De eerste Pinda-Chinees van Den Haag

pindachinees

Als kind van een jaar of zes ontmoette ik op de Haagse Boekenmarkt een Chinese straatventer. Wat mij opviel waren niet alleen zijn smalle ogen meer ook zijn vergeelde tanden. Na die tijd zag ik de Chinees regelmatig in het centrum van de stad, omdat hij permanent op dezelfde plek zijn snoepwaren verkocht. Een grote bak die met twee leren riemen over zijn schouders hing probeerde hij wat geld te verdienen met diverse snoepwaren, maar vooral met pindakoekjes. Dat deze koekjes teng-teng heette wist ik toen nog niet. Ook besefte ik niet dat de Chinezen die toen naar Nederland kwamen zich ook hadden gevestigd in Rotterdam, Amsterdam en ongetwijfeld in andere steden. Ik hield mij daar toen niet mee bezig. Mijn vader noemde de man een pinda-Chinees vanwege de pindakoekjes. Na een paar jaar verbood de Regering deze handel, omdat de koekjes soms werden gemaakt in een onhygiënische omgeving. Toch koos ik liever voor een snoepje, omdat de pindakoekjes soms vet waren van de olie.
Er waren gelijktijdig Chinezen die een restaurantje begonnen dat uitgroeide tot de bekende Chinese restaurants van vandaag. Zeker in het begin werden de maaltijden niet erg hygiënisch klaargemaakt. De Keuringsdienst van Waren zat er bovenop. Sommigen moesten sluiten en degenen die het beter deden breiden zich uit met meer restaurants. Chinezen waren nu eenmaal handelaren en kooplieden. In 1936 woonden er al aardig wat Chinezen in Nederland. Vandaag de dag kent Den Haag ‘Chinatown’ die gevestigd is in een deel van het centrum. In 2011 is er een standbeeld in een lampenwinkel aan de Grote Marktstraat van de eerste zogenaamde Pinda-Chinees onthuld. Het ging om de eerste allochtoon, al kende men deze naam toen nog niet. Het beeld is een eerbetoon aan de eerste buitenlandse ondernemer in Nederland.

De Terrazzowerkers van Den Haag

Rond het jaar 1900 kwamen tienduizenden Italiaanse arbeidsmigranten, vooral uit het arme zuiden, naar Nederland. Het merendeel vestigden zich in Den Haag. Veel terrazzowerkers, leggers van granieten vloeren, aanrechten, gootstenen, dorpels en badcellen waren in de meerderheid. In 1964 had ik een vriendje op school wiens vader een Terrazzowerker was. Hij kwam uit een groot Katholiek gezin en was samen met een van zijn broers naar Nederland geëmigreerd. Thuis hadden wij een zwart wit geblokte granieten gootsteen met een bewerkte aanrecht. Je zag ze in de meeste huizen. Vandaag de dag willen de huidige trendsetters graag zo’n authentieke aanrecht met bijbehorende gootsteen hebben in hun woning. In de jaren 30 woningen zie je soms nog een terrazzovloer liggen. Het merendeel van de diverse patronen is zwart wit. Soms kom je ook een enkele roodtint tegen.
Het leggen van zo’n vloer is vakwerk. Nu zou men er men veel voor moeten betalen. Ooit werd de vloer voor een betaalbaar bedrag gelegd. In die tijd toen er veel Italianen zich in Nederland vestigden, bleek dat er in de grote stad als Den Haag aardig wat werk voor deze mensen was. Vooral in het begin van de 20e eeuw waren terrazzovloeren erg populair. Je zag deze vloeren liggen in veel openbare ruimtes, maar ook in woningen. Menig granito werd in een badcel, dorpel, vloer, gootsteen en aanrecht gemaakt. Deze vakmensen maakten vloeren van cement dat was ingelegd met marmer. Als de vloer hard was, werd deze net zo lang opgeschuurd totdat de vloer glansde. In de volksmond werd het terrazzowerk ook wel granito genoemd.
Het merendeel van deze vakmensen kwam uit het Noordoosten van Italië, uit Friuli of Maniago en de dorpen daaromheen. In Den Haag, waar de meeste Italianen woonden kwam men in de enige Italiaanse club die er toen was, met de toepasselijke naam de Friulaanse club. In 1983 waren er nog 130 leden van de partij. Eeuwenlang waren er al Italianen in ons land gesetteld. Bankiers, instrumentmakers, stucwerkers, ijsmakers. In het jaar 1960 kwamen de eerste, in hun eigen land, werkloze jonge Italianen naar Nederland. Elk met hun eigen vakkennis, omdat er in die tijd een groot te kort aan arbeidskrachten was. Tot heden zijn er nog terrazzowerkers actief. Of hun nazaten dit mooie vakwerk van hun vaders overnemen is nog de vraag. Het zou jammer zijn als dit mooie ambacht voorgoed verloren zou gaan.

Haags vertier

Haagse-Kermis-2

 

 

Wat voor Amsterdam het Vondelpark is, is voor Den Haag het Malieveld. Een uitgestrekte vlakte waar kermissen waren, protestacties, circussen en dergelijke. Mijn ouders hadden simpel weg niets met kermissen. Je krijgt alleen maar rommel voor je zuurverdiende geld had moeder gezegd. Ze had gelijk. Vandaag de dag is er niet veel veranderd op kermissen. Ooit hoorde ik een kermisexploitant zeggen tegen een collega. Die fles champagne die een eventuele winnaar krijgt daar krijg je hoofdpijn van. Ik noem het hoofdpijnchampagne. Ik wist genoeg.

Toch herinner ik mij dat ik samen met mijn vader en jongste zus slechts één keer als jong kind de kermis hebt bezocht. Later in mijn pubertijd ging ik met vrienden naar de kermis toe. Ondanks al dat vertier had ik er niet veel mee. Het bezoek bleef maar bij twee keer. Ook viel het ons op dat de attracties steeds dezelfde waren en hielden het op een gegeven moment maar voor gezien.

Er liepen veel luidruchtige klanten rond. Toch was de kermis in die saaie vijftig- en zestiger jaren voor de meeste mensen een verademing.

Bij aankomst bij het Malieveld, samen met een paar vrienden, kwam het lawaai ons al tegemoet. Het leek erop dat heel Den Haag uitliep om naar het spektakel te gaan. Het was een mierenhoop van mensen. Bij binnenkomst rook ik een mengsel van gebakken vis, oliebollen en een vleugje suikergoed. Bij een kraam hing zoveel verschillend snoep dat wij na afloop van de kermis met een zuurstok naar huis toe gingen. Ook was de suikerspin erg in trek.

Het was toen een sobere tijd. Snoepgoed was thuis bij de meeste mensen buiten kijf. Alleen tijdens Sinterklaas kreeg ik een suikerbeestje en een snoepsigaartje. Daar kon ik het als kind  mee doen. Toch was ik nooit ontevreden. Wij wisten niet beter dan dat dit zo hoorde.

Ondanks de meeste mensen, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, nog geen cent te makken hadden, keek men op de kermis  niet op een dubbeltje. De flikkerende lichten en loeiharde microfoons kwamen je al tegemoet bij aankomst.

Met vrienden ging ik het beruchte spookhuis in. Wij stapten in een van de karretjes die een donkere ruimte inreed. Ik hoorde het geschreeuw van een heks, zag een paar skeletten voorbijkomen en raakte even verstrikt in een paar lange slierten die rakelings langs mij kwamen. Wij schreeuwden en lachten. Voor dat wij het wisten reden wij door een klapdeur heen en sprongen het wagentje uit.

Tijdens een ritje in de botsauto’s botste mijn duopassagier steevast tegen elk autootje die hij maar tegenkwam. Na afloop was mijn tand door mijn lip gegaan. Toch nam ik dit alles maar voor lief. Verderop stond een corpulente vrouw op een podium, waarvan ik de naam niet meer weet. Ze had een behoorlijke omvang, brede armen en bovenbenen, waar menig worstelaar jaloers op zou zijn.

Ik rook oliebollen, maar dat bleken poffertjes te zijn. Met z’n allen smulden wij van deze lekkernij in een grote tent waar lange banken met tafels stonden.

Een van de jongens wilde naar de schiettent gaan en wij gingen mee. Conny, een van mijn vriendinnen vertelde dat haar broer had gezegd dat de loop van zo’n buks krom was, waardoor je niet rechtuit kon schieten.

‘Wat een verlakkerij!’ zei Ron. Toch wil ik het proberen.’

Er stonden een zestal buksen op een rij. Ze waren geladen met kleine kogeltjes. Ron schoot twee keer op een witzwarte schijf waarvan de tweede keer bijna raak was. Als dank kreeg hij een plastic voetbalfluitje, die hij vervolgens aan een joch gaf die met zijn ouders langs de schiettent liep.

‘Wat moet ik met zo’n stom fluitje, zei hij tegen ons. Zonde van mijn geld.’

Touwtje trekken leek mij wel wat. Ik had gehoopt op een leuke beer die ergens in een hoek van de kraam hing. Het bleek een miezerig poppetje te zijn die ik kreeg. Voor mij was de lol er ook af. Het vlooientheater, de muizenstad en het spiegeldoolhof lieten wij links liggen.

In de verte hoorden wij geronk van motoren. Het bleken brommers te zijn van passanten die op eigen risico voor een klein bedrag tegen een steile wand konden crossen. Het was een spektakel moest ik zeggen. Arnoud, een van de vrienden bleef maar kijken. Soms ging het net goed tot op het moment dat een jongen van zijn brommer afviel en deze bovenop hem viel. Wij bleven er niet naar kijken, maar hoorde even later een ambulance aankomen rijden met zijn sirene aan.

‘Dat zal vast voor die jongen zijn’ zei ik.

Twee van ons gingen de achtbaan in waar gillende personen inzaten. Ik had hoogtevrees en ging voor geen goud mee. Na afloop vertelde Conny en Ron dat ze een prachtig gezicht hadden over de stad met de Haagse toren.

De draaimolen voor de allerkleinsten vond gretig aftrek. De houten paarden waren prachtig.

Bij het naar huis gaan lag het gras, of wat er nog van over was bezaaid, met papieren bekers, snoepwikkels, flesjes, entreekaartjes, stokjes van de suikerspin en andere papierwaren. Ook afgehapte worstenbroodjes zag ik liggen. De gemeentereiniging had heel wat te doen na afloop van de kermis.

De kermis is, na al die dagen weer vertrokken, las mijn vader ons voor uit de Haagsche Courant. Het alledaagse leven gaat weer gewoon zijn gang. Volgend jaar zullen de kermisexploitanten vast en zeker weer terugkeren’ zei hij. Daar kunnen wij Hagenaars het voorlopig mee doen.

 

 

 

 

 

Den Haag

Den Haag

 

 

In Den Haag mijn geboortestad

Stond eens mijn wiegje

Door de eeuwen heen veranderde jij

Je hebt een gekleurd palet van inwoners

Eerst woonden er de kaninefaten

Men noemt zich Hagenees of Hagenaar

In je wapen prijkt de ooievaar op hoge poten

Moderne architectuur verpest het Historisch stadsgezicht

De Schilderswijk geliefd en soms gehaat

Dit alles laat mij niet onberoerd

Ze hebben je geen stadsrechten toegekend

Om wat voor reden ooit

Regeringsstad die nooit slaapt

Mijn ‘Golden Oldie’ aan de horizon.