Het zal mij een worst zijn

tijdschriften_0

Bij het plaatsnemen in de wachtkamer van het ziekenhuis, zie ik een mand staan met diverse tijdschriften. Waar ik soms ook kom, altijd kom je de vunzige roddelbladen tegen. Waarschijnlijk stuk gelezen door gretige types die zo’n blad een warm hart toedragen. Al jaren vieren roddelbladen hoogtij. Veel landen kennen wel zo’n blad. Sommige mensen smullen van beroemdheden die weer eens vreemd zijn gegaan, hun kapitaal hebben uitgegeven aan prullaria, Botox-behandelingen hebben ondergaan of deels naakt op een voorpagina staan. Alles wordt uitvergroot in een artikel geplaatst. Ongetwijfeld zal er een kern van waarheid inzitten, tenzij de verslaggevers het verhaal uit hun duim hebben gezogen.
Liever lees ik artikelen over mensen die iets gepresteerd hebben voor de maatschappij. Hun kennis willen delen met de lezer. Daar wordt men wijzer van. Er liggen diverse bladen in de mand, waarvan ik er enkelen uitvis om een keuze te maken. Het is nog een aardig stapeltje. Medische vak-, woon- en een paar autobladen liggen voor mij op tafel. Op het moment dat ik een keuze wil gaan maken, wordt mijn naam geroepen. Snel deponeer ik de door mij uitgekozen bladen bovenop de oude stapel roddelbladen, waarvan ik nog net de datum van zo’n roddelblad kan lezen. April 2015. ‘Die oude troep zal mij een worst zijn’ mompel ik terwijl ik naar de specialist toeloop die op mij staat te wachten.

MARKTWAAR

imagesCAA9QUTU

Op de brede plank boven mijn verwarmingsplaat in de woonkamer ligt een fotokopie met een opdracht voor mijn schrijfcursus. Het ligt een paar dagen onaangeroerd. Ik ben zojuist thuisgekomen met mijn dochter voor een uitstapje naar de plaatselijke markt in Oosterheem die deze dag is geopend. Ik neem de fotokopie ter hand en lees de opdracht. Schrijf een column in de ik-vorm. Mijn dochter maakt haar huiswerk en ik pak mijn pen uit het pennenbakje. Hoe kan het ook anders, het woord ‘Markt’ komt in mijn gedachten.

Een marktganger ben ik nooit geweest. Dat zijn de eerste woorden die over mijn lippen komen. Gelijktijdig zwiert mijn pen over het papier. Vraag mij niet waarom ik geen voorstander ben van de markt, ik weet het simpel weg niet. In die bijna 40 jaar dat ik in Zoetermeer woon, ben ik vijf keer op een markt geweest. Sinds kort had ik in de plaatselijke krant gelezen dat de warenmarkt van het Stadshart, wegens te weinig klandizie op de dinsdagen, verplaatst zou worden naar de nieuwe wijk Oosterheem, niet ver van mijn eigen wijk Noordhove vandaan. Meer uit nieuwsgierigheid dan uit interesse gingen mijn dochter en ik op pad.

In verband met de aanleg van de bestrating in de buurt van het recent opgeleverde winkelcentrum Oosterheem, moest mijn dochter omrijden met de auto. Sinds één jaar heeft ze haar rijbewijs en rijdt ze graag. Voor mij een makkie en zit ik  als trotse moeder naast haar. De omleiding werd keurig aangegeven door middel van een bord met een zwartgedrukte kapitale letter ‘W’. Waarschijnlijk de ‘W’ van winkelcentrum of van ‘wegomlegging’, zei ik tegen mijn dochter en wij moesten lachen. Uiteindelijk kwamen wij in de buurt van de warenmarkt die op een kluitje was gesitueerd op een brede middenberm tegenover één van de ingangen van de ondergrondse parkeergarage. Het was een lastige situatie om via de smalle straat de parkeergarage in te rijden die tegenover de warenmarkt lag. Ik zag mensen die in hun haast niet uitkeken en tussen het sluipverkeer van auto’s en fietsers zich richting de warenmarkt worstelden. Over de ligging van de warenmarkt is blijkbaar niet goed nagedacht, zeg ik weer. Mijn dochter knikt.

            Even later bevonden wij ons tussen de kramen van de marktkooplui. Blindelings hadden wij er kunnen komen, de lucht van gebakken vis kwam ons al tegemoet. Op een bord bij de ingang van de markt stond vermeld: “gratis koffie voor het winkelend publiek.” Het viel mij op dat de meeste kramen in tweevoud aanwezig waren. Er waren twee viskramen, groente- en zuivelkramen en kledingkramen. Gelukkig waren er ook kramen met andere producten. Voor elk wat wils. Twee kramen miste ik: “de stoffen- en de sokkenkraam”. Voor die laatste kraam was ik speciaal gekomen naar aanleiding van een advertentie in de plaatselijke krant en ik begreep niet waarom de kraam er niet stond. Ik was namelijk toe aan nieuwe sportsokken. Omdat het die ochtend mooi weer was stapte ik zonder sokken in mijn schoenen in de veronderstelling dat ik met een aantal nieuwe sokken thuis zou komen. Voor mij geen marktwaar en marktpubliek. Die laatste groep is soms irritant, waarvan sommigen mensen niet uitkijken en met hun rollend materieel bijna tegen je schenen aanrijden, opeens stilstaan en een gesprek aangaan met een bekende en geen strobreed opzij gaan in het toch al smalle wandelpad van de warenmarkt. Nee, ik blijf trouw aan een winkelcentrum of het Stadshart. Gelukkig was de winkelketen ‘Zeeman’ in de buurt.