Lente-tragedie

koolmees a

Koolmezen in mijn tuin
Achter het broedgebied
Ze vlogen af en aan
En zongen hun lied

Tot op een mooie lentedag
Ik de koolmezen niet meer zag
Geen aanvliegroute meer
Dat was een hard gelag

Een blik van mij
in het nest aan de muur
zag ik een doods gemoed
het vrouwtje zat op haar gebroed
haar dagen daar gesleten

Het mannetje was niet teruggekeerd
Kon haar geen voedsel geven
Zijn wachtte tevergeefs
En is toen dood gebleven

Het lot van de koolmeesman
Kom ik dus nooit te weten
Maar een ding weet ik wel
Ik zal het nooit vergeten.

Boom- en lichaamstattoos

Wat hebben mensen toch met tattoos, kerven in bomen, op houten banken, graffiti en culturele significantie. Deels kan ik het begrijpen, omdat ik zelf teken en schilder, maar dan op doek en op papier. Ik begon hiermee al heel jong. Mijn tekengave heb ik geërfd. Tattoos kunnen mooi of confronterend zijn, maar niet voor mijzelf. Ik houd mijn huid liever schoon. Over de hele wereld hebben, door de jaren heen, mensen hun creatieve (hand)tekeningen geplaatst. De vroegste tekeningen zijn te zien in de grotten van Hato. Ze bevinden zich op het noordelijk deel van het eiland Curaçao. Ze zijn al eeuwenlang bekend. De grotten werden gebruikt door gevluchte slaven en lang daarvoor door de Arawakindianen die er leefden. De enige overblijfselen in de grotten zijn de tekeningen die herinneren aan mensen die toen leefden. Sommige grottekeningen zijn ongeveer 1500 jaar oud.
Door de eeuwen heen moesten bomen ook deze creatieve krabbels ondergaan. Waar men ter Wereld ook komt, zijn er boomkervingen gemaakt. Ik noem ze voor het gemak maar boomtattoos. Mensen kerfden hun ziel en zaligheid in de boom, niet wetende dat zo’n boom, afhankelijk van zo’n kerving, dood zou kunnen gaan. Toch schijnt het merendeel van de bomen het te hebben overleefd. Naarmate de boom ouder en dikker wordt, groeit de tekening of tekst mee. Ze rekken als het waren uit. Het gevaar zit in het verwijderen van een deel van de schors dat tot gevolg heeft dat de sapstroom in de boom wordt beschadigd.
In onze huidige tijd heb je Graffiti waarmee diverse voorwerpen worden versierd. Je ziet tekeningen en teksten bij stations, op muren, schuttingen etc. De omgeving wordt daardoor aangetast. Men vind het mooi of afschuwelijk. Over smaak valt nu eenmaal niet te twisten. Dit geldt ook voor tattoos die op lichaamsdelen van mensen worden opgebracht. In beide gevallen betekent dit dat de tekeningen en teksten zowel op een boom, willekeurig voorwerp of op je huid definitief is. De inkervingen in bomen zijn volgens mij een nagedachtenis aan de persoon die ze heeft opgebracht. Wie deze mensen dan ooit waren, ze hebben hun stempel gedrukt in de natuur en op zichzelf.

De mondharmonica (piccolo)

De Mondharmonica.

Vanachter het raam keek hij naar de overzijde van de straat. Daar zat hij weer de kleine Johan in zijn rolstoel, die zijn vader had voorzien van een afneembaar blad waarop hij dingen neer kon zetten. Zelf kon Johan dat niet, omdat hij geen controle had over zijn spieren, waardoor zijn armen en benen altijd in beweging waren. Hij was spastisch. Zijn hoofd was het enige dat hij bijna stil kon houden. Met mooi weer werd hij door zijn ouders naast de groene voordeur neergezet, waar zijn moeder, als ze niet met het gezin bezig was, op een kleine kruk naast hem ging zitten. Bij slecht weer zat hij voor het raam en keek door een spion, een spiegel die aan de buitenzijde van de sponning van het raam was bevestigd. Zo kon hij de lange straat inkijken.

Vandaag scheen de zon volop en was zo fel dat Josien, de moeder van Johan hem een pet had opgezet. Hij was net als Johan opgegroeid in deze volksbuurt. Het was augustus 1950, 5 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Hij was 4 jaar in Nederlands Indië geweest en was in dienst bij de LUWA (Luchtmacht artillerie). Hij was geen piloot, maar had als taak op een vliegveld op Java de manschappen van hun maaltijden te voorzien. Hij kreeg daarbij hulp van een baboe en een katjong. Nu was hij alweer een half jaar in zijn ouderlijk huis en had in april zijn dertigste verjaardag gevierd. Het zou niet lang meer duren of hij ging trouwen met Jo. Recent hadden ze een huis in een ander deel van de stad en waren het aan het opknappen. De oorlog had z’n sporen achtergelaten. Tijdens de hongerwinter hadden de vorige bewoners bijna al het hout uit het huis gesloopt, waaronder een gedeelte van de vloerdelen. De winter was zo streng, men had het koud en alles wat maar te vinden was om te stoken verdween in de kachel. Het huis was van origine een statig pand en stond in een van de betere wijken van de stad.

Het was zaterdag en zijn aanstaande vrouw Jo werkte als coupeuse in een gerenommeerde zaak in de binnenstad. Maandag ging hij beginnen bij zijn nieuwe werkgever als timmerman. Hij was nu bij zijn ouders op visite. Zijn broers en zussen waren allen getrouwd.

‘Wat sta je toch door het raam te kijken Frank? hoorde hij zijn moeder zeggen.’

‘Hij draaide zich om en ging zitten aan de lange tafel waar een smyrna kleed over heen lag. Zijn vader zat in zijn stoel bij de kolenkachel en rookte zijn sigaar. ‘

‘Wil je nog een kop koffie Frank? vroeg moeder weer.’

Hij knikte en pakte een Mariakaakje uit de gebloemde koektrommel.

‘Weet je moeder, dat Johan net zo jong als ik ben en dat hij al vanaf zijn geboorte invalide is?’

‘Ik weet het nog als gisteren Frank, de moeder van Johan en ik waren gelijktijdig zwanger met een verschil van een maand. Jij bent gezond thuis geboren, maar Johan zijn moeder moest onverhoeds naar het ziekenhuis worden gebracht. De bevalling was kritiek door een stuitligging van de baby en het scheelde maar weinig of het kind en zij hadden het niet overleefd,

‘Weet u dat ik, voordat ik naar Nederlands Indië vertrok, hem een regelmatig een plezier deed met het spelen op mijn mondharmonica?’

‘Jazeker, als jij voor hem ging spelen kwam er een lach op zijn gezicht. Doorgaans was hij vaak in zichzelf gekeerd. Enkele kinderen in de straat zochten hem op om hem een gevoel te geven dat hij niet alleen was.

‘Ik heb altijd medelijden met hem gehad. Hij heeft zo’n beperkt leven. Zie mij nu, binnenkort ga ik trouwen met Jo. Hij zit daar maar in zijn rolstoel en wordt ’s avonds in zijn bed gelegd.’

‘Ik hoorde dat het niet goed gaat met hem Frank. Zijn gezondheid verslechterd. Volgens zijn ouders heeft hij een vreemde hoest waardoor hij het benauwd heeft.’

Zijdelinks keek hij naar zijn vader die cirkels aan het blazen was met zijn sigaar. Dit kan nooit gezond zijn dacht hij en de stank van zijn sigaar rook je dagen later nog in huis. Hij had er zijn eigen gedachten over en wilde uit respect zijn vader hem daar niet over aanspreken. Het leven was zo oneerlijk. Hij had er moeite mee dat zijn vader met plezier zijn sigaar rookte en Johan het benauwd had.

‘Wat ben je onrustig Frank? Zo ken ik je niet.’

Hij zei niets, stond op en liep naar de lange gang waar zijn jack hing. Uit zijn binnenzak haalde hij zijn kleine piccolo de mondharmonica en zetten hem aan zijn mond. Een paar deuntjes speelde hij. Bij binnenkomst in de woonkamer had zijn vader plaatsgenomen aan tafel.

‘Jij kan zo mooi spelen Frank en zonder een noot te lezen. Van wie je de muzikaliteit hebt weet ik niet, maar niet van ons in ieder geval. Speel wat Frank?’

‘Ik heb een beter idee vader! Buiten is het stralend weer en wij zitten hier maar binnen. Ik ga naar buiten om speciaal voor Johan spelen. Ik zie hem graag blij.’

‘Een goed idee Frank, dan pak ik uit de keuken twee keukenstoelen en gaan buiten zitten. Gelijktijdig met zijn vader stond hij op en liep naar het raam. Johan zit er nog steeds en ik zie ook een paar buren buiten staan.

Ze liepen met z’n drieën naar buiten. Zijn ouders namen plaats op de stoelen en hij liep, al spelend op zijn mondharmonica, naar Johan toe. Ook de ouders van Johan zaten buiten en hadden plaats genomen op de brede rand van het raamkozijn.

‘Mag ik Johan meenemen naar het plantsoen om de hoek van de straat? vroeg hij aan de vader van Johan. Ik wil voor hem gaan spelen op mijn mondharmonica. Misschien is het leuk om met ons mee te gaan.’

‘Een leuk idee Frank’ antwoordde hij en samen met hun en zijn beiden ouders liepen ze naar het plantsoentje en zetten Johan met zijn rolstoel in het midden van het plantsoen neer. Ook een aantal buurtkinderen die het hadden gehoord waren van de partij.

Naast zijn muzikaliteit hield hij ook van dansen en stond hij er om bekend dat hij humor had, aldus zijn vader.

‘Johan keek hem maar aan en brabbelde iets onverstaanbaars. Hij zetten de mondharmonica weer aan zijn lippen en speelde een vrolijk nummer. Gelijktijdig danste hij om Johan heen alsook enkele kinderen vormden een kring en draaide in de rondte. Door de vrolijke sfeer kwamen meer mensen uit hun huizen. Frank vond het best, maar het belangrijkste vond hij de lach op Johan zijn gezicht. Het gaf hem voldoening dat de jongen het zo naar zijn zin had.

De zon was aan het zakken en het werd wat frisser buiten. Na afloop gingen ze weer naar huis. De ouders van Johan bedankte hem. Het deed hun goed dat hun jongen het zo naar zijn zin had gehad.

Ook voor hem was het tijd om Jo van haar werk te gaan halen. Ze zouden samen met andere familieleden verder gaan klussen in hun huis. Binnenkort zouden ze gaan trouwen, het huis moest dus af zijn.

Vader en moeder hadden hem uitgezwaaid en hij vertelde hun op de valreep dat hij na middernacht naar huis zou komen.

Die avond vertelde hij aan Jo dat hij Johan en zijn ouders wilde uitnodigen op hun trouwerij. Na zijn huwelijk zou hij Johan niet meer zo frequent zien. Jo ging ermee akkoord en de trouwdag naderde. In een feestzaaltje in de buurt werd de bruiloft gevierd met wederzijdse familie en met Johan en zijn ouders. Hij kon het niet laten om voor Johan te gaan spelen op zijn trouwdag. Johan glunderde bij het horen van de muziek. Na afloop mocht Johan de kleine mondharmonica vasthouden. Hij hield hem de rest van de avond stevig vast in zijn verwrongen knuist.

Na afloop van de bruiloft ging iedereen weer huiswaarts en gaf de vader van Johan de mondharmonica weer aan hem terug.

Maanden later hoorde hij het bericht van zijn ouders dat Johan aan een longontsteking was overleden. Hij vertelde het die bewuste avond aan Jo en pakte uit de la van de kast zijn mondharmonica. Samen ging hij met haar en zijn ouders de volgende dag naar de aula waar Johan lag opgebaard. Nog een keer speelde hij het lied ‘Droomland’ voor hem en legde voorgoed de mondharmonica tussen de samengevouwen handen van Johan.

De aanwezigen waren zichtbaar ontroerd bij het zien van dit gebaar. Bij het naar buiten gaan hapte hij even naar adem. Hij voelde tranen in zijn ogen prikken, keek naar Jo en zijn ouders en mompelde: ‘Mijn muziek toverde een lach op Johan zijn gezicht en voelde hij zich gelukkig.’ Jo kneep hem in zijn hand om zijn woorden te bevestigen.

2 november 2014images mondharmonica piccolo

De Belofte, gepubliceerd in 2014.

naamlooszolder

 

‘Ze bevond zich in totale duisternis op zoek naar het licht dat ze nooit meer kreeg te zien. Ze was voor eeuwig verdoemd.’

 

‘Mama, waar ben je?’ Een wanhopige kreet galmde voor de zoveelste keer door de oren van Kitty. Ze werd er gek van. Hield het dan nooit op? Het geluid kwam van zolder, dat wist ze. Een muffe zolder met donkerbruine hanenbalken, met boven in de nok een klein, half openstaand zolderraampje. De zolder stond vol met onbruikbare inventaris van haar overleden ouders.

‘Mama, kom nou toch?’ Nu hoorde ze een onbedaarlijk huilen. Dat deed hij bijna nooit, alleen maar schreeuwen om zijn moeder. Ooit had ze haar zus Ella op haar sterfbed beloofd voor haar enige kind te zorgen. Hoe had ze zo stom kunnen zijn om aan deze belofte te voldoen. Als oudste meisje was ze vijf jaar lang alleen geweest. Alle aandacht kreeg ze van haar ouders, totdat Ella werd geboren. Een nakomertje. Ze had gevoeld hoe blij haar ouders met haar jongste zusje waren. Vanaf Ella haar geboorte kende ze geen zustergevoelens voor haar. Ze zag haar meer als een indringster en voelde zich achtergesteld. Alle jaren had zij alle aandacht opgeëist, maar moest die nu delen met de jongste telg.

Haar zusje was knap om te zien en had grote, blonde krullen. Moeder had al snel door dat ze jaloers was op haar jongste zusje en zei: ‘Jaloezie is een slechte eigenschap Kitty, vroeg of laat krijg je daardoor problemen. Vader en ik houden net zo veel van jou als van Ella, begrijp dat dan toch?’. Op latere leeftijd koos Ella altijd partij voor haar als ze weer eens het gevoel had dat ze van mensen te weinig aandacht kreeg. Ze was eigenlijk heel lief voor haar, maar door haar obsessie om aandacht kreeg ze langzamerhand een hekel aan Ella.

Op een zekere dag trouwde Ella met Thomas, een makelaar in Onroerend Goed uit haar dorp. Ze kregen een zoon die ze Tommy noemde. Kort na de geboorte van Tommy stierf Thomas, door een noodlottig ongeval met zijn auto en bleef ze achter met haar kind. Ella was blij met haar enige kind en zorgde goed voor hem. Zelf was ze al jaren vrijgezel. Ze had weleens een vriend gehad, maar die liet het snel afweten, omdat ze zoveel aandacht opeiste dat hij het gevoel had dat hij zich overbodig voelde bij haar. Na de dood van haar ouders bleef ze in het ouderlijk huis wonen. Het was eigenlijk te groot voor haar alleen met twee etages en een grote zolder. Ella woonde in een villa met Tommy in een naburig dorp.

Op een zekere dag werd Ella ernstig ziek en viel ze aanzienlijk snel af. De arts constateerde botkanker. Ella vroeg aan haar of ze haar wilde bijstaan tijdens haar ziekte en de zorg voor Tommy op haar te willen nemen als ze zou komen te overlijden. Ze gaf haar woord als zus, maar gelijktijdig wist ze dat ze hieraan niet kon voldoen. Tommy leek op zijn moeder, had hetzelfde lieve karakter en ook haar krullende haar. Zou de geschiedenis zich gaan herhalen, vroeg ze zich af? Nu kreeg haar zoon alle aandacht, die ze hem moest geven, maar wie had haar de laatste jaren aandacht gegeven?

Via de notaris werd een akte opgesteld dat ze de voogdij over Tommy kreeg. Ella had daar alsnog voor gezorgd. Tommy was nu vijf jaar. Op haar sterfbed vroeg ze aan haar of ze Tommy nog een keer mocht zien. De arts die in de slaapkamer aanwezig was beval haar Tommy te gaan halen, voordat zijn moeder zou gaan sterven.

‘Uw zus is erg ziek. Het kind had recht om zijn moeder te zien zei hij.’

De arts stond op uit een eiken leunstoel en vertrok. Tommy hield ze die middag weg bij zijn moeder. Tijdens de begrafenis riep het kind om zijn moeder. Lopende achter de witte, houten kist keken familie en vrienden van Ella vol medelijden naar het kind. Over haar opgestoken kraag van haar grijze tweedjas keek ze richting Tommy. Tranen rolden over zijn witte gezichtje en zijn handje voelde koud aan in haar hand. Het was een gure dag de 22e |maart. Nadat iedereen was vertrokken van het kleine kerkhof gingen ze naar huis. Eenmaal thuis gekomen ging ze zitten op haar groene sofa. Tommy kwam voor haar staan en vroeg of hij op haar schoot mocht zitten. Zijn lichtblauwe ogen keken haar vragend aan.

‘Nu niet Tommy, tante is moe’ en ze weerde hem af met haar handen.

Hij ging op zijn knietjes zitten op het bonte vloerkleed dat op de grenen houten vloer lag. Het leven met Tommy viel haar zwaar. Overdag bracht ze hem naar school. Bij thuiskomst huilde hij vaak om zijn moeder. Vriendjes mocht hij bijna niet mee haar huis nemen, dat wilde ze niet. Omdat het huilen maar aanhield en ze er geen raad mee wist, kreeg ze op een zeker moment een hekel aan hem en besloot hem, iedere dag na schooltijd, naar zolder te brengen. Op een namiddag liepen ze naar boven en via een vlizotrap klommen ze op zolder. Vlakbij de vlizotrap lag een tweepersoons matras, die nog van haar ouders was geweest en wat lichtblauwe dekens. Een waterig zonnetje priemde door het hoge openstaande zolderraampje naar binnen. Ze wilde meteen aanstalten nemen om weg te lopen.

‘Ik wil met u naar beneden toe tante Kitty jammerde hij, waarom neemt u mij niet mee; het is hier zo eng?

‘Ga hier maar spelen! Straks krijg je eten en drinken.’

Met zijn grote blauwe ogen keek hij haar aan en voordat hij iets kon terug zeggen sloot ze het luik en stapte op de Vlizotrap om naar beneden te gaan. Zachtjes hoorde ze hem huilen. Het ontging haar niet dat een glimlach over haar lippen kwam. Ziezo, nu had ze even rust.

Hij voelde zich angstig in die schemerige ruimte. Het was er stil. Voorzichtig keek hij om zich heen en liep langs een paar oude stoelen, waarvan de stoffering was versleten. Wat lag daar naast een stoelpoot, een knuffelbeer met één oog. Hij pakte het op en liep er mee naar het matras, ging zitten en keek naar zijn nieuwe vriendje. Op hetzelfde moment voelde hij een zachte bries om zich heen waaien en viel hij even later in slaap.

Tegen zessen bracht ze wat eten naar zolder en wat water. Voorzichtig deed ze het luik open. Tommy lag te slapen onder de klamme dekens. Snel zetten ze alles neer en sloot meteen het luik. Ze hoopte dat Tommy rustig zou blijven, maar hij bleef om zijn moeder roepen. Het gejammer was door het hele huis te horen. Op een dag besloot ze eerder naar boven te gaan.

‘Boos zei ze tegen hem toen ze het luik opende, dat hij, als hij steeds maar om zijn moeder bleef roepen, aardappelschillen te eten zou krijgen.’ Er veranderde niets.

Vanaf nu af aan bracht ze hem iedere namiddag een bord aardappelschillen en water. Zes maanden was Ella nu overleden. Wat had ze ook weer aan haar gevraagd op haar sterfbed? ze dacht er liever niet aan.’

Hij voelde zich iedere avond eenzaam, alleen de knuffelbeer was zijn grote vriend. Als hij om zijn moeder riep, voelde hij steeds een zachte bries om zich heen. Hij was moe en voelde zich leeg, zijn maag deed nu geen pijn meer van de honger en hij staarde naar het dakraampje. Twee sterretjes twinkelde in de nacht. Een vredige rust kwam langzaam over hem heen.

Diezelfde avond toen ze het luik opende en op de zolder stapte om het lege bord en de beker op te halen, keek ze naar Tommy. Hij lag er zo stil bij met een glimlach om zijn lippen in zijn witte hemdje met een teddybeer in zijn handje geklemd. Ze zag nu pas dat zijn lijfje sterk was vermagerd. Het leek wel een vreemd kind, iemand die ze niet kende. Zijn openstaande ogen staarden naar de nok van de zolder. Ze voelde opeens een rilling over haar hele lijf. Onverwachts pakte ze zijn pols. Ze voelde het niet meer kloppen. Transpiratiedruppels liepen over haar rug en haar hart klopte in haar keel. Enkele seconden staarde ze naar het kind. Nu pas realiseerde ze wat ze had gedaan. Het was te laat.

‘Wat had haar moeder ooit tegen haar gezegd?’

‘Wat heb ik gedaan Ella schreeuwde ze luidkeels! Ik heb je zoon vermoord en heb niet aan mijn belofte voldaan om goed voor je kind te zorgen. Mijn obsessie om aandacht werd mijn ondergang. Moeder had het voorspeld.’

‘Mijn God!’

Haar stemgeluid weerkaatste niet, maar verstomde tussen de houten hanenbalken van de zolder.

Ze wankelde, zonder achterom te kijken deed ze een stap achteruit en viel achterover door het openstaande luik naar beneden. Als scherpe messen voelden ze de traptreden langs haar rug gaan. Steken van pijn doorboorden haar lijf en hoofd. Als een flits zag ze haar levensloop aan haar voorbij gaan en kwam ze terecht in een stille, donkere atmosfeer.

 

 

 

 

 

 

 

Overpeinzing.

‘Overpeinzing.’

 

Bedachtzaam kijk ik naar mijn samengevouwen handen. Ze lijken op die van haar. Stijf van de reuma. Magere vingers met op de middelste kootjes grote- en kleine knobbels. Mijn beiden pinken wijzen naar binnen toe. Het enige dat ze niet had is de kromgetrokken vingertop van mijn rechter wijsvinger.

Met ‘haar’ bedoel ik mijn moeder die 87 jaar is geworden en net als ik in haar eigen huis is blijven wonen, nadat vader is overleden. Ik ga wat rechtop zitten en zie vanuit mijn leunstoel haar foto staan op mijn noten houten, dressoir. De foto zit in een simpel houten lijstje, dat bijna uit zijn frame valt. De zon schijnt in mijn woonkamer en door het licht spiegelt mijn silhouet in het fotoglas. Ik draag mijn grijze haar in een knot, net als zij.

 

In gedachten ga ik terug in de tijd. Door de ogen van een meisje van negen jaar, zie ik mijn moeder zwoegen in het huishouden. Ze schuurt de houten vloeren met een harde borstel en wat scherp zand. Even daarvoor heeft ze het smyrna vloerkleed uitgeklopt met een mattenklopper op een open plaats achter het huis. De kleding wordt gewassen in een grote wastobbe met bijbehorende wringer, die er voor zorgt dat het overtollige water uit de kleding wordt geperst.

 

Tien jaar na de Tweede Wereldoorlog kochten mijn man en ik de eerste wasmachine, stofzuiger en in de loop van de tijd meer huishoudelijke apparaten. Mijn moeder had de nieuwe goederen met lede ogen bekeken. Hoe kon zo’n wasmachine nou schoner wassen dan haar wastobbe. Al gauw moest ze toegeven dat het huishoudelijke werk minder zwaar was voor haar dochter dan voor haarzelf.

 

Nu heb ik zelf een dochter. Jacintha is van middelbare leeftijd. Samen met haar man komt ze elke zondag bij mij op bezoek in haar ouderlijk huis.

Mijn dochter heeft ook de tekenen van reuma in haar handen had ze gezien. Blijkbaar heeft ze het van mij en haar oma geërfd.

 

Plotseling zingt de koekoek in de klok drie keer zijn deuntje. Ze zijn één uur te laat. Altijd komen ze op tijd, bedenk ik mij opeens. Het wachten maakt mij ongeduldig en moe. Na verloop van tijd voel ik mij langzaam wegzakken en kan mijn ogen niet open houden.

‘Dag moeder, wat staat u daar in een helder licht. Het lijkt wel of u mij roept?

 

‘Ach Frank, kijk nou toch eens, daar zit mama met samengevouwen handen weggezakt in haar noten houten, leunstoel. Ze lijkt op de foto van oma die daar op het dressoir staat. Die zit namelijk ook in dezelfde houding net als zij.

 

‘Mama, wij zijn wat laat! wakker worden?’Afbeelding

Overpeinzing

images222

 

Bedachtzaam kijk ik naar mijn samengevouwen handen. Ze lijken op die van haar. Stijf van de reuma. Magere vingers met op de middelste kootjes grote- en kleine knobbels. Mijn beiden pinken wijzen naar binnen toe. Het enige dat ze niet had is de kromgetrokken vingertop van mijn rechter wijsvinger.

Met ‘haar’ bedoel ik mijn moeder die 87 jaar is geworden en net als ik in haar eigen huis is blijven wonen, nadat vader is overleden. Ik ga wat rechtop zitten en zie vanuit mijn leunstoel haar foto staan op mijn noten houten, dressoir. De foto zit in een simpel houten lijstje, dat bijna uit zijn frame valt. De zon schijnt in mijn woonkamer en door het licht spiegelt mijn silhouet in het fotoglas. Ik draag mijn grijze haar in een knot, net als zij.

In gedachten ga ik terug in de tijd. Door de ogen van een meisje van negen jaar, zie ik mijn moeder zwoegen in het huishouden. Ze schuurt de houten vloeren met een harde borstel en wat scherp zand. Even daarvoor heeft ze het smyrna vloerkleed uitgeklopt met een mattenklopper op een open plaats achter het huis. De kleding wordt gewassen in een grote wastobbe met bijbehorende wringer, die er voor zorgt dat het overtollige water uit de kleding wordt geperst.

Tien jaar na de Tweede Wereldoorlog kochten mijn man en ik de eerste wasmachine, stofzuiger en in de loop van de tijd meer huishoudelijke apparaten. Mijn moeder had de nieuwe goederen met lede ogen bekeken. Hoe kon zo’n wasmachine nou schoner wassen dan haar wastobbe. Al gauw moest ze toegeven dat het huishoudelijke werk minder zwaar was voor haar dochter dan voor haarzelf.

Nu heb ik zelf een dochter. Jacintha is van middelbare leeftijd. Samen met haar man komt ze elke zondag bij mij op bezoek in haar ouderlijk huis.

Mijn dochter heeft ook de tekenen van reuma in haar handen had ze gezien. Blijkbaar heeft ze het van mij en haar oma geërfd.

Plotseling zingt de koekoek in de klok drie keer zijn deuntje. Ze zijn één uur te laat. Altijd komen ze op tijd, bedenk ik mij opeens. Het wachten maakt mij ongeduldig en moe. Na verloop van tijd voel ik mij langzaam wegzakken en kan mijn ogen niet open houden.

‘Dag moeder, wat staat u daar in een helder licht. Het lijkt wel of u mij roept?

‘Ach Frank, kijk nou toch eens, daar zit mama met samengevouwen handen weggezakt in haar noten houten, leunstoel. Ze lijkt op de foto van oma die daar op het dressoir staat. Die zit namelijk ook in dezelfde houding net als zij.’

‘Mama, wij zijn wat laat! wakker worden?’

 

 

HET GLAZEN HUIS

imagesCAKK3RMYHet glazen huis.

Op een warme dag in Mei vertrok Irma Tetteroo uit Delft richting het Westland om haar schoonzus Mia te ontmoeten, die ze, na het overlijden van haar man Chris, al enige tijd niet meer had gezien.

Mia was de oudste uit het gezin Van der Geest, dat bestond uit vier meisjes en drie jongens. Chris was het derde kind. Mia was met Theo Rodenburg getrouwd, een zoon van een tuinder uit het dorp de Lier. Ze woonden vanaf hun huwelijk in een kleinschalig kassengebied aan de rand van het dorp. Theo kweekte potplanten net zoals zijn vader had gedaan. Zijn bedrijf stond op steenworp afstand van het huis. Zo liefdevol Mia voor haar lievelingsbroer Chris was, zo afstandelijk was ze altijd tegen haar geweest. Theo was een hartelijke man die ook wel hield van een grapje op z’n tijd. Bij Mia kreeg ze geen poot aan de grond. Haar huis  had geen sfeer, dat bestond uit een saai interieur zonder kleurrijke accessoires en prima paste bij die grijze muis van een Mia, vond ze. Het huis was gebouwd van zandkleurig  baksteen. Aan een zijkant en achterzijde van het huis,was een grote glazen serre geplaatst, waardoor het leek alsof het huis was ingekapseld door al dat glas. Ze vond het niet prettig om op visite te gaan naar het glazen huis waar haar schoonzus en zwager woonde.

‘Ik moet altijd maar op mijn tenen lopen en kan nooit mijzelf zijn, had ze tegen Chris gezegd.’

Ook bij haar schoonouders en andere familieleden voelde ze een zekere afstand. Ze kwam nu eenmaal niet uit een dorp, maar uit de grote stad en ze lieten merken dat ze nu eenmaal niet een van hen was. Toch moest ze haar schoonfamilie te vriend houden. Ze was nu eenmaal met Chris getrouwd en daar had ze zeker geen spijt van. Na het overlijden van haar ouders bleef ze wonen in Delft, kocht een huis  en werkte bij een notariskantoor in de administratie. Op een zekere dag, tijdens haar lunchpauze, had ze Chris ontmoet op de Beestenmarkt in Delft. Ze zaten niet ver bij elkaar vandaan op een terras en raakten onverwachts met elkaar in gesprek, omdat Chris en passant om een vuurtje vroeg, terwijl zij zelf niet rookte. Ze moest er om lachen. Hij vertelde haar later dat hij haar aardig vond en het middel had aangegrepen om met haar in contact te komen. Na vele ontmoetingen trouwden ze en kwam Chris bij haar wonen. Hij was als laatste uit zijn ouderlijk huis vertrokken.

Hij vertelde haar dat hij haar een lieve vrouw vond en dat hij het goed kon vinden met haar ouders. Hoe anders waren zijn eigen ouders. Hij kwam uit een conservatief  Katholiek gezin, waar zijn vader de scepter zwaaide. Vooral de eerste drie zoons, waar ook hij toebehoorde moesten het vaak ontgelden. Op een dag kwam zijn vader hem, in de vroege ochtend, ophalen bij een tomatentuinder waar hij werkte en zei dat hij onmiddellijk mee moest komen om alsnog naar de kerk te gaan. Zijn werkzaamheden moesten maar wachten. Hij, die inmiddels 27 jaar was werd in het bijzijn van zijn collega’s gekleineerd. Hij   was wars van het fanatisme van zijn vader, die wilde dat zijn gezin driemaal daags naar de kerk moest gaan. Er moest toch ook gewerkt worden had hij tegen zijn vader gezegd. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Het gezin had onder het regime van zijn vader te lijden. Van zijn moeder had hij ook niet veel te verwachten omdat ze bang was van haar man. Soms sloeg vader er op los, met zijn leren riem, als hij weer een van zijn driftbuien had. Voor zijn dochters bleek hij wat milder van aard te zijn.

Ze had het verhaal van Chris meermalen aangehoord. Haar man en zij waren gelovig en gingen trouw naar de kerk. Waarom haar schoonvader zo lelijk deed begreep ze niet. Was het uit frustratie? Ze was blij dat ze haar man had ontmoet en waren samen gelukkig met elkaar.

Donkere wolken pakten zich samen in de lucht. Het was broeierig in de auto. Onverwachts viel er een stortbui uit het grijze wolkendek. Door het gekletter van de regen ontwaakte ze uit haar overpeinzingen. Ze deed de ruitenwissers aan en vervolgde haar weg. Halverwege de Woudseweg zag ze een wegomlegging opdoemen. Bij een eerstvolgende zijweg reed ze rechtsaf een pad in dat steeds smaller werd. Door de hoeveelheid regen raakte ze het spoor bijster omdat de voorruit was beslagen.

‘Waar was ze eigenlijk, mompelde ze?’ Als de Woudseweg niet was afgesloten wist ze blindelings het huis van haar schoonzus en zwager te vinden. Ze volgde het modderige pad met ondiepe kuilen die vol liepen met regenwater. Aan weerszijden stonden bomen. Verzadigd door de regendruppels hingen dunne takken als lange armen naar beneden en raakten bijna het dak van haar donkerblauwe volkswagen. Gelukkig waren er geen tegenliggers. Ze moest er niet aan denken om achterwaarts het pad te volgen, stel je voor dat ze tegen een van de bomen aan zou rijden. In het voorbijgaan zag ze soms een inham om in te parkeren, maar daar bleef het ook bij. Aan het einde van het kronkelige pad met drie scherpe bochten, kwam ze uiteindelijk terecht op een open plek met een geasfalteerde weg en zag een kruispunt met rondom glazen kassen. De straatnaam Noordlierweg, dat stond vermeld op een bord langs de kant van de weg, zei haar niets en ze vroeg zich af welke richting ze nu uit moest? Ze parkeerde de auto aan de kant van de weg. Er was geen sterveling te bekennen op dit middaguur met dit weer.

Het was de zoveelste keer in haar leven dat ze op een kruispunt terecht kwam. Iedere keer moest ze keuzes maken en dat was niet altijd gemakkelijk. Ze had een beschermde jeugd gehad met lieve ouders, maar vanaf ze uit haar ouderlijk huis was gegaan, moest ze haar eigen beslissingen nemen. De laatste jaren stond Chris haar  bij met raad en daad, maar onlangs was hij plotseling overleden aan longkanker. Van een gezonde jongeman, die ze ooit had gekend,  lag een sterk vermagerde man in zijn ziekbed, waarbij ze soms haar twijfels had of dat ooit de man was geweest met wie ze getrouwd was. Binnen een half jaar was hij overleden. Na zijn dood  kwam ze thuis te zitten wegens een burn-out.. De laatste jaren waren hectisch geweest voor haar op het notariskantoor en ze was veranderd van een goedlachse vrouw in een stille, teruggetrokken vrouw die haar man tijdens zijn ziekbed had bijgestaan. Regelmatig had ze paniekaanvallen en huilbuien die ineens spontaan opkwamen. Ze stond er nu helemaal alleen voor. Haar ouders waren al jaren overleden en van haar schoonfamilie hoefde ze niet veel te verwachten.

‘U bent zwaar overspannen mevrouw  Van der Geest en uw bloeddruk is veel te hoog, had de dokter tegen haar gezegd.’

Na de nog onverwachte dood van Chris was ze uitgeput. Het liefst wilde ze slapen, ze was moe en wilde geen bezoekjes afleggen, ook niet naar goede vrienden. Gelukkig begrepen haar vrienden het wel en bleven haar ondanks alles trouw.

Het was nu twee jaar later en ze voelde zich alweer wat beter; alleen haar bloeddruk bleef aan de hoge kant. De medicatie die ze kreeg had nog niet het gewenste resultaat gehad volgens de dokter, die haar gezondheid nauwlettend in de gaten hield. Ze had nog steeds geen behoefte gehad om contact op te nemen met haar schoonfamilie, die, na het overlijden van haar man, niets meer van zich lieten horen. Toch had ze gehoopt op een gesprek met haar schoonzus Mia. Chris had haar ooit verteld dat Mia eigenlijk jaloers op haar was en had kort, voordat hij stierf een gesprek met zijn zus. Waar het gesprek over ging had ze niet meer meegekregen, omdat kort erna Chris stierf. Ze liet het nu maar zo. Ooit had ze de moed verzameld om te gaan praten met Mia, maar door omstandigheden ging het niet door.

Nu zat ze in de auto in de stromende regen op weg naar Mia die haar twee dagen geleden onverwachts had opgebeld voor een afspraak. Ze was stom verbaasd. Wonderlijk genoeg klonk Mia’s stem opgewekt en was ze belangstellend naar haar gezondheid. Ze was nu onderweg naar de Lier. En passant keek ze op haar zilverkleurig horloge en zag tot haar grote schrik dat het bijna 16.00 uur was. Ze was bijna een uur te laat. Ze startte de auto en reed rechtsaf de geasfalteerde kruising op. Na 20 minuten rijden had ze het gevoel dat ze niets was opgeschoten. Het doolhof van glas deed haar adem stokken en kreeg ze een claustrofobisch gevoel.

‘Waar was toch die verdoemde hoofdweg, riep ze met een lichte paniek in haar stem. Hier ben ik toch net geweest!’

Ongeduldig parkeerde ze opnieuw haar auto op een bedrijventerrein en pakte haar GSM uit haar suède schoudertas. Ze kreeg vrijwel direct Theo aan de telefoon die aan haar vroeg waar ze toch bleef? Ze vertelde hem over de wegomlegging op de Woudseweg.

‘Ik zal wel zeggen hoe je nu moet rijden Irma zei hij tegen haar en ze hingen op.’

Eindelijk kwam ze uit op de Woudseweg. Bij de eerstvolgende rotonde sloeg ze linksaf en reed nu door een klein kassengebied. Ze wist weer waar het glazen huis stond. Hoe vaak had ze deze route niet gereden samen met haar man. De regen was inmiddels gestopt. Een waterig zonnetje scheen door haar voorruit en prikte in haar ogen. Opeens kreeg ze een benauwd gevoel en ademde diep. Haar hart  begon sneller te kloppen. Ze deed het elektrische raam open van haar portier en hapte naar  frisse lucht. Dat voelde al veel beter. Rustig reed ze lange weg af. Ze was er nu bijna.

Wat zou Mia haar te vertellen hebben? Zou ze haar nu na al die jaren accepteren, vroeg ze zich af.

Ze tikte nerveus met haar cerise kleurige nagels op haar stuur. Haar lange, blonde haar plakte in haar klamme hals. Ze ging wat rechter op zitten in haar autostoel. Opeens ontstond er een hevige pijn aan de zijde van haar hartstreek. Ze schrok hevig. Een misselijk gevoel kwam vanuit haar maag omhoog en bleef hangen in haar slokdarm. Ze greep met een hand naar haar linkerborst. Transpiratiedruppels rolde over haar voorhoofd en ze hapte weer naar lucht dat naar binnenkwam via het nog openstaande raam. Met haar rechterhand gaf ze een korte ruk aan het stuur, gaf meer gas en ging met een scherpe bocht rechts de hoek om. Daar in het glazen huis zag ze twee silhouetten van mensen die ze kenden voor het raam staan. Opnieuw voelde ze een hevige pijn, nu in haar hoofd. Onverwachts liet ze het stuur los en viel voorover over  haar stuur. In een flits zag ze dat de auto koers zette richting een boom wiens takken goudgele bloemen droegen. Ze kromp ineen van de pijn en voelde zich langzaam wegzakken.

Ze had haar bestemming bereikt.