BLOEDSCHANDE

‘Bloedschande’

Als meisje van zestien werd Carry White, na de dood van haar vader, verwaarloosd door haar geesteszieke moeder. Vaak lag haar moeder op bed, kwam de deur niet meer uit en sprak bijna nooit met haar dochter, waardoor Carry eenzaam werd. Nu zorgde Carry voor haar moeder, maar moeder schreeuwde vaak tegen haar. Vaak huilde Carry in bed, omdat ze haar lieve vader miste. Een alerte buurvrouw hoorde vrijwel iedere dag dat er werd geschreeuwd in de woning naast haar en belde op een dag de politie, die contact opnam met de huisarts van het gezin en die er, nadat ze de vrouw aantroffen, ervoor zou zorgen dat de vrouw in een psychiatrisch ziekenhuis terecht zou komen. De ziekte was ontstaan na een auto ongeluk, die Carry’s moeder had veroorzaakt tijdens een ritje met haar gezin, omdat ze te hard had gereden. De auto raakte in een slip en kwam tegen een boom terecht. Haar vader werd door de voorruit geslingerd, lag bloedend naast de boom en was op slag dood bleek later. In een flits zag Carry, die zelf gewond was, haar moeder over het stuur hangen met naast haar de versplinterde autoruit waar het bloed van afsijpelde, begon hysterisch te krijsen en wist daarna van niets meer.

Nadat ze, na enige tijd, ontslagen waren uit het ziekenhuis, maakte Carry  die avond het diner klaar en bracht het naar haar moeder, die, geheel onverwachts, haar mes pakte en Carry in haar hand stak, waardoor ze bloedde. Carry rende terug naar de keuken, wikkelde een schone theedoek om haar hand en moest ineens denken aan het dramatische ongeluk. Ze werd hysterisch door het zien van  bloed en ging naar de huisarts. Op het moment van haar  vertrek vielen de dakpannen kapot op het plaveisel rondom het huis.  

 

Door dit vreemde voorval begint het verhaal van Carry die speciale  telekinetische krachten blijkt te hebben. Bij het zien van bloed wordt ze hysterisch en ontstaat er een kracht, waardoor ze voorwerpen kan verplaatsen.

Ook op school wordt Carry niet begrepen door haar klasgenoten, die haar maar een zonderling meisje vinden en maakt dus geen vrienden. Stelselmatig wordt ze gepest. Als ze te goeder trouw aan een meisje in de klas vraagt: ‘waarom ze iedere maand bloed verliest, en vertelt dat haar moeder haar nooit iets over een en ander heeft verteld!’, wordt ze door haar uitgelachen en krijgt ze geen antwoord.

Als de schoolbel gaat en Carry het klaslokaal verlaat, vertelt het meisje het verhaal van Carry aan haar klasgenoten. De volgende dag wordt Carry in het klaslokaal bekogeld met maandverband en tampons. Ze weet niet wat er allemaal gebeurd. Haar wereld stort in, ze huilt en voelt zich door iedereen verlaten. Haar vertrouwen in mensen is geschaad.

Op hetzelfde moment komt docente mevrouw Willard binnen in het klaslokaal en ziet het schouwspel, wordt boos op haar klasgenoten en zegt dat iedereen alles moet opruimen, behalve Carry. Ze ziet het meisje onbedaarlijk huilen en wil haar troosten, maar dan rent Carry onverwachts het klaslokaal uit. Sue, het meisje dat het probleem van Carry had doorverteld, krijgt opeens medelijden met haar en wil haar alsnog helpen. Ze loopt de gang in waar ze Carry op een lage houten bank ziet zitten, biedt haar verontschuldigingen aan en zegt haar te willen helpen.

Twee dagen later vraagt ze aan haar of ze het leuk zou vinden om met haar vriend Tommy overmorgen naar het schoolbal toe te gaan. Carry stemt toe, omdat ze niemand heeft die haar mee uit wil nemen. ‘Ga jij maar met mijn vriend naar het bal!, zegt Sue, ik kom later in de avond wel naar jullie toe!’.

Sue brengt Carry na schooltijd naar haar huis en ziet een verwaarloost houten huis. Het onkruid staat hoog. Carry opent de groene voordeur en neemt afscheid van Sue en bedankt haar. Eenmaal thuis gekomen belt Sue haar vriend Tommy op, legt uit dat een klasgenootje geen vrienden heeft en vraagt aan hem of hij misschien Carry mee wil nemen naar het schoolbal. ‘Ik kom dan wat later op de avond!’, zegt ze tegen hem en hij antwoordt: ‘ja!’.

De volgende morgen op school vertelt Sue argeloos aan klasgenoot Christine, dat ze nu bevriend is met Carry en dat haar vriend Tommy Carry meeneemt naar het schoolbal.’ Ga je dan zelf niet met je vriend naar het bal?’, vraagt ze. ‘Nee, ik kom wat later!’. Christine vindt het maar vreemd, heeft een hekel aan Carry en bedenkt een plan. Na schooltijd fietst ze naar het huis van haar vriend Billy, de belhamel van zijn school. Zij vraagt aan hem of hij op het schoolbal iets voor haar wil doen?

Zoals afgesproken komt Tommy Carry op de dag van het schoolbal ophalen. Hij kent het meisje niet. Als hij aanbelt bij haar huis, ziet hij een beeldschoon meisje met gitzwart gekruld haar in de deuropening staan. Alleen haar lichtblauwe jurk ziet er ouderwets uit. ‘Ik kom je halen voor het schoolbal!’, zegt hij tegen haar en geeft haar een hand. ‘Ik heet Tommie en ben de vriend van Sue!’. ‘Ik heet Carry!’.  Ze knikt verlegen tegen de aardige jongen en gaat, met hem mee. Op het schoolbal wordt er gedanst.

Tommy leert haar wat danspassen, maar ondanks Carry nooit heeft gedanst, blijkt ze later op de avond, een natuurtalent te zijn. Ze  worden die avond uitgeroepen tot  koning en koningin van het schoolbal. Geheel onverwacht begint iedereen te klappen en Carry voelt zich een moment gelukkig.

Wanneer ze op het podium worden geroepen krijgen ze beiden een medaille en een goudkleurige papieren kroon op hun hoofd, maar dan gebeurt er iets onverwachts. Carry ziet een jongen met rood haar uit het publiek op het podium afkomen. Hij heeft een emmertje bij zich. ‘Wat moet hij nou met een emmertje!’, denkt ze. Onverwachts staat hij voor haar en gooit het emmertje met varkensbloed over haar heen. Tommy schreeuwt naar de jongen en roept: ’waar ben je mee bezig!’, en deinst achteruit. Het bloed spat op Carry haar jurk en Tommie zijn kleding. Hij wil Carry helpen, maar ze staat als versteend op het podium. De dader rent van het podium af en verdwijnt in het publiek. Meteen wordt ze hysterisch bij het zien van al het bloed. Door haar hysterie ontstaat bij haar weer die telekinetische kracht. Tommy ziet de waanzin in haar ogen, rent verbijsterd met bebloede kleding het podium af de zaal uit, naar buiten. Hij vind het verschrikkelijk wat er met Carry is gebeurd, maar durft niet meer naar binnen te gaan.

Carry kijkt de zaal in en ontdekt dat de roodharige dader tussen het publiek bij haar klasgenoot Christine staat, het meisje, waarvan ze weet dat zij zo’n hekel aan haar heeft. Door haar woede wordt de kracht versterkt en de deuren van de zaal slaan dicht. Een persoon die nog net door de deur wil weglopen, wordt onthoofd. Een vrouw die het hoofd ziet rollen gilt. Alle aanwezigen worden omhoog gezogen en kletteren tegen het plafond van de zaal en de muren, waardoor bloederige taferelen zich afspelen. Het bloed druipt van de muren en het plafond en hier en daar liggen lichamen van mensen. Als de kracht weer uit haar lichaam is verdwenen gaan de deuren weer open en rent ze naar buiten richting haar huis. Ze wil haar moeder vermoorden. ‘Zij is degene van al het kwaad!’, mompelt ze. Ze opent de grijze deur en ziet haar moeder in de keuken staan. Meteen pakt ze een broodmes uit de keukenla en steekt haar moeder in haar buik die dood neervalt naast de berken  keukenstoel, snijdt zichzelf onverwachts in haar pols en raakt levensgevaarlijk gewond. Met het broodmes nog in haar hand loopt ze terug naar school en ziet nog mensen lopen die uit school komen en om hulp roepen.’Laat iemand een ambulance bellen!’, roept een wanhopige man, die over het gras wankelt.

Ondertussen weet Sue van dit drama niets af en komt onderweg naar school Tommy tegen en ziet dat zijn kleding onder het bloed zit. ‘Wat is er gebeurd Tommie, zegt ze?’. ‘Kijk zelf maar Sue!’ en hij wijst richting school. Ze blijven beiden op afstand staan en horen in de verte een geschreeuw van mensen die aan de dood zijn ontsnapt. Ook horen ze de sirene van een ambulance. ‘Kom Sue, ik wil hier weg van deze afgrijselijke plek!’. Wij kunnen Carry niet meer helpen, ze zit, net als ik, onder het varkensbloed en vertelde haar hoe het drama was ontstaan. Sue ziet dat Carry een groot mes in haar handen heeft en iedereen alsnog wil vermoorden die ze op straat tegen komt. ‘Oh, wat vreselijk en ik wilde haar nog zo graag helpen!’ en ze begint onbedaarlijk te huilen. Tommie ziet dat Carry opeens neervalt in het gras.

Carry voelt veel pijn, het bloed sijpelt uit haar pols. Haar vrienden rennen naar haar toe, maar het is te laat, want Carry had haar ‘dramatische leven’ voorgoed verlaten.