door vermoeidheid tegen zijn moeders schouder in slaap, net voor de deur van het huis. Frits nog even wakker blijven jongen, want we zijn thuis.

De arts constateert dat Pepijn even buiten bewustzijn is geweest, een zware hersenschudding heeft opgelopen en een gekneusde schouder, dat vertelt hij aan de ouders van Pepijn die net zijn binnengekomen. Daarom is uw zoon nog niet aanspreekbaar. Ze kijkt naar haar zoon met zijn witte gezicht en er vallen tranen. Ze had het SMS-je van hem gekregen en gezien dat hij met Frits naar een muziekfestival was gegaan en niet thuis kwam eten. Ze had zich in eerste instantie niet bezorgd gemaakt. Ze ziet dat haar man haar aankijkt en gaan zitten naast het bed van hun zoon. Bij de aanblik van zijn zoon realiseert hij zich ineens dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn.

De arts sommeert hun om te wachten in de wachtruimte. Onderweg er naar toe kan ze haar tranen niet meer bedwingen en zegt tegen haar man. Omdat ik als moeder teveel van huis weg ben, raak ik bijna mijn zoon kwijt en zo dadelijk ook nog ons jongste kind. Ik denk er nu over om minder te gaan werken. Dan nemen we maar wat personeel erbij. Je hebt gelijk Lies, zegt hij tegen haar, maar we praten er nog over. Pepijn is nu onze zorg en onze jongste Youp die zo stil naast ons zit. Gaat Pepijn dood papa zegt Youp ineens tegen zijn vader. Nee, hoor jongen, zo erg is het niet heeft de dokter gezegd, maar Pepijn is nog wel een tijdje ziek. Wanneer mag hij naar huis, vraagt hij weer en ook Youp begint te huilen. Pepijn en jij zijn voor ons heel belangrijk, maar wij hebben het altijd maar druk en waren bijna vergeten dat jullie er ook nog zijn, valt zijn moeder hem in de rede. Ja mama, dat is zo. De arts vertelt even later dat Pepijn nog niet bij bewustzijn is, en dat het beter is –omdat het al zo laat is- om naar huis te gaan. Ik zal u morgenochtend opbellen over de stand van zaken van u zoon. Rond 23.45 uur arriveren ze. Wat zal de dag morgen brengen?

De volgende ochtend gaat al vroeg de telefoon in huize Van der Burg. Een politieagent wil graag een gesprek met Frits de vriend van Pepijn. Hij heeft al een gesprek gehad met een jong stel die Pepijn hebben gevonden achter het paviljoen. Ik zal mijn zoon even roepen zegt de moeder van Frits. Ik weet net zoveel als u mijnheer, zegt hij tegen de agent. De agent vertelt Frits dat Pepijn niet aanspreekbaar is voor een verhoor. Frits zucht, maar ik wil zo graag naar mijn vriend toe? Ik zal als ik jou was even het ziekenhuis opbellen. En voor dat ik het vergeet, de twee fietssleutels bewaart de hoofdverpleegkundige. Neem maar contact op? Dat doe ik en hij zegt de agent gedag, die het verhaal van hem zojuist heeft opgeschreven.

De agent strijkt door zijn baard en mompelt. Tot nu toe heb ik in deze kwestie nog steeds geen getuigen. Het jonge stel heeft Pepijn wel gevonden, maar de dader is nog zoek. Frits die hij zojuist had opgebeld weet ook niets, maar ik maak alvast een proces-verbaal op. Het slachtoffer is nog niet aanspreekbaar en het is af te wachten of hij meer weet van de dader. Die zelfde middag vertrekt hij met zijn ouders naar het ziekenhuis waar zijn vriend ligt. Zou Pepijn al bij kennis zijn pa, vraagt hij aan zijn vader. Ik weet het niet jongen, maar eerst gaan wij de fietssleutels ophalen, althans jouw fietssleutel. Bij aankomst in de hal van het Leids ziekenhuis ziet Frits een agent zijn. Hij loopt naar de man toe en zegt: bent u degene die mij gisteren heeft gebeld?? Ja, zegt hij want ik hoop Pepijn nu te kunnen ondervragen.

Een arts loopt naar de agent toe en Frits hoort zeggen, dat de agent Pepijn mag ondervragen. Helaas moet u nog even wachten zegt hij tegen de familie van der Burg. In de wachtruimte kunt u koffie of thee gebruiken. Als de agent klaar is met ondervragen, mag u even een kwartiertje naar binnen. Hoera, denk Frits en hij loopt zijn ouders achterna richting de wachtruimte.

De verpleegkundige zet Pepijn rechtop door middel van twee hoofdkussens. U mag spreken met Pepijn van Gent , mar helaas niet te lang. De agent knikt en gaat zitten naast het bed van Pepijn en vraagt het een en ander aan hem. Hij kan zich nog het signalement herinneren van een man die er wat onguur uitzag. Hij had een kort kapsel en enigszins kalend en stevige armen. Een bodybuilding type, zegt hij tegen de agent. Ook vond hij dat de man zich erg agressief gedroeg. Hij droeg een groengeblokt hemd dat onderaan was vastgeknoopt met een zwart short en groene teenslippers. Hij zucht, mijn hoofd bonkt zo en gaat onderuit zitten. Ik weet voor vandaag genoeg zegt de agent tegen hem en bedankt hem. Als ik meer informatie wil kom ik weer terug. Wordt maar snel weer beter en loopt de kamer uit.

Nadat de agent is weggegaan mag alleen Frits even naar binnen om Pepijn gedag te zeggen. Zijn ouders mogen niet naar binnen want dat is nog veel te vermoeiend voor Pepijn zegt ze. Frits ziet bij binnenkomst Pepijn met een verband om zijn hoofd zitten en een mitella aan zijn arm. Hij ziet er grauw uit en zijn ogen staan vrij diep. Pepijn ziet zijn vriend en er komt een mager lachje over zijn gezicht. Wat fijn dat je er bent, maar ik ben te vermoeid om met je te praten. Zodra ik beter ben maak ik een afspraak en zal ik je vertellen wat er uiteindelijk is gebeurd en zwaait Frits gedag.

Na één week komt Pepijn thuis en ziet de kamer vol met mensen zitten, ook zijn vriend Frits is er met zijn ouders. Ook de agent is aanwezig, maar degene die hij het meeste heeft gemist is zijn broertje Youp en vooral zijn ouders die hem uit het ziekenhuis hebben opgehaald. Het wordt hem even teveel. Ze maken er een gezellige ochtend van, met taart en wat kleine kado’s. Als iedereen weer naar huis is, vertellen zijn ouders dat moeder wat minder gaat werken en dat zij wat meer thuis zal zijn voor haar kinderen en dat vader zal proberen om wat vroeger thuis te zijn. Hij zal zorgen voor meer personeel. De jongens waren opgetogen om dit te horen. Eindelijk kregen ze nu een gezinsleven waar ze altijd op hadden gehoopt.

Door een alerte vrouw werd de dader na drie maanden opgepakt en verdween achter slot en grendel. De getuige die op die dag koffie bestelde bij het paviljoen werd bijna omver gelopen door een man in een groen shirt met een zwart short en een enigszins kaal hoofd. Doordat hij zo hard rende liep hij bijna nog twee mensen omver en dat was de vrouw opgevallen. Ook keek de man maar steeds achterom. Door een oproep in de plaatselijke krant omdat er een signalement werd gevraagd, wegens een ongeval achter een paviljoen, reageerde de vrouw die bij hetzelfde paviljoen stond.

Met Pepijn ging het langzamerhand beter. Zijn broertje en hij waren blij dat hun ouders meer tijd voor hun vrij hadden gemaakt en Frits zijn grote vriend was daar getuigen bij geweest.

 

 

 

VRIENDSCHAP.

imagesCAI75FHL

Urenlang  lag ik,  Slang,  verscholen tussen de hoge struiken en brandnetels langs het zandpad, niet ver van het hol van mijn vijand Kameleon vandaan. Vaak kwam ik dan ineens tevoorschijn. Dat deed ik om Kameleon te laten schrikken. Maar vandaag deed ik dat niet, want ik was wat anders van plan.

Jarenlang was ik jaloers op Kameleon. Iedere keer als ik hem weer eens zag veranderde hij steeds weer van kleur. Ik kon niet uitstaan dat hij van die mooie kleuren had en ik niet. Ook had hij dierenvrienden,  maar bij mij kwam nooit iemand langs. Op een zonnige dag stond Kameleon ineens voor mijn hol. Al kronkelend kwam ik naar buiten en zag hem staan met zijn prachtige oranje vel. Dat kwam vast en zeker door de zon, dacht ik, maar wat moest hij eigenlijk van mij? Zijdelings keek ik even naar mijzelf en dacht: “waarom heb ik zo’n grijs vel”? Eén keer per jaar kroop ik weleens uit mijn vel en kreeg dan een nieuwe,  maar het bleef altijd dezelfde saaie grijze kleur.

Kameleon onderbrak mijn gedachten en zei: zeg Slang, je lijkt mij al  jaren zo eenzaam, ik wil je mijn vriendschap geven, als je wilt? Ik keek hem met kleine spleetogen aan en met hese stem siste ik: nee Kameleon, jij bent zo mooi en ik ben zo lelijk. Wij passen niet bij elkaar en wil je vriendschap niet. Dat is jammer Slang, zei Kameleon en ging terug naar zijn hol. Ik keek hem na en zag dat Kameleon veranderde van mooi oranje naar geel.  Nadien had ik hem niet meer gezien.

Nu zag ik één van Kameleon’s vrienden aankomen lopen richting het hol van Kameleon. Het was Kreeft. Zijn scharen konden mij in mootjes knippen en rolde mij diep onder een struik. Stel je voor dat hij mij zag! Ik vroeg mij af wat hij zou gaan doen bij Kameleon? Zal ik nog even wachten, bedacht ik mij  ineens?

Na verloop van tijd zag ik de vrienden uit het hol van Kameleon komen.  Wat zag Kameleon er ellendig uit met die gele kleur. Hij zag weer net zo geel als een paar dagen geleden toen ik hem sprak. Zou hij ziek zijn? Waar zouden de vrienden naar toe gaan? Eigenlijk was ik van plan om vanmorgen naar Kameleon’s hol te gaan, maar iets weerhield mij. Het gesprek met Kameleon had mij aan het denken gezet. Diep in mijn vel wilde ik wel vriendschap met hem, maar iedere keer als ik hem weer zag werd ik weer jaloers op zijn gekleurde vel.

Al moet ik nog uren wachten, ik hoop dat ik hem vandaag alleen kan spreken, zonder zijn vriend Kreeft. Even later hoorde ik geschuifel op het zandpad. Daar zul je ze hebben! Kameleon en Kreeft waren samen in gesprek en ik zag dat Kameleon weer goed in zijn vel zat, want hij had een prachtig lichtblauw vel. Ineens kwam de jaloezie weer bij mij op.  Mijzelf had ik beloofd om met Kameleon te gaan praten, want ik had besloten om toch vriendschap met hem te gaan sluiten. Nu was mijn kans. Zou hij op mijn verzoek ingaan?

Razendsnel kronkelde ik het zandpad op en belandde voor de scharen van Kreeft, die van schrik op scherp gingen. Pas op voor Slang! hoorde ik Kreeft tegen Kameleon zeggen, straks vreet hij je op! Wat een mooi lichtblauw vel heb je Kameleon, ratelde ik -en nu meende ik wat ik zei-, en wilde je vragen of  ik toch je vriend……, maar Kameleon onderbrak mij en zei: kijk eens naar jezelf Slang, je ziet grijs van ellende omdat je jaloers bent; jij zal nooit mooie kleuren krijgen, zoals die van mij. Op dat moment  kronkelde ik  ineen en voelde dat het nu te laat was om vriendschap met Kameleon te sluiten. Hij had mijn boodschap niet begrepen.

Heel boos – omdat hij mij weer eens de les had gelezen –  hief ik mij kop omhoog, kreeg een boze blik in mijn rood doorlopen ogen,  mijn tong ging op en neer en begon te sissen. Van kwaadheid werd mijn vel steeds dikker en kreeg ik een opgeblazen gevoel.  Opeens werd alles stil om mij heen.