EMIGRATIE NAAR CANADA, DEEL 7 EN 8

DEEL 7

Aan het einde van de middag zien ze het bord Revelstroke. Piëta leest op een wegenkaart dat er net buiten het centrum een camping ligt en vertelt dit tegen Jake. ‘Ook moeten wij onze voorraad weer eens aanvullen, want die begint aardig te slinken.’
Ze rijden naar het centrum van Revelstroke en vinden een supermarkt. Na de bevoorrading rijden ze de camping op die op de wegenkaart staat vermeldt. Ze zien op de camping een klein meertje en zien dat er veel jonge mensen op de camping staan. Ze besluiten om hier te overnachten. Piëta zet de boodschappen in de voorraadkast en Jake en Arjan lopen naar het meertje toe. Jake schopt zijn zwarte teenslippers uit in het gras, gaat zitten en dompelt zijn voeten in het water. ‘Jeetje, wat is het waterkoud zeg, mijn voeten bevriezen bijna.’
Na enkele minuten went het koude water aan zijn voeten. Arjan gaat op zijn hurken naast Jake zitten en praat met hem over de reis die ze tot nu toe hebben gemaakt.

Intussen zet Piëta zich neer op een campingstoel met een beker koffie in haar handen. Ze staart voor zich uit en denkt: dat de reis met haar reisgenoten tot nu toe, op een paar kleine irritaties na, spoedig is verlopen. Het karakter van Jake ligt haar iets meer dan dat van Arjan, die wat zakelijker is, maar ook hij is sympathiek. Haar blik dwaalt af naar een klein kampvuur die een van de naaste campinggasten heeft aangestoken. Een jong stel, dat rondom het kampvuur zit, wenkt Piëta om aan te schuiven bij het kampvuur. Piëta staat op en loopt richting het jonge stel. Het blijken Engelsen te zijn. Ze vragen aan haar of ze ook op doorreis is en Piëta vertelt dat ze met zijn drieën een rondreis maken. Na enige tijd worden Arjan en Jake ook uitgenodigd om bij het kampvuur plaats te nemen. Het vuur knettert. De gastheer schenkt wijn in en zijn vrouw pakt haar gitaar en speelt een aardig deuntje. Jake besluit om een dansje te maken rond het kampvuur. Ze moeten allen lachen en de Engelsman zegt: ‘Pas maar op zo dadelijk gaat het regenen, want je danst net als de Indianen de regendans.’ Ze bulderen van het lachen en de avond verstrijkt.
De volgende ochtend dwarrelt er nog wat witte rook van het kampvuur en is het Engelse stel inmiddels vertrokken. In de lucht staat een waterig zonnetje.
‘Daar zal je het hebben zegt, Arjan, zo dadelijk krijgen wij alsnog regen door jouw dansen.’
‘Welnee, pessimist’ antwoordt Piëta.
‘Eén regenbui kan geen kwaad, zegt Arjan opnieuw, want het is hier behoorlijk warm.’

Na het ontbijt besluiten ze om bij het Visitor Center in Revelstoke, informatie in te winnen over bezienswaardigheden in de naaste omgeving. De man met een hangsnor vertelt hun dat hier een National Park is.
‘Jullie moet wel voldoende eten en drinken meenemen hoor, wat regenkleding en goed schoeisel, want het is een groot park.’
Na de man bedankt te hebben en het stadje te hebben bezichtigd gaan ze weer op weg. ‘Annie ’geeft als mededeling: ‘dat vanaf Revelstoke het nog 26 km rijden is naar het National Park!’
Onderweg genieten ze van de mooie natuur.

DEEL 8

Eenmaal op de parkeerplaats aangekomen parkeren ze de campers in de daarvoor bestemde parkeerstroken, stappen uit en zien een groepje mensen staan met een parkwachter. Als ze bij het groepje gaan staan, vertelt de parkwachter aan hun of ze met de groep mee willen wandelen. ‘Dat is wel de bedoeling!’ vertelt Piëta tegen de man.
De parkwachter draagt een geweer en vertelt, alvorens ze gaan wandelen, dat het soms voorkomt, dat er opeens een beer hun pad kan kruisen en hij leest de spelregels aan hun voor.
‘Blijf bij elkaar, minstens 4 personen per groep. Maak regelmatig geluid als je wandelt. Dat schrikt de beer af. Geurende etenswaren mogen niet worden meegenomen. Bij een eventuele noodsituatie wordt er op de beer geschoten.’
‘Tijdens het bessenseizoen, zoals nu komen de beren vanuit de bergen naar de laaggelegen gebieden om zich vol te eten, vertelt hij verder. Het seizoen loopt van begin juli tot september.’
Enigszins nerveus volgt Piëta samen met de mannen de groep. De wandeling is pittig en leidt hun bergje op, bergje af, door een bos en uitgestrekte velden. Er vliegen verschillende vogels rond en ze horen enkele spechten. Het bos heeft hoge dennenbomen. Ze lopen en klauteren over losse stenen en door velden met bloemetjes. Piëta maakt onderweg verschillende foto’s van de omgeving. Ondanks het een mooie wandeling is, voelt ze zich moe worden.
Opeens houdt de groep zich staande op verzoek van de parkwachter. ‘Kijk zegt hij, daar zitten een paar grote bergmarmotten. Ze zitten muisstil in het gras.’
Piëta maakt alsnog foto’s van deze dieren. De groep loopt verder en Piëta kijkt regelmatig in de rondte of ze een beer ziet. Als Arjan dit ziet begint hij te grommen. Ze schreeuwt in paniek: ‘Help!’ Als ze ziet dat Arjan de boosdoener is geeft ze hem een mep. ‘Zo dadelijk staan wij oog in oog met een Grizzlybeer en wat doen wij dan?’ Een mevrouw die in de groep loopt kijkt Arjan boos aan. Ze mompelt iets maar hij kan haar niet verstaan.
Jake slaat opeens een arm om Piëta heen en zegt: ‘Kom meisje wij zijn in goed gezelschap en hij pakt een blikje cola uit zijn rugzak en geeft dat haar.
‘Ja, ja, even moed indrinken!’ plaagt Arjan opnieuw en begint weer te lachen. ‘Pestkop!’ zegt ze en loopt bij hem vandaan. Ze vervolgen hun tocht en merken dat het lopen in de bergen erg vermoeiend is. De parkopzichter zegt dat de groep nu 12 km heeft gelopen. Arjan voelt zijn voeten en hij vraagt aan de parkwachter of er een kortere weg terug is naar de parkeerplaats. De man knikt en even later lopen ze terug naar de parkeerplaats. Ze hebben geen beer gezien.

Bij aankomst op de parkeerplaats bedanken ze de parkwachter en pakt Piëta de campingstoeltjes uit de campers. Op hetzelfde moment begint het plotseling te waaien en te onweren. Het is een heftig lawaai en er klinkt een echo. Meteen zwiept Piëta de stoeltjes in de camper en ze vluchten naar binnen. Er vallen grote regendruppels. Het onweer galmt in de bergen en houdt maar niet op. ‘Wat een lawaai’ zegt Jake ‘en het begint nu ook aardig te hozen.’
‘Zullen wij gaan klaverjassen en daarna lunchen?’ vraagt Piëta. Dat is een goed idee om de tijd te doden’ zegt ze weer. Na de lunch vertrekken ze en rijden terug naar de camping in Revelstoke. Het is een mooie, maar vermoeiende dag geweest denkt Piëta. Ze besluiten om nog een dag te blijven. De hele avond blijft het doorregenen. Het onweer is inmiddels gestopt.

De volgende dag rijden ze richting Golden Fields, de Jasper-pas over. Onderweg maken ze diverse stops en vullen hun voorraad weer aan en gaan tanken. Ze rijden door naar het dorpje Fields. ‘Wat een leuke huizen staan hier zegt Jake en kijk daar naast die supermarkt, daar zit een Bistro. Zullen wij daar eens gaan eten?’ Even later zitten de mannen aan een steak en Piëta kiest voor zalm. Na de maaltijd vertelt Jake aan Arjan en Piëta dat ze op hun rondreis de stad Banff aandoen. Daar wonen namelijk mijn grootouders aan de rand van de stad en hij vertelt hun dat hij zijn grootouders heeft geschreven, dat hij een paar dagen komt logeren. Banff is de laatste jaren erg toeristisch geworden en het ligt in de Canadese Rockies, vertelt Jake verder. ‘Blijven wij daar dan ook logeren?’ vraagt Piëta aan hem.
‘Sorry, dat kan helaas niet; Jullie moeten het laatste gedeelte van de rondreis samen doorbrengen.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s