Het drama van de schooltandarts

De meeste kinderen hebben vanaf de jaren 1900 en de jaren daarna trauma’s opgelopen door de schooltandarts. Zelf hadden mijn jongste zus en ik dit niet zo. Wij wisten niet beter dan dat het de gewoonte was om door een schooltandarts je tanden en kiezen te moeten laten controleren. Onze ouders stelde ons regelmatig gerust als het weer zover was.
Wij gingen dus op die bewuste dag naar de schooltandarts en waren niet bang. Een of twee keer per jaar parkeerde het busje van de tandarts bij op ons op het schoolplein en moest onze klas en alle andere schoolkinderen verplicht langs ter controle. De schooltandarts is tegenwoordig een vrijwel verdwenen beroep voor zover ik weet. Lang voor de jaren 60 kwam in 1904 de eerste schooltandarts in Noord-Holland aan op een lagere school. Het was een logisch gevolg van de in de 19e eeuw groeiende overtuiging dat de overheid verantwoordelijk was voor de volksgezondheid en daarom hygiëne onder de bevolking moest stimuleren. Vooral in grote steden kwamen toen veel infectieziekten voor. De schooltandarts en ook de schoolarts boden uitkomst en konden gratis controleren of kinderen nog gezond waren en goede gebitten hadden. Een schoolarts kan ik mij niet herinneren. Mijn ouders hadden voor ons een eigen dokter, dus naar een schoolarts hoefde wij niet.
In kleine groepjes werden wij naar de schooltandarts gestuurd en liepen wij vanuit school over het plein richting de bekende bus. De schooltandarts, die zonder verdoving gaatjes boorde en soms kiezen trok en daarbij vaak ruw en hardhandig te werk ging, vond iedereen maar niets. Ook wij niet. Wist je als kind veel. Je deed wat je werd bevolen als “brave” generatie, althans zo heb ik het toen ervaren. Enkele klasgenoten schreeuwde moord en brand, waardoor mijn jongste zus en ik ons toch niet helemaal prettig voelde door al dat geschreeuw. Hoewel sommige behandelingen geen fijne herinneringen opleverde, motiveerde de angst voor gaatjes boren bij veel kinderen vaak wel om beter hun tanden te poetsen.
Mijn onderwijzeres was meestal niet gediend van de schooltandarts of schoolarts die haar autoriteit aantastte in het klaslokaal en de lessen simpel onderbraken. De suiker kwam in opkomst en doordat er van dit zoete spul gegeten werd en het belang van een sterk en gezond gebit beter bekend was, werd de tandarts af en toe vaker uitgenodigd, ter frustratie van de onderwijzeres die de leerlingen bijna een dagdeel moest missen.
Nu ik dit jaar met pensioen ga, heb ik nog steeds mijn eigen tanden en nog een paar kiezen. Helaas trok toentertijd mijn schooltandarts snel kiezen vooral mijn zogenaamde verstandskiezen. Mijn eigen huidige tandarts beaamde mijn frustratie dat jaren geleden een aantal van dit soort kiezen zijn getrokken door de toenmalige schooltandarts en gaf te kennen dat dit toen letterlijk “de tand des tijds was” om kiezen te trekken in plaats van ze te behouden. Nu weet men als tandarts wel beter. De kiezen houden het gebit op z’n plaats. Zodra er meerdere kiezen zijn getrokken bestaat de mogelijkheid dat na jaren de tanden losser kunnen gaan staan. De tandartsen hebben alweer wat jaren tegenwoordig wél verdovingen zodat de patiënt geen pijn hoeft te lijden. Mijn drama is dat ik vanaf de zestiger jaren al een paar kiezen kwijt ben. Nog steeds ga ik een keer per jaar naar de tandarts zolang het nog kan.

Kapsels door de jaren heen

Vroeger had ik lang, stijl haar. Tijdens mijn pubertijd regelmatig vet door de maandelijkse ongesteldheid. Als mijn haren er futloos uitzagen, wist ik dat het weer zover was. Mijn haren vond ik, zeker toen ik jong was, een drama. Omdat ik vrij dun haar heb had ik geen riant kapsel. Voordat ik ging werken, betaalde mijn ouders de kapper. Aan mijn jeugdfoto’s te zien droeg ik tot mijn vijftiende levensjaar altijd korte kapsels. Ik sta nog op een foto waar ik kroeshaar had. Dankzij de papillotten van mijn moeder die deze katoenen lapjes gedrenkt in bier voor de versteviging in mijn haar had gedraaid.
Wat heb ik gehuild op school. Notabene op mijn verjaardag. Hoe vaak ik dagen erna mijn haren ook waste, ik kreeg de krullen er niet uit. Uit nijd had ik de schaar gepakt en wat haren gekortwiekt. Vader was boos. Ik zag er niet uit. Er werd een afspraak gemaakt met de kapper die mijn haren nog korter knipten dan ze al waren.
Jaren later hoorde ik dat de kapper een herenkapper was. Aan de voorzijde van mijn voorhoofd had ik ook nog twee zogenaamde kruinen, waardoor mijn haren niet bleven zitten zoals ik dat wilde. Toen werd ik twintig. De haarmode werd het zogenaamde Bob-kapsel. Natuurlijk deed ik daaraan mee. Een Bob-kapsel compleet met een rechte pony. Dat ging een tijdje goed totdat mijn haar weer langer werd.
Voor het gemak droeg ik een tijdje mijn haar in een paardenstaart. Een vriendje vond het leuker dat ik mijn lange haar weer los droeg. Aldus geschiedde. Met mijn haardrachten ben ik altijd ongedurig geweest. Wat had ik graag een volle bos met haar willen hebben in plaats van dat sluike haar. Het was niet anders.
De tijd van getoupeerde kapsels brak aan. Hoe hoog ik mijn haren ook toupeerden het zakte na verloop van tijd als een pudding in elkaar. De bussen haarlak waren niet aan te slepen. Er kwam een einde aan het kapseldrama toen ik ontdekte dat het merendeel van mijn generatie vrouwen hun haren kort droegen. De tijd van een diadeem, elastiek, shawl en dergelijke, die mijn haren in bedwang hielden, waren gelukkig voorbij. Het korte kapsel dat ik nu al jaren draag bevalt mij uitstekend op mijn twee kruinen na, die altijd van richting blijven veranderen en die ik helaas mijn leven lang met mij meedraag.

Ome Aart

oude%20Horn%20leerdam

 Leerdam

Jaren geleden ontmoette ik een zekere ome Aart. Zo mocht ik de tachtig jarige man noemen. Hij had een rijzig gestalte, grijs haar en een smal gezicht. Een alleraardigst persoon. Steevast kwam hij in mijn dorpscafé jenever drinken. Hij werd een van mijn favoriete klanten.

Ik had al snel door dat hij een probleemdrinker was. Na verloop van tijd kwam het hoge woord eruit. Zijn vrouw was nogal het  overbezorgde type. Ze was bang dat hem wat overkwam en claimde hem teveel. Dat vertelde hij mij in vertrouwen. Omdat ik zijn vrouw niet persoonlijk kende, nam ik zijn verhaal maar voor lief.

´s Morgens kwam Aart meestal als eerste binnen en ging halverwege de middag weg. Ik had altijd met de man te doen. Het was een goedzak. Altijd betaalde hij keurig zijn rekeningen. Als hij te lang bleef zitten in het café, belde steevast zijn vrouw Alie op.

‘Zou u alsjeblieft Aart naar huis willen sturen?’ vroeg ze dan.

‘Het is zeker weer mijn vrouw die belt? Zeg maar dat ik er niet ben.’

Deze gesprekken waren steeds een terugkerend ritueel. Als ik hem weg zou sturen ging hij zeker naar een ander café in het centrum. Op het oog kon men nooit aan hem zien of hij teveel had gedronken. Hij sprak nooit met een dubbele tong. Ik zag het aan zijn gezicht, dat steeds rode werd. Zolang hij op zijn kruk bleef zitten ging alles goed.

Op een namiddag ging hij weer naar huis. Nadat hij had betaald stapte hij van zijn kruk af en zwalkte richting de uitgang. Al een paar keer had ik hem gewaarschuwd om niet te veel te drinken. Dat deed ik uit bezorgdheid voor hem.

‘Ik denk niet dat het goed gaat met Aart’ zei ik tegen mijn ober  Marc. De fiets van Aart stond op zijn vertrouwde plek tegen de gevel. Hij liep ernaartoe en raakte uit balans. Even later stapte hij op zijn fiets.  

‘Ik denk dat ik ome Aart maar naar huis toe breng’ Marc. Ik vind dit veel te gevaarlijk worden.’

‘Dat lijkt mij een beter idee’ antwoordde hij.

Net op het moment dat ik op de drempel van de deur stond, reed ome Aart inmiddels in het midden van de straat. Ik kon hem lopend niet meer inhalen. Tenslotte ging ik maar weer naar binnen. Het zat mij niet lekker.

“Gelukkig woont hij in de buurt’ mompelde een andere klant bij mijn binnenkomst.

Rond 16.00 uur ging de telefoon.

‘Het is Alie voor jou’ zei Marc.

Verbaasd nam ik de telefoon aan en hoorde Alie haar stem.

‘Is Aart nog bij jullie?’ vroeg ze. Ze klonk bezorgd.

‘Hij is al ruim twee uur geleden naar huis gegaan’ Alie. Tijdens ons gesprek hoorde ik, op een gegeven moment, haar deurbel rinkelen.

Er staat politie voor mijn deur zei ze, lichtelijk in paniek en ze hing op. ‘Wat was er gebeurd?’ vroeg ik mij inmiddels af.

Die nacht kon ik niet slapen en moest ik maar aan ome Aart denken. Het antwoord kwam sneller dan ik had verwacht.

De volgende ochtend rinkelde de telefoon. Het was een verdrietige Alie die aan mij vertelde dat een voetganger Aart bewusteloos had gevonden bij het water. Zijn fiets was in de Linge gevallen. Zelf lag hij op de rand van de kade. Door de val van zijn fiets, was hij met zijn hoofd tegen een betonnen paaltje aangevallen.

‘Voorlopig kan hij niet meer komen’ zei ze tegen mij. Hij heeft namelijk een zware hersenschudding. Dat had een politieman haar gisteren verteld. Ik wilde dit jullie even laten weten.’

‘Wens hem maar beterschap namens ons’ zei ik tegen haar.

Nog diezelfde dag liet ik een boeket sturen naar hem en ging ik een paar keer bij hem op bezoek. Marc nam dan de zaak waar. Zo leerde ik ook zijn vrouw Alie persoonlijk kennen, die ik regelmatig aan de telefoon had. Ik merkte dat ze inderdaad een overbezorgde vrouw was. Bijna was ook haar man verongelukt, net als hun enige dochter die een paar jaar geleden door een verkeersongeluk om het leven was gekomen, vertelde ze mij tijdens de koffie.

Ze hadden er veel verdriet om gehad. Vooral Aart, kon het verlies niet verwerken.  

Toen begreep ik de reden waarom deze lieve man aan de drank was geraakt. Je had nu eenmaal gezelligheidsdrinkers, maar ook probleemdrinkers, wist ik.

Een paar maanden later kwam Ome Aart onverwachts weer in het café. Hij was nu samen met zijn vrouw Alie. Vanaf dat moment kwam hij sporadisch nog maar alleen.

Als ze samen kwamen dronken ze eerst koffie. Daarna dronk Aart steevast twee borrels en zij een advocaatje zonder slagroom. Daarmee was de kous af volgens Alie. Samen gingen ze dan weer naar huis. Aart vertelde mij, dat de politie hun had verteld dat hij bijna in het water was gevallen. Hij was erg geschrokken van het bericht. Het voorval deed hem aan zijn overleden dochter denken. Bijna was Alie mij ook kwijt geraakt. Hij had er niet aan moeten denken.

Op een zeker moment, had ik samen met Alie afgesproken dat ik haar man voortaan met mijn auto naar huis zou brengen als hij alleen het café zou bezoeken. Voor hem maakte ik toen een uitzondering. Ome Aart en zijn vrouw Alie waren mensen waarmee ik ooit een speciale band had. Ik zal ze nooit vergeten.   

 

 

 

De terugkeer van een visser.

Dirkje van het Duin, een vissersvrouw uit Scheveningen trouwde met visser Teun Schellevis. Hij werd door de dorpelingen ‘graatje’ genoemd, omdat hij zo mager was. Hij zat er niet zo mee. In zijn dorp hadden de meeste mannen een bijnaam. Hij was een goedlachse man met humor. De vissers mochten hem graag. Zijn ouders hadden hem gewaarschuwd voor zwarte Dirkje. Ze deed haar naam eer aan. Naast haar gitzwarte haar nam ze het niet zo nauw met andere vrijgezellen vissers. De mannen pronkten met deze mooie vrouw. Maar een huwelijk met haar leek de meeste van hen niets. Door haar losbandige leven bleef ze uiteindelijk alleen. Teun, die haar ook regelmatige tegenkwam als hij weer terug was van de zee, kreeg medelijden met haar. Ze was bijna zesentwintig jaar en nog steeds ongehuwd. De meeste jongelui op het dorp waren al getrouwd. Teun, die één jaar jonger was dan Dirkje, had de waarschuwingen van zijn ouders in de wind geslagen en trouwde met haar. Op hun trouwdag stormde het hevig. Windvlagen en regen kwamen neer op het dorp aan de Noordzee. Twee dagen gierde de wind om de vuurtoren waarachter hun visserswoning stond. Er hing onheil in de lucht.

Dirkje was de dochter van de directeur van de visafslag. Ze had het hoog in haar bol. Haar ouders verwende hun enige dochter. Op de visafslag werken wilde ze niet. De vislucht bleef meestal in je haren of kleding hangen. Ze werkte liever als hulp in de huishouding bij een mevrouw op stand. Het huishoudelijke werk lag haar beter. De villa stond verscholen achter de duinen. Teun die als laatste bij zijn ouders woonde had sinds jaren gespaard. Hij werkte ook hard. Zijn eigen logger lag altijd in de haven. Samen met één van zijn drie broers ging hij varen op zee. Pieter was de enige die nog niet was getrouwd.

Al snel raakte Dirkje zwanger. Een meisje werd geboren met gitzwart haar. Geërfd door haar moeder. Het was een teer kind. Ondanks haar zwakke gezondheid groeide het vrolijke meisje op. Ze noemde haar Teuntje, naar haar vader. Eén jaar later werd Maarten geboren. Net als zijn oudste zus was de jonge tenger. Sinds haar huwelijk met Teun was Dirkje niet veel veranderd. Ze flirtte zelfs nog in het bijzijn van Teun als ze samen op stap gingen. Vaak was dat in de plaatselijke kroeg in het centrum. Teun was geen vechtersbaas, maar riep haar wel vaak tot de orde. Ze moest zich nou maar eens gedragen, had hij op een keer tegen haar gezegd. Ze waren nu al een aantal jaren getrouwd. Na de geboorte van haar dochter had ze haar baan opgezegd. Teun zorgde voor het gezin. Toch was ze niet tevreden. Ze wilde meer geld en leven als de bemiddelde dame waar ze ooit had gewerkt. Teun had er moeite mee dat zijn vrouw meer geld wilde. Toch hield hij van zijn vrouw en zijn kinderen en werkte zo hard als hij kon samen met zijn broer. Eigenlijk moest hij er een helpende hand bij hebben. Zijn zoon Maarten was 13 jaar. De jongen was al eens vaker mee geweest op zee. Nu ging hij definitief met zijn vader op zee. Teuntje hielp haar moeder mee in het huishouden. Ze was 16 jaar. Een mooie leeftijd voor een vrijer had moeder eens tegen haar gezegd. Een vrijer zag ze voorlopig niet zitten. Eerst wilde ze gaan werken op het kantoor van de visafslag van haar opa. Na zijn dood was er een nieuwe directeur aangenomen die een medewerkster zocht voor de administratie. Teuntje en Maarten trokken het liefste met hun vader op. Ze wisten dat hun moeder er maar rare gewoontes op na hield. Ook was ze erg ontevreden vonden ze. Er heerste al een tijdje geen prettige sfeer in het vissershuis achter de vuurtoren. Als Teun even vrij was nam hij zijn kinderen mee naar zijn stamkroeg om even zijn vrouw te ontvluchten. Vaak waren er woordenwisselingen om geld.

Ze bekeek zich in de spiegel. Haar mooiste jaren waren verdwenen. Teun had op een keer tegen haar gezegd dat ze een ontevreden uitstraling had. Waar was zijn knappe vrouw gebleven van toen. Ze wist dat haar man gelijk had. Rimpels en kraaienpootjes werden al zichtbaar. Mannen uit het dorp en andere dorpsbewoners negeerden haar. Men woonden zo dicht op elkaar dat de meeste mensen wisten wat er achter andermans deuren afspeelden. Ze voelde zich nog steeds verheven boven andere vissersvrouwen en pronkte op zondag steevast met haar juwelen die ze van Teun door de jaren heen van hem had gekregen. Ze had een onstuimige drang naar meer geld. Ze wilde ten koste van alles meer weelde in haar huis. Teun verdiende veel geld, maar nog te weinig om haar wensen te vervullen. Sinds een tijdje had ze een hekel aan hem gekregen. Hij dronk meer dan vroeger. Op een paar grijze plukken na was hij kaal. Hij was niet meer de knappe blonde Teun van vroeger. Van de week had ze hem uitgescholden en tegen hem gezegd dat hij maar voorgoed mocht wegblijven als hij niet meer geld binnenbracht. De kinderen hadden gehoord wat ze had gezegd tegen hun vader. Ze waren erg verdrietig. Zo hadden ze hun moeder nooit horen spreken.

Hij was weggegaan samen met zijn kinderen die hem hadden ondersteund. Ze waren nu bijna volwassen. Zijn dochter had werk gevonden op de visafslag en zijn jongste werkte bij hem op de logger. Van een goedlachse jongen was zijn zoon stil geworden. Zijn dochter had hem ook verteld dat ze haar moeder niet erg mocht. Hij kwam binnen in zijn stamkroeg.  Met zijn kinderen ging hij zitten in de hoek van de zaak. Onder het genot van een drankje en een warme hap spraken ze met elkaar. Teuntje vertelde haar vader dat de directeur van de visafslag haar leeftijd had. Sinds kort zagen ze elkaar ook privé. Ze hielden van elkaar had ze tegen hem gezegd. Teun kende Arie wel. Het was een goede jongen die serieus was, net als zijn dochter.

‘Ik wil voorlopig nog geen meisje vader, zei Maarten tegen hem. Ik vind varen veel leuker. Ik ga liever met u mee dan dat ik thuis bij moeder blijf. Zijn woorden deden hem deels pijn. Ooit hadden zijn ouders hem gewaarschuwd voor Dirkje. Nu pas drong het tot hem door dat zijn huwelijk een puinhoop was. Hij kon aan de wensen van zijn vrouw niet voldoen. Hij keek op zijn horloge. Het was al laat. Teuntje moest vroeg op om naar de visafslag te gaan. Ook Maarten en hij moesten op tijd uit bed. Zijn broer Pieter stond dan al op hun te wachten. Nadat hij zijn rekening had betaald ging hij met zijn kinderen huiswaarts.

Het regende buiten en er ontstond een straffe wind. Dat zag er niet zo best uit zag Teun, net voordat hij zijn huis binnenstapte.

Aanvankelijk leek het er de volgende ochtend op dat de wind even was gaan liggen. Niets was minder waar. Dirkje gaf Maarten een kus voor hij vertrok met zijn vader.

‘En ik dan?’ zei Teun gekscherend tegen haar. Hij had het bedoeld als een grapje. Ze had zich omgedraaid en was de woonkamer uitgelopen.

Maarten keek zijn vader aan. Hij gaf een knipoog aan zijn zoon. ‘Vrouwen zijn vaak een raadsel jongen.’

Toch zat het hem niet lekker dat Dirkje zo bot tegen hem deed. Hij zag zijn logger al liggen. Pieter was al aan boord. Hijzelf gooide de trossen los. De logger Scheveningen14 voer de haven uit. Midden op zee werd de lucht gitzwart. Onverwachts begon het hevig te stormen. Schuimkoppen kwamen met grote golven op het voordek.

‘Daar was ik al bang voor Teun!’ zei Pieter tegen hem.

‘Ga maar naar binnen in de kajuit Maarten. Het gaat nu spoken jongen.’

Samen met zijn broer haalde ze de netten met vis binnen. Dat lukte niet helemaal. Door al het water op het dek konden ze zich bijna niet staande houden. De ijzeren boot klapte door de storm op het water. De wind gierde om de mast.

Maarten had angstige momenten. Hij was wel meer met zijn vader mee geweest op zee. Ook had hij weleens slecht weer meegemaakt, maar zo slecht als het vandaag was kende hij niet. Zou hij zijn vader en zijn oom alsnog meehelpen, vroeg hij zich af? Vader en Pieter hadden het moeilijk zag hij. Hij was toch al bijna volwassen en had zijn zwemvest over zijn beschermde kleding aan. Hij gooide de deur van de kajuit open en stapte het dek op. Teun had Maarten niet in de gaten. Pieter wel. Hij was bezig om de enige sloep die op de logger aanwezig was los te koppelen. Dat lukte voor een deel. De sloep hing scheef richting de zee. Hij zwaaide met zijn armen dat de jongen weer de kajuit in moest. Teun die niet begreep wat er gebeurde, keek om en zag zijn zoon. Hij  riep luidkeels: ‘Maarten ga de kajuit in!’ De wind loeide zo hard dat hij niet hoorde wat zijn vader tegen hem zei. Teun liet het visnet los dat vastzat aan een lier en liep naar zijn zoon toe. Op hetzelfde moment dat Maarten de kajuit wilde binnenstappen sloeg de deur met en klap dicht. Teun probeerde zijn zoon vast te pakken aan zijn pak. Dat mislukte. Maarten gleed over het natte dek door naar zijn oom Pieter die de jongen met al zijn krachten vasthield. Beiden zagen dat Teun weggleed over het dek. Een hoge golf tilde hem op en hij viel over boord.

‘Vader, schreeuwde Maarten het uit. Zijn stem loste op in de wind. Vader! Ik kan je niet missen, riep hij weer. Hij probeerde zich uit de armen van zijn oom te bevrijden. Deze hield zijn neefje stevig vast. Door de wind schoot de kabel los die aan de sloep was bevestigd. De sloep hing nu bijna boven het water en sloeg tegen de boeg aan. Een hoge golf kwam boven de reling uit en tilde ook Pieter en Maarten omhoog. Ze vielen beiden overboord.

Door het slechte weer had Arie zijn medewerkster Teuntje thuis gebracht. Zulk weer had hij tot heden nog nooit meegemaakt. Als dank gaf ze haar verloofde een kus en ging het huis binnen. Haar moeder stond in de keuken het eten voor te bereiden. Het rook heerlijk.

‘Ik hoop dat vader, Maarten en oom Pieter veilig thuiskomen moeder, zei ze tegen haar. Haar moeder gaf geen antwoord. Ze had zo haar eigen gedachten. Moeder was stil had ze gemerkt. Na het eten ging ze naar haar eigen kamer. Regelmatig stond ze voor haar raam, De omgeving rondom het huis was net zo zwart als de lucht. Het was bijna spookachtig. Ze rilde. Waren ze nu maar thuis. Ze vond het maar vreemd dat moeder zo stil was. Dat was ze bijna nooit. Het was nu al bijna 21.00 uur. Ze kreeg pijn in haar maag en ging op haar bed liggen. Blijkbaar was ze in slaap gevallen. Toen ze wakker werd was het bijna ochtend. Het was zondag. Ze hoefde niet te werken. Vanmiddag zou Arie op bezoek komen. Plotseling ging de telefoon. In de verte hoorde ze moeders stem. Snel liep ze de trap af naar beneden. Aan moeders gezicht kon ze zien dat er iets goed mis was. Net op het moment dat ze aan haar wilde vragen wat de boodschap was, ging de deurbel. Daar stond Arie voor de deur.

‘Je zou toch vanmiddag komen? zei ze tegen hem.

‘Dat was ook de bedoeling Teuntje. De vuurtorenwachter en een paar vissers vertelde aan mij dat er twee loggers niet zijn teruggekomen van zee. De logger van Leendert Plat en van je vader.’

Ze stond aan de grond genageld. Een negatief scenario spookte door haar hoofd. Ze wankelde. Arie kon haar nog net opvangen anders had ze languit in de gang gelegen. Binnen in de huiskamer had hij haar neergezet en zag dat haar moeder ook aan tafel zat met haar hoofd in haar handen. De hoorn van de telefoon lag naast haar. Bij het oppakken van de hoorn hoorde hij dat het gesprek was afgelopen. Die middag ondersteunde Arie zijn Teuntje en haar moeder. De sfeer was dramatisch. Bij het afscheid zou hij hun op de hoogte houden of er nog berichten waren en hij vertrok.

Nu pas realiseerde Dirkje zich wat ze de laatste jaren had aangericht in haar gezin. Ze was niet de vrouw geweest die Teun van haar had verwacht. Door haar hebzucht was ze een onmogelijk mens geworden. Ook had ze niet genoeg aan één man. Ze moest denken aan de woorden die ze had uitgesproken. Dat hij niet meer terug moest komen. Ook had ze hem geen kus gegeven, voordat hij naar zee ging met Maarten. ‘Mijn god, wat had ze gedaan?’ Misschien waren ze allemaal wel dood. Nu kreeg ze eindelijk haar straf. Ze keek zijdelinks naar haar dochter, Haar ogen spraken boekdelen. Beiden kenden geen rust toen ze naar bed gingen. Morgen hoopte ze dat er meer nieuws was.

Het was maandagochtend. De visafslag was gesloten. Dat was normaal niet zo. Maandag was het meestal de drukste dag van de week. Er stonden veel dorpsgenoten op de kade. Er was goed- en tragisch nieuws binnengekomen. Arie had Dirkje en Teuntje opgehaald met de auto en brachten ze naar de visafslag. De logger van Leendert was gekapseisd en de logger van Teun was gezonken hadden ze gehoord. Wel was er een sloep gevonden met twee opvarenden van de logger van Teun. In de sloep lagen twee gewonden die het gelukkig hadden overleefd maar gewond naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis waren gebracht. Pieter en Maarten zijn gered. Leendert, Teus en Dirk zijn in de golven omgekomen.

De tranen stonden in de ogen van Dirkje en Teuntje. Dirkje was blij dat haar zwager en haar zoon waren gered. Maar waar was Teun? Niemand kon iets vertellen. Ze jammerde luidkeels en riep om hem. Arie, die wist hoe zijn aanstaande schoonmoeder daadwerkelijk was, was verbaasd dat ze zo luidkeels tekeer ging. Er waren ook families aanwezig die iemand hadden verloren.

‘Niemand weet wat er met Teun is gebeurd Dirkje, zei de vuurtorenwachter tegen haar en Teuntje. Wij wachten nog op nieuws. Het was nu zaaks om haar zoon en zwager Pieter te bezoeken in het ziekenhuis. Arie ging met hun mee. Een paar dagen later werden ze daar ontslagen. Maarten had al die tijd liggen ijlen en riep steeds maar om zijn vader, aldus de hoofdverpleegkundige.

Naarmate de dagen verstreken hadden ze nog niets vernomen van Teun. Op een dag was er een lichaam aangespoeld op het strand van Wassenaar. Na sectie bleek het Teun te zijn. De plaatselijk huisarts had Dirkje bevolen om niet te komen kijken. Het lichaam was in verre staat van ontbinding. Hij was herkenbaar aan een gouden oorring met inscriptie en een gouden snijtand. Dirkje, Teuntje en Maarten begroeven hun vader, samen met zijn broer Pieter, Arie en andere familie. Hij had geen zeemansgraf, maar werd begraven achter het kleine kerkje in het dorp. Ook de andere overledenen werden er begraven. Eén jaar later werd er een monument voor hun opgericht. Teuntje trouwde met Arie Kuis en ze ontfermde zich over haar broer. Dirkje werd niet meer de oude sinds de terugkeer van haar visser. Ze had haar eigen lot over zichzelf uitgesproken.

N.B. De namen in dit verzonnen verhaal zijn fictief.

Nov. 2015