DE KAKETOE

imagesCA2IY692

Als vrijgezel  woonde ik aan de rand van het dorp Schipluiden in een vrijstaand huis samen met mijn moeder Anna. Mijn vader was enkele jaren geleden overleden door een noodlottig ongeval.  Op de dag van mijn vaders overlijden had onze herdershond ‘Bruno’ bijna de hele dag gejankt, alsof het dier had aangevoeld dat er iets was gebeurd. Sinds kort was ook zijn zeventig jarige moeder overleden na een kort ziekbed. Haar overlijden had mij erg aangegrepen, omdat wij de laatste jaren op elkaar waren aangewezen. Nu had ik  via de notaris gehoord, dat ik in het koophuis, dat mijn ouders bij hun trouwen hadden gekocht,  mocht blijven wonen, omdat ik geen broers en zusters had. Tot aan haar dood kookte mijn moeder en hielp ik zoveel als mogelijk mee in het huishouden. Dat ging mij goed af, had ze eens gezegd. Het huis was altijd keurig aan kant. Mijn moeder had een weduwepensioen en ik werkte in mijn dorp bij mijn vriend, wiens vader schroothandelaar was in oud ijzer. Mijn vriend, die eigenlijk Cornelis heette, werd Kootje genoemd door zijn ouders en vrienden.

Mijn huis lag aan een weiland langs een brede vaart. Via een stenen brug was het huis bereikbaar. Aan de andere kant kwam de brug uit op een tweebaansweg die naar Delft ging. Twee  lindebomen omsloten aan weerszijden mijn huis met zijn groen met rood beschilderde luiken. Het had een woonkamer, twee slaapkamers, keuken met bijkeuken, een kelder en een vliering. De badkamer en toilet waren gesitueerd in een aanbouw aan het huis. Er was een groot erf dat grensde aan het achterliggende weiland. Ook had ik een kleine moestuin die langs de vaart lag. Steevast haalde ik met de tuingieter het water uit de vaart en besprenkelde mijn groenten en planten. Omdat mijn moeder voelde dat ze niet lang meer te leven had,  had ze tegen mij gezegd: ´Ben! ik zal jou leren koken, want het huishouden hoef ik jou niet te leren.

In vroeger tijden stond er een glazen kas op het erf achter het huis. Daarin werden tomaten geteeld. De kas was van mijn vader Jan, Hij had gehoopt dat ik tomatenteler zou worden, net als zijn vader, maar ik had daar geen oren naar, tot groot verdriet van hem. Door reparatiewerkzaamheden aan het glazen dak van de tomatenkas, liep mijn vader, op een broeierige augustus dag, een slagaderlijke bloeding op aan zijn pols en stierf. Ik was toen 19 jaar oud.

Rond die tijd leerde ik mijn vriend  Kootje kennen en kwam ik met het oud ijzer in aanraking. Kootje werkte bij zijn vader in de schroothandel en nadat zijn ouders naar een verzorgingstehuis gingen nam hij het huis en de schroothandel over. Ik werkte met veel plezier bij Kootje en na de dood van mijn vader sloopte ik de tomatenkas. Ik had ooit een meisje gehad en was zelfs verloofd met haar geweest. Ze heette Diny en kwam uit Delft. Voordat wij voornemens waren om te gaan trouwen, had ik op een keer tegen haar gezegd, dat ik, als ik getrouwd was met haar,  in het huis van mijn moeder zou blijven wonen. Ik wilde het goede mens niet alleen laten. Diny had daar geen oren naar en na verloop van tijd, leerde ze een jongen uit haar eigen stad kennen en liet mij weten dat de verloving voorbij was. Ik had er veel verdriet van dat Diny het had uitgemaakt.

Na de dood van mijn moeder, veranderde ik geleidelijk van karakter. Ik werd van een prater een stille jongen en voelde mij eenzaam in het huis aan de vaart. Overdag werkte ik samen met Kootje, maar ’s avonds zat ik samen met mijn hond Bruno bij de open haard. Kootje, die ook alleen was, had er niet zoveel moeite mee om alleen te zijn. Hij hield wel van de vrouwtjes, dat had ik wel gemerkt als ze weleens samen op stap gingen, maar Kootje had zijn gezicht niet mee, maar wel zijn geld. Een kromme neus ontsierde zijn gezicht. Ik was daarentegen een knappe kerel met ravenzwart licht gekruld haar met bruine ogen en had een atletisch figuur had Diny eens tegen hem gezegd.

Op een zekere middag waren wij onderweg naar Scheveningen, een kustplaats aan de Noordzee. Er moest oud ijzer worden opgehaald in een loods bij de haven. De eigenaresse, een oudere dame in klederdracht,  stond ons al op te wachten.

‘Als de loods leeg is, zei de vrouw, dan krijgen jullie vers gerookte paling mee!’.

Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en nadat alles op de aanhanger lag kreeg Kootje een opgerold pakket met kranten mee.

‘Daar zit de paling in hoor zei de vrouw lachend, naar de verbaasd kijkende Kootje!’.

Wij bedankte de vrouw en gingen op weg naar mijn huis.

‘Het water staat me bijna in de mond Ben! Wat ruikt de paling lekker!’.

Ik nam twee borden uit de kast en Kootje pakte de paling uit de krant. Opeens viel zijn blik op een kleine advertentie.

‘Moet je horen Ben! Aanstaande zaterdag is er een vogeltentoonstelling in de Brabanthallen in Den Bosch. Zullen we er naar toe gaan? Ik heb namelijk een idee! Omdat je altijd eenzaam bent krijg je van mij een vogel voor je verjaardag, want over een paar weken wordt je 55 jaar. Wij gaan eens kijken wat voor vogels er zijn!’.

‘Dat vind ik nou een leuk cadeau!, zei ik tegen hem en de afspraak was snel gemaakt.

Die zaterdagochtend zat Kootje te zingen achter het stuur van zijn blauwe Ford. De aanhanger bleef nu thuis, want die hadden wij vandaag niet nodig.

‘Wat zit je nou te zingen man?’, zei ik lachend tegen Kootje.

‘Om jou alvast te laten wennen aan een vogel, zei Kootje met een sneer!’.

Ik  vond dat hij vaak vrolijk was. Hoe anders was ikzelf, want de laatste tijd was ik maar een kniesoor sinds mijn moeder overleden was.

‘Vroeg of laat komt er wel weer een vogeltje op het nest Ben!.’

‘Na die affaire met Diny denk ik dat niet vriend!’.

De zon scheen priemde met haar stralen door de voorruit van de auto. Het was druk op de snelweg richting Den Bosch.

‘Zou iedereen naar de vogeltentoonstelling gaan, vroeg Kootje?’.

‘ Wij zien het wel als we aankomen of het druk is!’.

Hij had gelijk, want bij aankomst stond er een lange rij voor de kassa’s. Eindelijk stapte wij naar binnen in een van de grote hallen. Het was een gekwetter van jewelste. Rondom in de hal stonden diverse bemande stands met vogelproducten. In het midden stond in een cirkel lange tafels met kooien met diverse vogels. De verkopers stonden erbij. Wij liepen een tijdje door de hal en bekeken een aantal vogels. Opeens zag ik een mooie witte Kaketoe  zitten in een grote kooi. Achter de kooi stond een slanke, blonde vrouw.

‘Kom eens kijken zei ik tegen Kootje, wat een prachtige vogel in die grote kooi zit?’.

Ik wees naar de witte Kaketoe en vroeg aan de jonge vrouw: ‘Is deze vogel te koop?’.

‘ Nee, helaas voor u, is hij niet te koop, sterker nog hij gaat altijd met mijn vader en mij mee naar verschillende vogeltentoonstellingen!’.

‘Waar is uw vader dan?.

‘Daar komt hij net aan. Mijn vader is kweker van zangkanaries!’.

De man kwam naar ons toegelopen en vroeg of wij belangstelling hadden voor een vogel. Hij stelde zich voor als Frank.  Wij gaven de man een hand en stelde ons voor als Ben Laan en Kootje Haring.

‘En hoe heet u, vroeg  ik belangstellend aan de vrouw?’.

‘Ik heet Suzan!’, zei ze.

‘Ik heb eigenlijk interesse in de Kaketoe, zei ik tegen de kweker, maar u dochter zei dat de vogel niet te koop was!’.

‘Dat klopt!’, zei Frank, hij is namelijk erg tam!’.

Suzan deed de kooi open legde haar hand op de stok en de Kaketoe stapte op haar hand.

‘Kijk nou dan, Kootje, wat een grappige vogel!’. ‘Hoe heet hij eigenlijk?’.

‘Kiko’ is zijn naam. Wij hebben nog een identieke Kaketoe thuis, zei Suzan, ze heet ‘Pien’ en is helaas niet tam, eerder schuw!’

Ze bekeek Ben zijdelings. Hij was niet getrouwd, zag ze, want hij droeg geen ring en wat zag hij er knap uit!. Zijn vriend is ook wel aardig, maar is niet zo knap als hij.

‘Wat sta je nou te dromen’!, zei Frank tegen haar. Heb je de heren al verteld dat in deze kooien onze zangkanaries zitten en dat wij die kweken!’ Hij wees naar twee kooien die naast de kooi van de witte kaketoe stonden.

‘Helemaal vergeten zei, Suzan!’

Ik kon intussen mijn blik niet van Suzan afhouden en van de mooie witte Kaketoe.

‘Zangkanaries zijn natuurlijk wel heel wat anders dan een mooie Kaketoe. Laat u maar eens wat zien?, vroeg Kootje belangstellend. Hij was niet gierig, maar om een Kaketoe voor Ben zijn verjaardag te kopen, was wel even wat anders. Trouwens de Kaketoe was niet te koop, had de vrouw gezegd.’

Wij keken naar de vogels. Er waren wel goede zangers bij hoorde  ik. Momenteel had hij nog steeds geen kooi voor een eventuele vogel.

‘Frank raadde mijn  gedachten en zei tegen mij: in Zevenhuizen waar wij wonen, hebben wij nog meer zangkanaries die in grote kooien zitten. Zoals ik al zei: ‘ ik kweek ze zelf. Je mag ons wel opzoeken hoor met je vriend? Hier heb je mijn visitekaartje!’.

In stilte had Suzan gehoopt dat de mannen ‘ja’ zouden zeggen. Ze voelde een aantrekkingskracht naar de vreemde man, maar wist zijn leeftijd niet. De jonge vrouw was mij opgevallen al liet ik dat niet meteen blijken.

‘Dat is goed!, zei ik tegen de kweker. Wij komen binnenkort bij u kijken’ en  namen afscheid van elkaar.

Onderweg naar huis had ik het hoogste woord over de witte Kaketoe.

‘Zet die vogel nou uit je hoofd, want hij is niet te koop!, je bent bijna jarig en we hebben nog steeds geen vogel Ben!’

‘Misschien is het een idee om toch maar eens naar die kweker te gaan, mompelde ik?’

‘Ach, waarom ook niet!, maar dat moet dan wel snel gebeuren, want je verjaardag is in aantocht’.

Na ongeveer twee weken belde ik naar de kweker en vroeg of ik samen met Kootje naar de kwekerij kon komen en maakte meteen een afspraak. Het regende pijpenstelen die vrijdagochtend. Rond 11.00 uur kwamen wij bij de kwekerij aan. Frank stond ons al op te wachten.

‘Kom gauw naar de schuur?, sommeerde hij tegen ons, want het is ‘pieten’  weer, om in de term van de vogels te blijven’!, lachte Frank. ‘De zangkanaries zitten in de schuur!’. Wij liepen snel achter Frank aan naar binnen.

Langs drie zijden van de muur stonden grote kooien met diverse zangkanaries en broedkasten. Wij kregen een rondleiding van Frank en hij vertelde ons over zijn vak als kweker.

‘Wat interessant!’zei Kootje.

‘Kijk maar rustig rond, misschien is er wel een vogel voor jullie bij?’.

Wij liepen samen langs de kooien, totdat ik ineens een inval kreeg. ‘Weet je Kootje, ik wil helemaal geen zangkanarie in een klein kooitje, maar een grote volaire met verschillende zangkanaries voor buiten op mijn erf!’.

‘Ben je nou helemaal! zei hij tegen mij. ‘Ik wil je wel één vogel geven voor je verjaardag, maar geen tien!’. ‘ Nee joh, die negen betaal ikzelf en dan mag jij de tiende vogel betalen!’. ‘Nou dat is dan akkoord!’en ik liep naar Frank.

‘Willen jullie soms koffie?’, vroeg Frank aan ons.

‘Dat slaan wij niet af, zei ik!’ en hij liep naar een deur die uitkwam in de keuken van zijn woonhuis. Intussen had ik Suzan nog steeds niet gezien. Waar zou ze zijn en weet ze wel dat wij komen vandaag, dacht ik. Even later riep Frank dat de koffie klaar stond in de keuken. Haar hart jubelde, toen Suzan zag dat het de mannen waren van de vogeltentoonstelling. Vader had niet tegen haar gezegd dat ze zouden komen kijken. Er kwamen weleens meer mensen uit de buurt, maar niet zoveel uit de regio. Ook ik was verrast toe ik Suzan weer zag en kreeg een rood hoofd.

‘Ga toch zitten mannen, sommeerde Frank ons?’.

Kootje vertelde dat hij het interessant had gevonden, wat Frank hun zojuist had verteld.

‘En, weet je al wat je doet?’, vroeg Frank aan mij.

‘Ik wil graag 10 zangkanaries kopen met een grote volaire erbij, kan dat eigenlijk?, wij waren eigenlijk van plan om één vogel te kopen, want die krijg ik namelijk voor mijn aanstaande verjaardag van Kootje!’. ‘Maar eigenlijk wil ik meer kanaries, dus koop ik de rest zelf!’ en zet ze dan in een volaire achter op mijn erf!’.

‘Dat is een leuk idee, zei Frank dan bezorg ik de zangkanaries, heb je eigenlijk al een volaire?’.  ‘

Nee, zei ik, maar kan ik die bij u bestellen?’.

Frank liep naar de woonkamer die naast de keuken lag en pakte een catalogus met foto’s van diverse type kooien en volaires.

‘Deze lijkt mij wel wat Ben!’.

Frank liep naar de telefoon en regelde een kooi voor mijn zangkanaries. Opeens hoorde ik vogelgeluiden uit de woonkamer komen en keek terloops naar binnen, waar Frank aan het telefoneren was. Een vogel begon te krijsen.

‘Is dat soms ‘Kiko’, vroeg ik aan Suzan.

‘Ja, gaan jullie maar kijken, ze zitten beiden in de woonkamer!’ en wij liepen achter Suzan aan naar binnen.

Frank was net klaar met telefoneren en zei: ‘ik heb een volaire voor je besteld Ben!’.

‘Kijk!’, zei Susan, daar zitten ‘Kiko’ en ‘Pien!’; ze zitten apart in een bronskleurige kooi!’.

‘Het zijn toch wel prachtvogels hoor!’,  zei ik tegen Frank. ‘Begrijp je nou waarom wij ze niet willen verkopen Ben!’.

Wij liepen met z’n allen terug naar de keuken en ik vroeg aan Frank wanneer hij de zangkanaries  en de volaire kon bezorgen. Hij pakte zijn agenda en zei tegen mij: ‘op 28 maart aanstaande kan ik nog bezorgen; voor de rest van april zit mijn agenda vol!’.

‘April duurt nog zolang, dan is mijn verjaardag al voorbij, want ik ben op 28 maart  namelijk jarig!’.

‘Dat is me ook wat! , zei Frank.

‘Ik zou het leuk vinden als op mijn verjaardag mijn cadeau wordt bezorgd en dan krijgen jullie ook koffie met gebak!’. ‘Wat vinden jullie ervan, vroeg ik?’. Net als Kootje woon ik alleen, mijn ouders zijn overleden. Kootje woont bij mij in de buurt. Ik heb wel wat familie, maar die wonen te ver weg om even op een verjaardag te komen. Hij is daarom de enige die op mijn verjaardag komt!’.

Ik zag dat Suzan haar vader aankeek en zei: ‘dan kan ik mijn vader helpen met de zangkanaries en de volaire!’.

‘Afgesproken dan, zei Frank, wij komen!. Wij namen afscheid van elkaar en de koop was gesloten.

‘Wat is er ineens met jou aan de hand?’, vroeg Kootje aan mij toen wij in de auto stapte; een wildvreemd meisje uitnodigen op je verjaardag samen met haar vader?’.

‘Ik zal het je maar eerlijk vertellen, ik krijg vlinders in mijn buik van haar!’. ‘ Op het moment dat ik de witte Kaketoe zag, viel mijn oog ook op blonde Suzan. Na vanmiddag heb ik de indruk dat ze mij ook wel leuk vindt als ik mij niet vergis. Ze kon trouwens haar ogen niet van me afhouden. Misschien is het haar vader ook wel opgevallen!’.

‘Loop nou niet te hard van stapel man, je hebt een tijdje geleden al die affaire met Diny achter de rug!’. ‘Ja, dat weet ik, maar dit voelt goed!’. ‘Het is wel een interessante middag geweest vond je niet Kootje?’.  Maar hij antwoordde niet.

Suzan had de mannen nagekeken, totdat de auto uit het zicht was. Eigenlijk wist ze nog niet zo heel veel van Ben, maar daar zou ze snel achter komen, bedacht ze zich. Bij binnenkomst in de keuken stond haar vader haar al op te wachten.

‘Ik krijg de indruk, dat je Ben wel aardig vindt, je zat zo geanimeerd met hem te praten?’.

‘Nou vader, dat is waar!, Ben lijkt mij een aardige man en toen ik hem vanmiddag met zijn vriend zag binnenkomen werd ik opeens zenuwachtig!’.

‘Nou meisje, je hebt het wel te pakken!’. ‘Ik denk dat hij mij ook wel leuk vindt, anders vraagt hij ons toch niet op zijn verjaardag op de koffie!’.  ‘De enige plek die nog vrij was in mijn agenda was 28 maart op zijn verjaardag. Kom meisje, we gaan nog wat doen vandaag, de dag is alweer bijna om!’.

Een waterig’ zonnetje verscheen in de vroege ochtend van 28 maart. Vandaag vierde ik mij 55e verjaardag. Ik was niet zo jong meer, maar voor vrouwen was ik nog wel aantrekkelijk.

‘Kom Bruno, we gaan nog even naar buiten voordat er visite komt?’, en ik pakte mijn denim jack van de kapstok en nam de riem van Bruno mee.

Het was mijn eerste verjaardag zonder mijn moeder, het voelde vreemd. Gelukkig had ik mijn hond Bruno nog. Wij liepen over het grindpad van mijn huis. Er stonden nog enkele kerstrozen in bloei in de border. Hier en daar stonden op een beschutte plek nog enkele trompetnarcissen en plukte een bosje. Wij liepen over de stenen brug naar de secundaire weg die naar Delft leidde en volgde het voetpad dat langs de weg liep, richting het kleine Katholieke kerkhof. Dit kerkhof lag 800 meter van mijn huis vandaan. Mijn ouders lagen er begraven. Langs de kerk was de ingang van het kerkhof. Het schelpenpad kraakte onder mijn schoenen. Eerst liep ik naar het graf van mijn vader. De zerk stond bijna achterin aan het linkerpad. ik vulde de zinken vaas met water bij de pomp die in een hoek op het kerkhof stond en zette enkele trompetnarcissen erin. In stilte dacht ik aan mijn vader, die zo plotseling was overleden. Ik had niet aan mijn vaders wens voldaan om tuinder te worden. Vader was niet boos, maar wel teleurgesteld had ik gemerkt. Hij had gehoopt dat ik het bedrijf zou voortzetten. Opeens voelde ik mij bezwaard, maar moeder had gezegd dat ik mijn eigen weg moest volgen. Snel zette ik mijn gedachten opzij en liep naar het graf van mijn moeder. Ik keek naar haar foto, die op de steen prijkte. Het leek wel of ze lachte naar mij. ‘

‘Moeder, oh moeder, ik mis u zo!, mompelde ik en er kwamen tranen in mijn ogen’.

Ik knielde en zette het restant aan trompetnarcissen bij haar in een vaas en ging rechtop staan. Bruno zat naast mij.

‘Kom Bruno we gaan naar huis?’. Het dier keek omhoog en liep achter mij aan het kerkhof af.

Onderweg naar huis dacht ik opeens weer aan Suzan. Zou ze daadwerkelijk met haar vader meekomen om de kooi met vogels te bezorgen? Langs het pad naar mijn huis plukte ik opnieuw een paar narcissen voor op de salontafel. Bij binnenkomst  vulde ik de voer- en waterbak van Bruno en haalde alvast de doos met de slagroomtaart uit de koelkast en zette die op de keukentafel neer. Uit het buffet pakte ik vier kopjes, wat glaasjes voor een drankje en legde wat hartige hapjes op een schaal en bewaarde deze nog in de koelkast. De koffiepot zou ik zo dadelijk vullen. Terloops keek ik naar buiten en zag een donkerblauwe stationcar met dichte aanhanger de stenen brug over komen. Op de aanhanger stond met sierlijke letters geschreven ‘kwekerij Van der Zilk’, Zevenhuizen. Ik kon niet goed zien wie er achter het stuur zat van de auto. Gauw zette ik de suikerpot op het dienblad naast de melkkan, deed de filter met koffie in de koffiepot en liep naar de voordeur. Op dat moment stapte Suzan uit de auto. Ze had bruine enkellaarsje aan met een strakke kaki kleurige broek en een gestreepte kaki kleurige bloes met opgerolde mouwen.  Haar lange haar viel losjes over haar schouders. Wat zag ze er goed uit, dacht ik bij mijzelf. Ze zwaaide naar mij en ik zwaaide terug.

‘Hallo Suzan, wat leuk dat je er bent!, maar waar is je vader?’

‘Wij kregen onverwachts nieuwe klanten en mijn vader kon niet meegaan. Ik moest je feliciteren, bij deze dan!’ en ze gaf mij een hand.’

Bruno was mij achterna gelopen naar buiten, kwispelde met zijn staart en sprong tegen Suzan op.

‘Dag lief beest!, zei Suzan tegen Bruno, je bent braaf!  en ze gaf hem een aai over zijn kop.

Ik glimlachte.

‘Kom maar hier Bruno, bij de baas?’, riep ik tegen mijn herdershond, maar Bruno liep om de auto heen en vond Suzan veel interessanter.

‘Wil je mij even helpen Ben? , vroeg ze aan mij. ‘

Natuurlijk Suzan!’ en ik tilde samen met haar de grote volaire uit de aanhanger.

‘De  zangkanaries staan achterin de stationcar. Ik heb er een doek overheen gelegd dan blijven ze rustig!’.

Wij zetten de volaire achter het huis aan de rand van het erf.

‘Misschien kunnen meteen de vogels in de volaire doen, Suzan?’. Kootje is er toch nog niet, dus we hebben nog even de tijd!’.

Ik haalde een zak met vogelzand, vogelvoer en een kan met water uit de keuken en ze hielp mij mee om de vogels in de volaire te zetten.

‘De volaire staat hier wel goed zei ze, niet op de wind!’.

‘Ik vind het ook een goede plek Suzan en wat is het een mooie grote volaire?’.

‘Dat moet wel voor tien zangkanaries Ben!’.

Ik bekeek de kooi die van bruin metaal was en op vier hoge poten stond. Suzan legde een lange stevige tak in de lengte van de kooi, met wat boomschors erbij en plaatste vier broedkastjes. Eén voor een zette ze de zangkanaries in de kooi.

‘Ik ben benieuwd wat Kootje er van vindt, zei ze?’’ .

‘Kom we gaan naar binnen, ik zet de koffiepot even aan; wil je taart?’.

‘Daar zeg ik geen nee tegen Ben!,

‘Voordat ik het vergeet, je krijgt ook nog de felicitaties van mijn vader!’.

‘Bedank hem maar, Suzan!’.

Ze  nam plaats op de rode zitbank en zag dat alles er zo netjes uitzag voor een man alleen.

‘Help je soms hulp in de huishouding?’. ‘

Nee, hoor dat doe ik allemaal zelf!’.

Ik zette het kopje koffie met het gebak op de zwart gelakte salontafel en ging tegenover haar zitten in mijn rieten stoel met rood kussen.

‘Je hebt het erg modern ingericht Ben!.

Ze zag een zwart dressoir met een lange zwarte eetkamertafel met vier rieten stoelen met rode zitkussens. Op de vloer lagen boerenplavuizen in verschillende kleurnuances. De muren waren wit gepleisterd en een muur naast de keuken had rood behang.

‘De kleur ‘rood’ heeft duidelijk je voorkeur!, je verwacht zo’n interieur niet in zo’n landelijk huis!’.

‘Toen mijn moeder nog leefde, had ik met haar nieuwe meubels gekocht.

‘Dat is leuk om dat gezamenlijk met je moeder te doen en wat een mooi schilderij hangt daar?’ en ze wees naar een geschilderd doek met meeuwen op een rotspartij.’

‘Vandaag ben ik 55 jaar geworden Suzan!’.

’Ben je al die jaren vrijgezel geweest Ben?’.

‘Eerlijk gezegd heb ik ook weleens een vriendin gehad. Ze heette Diny, een meisje uit Delft. Ik had haar ontmoet in een café in het centrum van Delft en ben nog verloofd met haar geweest toen mijn moeder nog leefde’ en ik vertelde haar het verhaal en de afloop ervan.’

‘Zoals je hebt gezien, woon ik samen met mijn vader. Mijn moeder heb ik nooit gekend. Ze stierf vlak na mijn geboorte.’

‘Wat tragisch voor jou!’.

‘Mijn vader wilde niet meer trouwen en stortte zich op het kweken van zangkanaries. Ik help hem daarbij en doe de administratie. In september word ik 48 jaar. Ik heb wel vrienden en vriendinnen, maar tot nu toe nog geen relatie!’.

‘Wil je nog koffie?’, onderbrak ik haar’.

‘Ja graag, maar komt Kootje nog?’.

‘Ik verwacht hem eigenlijk elk moment!’.

Ik liep met de kopjes naar het aanrecht en pakte de glazen koffiekan. De kan kwam onverwachts tegen het lege kopje aan en viel van het aanrecht af op de plavuizen vloer. Suzan hoorde een gerinkel in de keuken en riep: ‘Wat gebeurt er?’ en ze snelde de keuken naar binnen.

‘Ik weet niet wat me overkomt, maar ik ben zo zenuwachtig Suzan!.’

‘Dat komt natuurlijk door het vrouwelijk schoon in je huis!’ en wij moesten lachen.

Hij moest eens weten. Zenuwachtig was ze niet, maar ze kreeg wel  de ‘kriebels’ van hem en moest de laatste tijd steeds aan hem denken.

Gelijktijdig bukte wij allebei om de scherven van het kopje op te pakken. Onze handen raakte elkaar en ik voelde een siddering. Ik pakte opeens haar hand en hielp haar omhoog. Ze bloosde. Ze werd ineens verlegen en liep terug naar de woonkamer. Ik keek haar na. Even later gooide ik de scherven in de pedaalemmer, nam een nieuw kopje en bracht het bij haar en er viel even een stilte.

Ik liep terug naar de keuken om mijn kopje koffie te halen, toen er opeens op het keukenraam werd getikt. Daar was Kootje, zag ik en stak mijn hand op. Ik liep naar de deur en zag hem staan. Hij zette zijn fiets op de standaard en stapte de hal binnen.

’Gefeliciteerd Ben, en zijn de kwekers er al?

‘Ja, Suzan zit in de woonkamer, maar haar vader kon niet komen, hij kreeg namelijk nieuwe klanten vanmiddag!’.

Hij hing zijn jack aan de staande kapstok en liep de woonkamer in.

‘Hallo Suzan, ook gefeliciteerd met de verjaardag van Ben!’.

‘Jij ook Kootje!’.

Ik kwam binnen met koffie en gebak en Kootje vroeg: ‘waar heb je de kooi met zangkanaries staan?’.

‘Suzan en ik hebben vanmorgen de kooi achter het huis gezet op het achtererf tegen de muur van de aanbouw. Ga zo dadelijk maar eens kijken?’.

Weldra  raakte ze met elkaar in gesprek en hadden het over allerlei zaken. Opeens viel Kootje het op dat Ben zo geanimeerd met Suzan aan het praten was. Hij voelde zich op dat moment even overbodig, stond op en liep naar buiten naar de zangkanaries. Enkele waren aan het fluiten. Wat later liep hij weer naar binnen en dacht: er zit hier verandering in de lucht. Na wat hapjes en een drankje stond Suzan plotseling op.

‘Voor de avond zou ik thuis zijn, had ze afgesproken met mijn vader. Bedankt voor alles Ben, en ze gaf hem een vluchtige zoen op zijn wang!’.

Ik bloosde!.

‘Dag, Kootje het was gezellig! en gaf hem een hand. Binnenkort kom ik eens met mijn vader kijken naar de zangvogels, Ben! en tot ziens hoor!’.

Ik begeleidde haar naar haar auto, deed haar portier open en liet haar instappen.

‘Tot gauw Suzan!’en doe je vader de groeten!’.

Wij zwaaide naar elkaar tot dat de auto rechtsaf de stenen brug over ging  richting Delft.

In gedachten liep ik weer naar binnen.

‘Volgens mij hebben jullie het goed te pakken’!, zei Kootje tegen mij. Waar een vogeltentoonstelling al niet goed voor is!’.

‘ Je hebt gelijk, maar eigenlijk kwam het door die witte kaketoe, die trok in eerste instantie mijn aandacht en toen viel mijn oog ook op Suzan. Net voor jij arriveerde gebeurde er iets geks in de keuken en vertelde ik het verhaal aan Kootje.’

‘Ik moet nu ook gaan Ben, het is al laat. Overmorgen is het maandag en gaan wij samen weer aan het werk!’.

‘Bedankt nog voor je kanariepiet! en gaf mijn vriend een hand. Hij stapte op zijn fiets en reed de stenen brug over linksaf richting het dorp. In de verte zag ik nog een klein rood achterlicht schijnen in het schemer van de avond. Nadat ik Bruno had uitgelaten, ruimde ik de woonkamer en keuken op, deed de lamp van de woonkamer uit en liep richting mijn slaapkamer om te gaan slapen, wat het eerste uur nog niet lukte. Ik keek naar de bruine hanenbalken van mijn slaapkamer en dacht met warme gevoelens aan Suzan. Ik voelde mijn ogen prikken en wist daarna van niets meer.

Suzan hield zich aan haar woord. Na een aantal weken bracht ze met haar vader een bezoek aan Ben. De zangkanaries zongen dat het een lieve lust was en Frank was tevreden. Over en weer volgde er afspraken tussen ons. Frank was in zijn nopjes met mij. Op 57 jarige leeftijd trouwde wij in het Gemeentehuis van Zevenhuizen. Kootje was getuige bij ons huwelijk. Mijn schoonvader Frank  leidde zijn dochter Suzan naar het altaar. Het bruiloftsfeest met enkele familieleden van ons beiden en wat dorpsgenoten vond plaats in een naburig restaurant in Zevenhuizen. Frank had samen met Kootje het huis in Schipluiden versierd en de twee kooien met de twee kaketoes neergezet op de kast. Dat was zijn huwelijkscadeau voor ons. Bruno had er opeens twee gevleugelde vrienden bij.

Toen ik haar na het feest over de drempel van mijn huis binnendroeg waren wij blij verrast met de twee kaketoes. In plaats van een heb ik nu twee kaketoes, zei ik tegen Suzan en een lieve vrouw. Onze vrijgezellentijd was nu voorbij. Suzan bleef werken bij haar vader en ik bij Kootje die altijd onze huisvriend  is gebleven.