Armoede in 1930 in Nederland.

imagesCATDXPX2

De handel lag na de eerste Wereldoorlog, die duurde van 1914 tot 1918, bijna stil. Dit betekende dat er vrijwel geen voedsel en grondstoffen de havens binnen kwamen. Ondanks de armoede waren er toch mensen die op de zwarte markt hun brood verdienden en zij erg veel geld verdienden. Er was een groot verschil tussen armoede en rijkdom. De woon- en werkomstandigheden waren miserabel en protestacties volgden. In 1919 ontstond een nieuwe wet, de zogenaamde arbeidswet. Er kwam een 8-urige werkweek, alsook een ouderdoms- en invaliditeitswet. Desondanks groeide de economie niet.

In 1925 begon de economie gestaag te groeien. In dat bewuste jaar werd op 18 april Frank geboren. Hij was het vijfde kind uit een gezin van 6. Met zijn ouders, broers en zussen woonde hij in het centrum van Den Haag in een 3 kamer benedenwoning. Arbeiders woonden vaak in kleine woningen. Als je een redelijke woning had was je de gelukkige. Een enkeling had naast een zolder een alkoof. Een zolder hadden de ouders van Frank niet, maar wel een alkoof. Het alkoof kwam veel voor in de huizen van die tijd. Het was een klein, afgesloten vertrekje dat grensde aan een grotere kamer. Vaak de woonkamer. Meestal had een alkoof geen ramen waardoor het een muffe ruimte werd. Veel gezinnen gebruikten een alkoof als slaapkamer om zoveel mogelijk ruimte in de kamer te hebben. Dit was ook het geval bij Leen en zijn vrouw Anna, de ouders van Frank.

In de beginjaren van hun huwelijk in 1914 werkte Leen als fabrieksarbeider bij Vredestein. Het was geen vetpot, maar toch kon hij het gezin draaiende houden. Zijn vrouw zorgde voor de nog jonge kinderen. Na verloop van een aantal jaren werd het gezin getroffen door 2 noodlottige ongevallen. Johanna van 4, die eigenlijk Anna werd genoemd, naar haar moeder, verongelukte op de verjaardag van haar vader in maart 1919. Het kind was onder de tram gekomen niet ver van haar ouderlijk huis vandaan. Toen Leen van de politie vernam dat zijn oudste kind was verongelukt, wilde hij naar de plek des onheils toegaan. Nooit had hij zijn gezin verteld wat hij daar had aangetroffen. Ook was het een tijd van rangen en standen. Een zichtbare armoede dat zich ook afspeelde in het onderwijs en zelf bij begrafenissen. De begrafenissen duurde bij de rijken langer dan bij ‘Jan met de pet.’ Na de dood van zijn dochter Anna heeft Leen nooit meer zijn verjaardag gevierd. Hij kon het gewoonweg niet opbrengen. Toch bleef hij en zijn vrouw, ondanks alles, hun geloof trouw. Het gezin was overmand van verdriet. Een paar jaar later gebeurde er een andere tragedie.

Op een zekere dag was Leen aan het werk in de fabriek en stond in de buurt van een machine. Op een zeker moment brak er een leren riem af van een aandrijfwiel afkomstig van de machine. Door de kracht van het wiel, sloeg de kapotte leren riem tegen één van Leen zijn armen en verbrijzelde zijn arm. Hij raakte buiten bewustzijn en toen hij weer bij kennis was, lag hij in het ziekenhuis. Om te voorkomen dat hij niet zou sterven was zijn arm geamputeerd. Hij had de dood in de ogen gezien, aldus de arts. Door dit incident verloor hij zijn werk in de fabriek en kwam hij in de ‘steun’ terecht. Deze steunverlening werd gezien als een gunst voor de gemeenschap en ook hier was het bedrag niet erg hoog omdat de regering vond dat de prikkel om te gaan werken wel aanwezig moest blijven. In Leen zijn geval was werken beperkt geworden. Hij was nu invalide. De steun had ook controleurs die aan huis kwamen. Zij hadden het recht om thuis bij de steuntrekker te kijken of er geen al te luxe goederen aanwezig waren die mogelijke bijverdienste konden verraden. Toen de steun net was opgericht, kwam er een verbod op werken door gehuwde vrouwen en kinderen. De overheid dacht dat op die manier meer banen vrij kwamen voor werkloze mannen waren. Dit verbod op werken werd echter teruggedraaid toen in 1934 de arbeidsplicht voor familieleden van steuntrekkers werd ingesteld. Vrouwen en meisjes kwamen veelal terecht in de huishouding maar ook werden er jonge meisjes ingezet in fabrieken waar zij hard moesten werken. Werklozen konden ook via de steun kleding krijgen. Deze kleding was duidelijk te onderscheiden en te herkennen. De kleur was donkerblauw. Dit werd door mensen die deze kleding moesten dragen vaak als pijnlijk en gênant ervaren. Iedereen kon nu duidelijk zien dat zij een moeilijke leefsituatie hadden. Armoede werd als een schande gezien.

Ook brachten veel mensen spullen naar het pandjeshuis, ‘lommerd’ in de volksmond genoemd, om aan extra geld te komen. Deze pandjeshuizen waren op verschillende plekken in de stad gevestigd. Mensen brachten hier in tijden van geldnood hun spullen naar toe in ruil voor wat geld. De spullen gingen pas na een paar maanden bij het pandjeshuis in de verkoop en tot die tijd had de vorige eigenaar gelegenheid zijn eigendommen terug te kopen, zij het met rente. Zo werden op pijnlijke manieren de mensen met hun neus op hun leefsituatie gedrukt. Op een gegeven moment werden gemeenten gedwongen op allerlei voorzieningen te bezuinigen omdat zij te duur werden. Zo moest men weer gaan betalen voor de wasinrichtingen en de zwembaden. Er vielen veel ontslagen in het onderwijs en ook de winkeliers hadden het moeilijk omdat klanten niet zo veel geld meer hadden te besteden. Dan hield men vaak uitverkoop. Voor de werklozen was zelfs de uitverkoop niet weggelegd. De uitkeringen daalden. De verschillen tussen mensen waren enorm en vaak schrijnend. Zelfs was er nog standsverschil onder de arbeiders. De één had meer geld, terwijl de ander geen cent te makken had. Ondanks alles werden de arbeiders door de betere ‘klasse’ op één hoop gegooid. De mensen waren vaak terneergeslagen over de slechte situatie waarin ze verkeerden. De enorme werkloosheid die er heerste, had onder meer te maken met het inkrimpen van bedrijven die hun producten niet meer konden verkopen. De meeste bedrijfstakken bleven wel bestaan maar probeerden zo min mogelijk mankracht te gebruiken door hun te duur en overbodig geworden werknemers te ontslaan.

De andere kinderen Leen, Annie, Frank, Toon en Pleunie, die nu de oudste was, waren nog te jong om te werken. Het was zeker geen vetpot in die tijd. 4 jaar later werd in 1929 de ziektewet ingesteld, de belastingen verlaagd en kregen mensen die werkte salarisverhoging. Maar Leen gaf niet op en besloot in de straathandel te gaan voor de verkoop van tweedehands goederen. Zijn handel bestond voornamelijk uit klein meubilair, kleding en alles wat voorhanden was. Van een paar spaarcenten kocht hij een handkar en verkocht hij zijn waar in de stad. Zijn vrouw Anna, een kleine, stevige vrouw hielp mee met het bevoorraden van de handkar. De buren in de straat stonden versteld wat deze twee mensen aan arbeid verrichtten. Een invalide man en een vrouw die, naast het verzorgen van haar kinderen, haar man hielp. De straathandel verliep goed en ze waren zuinig. Er moesten monden worden gevoed. Leen en Anna stonden bekend als hulpvaardige mensen. Ondanks ze moesten vechten voor hun bestaan in die roerige jaren, hielpen ze mensen in hun eigen omgeving, die het zwaarder hadden dan hunzelf.

Naast de lage lonen en de soms miserabele werkomstandigheden was het in die tijd heel normaal dat kinderen na de lagere school stopten met leren en aan het werk gingen. Er waren niet veel jongeren die na hun lagere school een nieuwe opleiding volgden. Zij kregen vaak geen toestemming van hun ouders om verder te leren want er moest immers brood op de plank komen. Het gebeurde regelmatig dat kinderen de lagere school niet afmaakte. Vaak waren deze kinderen afkomstig uit arme gezinnen waar men werken noodgedwongen belangrijker vond dan onderwijs. Annie, Frank en Toon hadden de lagere school afgemaakt. De onderwijzer van Frank vertelde Leen dat zijn zoon goed kon leren, maar Leen vertelde de man dat hij Frank de studie wel gunde, maar simpel weg de extra centen niet had. Hij was al blij dat ze te eten hadden in die tijd.

Na 1929 ging het bergafwaarts in Nederland. Amerika had te kampen met een dalende productie, stijgende prijzen en een snel toenemend aantal werklozen. Veel landen volgden. Ook in Nederland was dat het geval. Veel bedrijven gingen failliet waardoor veel arbeiders werkloos raakten. In de landbouw werd hard gewerkt maar men kreeg bijna niets voor de producten. De lonen werden verlaagd terwijl de prijzen bleven stijgen. Voedsel en zelfs kleding was schaars. Tegen het einde van de maand had men bijna geen geld meer. Er werden goederen op de ‘pof’ gekocht. Men betaalde achteraf als er weer geld was. Ook de straathandel werd minder voor Leen en zijn gezin. Anna verstelde de kleren voor haar gezin. Versleten schoenzolen werden door Leen zelf hersteld en voorzien van nieuwe zolen. Een schoenmaker kwam er niet aan te pas. Hij had zichzelf aangeleerd om de schoenen te repareren met één arm. Ook herstelde hij schoenen voor andere mensen.

Vaak hadden gezinnen aan het eind van de maand geen geld meer om voedsel te kopen. Daarom deed men boodschappen dikwijls op de pof. Dit betekende dat de boodschappen mee naar huis werden genomen zonder dat daarvoor betaald was. Betalen deed men pas wanneer men van de baas of van de steun geld had gekregen. Dat lukte niet altijd, waardoor de schuldeiser aan de deur kwam bij de desbetreffende persoon om alsnog zijn geld op te eisen, soms met dramatische gevolgen. Leen en zijn gezin waren erg zuinig en hadden nooit op de pof gekocht. Hij hield er gewoon weg niet van en had een hekel aan schuld.

Op een zekere dag werd er een bonnensysteem ingesteld door de Regering. Hoe groter het gezin, hoe meer bonnen je kreeg. Vaak waren het zuivelproducten die je kon krijgen op de bonnen. Ook de kerk verstrekte bonnen, maar je moest dan wel tot je eigen kerk behoren. Leen en Anna behoorden tot de Nederlands Hervormde kerk. Deze bonnen konden meteen geruild worden voor eten. Bij de gemeentebonnen was dat anders en moest er nog gewoon betaald worden.

In de Katholieke kerk was er in die jaren onderscheid tussen armen en rijken. De gegoede middenstand, de dokter en de boerenstand met veel geld mochten vooraan in de kerkbanken plaatsnemen. De voorste banken hadden dan een koperen naamplaatje met de naam van de persoon die de plaats had gehuurd van de kerk. Ook kreeg men een fluwelen kussentje voor de knieën. De arbeiders mochten daar beslist niet zitten en moesten het doen met de banken op de achterste rijen of aan de zijkant in de kerk. Op één dag kwam er een pastoor die het voor de arbeiders opnam. Tijdens één van zijn preken sprak hij: ‘dat de meeste farizeeërs onder de preekstoel zaten en doelde op de aristocraten in de kerk.’ Leen vond dat de kerk zijn hand maar in eigen boezem moest steken.

De werkloosheid nam dus, in de jaren dertig, schrikbarend toe. Veel gezinnen hadden de pech dat hun vaste inkomen wegviel zoals ook gebeurde bij Leen. Vanuit de overheid werd er in eerste instantie niet of nauwelijks gereageerd op de crisis. Het leek alsof men het probleem van de crisis onderschatte. Pas in 1934 werd door de Regering het zogenaamde ‘Werkfonds’, opgericht. Er werden grote werkverschaffingsprojecten opgezet. Werknemers konden gratis met een bus mee die je vervoerde naar de werkplek en ’s avonds werd je weer naar huis gebracht. De oudste zoon van Leen en tevens zijn naamgenoot ging als oudste van de jongens werken in Amsterdam. Hij verdiende een paar centen met de aanleg van een bos. Thuis zitten was ook geen optie. Het merendeel van de stedelingen werden tewerkgesteld in Drenthe. Dit betekende dat zij ver van hun familie waren verwijderd en tijdelijk in kampen werden gehuisvest.

De Tweede Wereldoorlog brak aan. De Nederlanders hadden het zwaar. Frank en zijn jongste broer Toon gingen met hun fietsen richting het Noorden van het land om aardappelen en soms groente te halen. Dat was niet zonder gevaar. Soms liep men kans dat je door de Duitsers werd opgewacht en je goederen werd afgenomen. Bij hun is dat niet gebeurd. Rond zijn 18e jaar ging Frank in militaire dienst en kort daarna, tijdens de 7 december Divisie, vertrok hij met het stoomschip ‘de Indrapoera’ naar Nederlands Indië. Hij werd gestationeerd op een Vliegbasis op Java. Hij bereidde als korporaal Kok gerechten voor de manschappen. Hij had twee hulpen, één baboe en een katjong. Vanuit Indië stuurt hij zijn geroosterde pinda’s in blik naar zijn ouders. Na 4 jaar in Nederlands Indië te hebben vertoefd, kwam hij weer thuis in 1947 kort na de Tweede Wereldoorlog. Zijn oudste zus Pleunie werkte intussen als hulp in de huishouding. Vóór zijn militaire dienst in de Oost werkte Frank in de bouw. Hij had gehoopt dat hij, na zijn diensttijd, weer terug kon komen bij zijn oude werkgever. Helaas was dat niet het geval. Ook de woningbouw werd met het werkfonds gestimuleerd. Het doel heiligde helaas niet de middelen. Er zat te weinig geld in het fonds waardoor er te weinig projecten van de grond kwamen en veel aannemers de deuren sloten.

Maar het geluk zat Frank mee. Kort na zijn diensttijd ontmoette hij Johanna die als coupeuse werkte bij een gerenommeerde kledingzaak waar hoofdzakelijk de adel kwam kopen. Zijn schoonvader zorgde ervoor dat hij werk kreeg op het abattoir in de stad. Kort daarna in 1951 trouwde ze en kregen 2 dochters. Ze waren de eerste van de familie die het voor die tijd financieel goed hadden.

Naast werkzaamheden in de industrie raakten veel meisjes ondanks hun vaak jonge leeftijd werkzaam in de huishouding of in winkels. Mede door hun leeftijd kregen zij erg weinig betaald voor het werk wat zij moesten verrichten. Pleunie die bij een mevrouw in de huishouding werkte kreeg ook een karig loon. Toch was ze blij dat ze in het gezin een steentje kon bijdragen. Zij was de eerste in het gezin die spoedig trouwde met Jan, een arbeider met twee rechterhanden. Bijna alles maakte hij zelf. In 1956 vertrok Pleunie met haar man en kinderen voorgoed naar Vancouver Island, Canada.

De crisis trof echter niet alleen de stad maar ook in de dorpen en in de wijde omgeving van de steden daalde de levenstandaard. Wellicht hadden mensen die op het platteland woonden het veel zwaarder dan mensen uit de stad. Op het platteland bestonden nauwelijks organisaties die steun verleenden aan de allerarmsten en ook de woonomstandigheden waren op het platteland vaak slechter. Drenthe had z’n plaggenhutten. Heel veel plaggenhutten hadden geen ramen. Een enkeling had aan de voorkant twee ramen en dat was een hele weelde. Ze noemden het een plaggenhut omdat er uit de drassige grond stukken aarde werden gesneden. Die stukken aarde werden dan gedroogd. Er waren er heel veel nodig. Na het drogen werden ze opgestapeld en daar bovenop kwam dan het dak. Veel kinderen moesten een heel eind lopen om bij de school te komen. Vaak kozen ouders er dan ook voor om hun kinderen niet naar school te laten gaan. Bovendien waren zij soms hard nodig bij het werken op het land. Doordat kinderen op het platteland niet of nauwelijks een opleiding volgden was het aantal analfabeten redelijk hoog. In die tijd, omdat iedereen erg arm was, kregen kinderen gratis klompen. De kwaliteit was slecht. Ze kregen drie paar klompen op jaarbasis.

Wanneer een kind hele dagen naar school ging, betekende dit niet dat er niet meegeholpen moest worden op de boerderij. Ook moest je je eigen vee onderhouden, het land wieden en werken in het veen als je in Drenthe woonde. Turf spitten hoorde daar ook bij. Zwaar werk. Wanneer de turf gespit was dan moest het gedroogd en opgestapeld worden zodat de wind er doorheen kon komen. Bij het krieken van de dag stond men op en kwam laat in de avond weer thuis.

Het is duidelijk dat de mensen vroeger anders leefden dan tegenwoordig. Dit kwam onder andere doordat men vroeger geen geld had voor dingen die nu voor ons allemaal normale zaken zijn. Maar wat is voor ons nu zo vanzelfsprekend? Neem bijvoorbeeld voedsel onze dagelijkse kost. Wanneer je trek hebt in een appel, dan pak je er één. In de avonds is een kop koffie of thee heel normaal. Alhoewel de laatste jaren heeft de economische recessie toegeslagen en sommige mensen moeten nu aankloppen bij de Voedselbank. De werkloosheid is teruggekeerd. Er is ook jeugdwerkloosheid. Gediplomeerde mensen die geen werk kunnen vinden. Veel producten die wij dagelijks (kunnen) eten, kwamen er toen niet op tafel omdat er simpelweg geen geld voor was. Soms aardappelen en andijvie. Fruit was vroeger een luxe. Soms eens een appel en een peer. Vlees was er voor de rijken. Degenen die het vandaag de dag goed hebben, schenken nu producten en zelfs tweedehands kleding aan de Voedselbank.

In 2014 is er ten opzichte van de armoede van de jaren ’30 niet veel veranderd. De ‘zichtbare’ armoede van toen is nu ‘stille armoede’ geworden, dat zich afspeelt achter vele deuren.

imagesCAFRI29K