De misstap

De misstap

 

Het vroor buiten dat het kraakte. De sloot naast het huis van Cees was dichtgevroren. Hij had vorstverlet. Zolang het buiten vroor werkte hij niet in de bouw. Cees had de schaatskoorts. Niets hield hem vandaag nog tegen, zelfs zijn lieve vrouw niet. Schaatsen op natuurijs, dat wilde hij.

Met zijn Noren in een tas ging hij op zijn fiets op weg naar zijn geboortedorp. Het was een kilometer of drie rijden vanaf zijn huis. Eenmaal aangekomen pakte hij zijn schaatsen en zetten de lege tas op het bevroren gras langs de oever van de vaart. Hij ging zitten en deed zijn schaatsen aan. Hij zat tegenover het vrijstaande ouderlijk huis. Zijn ouders waren reeds overleden. Zijn zussen en broers woonden verspreid over het Westland. Vandaag zou hij weer 150 km gaan schaatsen, net als drie jaar geleden. Het ijs was prachtig en spiegelglad zag hij. Vrijwel direct stapte hij op het ijs en schaatste weg met enkele bekende dorpsgenoten in zijn kielzog. Ze begroeten elkaar. Hij zou de Westland route gaan rijden. Het was alweer een tijdje geleden dat hij had geschaatst. In de twee voorgaande jaren waren het slechte winters geweest met te weinig vorst. Het ijs was zo dun dat het gevaarlijk was om te gaan schaatsen.

De afgelopen twee weken was het ijskoud buiten en viel er soms wat lichte sneeuw. Dat laatste vond hij niet prettig. Door de poedersneeuw zag je de scheuren in het ijs niet zo goed, met als gevolg dat hij zou kunnen vallen. Na ongeveer drie uur te hebben geschaatst en met een bijna volle stempelkaart op zak, zag hij aan de rechterkant van de vaart een koek en Zopie kraam staan. Op een bord stond geschreven: ‘Erwtensoep met roggebrood’. Daar had hij wel trek in na zo´n lange tocht. Voor de kraam stond hij stil. Hij rilde van de kou.

‘Pak aan man!’ zei de verkoper. ‘Een lekkere kop soep met roggebrood en katenspek.’ Het speeksel liep hem bijna in de mond bij het ruiken van de heerlijke soep. Enigszins ging hij in de luwte staan naast de kraam. Een groepje schaatsers die ook bij de kraam waren gearriveerd, vroegen aan hem of hij wist waar de laatste stempelpost was. ‘Bij het eerstvolgende dorp’ antwoordde hij.  Ze schaatsten met z’n drieën weg. De soep had hem goed gedaan. Hij plaatste de kom op de houten tafel in de kraam en vervolgde zijn weg.

Het werd guur. Onverwachts begon het  te sneeuwen. In de verte zag hij nog net de contouren van een kerk van een dorp. De dikke vlokken belemmerden zijn uitzicht.

‘Die verdraaide sneeuw ook’ mompelde hij geïrriteerd. Nu moet ik extra goed opletten voor de scheuren in het ijs.’ Hij was moe en beet op zijn tanden. Nog even doorschaatsen dacht hij.

Eindelijk was de laatste stempelpost in zicht. De houten kiosk stond helaas tegen de kade aan. Hij moest, net als alle andere schaatsers, gaan klunen. Over een aantal kokosmatten liep hij met zijn vermoeide lijf richting de stempelpost. Bij de post aangekomen kreeg hij zijn welverdiende ‘kruisje’ van 150 km en de laatste stempel op zijn toerkaart. De schemer trad in. Het was weer tijd om naar huis te gaan.

‘Gefeliciteerd man, zei de man van de stempelpost. De laatste afstand was zeker bar en boos geweest vanwege de sneeuw?’

‘Jazeker, zei hij tegen de man. Vooral door de dwarrelende sneeuw. Ik zag bijna geen hand voor ogen door de grote vlokken.’

‘Tot volgend jaar dan maar. Hopende op een strenge winter.’ Hij draaide zich iets te snel om en liep met zijn vermoeide benen terug richting de vaart. Plotseling bleef de punt van zijn rechterschaats steken in de laatste kokosmat.  Hij viel voorover op het ijs. ‘Help!’ schreeuwde hij en hij belandde op zijn buik en gleed door.

Twee schaatsers die voorbij schaatsten moesten in eerste instantie lachen om de buiteling. Al snel kwamen ze ter plekke en hielpen hem uit zijn benarde positie. Met een met pijn vertrokken gezicht greep hij meteen naar zijn enkel. Die is behoorlijk dik. Dat ziet er niet zo best uit, zei één van de schaatsers met rood haar.

‘Hoe heet je eigenlijk?’ vroeg de andere schaatser.

‘Ik heet Cees. Vanmorgen ben ik gaan schaatsen vanaf mijn geboortedorp een paar kilometer hier vandaan. Ik ben met mijn fiets gekomen, die ik toevallig bij mijn ouderlijk huis heb neergezet. Alleen woont daar geen familie meer.’

‘Ik heet André en die rooie daar is Ben’ grinnikte hij. Wij wonen hier in de buurt. Zo te zien kun je niet op je ene been staan. Wij brengen je wel naar de dichtstbijzijnde EHBO-post en voor wat betreft jouw fiets, daar vinden wij wel een oplossing voor.’

Met z’n tweeën brachten ze hem naar een verpleegkundige van de EHBO. Bij het zien van de vrouw, moest Cees in zichzelf lachen om de struise omvang van de verzorgende, die ook nog een paar flinke handen had. Ze kon met gemak een bouwvakker in de houtgreep nemen. Zelf was hij maar een mager mannetje, vergeleken bij deze corpulente vrouw. Ze vroeg aan zijn helpers om plaats te nemen op een paar stoelen in de behandelkamer.

Ondanks haar grove handen maakte ze voorzichtig de veters van zijn schaats los. ‘Nu moet je opgezette voet er nog uit?’ zei ze.

‘Au, au!’ gilde hij. Wat doet dat verrekte zeer!’

‘Ik zie dat je een kruisje in je handen hebt?’ mijnheer. Deze winter mag je voorlopig niet meer schaatsen en zal dit het enige kruisje zijn. Je hebt je enkel verstuikt. Je kan je voet niet gebruiken, laat staan ermee gaan schaatsen.’

‘Hoe moet ik nu naar huis toe gaan. Mijn fiets heb ik een paar kilometer verderop geparkeerd, met de fiets,’ zei hij met een vragend gezicht tegen Ben en André.

‘Komt in orde man! Wij brengen je naar huis en leggen je fiets in onze auto.

‘Fantastisch mannen. Ik zal jullie vertellen waar mijn fiets staat.’ Na de verpleegkundige te hebben bedankt gingen de mannen op weg.  

‘Ik bel mijn vouw even op waarom ik zo laat ben?’ Hij pakte zijn Gsm uit zijn denim  jack, belde haar en vertelde haar zijn verhaal. Bij thuiskomst plaatste Ben de fiets tegen het ijzeren tuinhek en hielp hem samen met André uit de auto. Gerda en zijn dochter Lea stonden al voor het raam te wachten.

‘Een geluk bij een ongeluk dat je net daarvoor je kruisje hebt gehaald’ zei Gerda tegen Cees toen ze met z’n allen in de woonkamer waren. De mannen beaamden dit.

‘Willen jullie soms koffie?’ vroeg Gerda aan de mannen.

‘Dat gaat er wel in mevrouw!’ antwoordde de praatgrage André.’

Even later bracht Gerda de koffie de woonkamer binnen en reikte Lea een schaal met koekjes aan. ‘Bedankt voor jullie hulp, zei Cees tegen Ben en André, toen ze van elkaar afscheid namen.’

‘Deze dag vergeet ik nooit meer. Een welverdiend kruisje, een dikke enkel en hulp van twee nieuwe vrienden.’

‘Zeker weten Cees, zei rooie Ben. Wij brengen je binnenkort nog wel een bezoekje en ze vertrokken.

Het bleek geen definitief afscheid te zijn. Jaren later zijn Ben, André en Cees nog steeds onafscheidelijk. Als de vorstperiode zich aankondigt en de schaatskoorts weer gaat kriebelen trekken ze allen weer een baantje.

 

 

Lealariekoek 2016

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s