Feest.

images feestmutsenFeestmutsen.

Tante Tiny was bezig om met crêpepapier en gekleurd karton een dertig tal feesthoeden en mutsen te maken voor de gasten ter gelegenheid van het 40-jarig huwelijksfeest van haar broer George en zijn vrouw Jannie. Gewapend met schaar en lijm had ze er al een paar gemaakt, zoals een hoge hoed, een gestreepte muts, geruite pet en puntmutsen. De lijmflacon was nu bijna leeg. Ergens moest ze toch nog lijm hebben, wist ze. Ze stond op van haar keukenstoel, keek niet uit en trapte met haar te grote pantoffel op de staart van de kat die onder de keukentafel heerlijk in het middagzonnetje lag te slapen. Het arme dier zetten hem op een miauwen en verdween door de openstaande keukendeur de gang in. ‘Poes, poes, kom maar? riep ze beteuterd.’ Ze was nergens meer te bekennen. Ze liep naar haar antieke buffetkast, trok een lade open en ging op zoek naar lijm. ‘Hoe kan dat nou? ik had toch nog een restant lijm staan.’ Met haar ietwat knokige vingers zocht ze tussen allerlei paperassen. Bij de nota’s en verzekeringspapieren, lagen elastieken, een paar schoenveters en een handjevol gekleurde knopen. Ze was geen opruimerig type, dat wist ze. Na de dood van haar man Jan, had ze geen behoefte meer gehad om op te ruimen. Langzaam aan verslofte ze het huishouden en stond haar huis vol met prullaria. Alles wat ze op straat vond of kocht bewaarde ze. Haar grote hobby was papieren hoeden maken voor bruiloften en partijen. Nee, soppen en zemen deed ze niet meer. Het interesseerde haar niet, ze woonde toch alleen.

Recent was ze 70 jaar geworden en vierde haar verjaardag, op verzoek van haar zwager Bas bij hem thuis, omdat haar huis zo vol lag met spullen dat geen mens er normaal kon zitten. Bas had al verschillende keren tegen haar gezegd dat ze de boel moest opruimen. Ze had haar schouders omhoog getrokken. Uit de kast pakte ze de la en liep ermee naar haar bruine tweezits bank, die in de loop der jaren was versleten. Ruimte op de keukentafel was er niet met al die papieren hoeden en repen gekleurd karton. Ze hield de la op z’n kop en de inhoud viel op de bank. Daar zag ze opeens een plastic flesje liggen. Omdat het niet doorzichtig was kon ze niet zien hoeveel lijm er in zat.

De rode dop ging met geen mogelijkheid open. ‘Verdorie nog aan toe, mompelde ze, waarom lukt dat nou niet?’ Ze hield de dop met een stevige vuist vast en probeerde met alle macht deze er af te draaien. Zou een hete waterstraal helpen, vroeg ze zich af? Ze liep meteen door naar de kraan in de keuken en liet het hete water over het flesje stromen. Met een pannenlap draaide ze de dop los. Ze zetten het flesje voor haar neer op de appelgroene keukentafel en pakte de lijmkwast. De repen karton voor de dameshoed had ze al geknipt. Nu moest ze alles nog vastlijmen. Ze schudde het flesje en hield het op de kop. Wat ze ook deed er kwam geen lijm uit. Weer schudde ze het flesje en kneep er nu hard in. Opeens floepte er een klodder witte lijm uit die niet meer smeerbaar bleek te zijn. Het leek op een witte pingpongbal die voor haar op tafel lag. Boos smeet ze de lijm bal weg, die op het grijze tapijt belandde. Peinzend keek ze voor zich uit. Opeens herinnerde ze zich dat ze boven op de eerste etage nog behangerslijm had liggen. Dat ze daar niet eerder aan had gedacht? Ze had samen met haar broer George recent de slaapkamer behangen. Er stond nog een vol pakje. Ze ging de trap op naar boven. Er lagen in de hoek nog restanten gestreept behang met een onaangebroken pakje behangerslijm. Wat later in de middag waren de laatste drie hoeden klaar. Net op tijd, overmorgen was het huwelijksfeest in de kantine van een voetbalvereniging die haar broer voor die gelegenheid had afgehuurd. Haar zwager Bas zou vanavond alle dames- en herenhoeden ophalen. Het was een kleurrijk geheel toen ze de hoeden had neergelegd op de salontafel, de enige plek in huis waar niets lag. Op een gegeven moment hoorde ze de deurbel en zag Bas staan. ‘Ik vind het knap van je Tiny, dat je verschillende hoeden hebt gemaakt, wat een werk.’ Ze knikte bevestigend. Na de koffie nam hij alles mee en vertrok. Poes lag weer op haar vertrouwde plekje onder de keukentafel, tussen de kartonsnippers.

De feestelijke vrijdagavond was aangebroken. Het was druk in de kantine van de voetbalvereniging. Er was familie zag ze en enkele vrienden van George en Jannie. Het bruidspaar zat in vol ornaat op hun stoelen die van boven tot onder versierd waren met ballonnen en slingers. Ze was met Bas meegereden om alle gasten te voorzien van haar hoeden. George kreeg een zwarte hoge hoed en Jannie een rosé hoed met een grote witte strik. De kantine was mooi versierd. In een hoek naast de bar stond een ijsco man met zijn kar met schepijs. Op de bar stond een koud buffet klaar met diverse drank.

Het feest kon beginnen. Na een speech voor het bruidspaar kwam er een Indische muzikant binnen die verschillende muziekinstrumenten bij zich had. Hij begon een wals te spelen op zijn orgel en verzocht het bruidspaar om als eerste de dansvloer te betreden. Enkele gasten volgden hun naar de dansvloer. Tussendoor kreeg men koffie met gebak en daarna werd er drank geserveerd. Ome John, die op een gegeven moment een slok teveel op had, nam zijn vrouw Trudy in de houtgreep. Al zwierend danste hij met haar in de rondte, totdat op enig moment hij zijn evenwicht verloor en samen met haar tussen het dansende publiek belandden. Mensen die het zagen gebeuren gierden van het lachen.

Een serveerster liep intussen naar de microfoon en zei dat het buffet was geopend. Het was een heel karwei geweest om allerlei hoeden te maken zei Tiny tegen een vrouw die naast haar aan tafel zat. De vrouw glimlachte flauwtjes en zei niets. Onverwachts voelde ze een hand op haar schouder, draaide zich om en keek in het gezicht van Joep. Ze kende hem al jaren en was een leeftijdgenoot. Hij was een verstokte vrijgezel en vriend van haar broer. ‘Wil je met mij dansen Tiny? mompelde hij.’ Graag Joep! en ze stond op. Samen liepen ze naar de dansvloer. Het dansen ging haar nog steeds goed af. Bij een bocht draaide Joep haar opeens in de rondte. Ze zag in haar ooghoek een meisje staan die beteuterd keek naar een leeg ijscohoorntje. Op hetzelfde moment gleed ze onder uit. Met een klap viel ze op haar rechter heup. Au, Au, gilde ze van de pijn. Joep, schrok hevig en kon zich nog net staande houden. Hij tilde Tiny voorzichtig omhoog die kreunde van de pijn. De muziek verstomde en een aantal gasten schoten te hulp. Ook George.

Vanaf dat moment ging alles heel snel. Er werd een ziekenauto gebeld en voor ze het wist lag ze in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De arts constateerde een gebroken heup. Ze werd meteen geopereerd. Nu lag ze bijna één week in het ziekenhuis en had aan belangstelling geen gebrek gehad. Naast een aantal vrienden, waren Bas, George en haar schoonzus ook op visite geweest. Bas had nog een verrassing voor haar, maar vertelde haar niets. Twee dagen na het huwelijksfeest had Bas aan George gevraagd of hij, met een aantal familieleden en vrienden, mee wilde helpen om het huis van Tiny op te ontruimen en schoon te maken. Ze kon onmogelijk revalideren in een woning dat tjokvol met spullen stond. Na zijn oproep reageerden men enthousiast en gingen ze met z’n allen aan de slag. Een groot deel van de huisraad werd opgeslagen en het huis grondig schoongemaakt.

Op de dag van haar ontslag uit het ziekenhuis had iedereen zich verdekt opgesteld in het huis van Tiny. Op verzoek van Bas hadden ze alsnog hun hoeden en mutsen, die Tiny had gemaakt voor het 40-jarig huwelijksfeest, opgezet. Na verloop van een half uur stapte ze voorzichtig uit de Volkswagen van Bas, die haar begeleidde naar haar woning. Toen ze de voordeur open deed viel haar mond open van verbazing. In haar gang stonden geen dozen meer. Haar huis had een metamorfose ondergaan. Nergens lagen er nog kledingstukken. Een torenhoge afwas was schoongemaakt en opgeruimd. De woonkamer rook naar een fris schoonmaakmiddel, waarvan ze de geur ooit had geroken. Bij het woonkamerraam was een verhoogd bed neergezet. ‘Wie heeft dit allemaal opgeruimd Bas? vroeg ze verbaasd aan hem.’ Vanachter twee deuren kwamen plotseling bekenden binnen die gezamenlijk in koor riepen: ‘Wij met z’n allen Tiny, jij bent altijd zo attent voor ons, nu zijn wij dat voor jou.’

‘Bedankt allemaal! Gelijktijdig wierp iedereen hun feestmutsen omhoog. ‘Beterschap!, zei Bas, die de champagne in de kristallen glazen had gevuld. Het geluid van klinkend kristal klonk haar als muziek in de oren.

EEN NIEUW BEGIN VOOR PEPIJN

2538951

In kleermakerszit rust Pepijn op het midden van zijn bed en huilt. Niemand is thuis alleen zijn jongere broertje Youp. Veel kinderen op de Mavo benijden mij om de mooie witte villa waar ik woon, mompelt hij door zijn tranen heen. Ze moeten eens weten hoe eenzaam ik vaak ben. De meeste avonden van de week zit ik alleen thuis dan ontferm ik mij over Youp. De cyperse kat die op het beige vachtje voor zijn bed ligt, springt op zijn bed en geeft hem een kopje langs zijn benen. Ach lief dier, jij en Youp weten dat we ons zo eenzaam voelen. Ik heb wel vrienden net als Youp maar onze ouders zijn bijna nooit thuis. Ze hebben het maar druk met hun horecabedrijven in Leiden. Ze houden van gezelligheid maar buiten de deur en blijven na sluitingstijd nog even praten met de gasten. Pas tegen de avond eten wij laat en Youp en ik moeten dan alweer bijna naar bed. Mijn ouders zijn niet slecht hoor, prevelt hij tegen de kat, maar Youp en ik krijgen te weinig aandacht. Soms eten wij gezamenlijk, maar ook vaak alleen. Er vallen wat tranen op het dier zijn kop die hem vragend aankijkt.

Hij stapt uit bed en loopt naar de linnenkast. Vanonder een lichtblauwe dekbedhoes haalt hij sigaretten tevoorschijn en steekt er een op en na verloop van tijd weer een. Zijn vader weet niet dat hij rookt en zeker niet dat hij sigaretten in huis heeft. Hij heeft hem ten strengste verboden te roken. Maar wat kan het hem schelen, niemand let op hem en zeker overdag niet. Zelf na schooltijd rookt hij, maar dan samen met zijn vriend Frits. Hoe zou het met Frits zijn ik zal hem eens opbellen. Frits zijn vader is ook bemiddeld maar heeft het geluk dat zijn ouders er wel altijd voor hem zijn.

Hij pakt zijn GSM en draait het nummer van Frits. Hallo, met Frits, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Met Pepijn!. Hoe is het met jou Pepijn? Nou, eigenlijk niet zo goed, ik voel me weer zo alleen. Youp is vandaag bij een vriendje en ik ben alleen met de kat. Mijn ouders komen vanavond weer laat thuis, want het is zaterdag. Kom maar naar mijn huis toe Pepijn, zegt Frits. Ik kom er zo aan, want ik moet mij nog even aankleden.

Wat later vertrekt hij op zijn fiets door het villapark waar Frits woont. Hij woont daar samen met zijn ouders in een bungalow. Daar is het huis al ziet hij. Het witte schelpenpad kraakt door de fietsbanden en zet zijn fiets naast de garagedeur. Het is een mooie bungalow. Frits zijn vader is bankdirecteur van de plaatselijke bank en zijn moeder is meestal thuis. Hij belt aan en Frits doet open. Is je moeder niet thuis Frits, vraag hij aan hem. Ze is vanochtend vertrokken naar een zieke vriendin en komt vandaag ook wat later thuis, maar wel rond etenstijd.

Wil je eerst wat drinken. Doe maar een cola met citroen. Met hun glazen drinken lopen ze richting de slaapkamer van Frits. Zullen we een sigaretje roken Frits. Nee, niet hier want mijn moeder zal dat gelijk merken. Pepijn neemt een grote slok van zijn cola. Heerlijk is dat. Wat zullen we eigenlijk gaan doen Frits? Nou ik dacht eraan om vandaag naar een muziekfeest te gaan in Noordwijk aan Zee. Dat lijkt mij gaaf Frits, maar eigenlijk heb ik nog niet gegeten. Als jij je ouders belt, dan bak voor ons een omelet met wat brood.

Hij pakt zijn GSM en belt het nummer van Café De Bierelier. In gesprek. Even wacht hij en probeert het opnieuw. Nog steeds in gesprek. Ik stuur ze een SMS-je, mompelt hij. Even later hebben ze beiden de lunch opgegeten. Op een tafeltje in de grote hal legt Frits een briefje neer voor zijn moeder, maar dat hij niet thuiskomt met eten en gaan naar buiten. Het is droog weer en het is niet koud. Ze stappen op hun fietsen en rijden naar Noordwijk aan Zee. Het is een uur rijden vanaf hun huis.

Op de boulevard aangekomen parkeren ze hun fietsen naast de reling van een trap die naar het strand gaat. Ze ketenen hun fietsen aan elkaar vast. Beneden aan het strand is een strandpaviljoen en in de buurt is het muziekspektakel. Bewaar jij de fietssleutels in je broekzak Pepijn, dan gaan we naar beneden. Frits geeft hem de fietssleutels. Op het strand aangekomen zien ze in de verte al een grote groep mensen staan te luisteren, zeker een paar honderd. Door het rulle zand lopen ze richting het podium waar de band speelt. Luister eens Frits, wat een geluid die Hip Hop muziek. De muziek gaat steeds harder en de mensenmassa joelt en ze deinen mee op de muziek.

Na drie kwartier vraagt hij aan Frits: ik wat te drinken halen voor ons bij dat paviljoen daar, waar we zijn langsgekomen. Wil je ook wat. Nou graag Pepijn, neem maar cola mee en voor ons beiden een zak popcorn. Ik wacht hier op je!

Met de bestelling in zijn gedachten worstelt hij zich door de mensenmassa richting het paviljoen. Daar is het ook al zo druk ziet hij. Ik ga eerst maar eens naar het toilet, dan zie ik wel weer. Wat verderop staat een houten vlonder met drie toiletcabines ziet hij. Op de bovenste tree van de drie stapt hij de middelste cabine binnen. Na zijn toiletgang zwaait hij de toiletdeur open die pardoes tegen de elleboog aankomt van een uit de kluiten gewassen lounge type, die net de toiletdeur naast hem in wil gaan. Au, dat doet verrekte zeer, kun je niet uitkijken, uilskuiken schreeuwt die man tegen hem. Voor dat hij sorry wil zeggen geeft de man hem een harde stomp op zijn bovenarm en wil hem vastpakken. Van deze agressieve man win ik het niet denkt hij en springt direct van de drie treden naar beneden in het zand en zet het op een lopen. Dwars door het publiek richting het paviljoen. Bij het strandpaviljoen aangekomen ziet hij dat het nog behoorlijk druk is. Die man heeft hem bijna ingehaald, maar hij krijgt een idee. Als ik nou wegduik tussen een groepje mensen dan ziet die man mij niet en enigszins gebukt loopt hij verder de hoek om achter het paviljoen. Daar zijn geen mensen ziet hij, wel staan er lege kratten met flessen, kartonnen dozen en bierfusten. Uitgeput valt hij neer en zijn adem stokt. Ik hoop dat die man mij niet heeft gezien, maar bij het omhoog komen kijkt hij in een paar kwade ogen van de man waarvoor hij op de vlucht was. Voordat hij wat wil zeggen krijgt hij een vuistslag in zijn gezicht. Alles draait voor zijn ogen en weet van niets meer.

De man ziet wat er gebeurt en schrikt van zijn agressieve daad. Hij ziet dat de jongen met zijn hoofd tegen de houten vlonder valt, waarop het paviljoen staat. Dat was niet zijn bedoeling en ziet dat de jongen roerloos blijft liggen. Er sijpelt wat bloed langs zijn hoofd. Even blijft hij staan en zet het meteen op een lopen, dwars door het publiek van het paviljoen. Twee mensen loopt hij omver, maar dat deert hem niet en weg is hij de gewonde Pepijn achter zich gelaten.

Waar blijft Pepijn nou? Ik wacht nu al een half uur op hem en begin dorst te krijgen en trek. Zou het zo druk zijn. In de verte ziet hij wel wat mensen staan, maar Pepijn is al een tijdje weg. De muziek speelt verder. Het begint hem opeens te irriteren en loopt een aantal meters van het podium vandaag. Zo hier is het wat rustiger. Ik zal hem eens bellen waar hij blijft met de cola en de popcorn, zegt hij hardop.

Wat ben jij toch een ondeugende meid, zegt John tegen Lisa en trekt haar dichter tegen zich aan en geeft haar spontaan een zoen op haar neus. Hé stouterd, dat mag je niet doen zegt ze plagend tegen hem en ze maakt zich van hem los uit zijn armen en rent weg door het rullen zand. Ze ziet het paviljoen en verdwijnt aan de achterzijde en gaat zitten in het zand en moet hard lachen. John allang gezien dat zijn vriendin de hoek om ging bij het paviljoen en loopt op zijn gemak naar haar toe. Voorzichtig kijkt hij om de hoek van het paviljoen en zegt lachend, ha, ha, Lisa ik heb je gevonden. Ze staat op om weer weg te rennen, maar de kratten limonade staan in de weg. Even raakt ze uit balans en grijpt zich vast aan een stapel kratten, maar wat ziet ze daar? daar ligt iemand deels op het zand en met zijn hoofd op de vlonder. Hij ligt zo stil. Ze raakt in paniek en schreeuwt tegen John dat hij moet komen. Kijk eens John daar ligt een jongen, hij ligt zo stil; misschien is hij wel dood.

John handelt meteen en vraagt aan Lisa of ze een ambulance wil bellen. Ik loop snel naar de paviljoeneigenaar en vraag om hulp, misschien is het nog niet te laat. Lisa belt meteen de ambulance. Intussen rent John het paviljoen binnen, het is vol met mensen. Help, help nou toch roept hij en enkele mensen kijken verschrikt om hem heen. Er komt een man naar John toe, wat is er aan de hand man? vraag de man aan hem. John vertelt in het kort het verhaal en de man vraagt of er mannen zijn die even mee willen helpen. Binnen vijf minuten ziet Lisa John weer terugkomen met drie mannen. Een van de mannen blijkt de eigenaar te zijn van het paviljoen. Een van de mannen pakt de pols van Pepijn en voelt dat deze zwak is. Lisa vertelt dat ze de ambulance heeft gebeld en dat die zich moeten melden bij het paviljoen. De eigenaar probeert een mond op mond beademing en meteen erna brengen ze Pepijn naar het paviljoen en leggen hem op een houten bank met kussens. In de verte horen ze een ambulance. Lisa loopt naar buiten en ziet het ambulancepersoneel met een brancard de stijle houten strandtrap aflopen vanaf de boulevard. Ze wacht hun op onderaan de trap. Komt u maar mee en de mannen lopen het paviljoen naar binnen. Het ambulancepersoneel hoort het relaas aan van John en Lisa en verzoeken hun om een telefoonnummer achter te laten om eventueel te getuigen bij een politieonderzoek, want de politie wordt gebeld zegt één van de ziekenbroeders. Pepijn wordt aan de beademing gelegd en in de ambulance geplaatst en naar een dichts bijzijnd ziekenhuis gebracht in Leiden.

Van dit alles heeft Frits geen weet en hij maakt zich erg ongerust. Hij had Pepijn gebeld, maar die nam de telefoon niet op en heeft hem toen een SMS-je gestuurd. Maar ook daar kreeg hij geen reactie op. Ongeduldig loopt hij weg van het lawaaierige podium richting het paviljoen en het is al wat later in de middag geworden. Hij heeft dorst en trek en kijkt in de rondte. Het is niet zo druk meer bij het paviljoen en ziet Pepijn nergens. Eerst maar even een broodje bestellen en een flesje drinken, dan ga ik wel op zoek naar hem, maar het zit hem niet lekker.

In de ambulance heeft een ziekenbroeder de zakken nagekeken van de broek van de jongen. Hij is nog niet aanspreekbaar ziet hij. Zojuist heeft hij hem een drukverband om zijn hoofd gedaan, want de jongen had een aardige wond aan zijn hoofd. Uit een van de jongen zijn zakken haalt hij twee fietssleutels, een zakdoek, portemonnee, een GSM-toestel . Hij kijkt in de portemonnee en vind het identiteitsbewijs van de jongen en leest Pepijn van Gent, zijn geboortedatum en zijn adres in Leiden. Hij pakt de GSM en leest wat berichtjes door en leest een melding van ene Frits die vraagt waar hij blijft. Zonder te twijfelen belt hij het nummer van die Frits.

Frits neemt net een tweede hap van zijn broodje en hoort zijn telefoon over gaan. Daar zal je Pepijn hebben, denkt hij. Hallo Pepijn roept Frits enigszins geïrriteerd door de telefoon. Sorry, maar spreek ik met ene Frits zegt de ziekenbroeder tegen een stomverbaasde Frits die een andere stem hoort en zegt meteen tegen hem. Niet schrikken hoor, u spreekt met een ambulancebroeder en vertelt meteen het verhaal aan Frits. Op hetzelfde moment rijdt de ambulance het Leids Ziekenhuis binnen. Sorry, ik moet ophangen. Kunt u mij nog even over twintig minuten terugbellen, zegt de man weer tegen Frits. Ja, natuurlijk en hij hangt op.

Licht verdoofd door het gesprek met de ambulancebroeder gaat Frits zitten op het zand tegen de trapleuning van het strandpaviljoen en neemt een flinke slok van zijn flesje drinken. Pepijn in het ziekenhuis, hoe kan dat en wat is er gebeurd??? De ziekenbroeder wilde hem het verhaal vertellen, maar werd onderbroken omdat de ambulance het ziekenhuis binnenging. Hij had afgesproken om de man –zoals afgesproken- na twintig minuten te bellen.

Nadat de ziekenbroeder Frits aan de telefoon heeft gehad, belt hij meteen de politie en vertelt in beperkte mate wat er is gebeurd bij het paviljoen in Noordwijk en geeft het telefoonnummer door van het jonge stel die Pepijn hadden gevonden. Net nadat het gesprek is geëindigd, doet zijn collega de ambulancedeuren open en samen rijden ze Pepijn eerst naar de spoedeisende hulp, waar een dokter ter plekke is. De dokter adviseert een van de ambulancebroeders de ouders van Pepijn te bellen, want die weten niet wat er is gebeurd. Aan de hand van het GSM-toestel van Pepijn belt de man het telefoonnummer wat vermeldt staat achter het adres. De telefoon gaat over en de ambulancebroeder vertelt het relaas aan de moeder van Pepijn die geschokt reageert. Haar kind in het ziekenhuis?

De twintig minuten zijn allang voorbij, als Frits voor de derde keer Pepijn’s nummer belt. Eindelijk gaat de telefoon over. Ja, hallo met Frits, de vriend van Pepijn, ik zou u nog terugbellen, maar de telefoonlijn was steeds in gesprek. Dat kat, zegt hij tegen Frits, ik moest nog een paar dringende telefoontjes plegen zoals de ouders van Pepijn. O gelukkig zegt hij tegen de man, maar wilt u mij nu ook eens vertellen wat er toch aan de hand is en de ambulancebroeder vertelt hetzelfde verhaal nu ook aan Frits.

Intussen heeft de moeder van Pepijn het verhaal verteld aan haar man en aan haar jongste zoon Youp. We gaan nu onmiddellijk naar het Leids ziekenhuis toe en stappen even later in de auto op weg naar Leiden. Ook Frits had niet stilgezeten. Het muziekfeest was een fiasco geworden. Na het telefoongesprek loopt hij in gedachten over het strand naar de boulevard. Het was al schemerig aan het worden en loopt richting de fietsen die ze vanmiddag hadden neergezet. Ook dat nog! zegt hij hardop. De fietssleutels zitten in de broekzak van Pepijn. Nu kan ik niet naar huis! Ook zijn ouders zouden ongerust zijn, want die weten nog van niets. Door de hele consternatie had hij ze vergeten op te bellen en misschien hebben ze al gebeld, maar door de harde muziek heb ik natuurlijk niets gehoord. Hij pakt meteen zijn GSM-toestel uit de borstzak van zijn denim-jack. Zie je nou wel, ze hebben één uur geleden gebeld en ik heb niets gehoord! Wat zal vader boos en ongerust zijn en hij draait meteen het telefoonnummer van zijn vader. Met van der Burg, hoort hij. Dat is de stem van zijn vader. Ja, pa, met Frits ik…….. en hij wordt onderbroken. Wel verdorie jongen, waar zit je! ma en ik proberen je al een paar keer te bellen, maar er wordt maar niet opgenomen. Je moeder is erg ongerust. Kom meteen naar huis en hij hoort dat zijn vader erg boos op hem is. Dat zou ik wel willen Pa, maar er is vandaag het een en ander gebeurd en hij vertelt gehaast het verhaal van Pepijn en van de fietssleutels die nog in de broekzak van Pepijn zitten en hij dus niet naar huis kan komen. Nou jongen wat doe je ons aan. Wij komen er direct aan met de jeep want daar kunnen wel een paar fietsen in. Weet de familie van Gent al wat er is gebeurd. Ja, pa dat heeft een ambulancebroeder al geregeld. Maar waar sta je eigenlijk jongen. Hij hoort dat de stem van vader al wat milder klinkt. Op de boulevard van Noordwijk naast Paviljoen de Zeester. Oké, jongen –je moeder trekt steeds maar aan mijn mouw-, maar ik leg het wel uit aan haar als we onderweg naar jou toe zijn. Oké en met een diepe zucht drukt hij de GSM uit. Hij gaat op de balustrade zitten waar de fietsen tegenaan staan. Hij kijkt achterom en ziet dat het strand al voor de helft is verlaten. De bandleden zijn al van het podium vertrokken, maar er staan nog een aantal mensen beneden bij het paviljoen. Hij rilt en het wordt frisser. Hoe zou het met Pepijn zijn??

Afzonderlijk van elkaar vertrokken ongeveer gelijktijdig de familie’s Van Gent en Van der Burg uit Noordwijkerhout. De een naar Pepijn en de ander naar Frits. Er is nu ongeveer een half uur voorbij gegaan en nog steeds ziet Frits geen Jeep. Zouden ze ouders het wel kunnen vinden, maar ineens wordt zijn gedachten onderbroken door een lichtsignaal van een auto. Daar heb je mijn ouders mompelt hij en rent naar de auto toe die net wil gaan parkeren. Zij vader stapt al eerste uit en omhelst hem en moeder in vaders kielzog ziet hij. Gelukkig we hebben je gevonden. Nu meteen de fietsen inladen want het is al laat. Morgenochtend bel ik meteen het ziekenhuis zegt hij tegen zijn vader. Doe dat jongen, maar nu gaan we naar huis. Onderweg vertelt hij zijn moeder dat hij Pepijn wilde opvrolijken, omdat hij in een dip zat en de reden en dat de dag een andere wending had gekregen. Hij had Pepijn willen opvrolijken om naar het muziekfestival te gaan, maar het pakte allemaal verkeerd uit. Morgen bel ik de ouders van Pepijn hoe het met hun zoon is en dat zijn fiets bij ons staat. Ja, doet u dat maar moeder en hij valt door vermoeidheid tegen zijn moeders schouder in slaap, net voor de deur van het huis. Frits nog even wakker blijven jongen, want we zijn thuis.

De arts constateert dat Pepijn even buiten bewustzijn is geweest, een zware hersenschudding heeft opgelopen en een gekneusde schouder, dat vertelt hij aan de ouders van Pepijn die net zijn binnengekomen. Daarom is uw zoon nog niet aanspreekbaar. Ze kijkt naar haar zoon met zijn witte gezicht en er vallen tranen. Ze had het SMS-je van hem gekregen en gezien dat hij met Frits naar een muziekfestival was gegaan en niet thuis kwam eten. Ze had zich in eerste instantie niet bezorgd gemaakt. Ze ziet dat haar man haar aankijkt en gaan zitten naast het bed van hun zoon. Bij de aanblik van zijn zoon realiseert hij zich ineens dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn.

De arts sommeert hun om te wachten in de wachtruimte. Onderweg er naar toe kan ze haar tranen niet meer bedwingen en zegt tegen haar man. Omdat ik als moeder teveel van huis weg ben, raak ik bijna mijn zoon kwijt en zo dadelijk ook nog ons jongste kind. Ik denk er nu over om minder te gaan werken. Dan nemen we maar wat personeel erbij. Je hebt gelijk Lies, zegt hij tegen haar, maar we praten er nog over. Pepijn is nu onze zorg en onze jongste Youp die zo stil naast ons zit. Gaat Pepijn dood papa zegt Youp ineens tegen zijn vader. Nee, hoor jongen, zo erg is het niet heeft de dokter gezegd, maar Pepijn is nog wel een tijdje ziek. Wanneer mag hij naar huis, vraagt hij weer en ook Youp begint te huilen. Pepijn en jij zijn voor ons heel belangrijk, maar wij hebben het altijd maar druk en waren bijna vergeten dat jullie er ook nog zijn, valt zijn moeder hem in de rede. Ja mama, dat is zo. De arts vertelt even later dat Pepijn nog niet bij bewustzijn is, en dat het beter is –omdat het al zo laat is- om naar huis te gaan. Ik zal u morgenochtend opbellen over de stand van zaken van u zoon. Rond 23.45 uur arriveren ze. Wat zal de dag morgen brengen?

De volgende ochtend gaat al vroeg de telefoon in huize Van der Burg. Een politieagent wil graag een gesprek met Frits de vriend van Pepijn. Hij heeft al een gesprek gehad met een jong stel die Pepijn hebben gevonden achter het paviljoen. Ik zal mijn zoon even roepen zegt de moeder van Frits. Ik weet net zoveel als u mijnheer, zegt hij tegen de agent. De agent vertelt Frits dat Pepijn niet aanspreekbaar is voor een verhoor. Frits zucht, maar ik wil zo graag naar mijn vriend toe? Ik zal als ik jou was even het ziekenhuis opbellen. En voor dat ik het vergeet, de twee fietssleutels bewaart de hoofdverpleegkundige. Neem maar contact op? Dat doe ik en hij zegt de agent gedag, die het verhaal van hem zojuist heeft opgeschreven.

De agent strijkt door zijn baard en mompelt. Tot nu toe heb ik in deze kwestie nog steeds geen getuigen. Het jonge stel heeft Pepijn wel gevonden, maar de dader is nog zoek. Frits die hij zojuist had opgebeld weet ook niets, maar ik maak alvast een proces-verbaal op. Het slachtoffer is nog niet aanspreekbaar en het is af te wachten of hij meer weet van de dader. Die zelfde middag vertrekt hij met zijn ouders naar het ziekenhuis waar zijn vriend ligt. Zou Pepijn al bij kennis zijn pa, vraagt hij aan zijn vader. Ik weet het niet jongen, maar eerst gaan wij de fietssleutels ophalen, althans jouw fietssleutel. Bij aankomst in de hal van het Leids ziekenhuis ziet Frits een agent zijn. Hij loopt naar de man toe en zegt: bent u degene die mij gisteren heeft gebeld?? Ja, zegt hij want ik hoop Pepijn nu te kunnen ondervragen.

Een arts loopt naar de agent toe en Frits hoort zeggen, dat de agent Pepijn mag ondervragen. Helaas moet u nog even wachten zegt hij tegen de familie van der Burg. In de wachtruimte kunt u koffie of thee gebruiken. Als de agent klaar is met ondervragen, mag u even een kwartiertje naar binnen. Hoera, denk Frits en hij loopt zijn ouders achterna richting de wachtruimte.

De verpleegkundige zet Pepijn rechtop door middel van twee hoofdkussens. U mag spreken met Pepijn van Gent , mar helaas niet te lang. De agent knikt en gaat zitten naast het bed van Pepijn en vraagt het een en ander aan hem. Hij kan zich nog het signalement herinneren van een man die er wat onguur uitzag. Hij had een kort kapsel en enigszins kalend en stevige armen. Een bodybuilding type, zegt hij tegen de agent. Ook vond hij dat de man zich erg agressief gedroeg. Hij droeg een groengeblokt hemd dat onderaan was vastgeknoopt met een zwart short en groene teenslippers. Hij zucht, mijn hoofd bonkt zo en gaat onderuit zitten. Ik weet voor vandaag genoeg zegt de agent tegen hem en bedankt hem. Als ik meer informatie wil kom ik weer terug. Wordt maar snel weer beter en loopt de kamer uit.

Nadat de agent is weggegaan mag alleen Frits even naar binnen om Pepijn gedag te zeggen. Zijn ouders mogen niet naar binnen want dat is nog veel te vermoeiend voor Pepijn zegt ze. Frits ziet bij binnenkomst Pepijn met een verband om zijn hoofd zitten en een mitella aan zijn arm. Hij ziet er grauw uit en zijn ogen staan vrij diep. Pepijn ziet zijn vriend en er komt een mager lachje over zijn gezicht. Wat fijn dat je er bent, maar ik ben te vermoeid om met je te praten. Zodra ik beter ben maak ik een afspraak en zal ik je vertellen wat er uiteindelijk is gebeurd en zwaait Frits gedag.

Na één week komt Pepijn thuis en ziet de kamer vol met mensen zitten, ook zijn vriend Frits is er met zijn ouders. Ook de agent is aanwezig, maar degene die hij het meeste heeft gemist is zijn broertje Youp en vooral zijn ouders die hem uit het ziekenhuis hebben opgehaald. Het wordt hem even teveel. Ze maken er een gezellige ochtend van, met taart en wat kleine kado’s. Als iedereen weer naar huis is, vertellen zijn ouders dat moeder wat minder gaat werken en dat zij wat meer thuis zal zijn voor haar kinderen en dat vader zal proberen om wat vroeger thuis te zijn. Hij zal zorgen voor meer personeel. De jongens waren opgetogen om dit te horen. Eindelijk kregen ze nu een gezinsleven waar ze altijd op hadden gehoopt.

Door een alerte vrouw werd de dader na drie maanden opgepakt en verdween achter slot en grendel. De getuige die op die dag koffie bestelde bij het paviljoen werd bijna omver gelopen door een man in een groen shirt met een zwart short en een enigszins kaal hoofd. Doordat hij zo hard rende liep hij bijna nog twee mensen omver en dat was de vrouw opgevallen. Ook keek de man maar steeds achterom. Door een oproep in de plaatselijke krant omdat er een signalement werd gevraagd, wegens een ongeval achter een paviljoen, reageerde de vrouw die bij hetzelfde paviljoen stond.

Met Pepijn ging het langzamerhand beter. Zijn broertje en hij waren blij dat hun ouders meer tijd voor hun vrij hadden gemaakt en Frits zijn grote vriend was daar getuigen bij geweest.