GEKRAKEEL IN RENSLO, DEEL 12 EN 13

Sinds kort woonde ik in mijn groene woonboot aan de Korte Gracht en keek op De Plas. Ik had het prima naar mijn zin. Naast mijn drukke bestaan was dit een plek om tot rust te komen en genoot ik van de groene omgeving en het water. De avond van het ‘open huis’ was aangebroken. Voor mijn brede loopplank had ik op mijn grasveld een partytent neergezet met klapstoelen, een campingtafel. Een hoge koelkast die ik had gehuurd bij een verhuurbedrijf stond op het voordek. Op het achtersteven plaatste ik een barbecue. In de namiddag had ik mijn moeder met mijn auto opgehaald. Ze bewonderde het interieur van de woonboot. Ze glimlachte. In de verte zag ik Teus aan komen rijden in zijn Volkswagen.
‘Gefeliciteerd Herman met je aankoop van de boot’ zei hij toen hij uit de auto was gestapt. Ik heb een verrassing voor je.’ Bij het openen van het bruine pakpapier kwam een schilderij tevoorschijn met als voorstelling de groene woonboot. Hij had er twee personen bij geschilderd die verdacht veel op ons leken.
‘Wat een origineel cadeau Teus. Hij krijgt een ereplaats boven de zithoek.’
‘Kijk eens moeder wat ik van onze kunstschilder Teus heb gekregen!’ en ik liet het schilderij aan haar zien.
‘Prachtig mijnheer’ antwoordde ze.
‘Zegt u maar Teus, mevrouw Dankers. Ik ben namelijk de vorige eigenaar van de woonboot. Uw zoon heeft hem van mij gekocht.’
‘Ik heb zoiets van Herman vernomen; u bent dus de vriend van mijn zoon. Herman vertelde m dat u kunstschilder bent.’
‘Mijn doeken beschilder ik hoofdzakelijk met acrylverf mevrouw. Ik houd van realistisch werk. Herman moet er zelf maar een bijpassende lijst voor kopen.’
Opeens hoorde ik een autoportier dichtslaan. Het was Jules Beekman met in zijn kielzog Jan Ruiters, de hoteleigenaar en man van Gerda. Moeder ging zitten in een campingstoel die iets comfortabeler zat dan de klapstoelen. Teus liep naar binnen om de inrichting van de woonboot te bekijken na de kleine verbouwing.
‘Hallo Herman, gefeliciteerd. Hier heb je een cadeaubon.’
‘Bedankt Jules die kan ik goed gebruiken. Mijn inventaris is nog niet compleet.’
‘Voor jou hebben wij wat wijnflessen’ zei Jan. Een paar van mijn horeca collega Bert Timmermans en een van ons. Je zult begrijpen dat Gerda het familiehotel draaiende moet houden en dat geldt natuurlijk ook voor Bert. Voordat ik het vergeet. Hier heb je ook nog een felicitatiekaart van Hans Heskes.’
‘Hartelijk dank voor jullie gulle gaven en bedank Bert en Hans van mij? Neem plaats Jan, er zijn stoelen genoeg. Ik zet gauw koffie en thee voordat Tineke en Heleen komen.’
‘Wat is het binnen veranderd Herman’ zei Teus tegen mij toen ik de loopplant opliep en hij mijn kajuit uitstapte. hij van de woonboot afstapte. ‘Ik ken het slaapgedeelte niet meer terug. Van de grote slaapkamer heb je nu twee kamers gemaakt. Zelfs de badkamer heb je grondig aangepakt.’
‘Ik heb het laminaat vervangen door donkerblauwe vloerbedekking. Het enige dat nog vervangen moet worden is mijn ovale spiegel. Met de cadeaubon die ik zojuist heb ontvangen weet ik nu wel raad.’
Net op het moment dat Jules en Jan gingen zitten, zag ik door het keukenraam Tineke aan komen lopen. Ik liep naar buiten met mijn dienblad met koffie, thee en cake. Ik was alsnog blij dat ze was gekomen, want na het praatje in het café en de onverwachte stilte die daarop volgde, was ik er niet meer zo zeker van of ze zou komen.
Ze gaf mij een hand en zei: ‘Gefeliciteerd Herman.’ en gaf mij een vluchtige kus. Ik heb een boekenbon voor je gekocht, eventueel te besteden bij de goede vriend Hans Heskes.’
‘Bedankt meisje en sloeg mijn armen om haar heen. Even keek ik haar na toen ze wegliep en ging zitten naast Jules en mijn moeder. Ze had nog steeds haar volslanke figuur, zoals ik haar al jaren kende. Ik liep terug naar binnen om de borrelnoten te pakken. Terloops keek ik naar buiten en zag dat moeder in gesprek was met haar. Net, toen ik de borrelnoten in de bakjes had gedaan, hoorde ik getik van naaldhakken op de loopplank en zag ik Heleen met een grote bos rode rozen in haar hand.
‘Is Herman binnen? vroeg ze aan Teus die het dichtst bij de loopplank zat.’
‘Jazeker! antwoordde hij.’
Ik hoorde dat ze op het dek stapte.

DEEL 13

‘Kijk uit voor de drempel!’ riep Teus alsnog. Het was te laat. Ze lag languit in het keukengedeelte. Door het gebeuren schrok ik waardoor de borrelnoten door de keuken vlogen. Ondanks Heleen op de vloer lag begon ze hard te lachen. Ze had het boeket nog steeds in haar handen. Het wat zo’n gekke situatie. ‘Heb je je niet bezeerd Heleen, vroeg ik proestend aan haar, waarop ze zei:
‘Welnee Herman, alleen een hak van mijn schoen is gebroken’ zie ik nu. Vond je het trouwens geen leuke verwelkoming van mij?’
‘Verbaasd door haar reactie antwoordde ik: ‘Je had je kunnen bezeren Heleen. Dan was deze avond voor ons allemaal afgelopen, voordat het begonnen was.’
‘Sorry Herman, je hebt gelijk. Ik zal voortaan beter uitkijken.’
Ik nam het mooie boeket van haar aan, bedankte haar en zetten het voorlopig neer in de gootsteen die ik bijna vol liet lopen met water. Op blote voeten met haar rode pumps in haar hand liep ze voorzichtig de loopplank af richting de gasten en gaf ze allen een hand.
Even was ze geen ‘opgedirkte dame’, zoals ik haar kende. Toch moest ik glimlachen omdat ze op een klapstoel had plaatsgenomen klapstoel met haar pumps nog in haar hand. Snel ruimde ik de borrelnoten van de vloer. Gelukkig had ik nog een paar reserve zakjes in huis.
‘Zullen wij eindelijk eens gaan zingen voor Herman’ toen ik mijn kajuit uitstapte, riep een enthousiaste Jan en hij begon met het lied: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon… en iedereen galmde mee. Ik zetten de bakjes neer op een campingtafel.
Na het zingen sprak Jan met Heleen die naast hem zat. Heleen was een vrouw waarmee je gezien kon worden. Ze was modebewust, maar dat gold zeker ook voor Tineke. Zij was degene die de mode op de voet volgde als verkoopster in een modezaak. In die tijd dat ik nog met Tineke omging, kon ze behoorlijk kritisch op vrouwen wiens kleding er niet uitzag. Dan antwoordde ik: ‘dat er ook mensen waren die zich dure merkkleding niet konden veroorloven.’ Zijdelings keek ik weer naar Heleen. Ze droeg een witte jurk met een grafische print. Ik werd enigszins geprikkeld door zo’n knappe vrouw, maar iets hield mij tegen. Was het Tineke waar ik nog gevoelens voor had of kwam het door de dorpsroddelaarster mevrouw Kraakman die mij had verteld dat Heleen een ‘mannen verslindster’ was. Deze spichtige vrouw woonde in de Teugelstraat om de hoek van het Dorpsplein. Deze weduwe hield alles en iedereen nauwlettend in de gaten. Soms hield zij mij staande als ze mij zag op het Dorpsplein, omdat ze informatie had voor De Dorpskrant. Ik publiceerde haar roddels niet. Daar was De Dorpskrant niet voor bestemd.
Mijn gedachten werden verstoord, door de woorden van Teus. Hij zei: ‘Wat sta je toch te dromen Herman. Zullen wij eens een toast uitbrengen?’ Tineke was mij voor en pakte de champagnefles die op de campingtafel stond, ontkurkte de fles die onverwachts zo’n knal gaf, die je de echo aan de overkant van De Plas kon horen. Ze schonk de glazen in.
‘Veel geluk in je nieuwe woonboot’ zeiden mijn gasten in koor en namen een slok van het kostelijke vocht. Buiten was het een aangename temperatuur, het was medio Juni.

WORDT VERVOLGD

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s