Tic

2108565-72c37f118e0ac281e0bd1ffd578043b0

 

 

Wat is een tic? Een oncontroleerbare uiting van nervositeit. Tijdens een vergadering hoor ik een repeterend geluid. Het blijken de nagels te zijn van een secretaresse die ongecontroleerd tegen haar waterglas aantikt. Ik denk dat het de batterijklok is die schuin achter mij in de vergaderzaal hangt.

Niet naar luisteren, zeg ik in mijzelf, maar kom al snel tot de conclusie dat deze gedachte niet helpt. Mijn aandacht gaat uit naar haar roodgelakte nagels. Ik ben uit mijn concentratie gehaald. Het prevelement van de voorzitter gaat deels aan mij voorbij. Blijkbaar ben ik niet de enige. Een vrouw naast mij begint zich af en toe te verplaatsen op haar stoel. Ik kijk nu naar de overzijde van de zaal waar hoofdzakelijk mannen zitten. Een ervan trekt zijn wenkbrauwen omhoog. Als blikken kunnen doden dan laat hij het waterglas springen van de secretaresse. Niemand zegt iets over haar nerveuze tic. Een paar gasten beginnen zich er ook aan te irriteren. Net op het moment dat een persoon door een microfoon iets wil zeggen, stopt het repeteren.

Waar heeft de voorzitter het eigenlijk over gehad? Ik ben de draad van het verhaal kwijt. Een moment denk ik aan mijn school, waar een docent mij verwijt, dat ik mij niet concentreer. Ik weet dat ik  snel uit mijn concentratie raak als ik geluiden hoor.

Die middag is dat ook het geval. Tot overmaat van ramp begint een man met een kale schedel met een van zijn voeten te wiebelen op het ritmische getik dat zojuist weer begint. Kort erna wordt er een pauze ingelast. In de hal hap ik naar lucht.

Na de pauze neem ik mij voor om aan nerveuze types geen aandacht te besteden. Alhoewel! ik ben nu een van hen geworden, maar dan zonder tic. Ik word van dit alles bloednerveus. De voorzitter houdt het ook voor gezien en sluit de vergadering.

’s Avonds in bed kan ik de slaap niet vatten. Nog steeds hoor ik het repeterende getik. Het is mijn wekker. Normaal heb ik er geen last van. Het wordt nog eens extra versterkt door het geluid van de nagels die nog steeds mijn gehoor belasten. Ik ben het spuugzat, pak de wekker op en gooi deze naar de andere kant van onze slaapkamer. Waarschijnlijk is de batterij eruit gevallen. Ik hoor niets meer. Mijn man slaapt en hoort blijkbaar niets. Wat later val ik eindelijk in slaap.

Een tramrit met een staartje

foto-06

 

Het was de zomer van 1969 toen ik Esmeralda leerde kennen. Ze was een nichtje van onze Spaanse bovenburen. Op een keer vertelde de buurvrouw dat haar nichtje die in San Sebastian woonde vier weken bij hun kwam logeren.

‘Is het misschien een idee dat jullie oudste dochter kennis met haar maakt? Ze zijn van dezelfde leeftijd. Diezelfde middag na school vroeg mijn moeder of ik tijdelijk met haar op wilde trekken en ik zei ‘Ja’

Zo maakten wij kennis met elkaar. Ondanks wij elkaars taal niet spraken, vertaalde haar tante, die in die zestien jaar in Nederland woonden’ mijn vragen en antwoorden. Het leek mij een goed idee om wat Nederlandse en Spaanse woorden te leren. Dat lukte na verloop van tijd..

Op een zaterdag had ik aan Esmeralda haar tante gevraagd of ze wilde dansen in een dancing op Scheveningen. Daar had ze wel oren naar. Omdat ik nog geen rijbewijs had gingen wij met de tram. Op de een of andere manier begrepen wij elkaar wel.

Het was druilerig weer toen wij vertrokken. Bij de tramhalte aangekomen zag ik in de verte een inktzwarte lucht opdoemen. Dat voorspelde niet veel goeds. Esmeralda had een ingevouwen paraplu bij zich in haar schoudertas. Plotseling begon het hevig te regenen. Net op tijd kwam de tram aan en stapten wij in. Als haringen in een ton zaten wij opgepropt met veel mensen. Esmeralda en ikzelf stonden vlak bij een paal waaraan wij ons stevig vast konden houden. Een aantal mensen begonnen opeens  te duwen. Wij stonden dichtbij een man van middelbare leeftijd die er niet al te fris uit zag. Ik vermoedde dat hij een borrel op had.

Onverwachts raakten wij uit balans omdat de tram een scherpe bocht nam. Het regende pijpenstelen zag ik en baalde dat ik geen paraplu bij mij had. De tram corrigeerde zich weer in zijn rails waardoor Esmeralda een moment tegen de beschonken man aanviel. Blijkbaar had hij daar geen moeite mee. Hij pakte haar onverwachts bij haar heup en grijnsde. Razendsnel pakte ze haar paraplu uit haar tas en sloeg met haar paraplu de man op zijn hoofd. Meteen schreeuwde ze en met een paar bruine ogen die hem indringend aankeken, het woord CARAMBA! De man was zo beduusd dat hij in plaats van op te staan, bleef zitten.

Net als ikzelf moesten er mensen hardop lachen. Gelijktijdig was ik bang dat de man alsnog zou opstaan. ‘Vamanos Esmeralda’ riep ik tegen haar, dat zoveel betekent als ‘Kom wij gaan?’ Ik drukte snel op de knop om even later uit te stappen. In de stromende regen en als twee verzopen katten kwamen wij na drie kwartier bij de dancing aan. Wij zagen er niet uit met onze doorgelopen mascara en natte haren. Niemand vroeg ons die avond om te gaan dansen. Dat mocht de pret niet drukken. Ik zal haar vriendschap nooit vergeten en ook het woord Caramba niet, dat in het Spaans een scheldwoord blijkt te zijn.

Vertrek vanuit Batavia

Vertrek vanuit Batavia

 

Dinsdag, 31 januari 1950

 

Gerard van der Meij diende in 1947 als militair voor zijn vaderland in de 7 December Divisie. Samen met leeftijdgenoten moest hij de rust, orde en veiligheid herstellen in de Oost. Dat waren de woorden van Koningin Wilhelmina die deze opdracht gaf aan haar Regering. Ze deed de oproep vanaf haar tijdelijke standplaats in Londen.

Recent waren ze met de m.s. Indrapoera vertrokken vanaf de haven in Rotterdam. Vader, moeder en zijn vriendin Anna hadden hem uitgezwaaid vanaf de kade. Voor zover het oog kon reiken zag hij een mensenmassa die hun zonen uitzwaaide voor de verre reis naar de Oost. Zo arriveerde de manschappen in Batavia. Na weken te hebben gevaren kwam hij in een land met andere normen en waarden. Het eten was anders en ook de mensen. De pastoor had vanaf de kansel in de kerk in het kort verteld over de Indiërs, hun geloof en leefomstandigheden. Vooral het klimaat was totaal anders dan het Hollandse. Dat had hij nu wel gemerkt. Vier lange jaren zou dit land zijn thuis zijn. Ver van zijn familie en lieve Anna, die hij een jaar voor zijn vertrek had leren kennen. Ze woonde net als hij in Hillegom. Hij hield van het fragile meisje met haar koperkleurige haar. Ze had van die grappige sproeten in haar gezicht. Vooral rondom haar neus dat haar een koddig uiterlijk gaf. Ze was een humoristisch type en hield van zelfspot. Dat vond hij leuk. Hoe anders was hij zelf.

‘Wij hebben een goede zoon Petrus’ had zijn moeder op een keer tegen zijn vader gezegd. ‘Een serieuze en sociale jongen.’

Hij had er om moeten glimlachen. Nu hij aan haar dacht voelde hij wat tranen opkomen. Hij was nu eenmaal geen kind meer en moest zich vermannen.

De tropische hitte was duidelijk voelbaar. Al het materieel moest nu van boord. Stapvoets liep de enorme troepenmacht bepakt en gezakt de lange loopplank af. Aan de kade stonden de vele vrachtwagens die hun naar het kamp zouden brengen. Over soms onbegaanbare wegen, langs rijstvelden, waarvan hij later hoorde dat dit sawa’s waren en palmbomen, arriveerden ze halverwege de middag in het kampement. Gerard keek om zich heen. Hij pakte zijn zakdoek uit zijn broekzak en wiste de straaltjes vocht van zijn gezicht en hals af. Zijn uniform voelde aan als een korset.

Ze reden door een dorp. Er was een en al bedrijvigheid buiten. Binnen was het natuurlijk te heet, bedacht hij zich opeens. Vandaar dat deze mensen soms buitenshuis vertoefde. Hij zag een paar tengere meisjes van zijn leeftijd lopen. Ze waren knap om te zien. Het ene meisje had haar haren in een knot en bij de andere hing haar lange zwarte haar tot aan haar middel. Het kamp was nu in zicht. Een lange rij van houten barakken en tenten doemde op. Een aantal militairen waren al ter plaatse. Ze wezen hem en de andere jongens de weg naar hun barakken.

Op de boot had hij kennis gemaakt met Kees van Berkel. Het klikte meteen tussen hen. Aan gesprekstof hadden ze beiden geen gebrek. Soms moest hij lachen om diens rare grimassen en Twentse dialect. Het toeval wilde dat Kees was ingedeeld in zijn groep. Toen ze dat wisten hadden ze besloten om bij elkaar in de buurt te blijven.

Bij binnenkomst legde Gerard zijn plunjezak op een willekeurig bed neer en wat andere bagage op het bed naast hem. Dit om te voorkomen dat een andere jongen deze slaapplek in beslag zou nemen. Wat later kwam Kees binnen.

‘Wat een goed idee van jou Gerard om dichtbij elkaar in de barak te vertoeven.’

Hij gaf Kees een schouderklop. Hij wist dat Kees al heimwee had vanaf het moment dat de boot was vertrokken. Dit werd versterkt doordat zijn vader twee maanden voor zijn vertrek was gestorven aan tyfus. Zijn moeder, het arme mens, was nu helemaal alleen. Zelf had hij zijn ouders nog en zijn mooie Anna. Toch had ook hij gemerkt dat hij zich tijdens de reis soms alleen voelde. Het was een rot gevoel. Door hun gezamenlijke gesprekken hadden ze steun aan elkaar. Ongetwijfeld zouden de andere jongens ook heimwee hebben gehad naar huis. Van nu af aan had hij zich voorgenomen om niet te verzanden in zelfmedelijden. Hij moest zijn hoofd er goed bijhouden. Het was oorlog.

Uit een zak van zijn uniform pakte hij een sigarenblikje. De geur van sigaren was nog duidelijk aanwezig. Daar zaten wat foto’s in van vader, moeder en van Anna. Hij legde het blikje behoedzaam tussen wat kleding die hij zojuist uit zijn plunjezak had gepakt. Zijn groene legerkist, voorzien van zijn naam, nummer en detachement werd diezelfde dag nog aangeleverd en stond aan het voeteinde van het ijzeren bed. Aan de metalen kast moest hij wel wennen. Bij het openen en dichtdoen maakte de deur veel herrie. Maar ook het geroezemoes om hem heen was merkbaar. Omdat ze met zovelen sliepen in de barak waren penetrante geuren niet te voorkomen. Hij nam het maar voor lief. Niet iedereen was uit hetzelfde hout gesneden. Je had rustige jongens, maar ook van die luidruchtige types, die zich zo nodig moesten laten horen.

Zo gingen er maanden voorbij. De kok in het kamp deed, met de hulp van de  baboe, zijn uiterste best om de manschappen van goed eten te voorzien. De baboe, een enigszins corpulente vrouw, lachte altijd, waardoor een gouden tand zichtbaar was. Samen met de kok kon ze koken als de beste. Gerard had in de loop van de tijd het eten heerlijk gevonden. Toch kwam er zo af en toe ook Hollandse kost op tafel. De oorlog was nu in volle gang. Over en weer vielen er gewonden en zelfs doden. Het vechten vond hij vreselijk. Soms had hij nachtmerries. Zijn vriend Kees bedaarde hem dan als hij in zijn slaap hardop aan het schreeuwen was. Bij enkele jongens was dit ook het geval. In het slaapgedeelte of tijdens het eten kwamen regelmatig de verhalen los. Een van de jongens die Jos heette zat steevast aan de gelagtafel, twee stoelen verwijderd van Kees. Die zat niet te wachten op die schreeuwer die regelmatig het hoogste woord had. Het was het type branieschopper. Vooral vertelde hij verhalen over de mooie Indonesische vrouwen. Op een meisje uit het dorp had hij een oogje. Het fragile meisje trok hem aan. Hij hield niet van mollige vrouwen, maar had gemerkt dat haar broer niet erg gecharmeerd was van hem. Zo waren er veel inlanders die de Hollanders liever zagen gaan dan komen. De verhalen waren niet altijd prettig. Ook de gewonden die in het militaire hospitaal werden binnengebracht brachten hem van zijn stuk.

Op een zekere dag had Kees van een van de jongens gehoord dat de branieschopper niet in het kamp was teruggekomen. Een paar dagen later had een van de manschappen zijn lichaam gevonden in de kali, een brede rivier. Zijn keel was deels doorgesneden.

Toen hij het verhaal aan Gerard vertelde, antwoorde deze: ‘Iemand zou waarschijnlijk wraak hebben genomen. Misschien was er een rivaal in het spel of was het de broer van het meisje die Jos niet zag zitten als minnaar van zijn zus.’ Er lag een klewang in het water. De mannelijke inwoners droegen altijd zo’n kapmes bij zich. Niet ver bij Jos vandaan lag het meisje, met wie hij op stap was geweest met afgesneden borsten.

‘Het zal een raadsel blijven wie zoiets afschuwelijks heeft gedaan, zei Gerard alsnog tegen Kees en hij ging op de rand van zijn bed zitten. Hij liet zich achterover vallen in zijn hoofdkussen. Hij had weer eens last van de hitte. In gedachte zag hij Anna voor zich. Wat zou ze vandaag aan het doen zijn, vroeg hij zich af? Misschien een brief schrijven naar hem.

Anna en hijzelf schreven elkaar regelmatig. Soms zat er een foto bij of een gedroogde bloem voor de grap. Gevoelsmatig leek het soms een eeuwigheid voordat er weer eens post uit Holland kwam. Een teken van leven uit het verre Holland. Zijn maat Kees had nog geen relatie. Hij was een jaar jonger dan hij. Hij was nog niet toe aan een vriendin had hij tegen hem gezegd. Het liefste wilde hij nog bij zijn moeder blijven. Zeker nu zijn vader was overleden. Vier jaren lang zat hij nu in de Oost. Het verzoek van de Regering aan de militairen om Indië langs geleidelijke weg meer zelfstandigheid te geven, was voor een groot gedeelte uitgekomen. Door het uitroepen van de onafhankelijke republiek Indonesia, twee dagen na de Japanse capitulatie versnelde deze gebeurtenis. Er was veel gebeurd in die roerige tijd.

Vandaag was de dag aangebroken dat de manschappen na jaren weer naar huis gingen. Dat was ook weer een gewenningsproces. De heimwee van de meesten lag al weer een aantal jaren achter hun. Ondanks dat het oorlog was, waren er velen aan het land verknocht geraakt.

‘Hoe zou het weer in Holland zijn Gerard? vroeg Kees. Hij zat nu weer rechtop in zijn bed.

‘Kouder dan hier Kees. Het is eind december. Morgen is het alweer 1951. Eenmaal thuis gekomen moeten wij weer wennen aan ons klimaat, het eten en de gewoontes. Voordat ik naar Indië ging hadden Anna en ikzelf plannen  om ons te gaan verloven. Beide ouders gingen hiermee akkoord. Ik ben benieuwd hoe pa, moe en Anna eruit zien? Zouden ze veel veranderd zijn?’

Kees hief zijn schouders omhoog en gaf als antwoord: ‘Ik zal blij zijn om mijn moeder weer eens te zien. De reis kan mij niet snel genoeg gaan. Op een bepaalde dag en tijdstip staat moeder weer op de kade in Rotterdam te wachten, net als jouw familie. Ik hoop dat ik moeder in die mensenmassa kan vinden.’

‘Vast wel Kees, denk ik zo.’

Een paar dagen geleden waren de manschappen al bezig geweest om al het materieel naar de m.s. ‘Indrapoera’ te brengen. Er was veel werk te verstouwen. Dat gold ook voor Kees en Gerard. Net als bij de aankomst van vier jaar geleden werd het weer een hele operatie. Op een paar barakken na werd alles afgebroken en meegenomen.

Uit de metalen kledingkast haalde hij de laatste kleding van de plank. Het sigarenblikje met de foto’s borg hij zorgvuldig op in zijn bovenste zak van zijn uniform. Hoe vaak had hij ze niet bekeken. Ontelbare keren. De brieven van zijn ouders en die van Anna gingen mee in zijn plunjezak.

‘Achterin de barak galmde een stem die zei dat het tijd was om te gaan vertrekken. Samen met Kees brachten ze hun spullen naar de voor hun bestemde vrachtauto. Bij aankomst sprong Jan, een van hun maten uit de cabine. De jongen was zo lang dat hij maar net in de cabine paste.

‘Verdorie! ik heb bijna geen benzine meer. Gelukkig staat de benzinepomp achterin op het terrein.’ Twintig mannen namen plaats in de laadbak van de vrachtwagen. Nog een keer keek Gerard achterom. Het was een ingrijpende tijd geweest, maar hij had ook gelukkige momenten gekend. Vooral zijn maat Kees lag hem aan zijn hart. Hun vriendschap was voor eeuwig.

Aangekomen bij de benzinepomp op het terrein was het een drukte van jewelste. Blijkbaar was er meer materieel dat moest voorzien van benzine. De hitte onder het dekzeil van de vrachtwagen voelde ongemakkelijk. Enkele jongens stapten er weer uit. Er moest toch nog worden getankt.

‘Kom Kees, wij blijven hier ook niet zitten hoor. Het is mij te warm. Ze sprongen beiden uit de laadbak in het rulle zand.

‘Wat denk je van een moessonbuitje Gerard?’

‘Die hevige buien leken op scherpe messen die op je huid kwamen’ Kees.

Jan, die zojuist uit zijn cabine was gestapt, zag Gerard langszij lopen en vroeg aan hem of hij hem wilde helpen met het tillen van een jerrycan.

‘Hij knikte en liep Jan achterna naar een aantal jerrycans die leeg op een hoop lagen. Jan goot de benzine in de jerrycan.

‘Zal ik het overhevelen via een slang naar de benzinetank Jan?’

‘Dat is goed Gerard!’ antwoordde hij. Waarom lukte hem het maar niet om de dop van de jerrycan er goed op te draaien. Hij deed alsnog een poging. De dop bleek een braampje te hebben waardoor deze niet goed draaide.

‘Voorzichtig Gerard? de dop zit los’ zei Jan tegen hem.

‘Hoe voorzichtig hij ook deed, hij kon niet voorkomen dat er wat benzine morste op zijn broek. ‘Wat stinkt die benzinelucht’ mompelde hij. Jan was hem vrijwel direct nagelopen. Hij had Gerard leren kennen als een hulpvaardige knul. Niks was hem te veel. Net als Kees had hij regelmatig contact met hem. Nu gingen ze gezamenlijk weer huiswaarts. De jongens uit hun barak kwamen overal vandaan. Zelf kwam hij uit Mechelen, een gehucht in Zuid Limburg.

Gelijktijdig kwamen beiden aangelopen bij de vrachtwagen.

Jan, de lange Limburger keek intussen naar Gerard. De jongen was niet zo groot en had een normaal postuur. Zijn haar was zo blond, dat het schitterde in de zon die nu hoog aan de hemel stond.

Hij tilde de zware jerrycan omhoog en goot een gedeelte van de benzine in de benzinetank. In een oogwenk zag hij dat Henk, een van de jongens die tegenover hem stonden een sigaret in zijn mond had. De lucifer die hij aanstreek deed hem beseffen dat dit een levensgevaarlijke situatie was. Hoe kon hij nou zo stom doen. De boel kon namelijk ontploffen.

Plotseling ontstond er een vonk, waardoor Gerard, Henk en Kees hevig schrokken. De jerrycan gleed uit zijn handen met een restant aan benzine en viel in het zand. Hij rook een verschroeide lucht. Zijn benen werden warm. Hij keek meteen naar beneden. Voordat hij het besefte drong razendsnel het vuur zich omhoog langs zijn broekspijpen. In paniek probeerde hij de vlammen met beiden handen te doven. Hij gilde het uit van de pijn.

‘Gerard! Je staat in brand!’ schreeuwde Kees tegen zijn vriend.

Henk stond als verstijfd toe te kijken hoe Gerard vliegensvlug van de plek des onheils wegrende. De zuurstof om zich heen deed dit juist de vlammen hevig aanwakkeren.

Jan, die dit alles ook had zien gebeuren sprong in paniek achterwaarts uit zijn cabine en viel bijna omver. Hij corrigeerde zich snel en rende Gerard achterna samen met Henk en Kees. Ze wilde hem helpen. Dat was maar goed ook. Door het geschreeuw sprongen de jongens, die even ervoor in de laadbak zaten, eruit en renden voor hun leven. De motorkap brandde en wat later stond hij in lichterlaaie. Er was kans op ontploffingsgevaar. Iedereen die zich in de buurt van de vrachtauto bevond stond nu op veilige afstand te kijken. Voor hun uit rende een brandende fakkel, zagen de jongens die Gerard achterna waren gerend. Ze bleven maar schreeuwen dat hij zich over de grond moest laten rollen.

Een oorverdovende knal deed de aarde trillen. De benzinetank was ontploft. Het was een grote vlammenzee.

Gerard voelde een hevig en brandend gevoel dat van zijn voeten naar boven ging. De hitte deed bijna zijn adem stokken. Hij sloeg met zijn armen om zich  heen om de vlammen te doven. Het vuur ging niet weg. Hij had mensen horen schreeuwen, maar kon ze niet verstaan. De pijn was zo intens dat hij geen gevoel meer had in zijn ledematen. Hij probeerde nu een vlam weg te slaan bij zijn gezicht. Langzaam voelde hij zich wegzakken waarna hij het bewustzijn verloor.

De vrachtwagen was ook niet meer te redden. Ze lieten deze maar uitbranden. De jongens en enkele hulptroepen kwamen bij Gerard aan. Met man en macht doofden ze het vuur. Daarna werd Gerard per brancard direct naar het militair hospitaal gebracht. Net voordat hij per brancard werd opgehaald zag Kees pas hoe ernstig zijn vriend er aan toe was. Hij was bijna niet meer herkenbaar. Hij kon niet zien of Gerard nog leefde. Hij kon ook bewusteloos zijn. Hij zag er verschrikkelijk uit en Kees kon bijna niet voorkomen dat hij moest kokhalzen bij het zien van het verschroeide vlees dat deels samengesmolten zat aan zijn uniform. Gerard zijn gezicht en wat haar was deels verbrand.

Zo snel als mogelijk werd Gerard naar het Militair Hospitaal gebracht. Kees  kon zijn kameraad niet alleen laten. Nog diezelfde middag bezocht hij Gerard die zojuist door de artsen was bekeken en behandeld. Het mocht niet meer baten. Er ging van alles bij Kees door zijn hoofd.

Al snel kreeg iedereen te horen wat er zich die dag had afgespeeld. Gerard van der Meij was het slachtoffer. De vreugde om naar huis te gaan werd voor iedereen ruw verstoord. Kees was kapot van verdriet en beefde als een rietje. Hij was zo getraumatiseerd dat hij aan het bed gekluisterd bleef zitten naast zijn vriend. Naast hem stond de aalmoezenier die aan Kees vertelde dat Gerard ondanks zijn derdegraads verbranding nog even had geleefd. In het bijzijn van Kees, een aantal kameraden en de aalmoezenier, werd Gerard het sacrament der stervenden toegediend.

Kees hoorde bij vlagen wat de aalmoezenier tegen hem zei. Hoe moest men de ouders van Gerard en zijn vriendin Anna vertellen dat hun zoon en aanstaande verloofde zojuist was overleden. Zelf zag hij het ook niet meer zitten. Hij was zijn goede vriend definitief kwijt. Ze hadden samen veel meegemaakt. Een paar dagen geleden had hij zelfs een uitnodiging gekregen om op Gerard en Anna hun verlovingsfeest te komen. Daar zou hij de jonge vrouw ontmoeten, het meisje dat veel voor Gerard betekende. Het bericht deed razendsnel de ronde dat Gerard door een noodlottig ongeval aan zijn derdegraads verwondingen was overleden.

Het vertrek naar Holland werd een dag uitgesteld. Door het warme klimaat was het normaal de bedoeling dat een overledene nog dezelfde dag moest worden begraven.

Tijdens de terugreis naar Nederland merkte Kees pas hoezeer hij Gerard miste. Samen waren ze vier lange jaren bij elkaar geweest. Nu was hij uit zijn jonge leven weggerukt. Hij was begraven onder grote belangstelling in Batavia zonder zijn ouders en Anna die nog niets van zijn dood afwisten. Kees was nu op weg naar huis en naar zijn moeder. De terugreis viel hem zwaar en hij huilde zichzelf vaak in slaap.

Gerards begrafenis vond een dag later plaats op 1 februari 1950 op het Nederlandse Ereveld Menteng Pulo te Djakarta, vak VI, nr. 140. (RK begraafplaats Batavia). Hij werd slechts 22 jaar. Zijn rang was Korporaal bij de Nederlandse Landmacht, veldartillerie.

Regendruppels kletterden tegen de woonkamerramen van het ouderlijk huis van Gerard. ‘Wat een weer de laatste tijd, mompelde Truus. Over twee dagen zou het motorschip ‘Indrapoera’ aanmeren in de haven van Rotterdam met haar lieve zoon terugkomende uit de Oost. Hij had het haar een paar weken geleden nog geschreven. Net als zij waren haar man en kinderen ook blij om zijn zoon en broer weer terug te zien na zoveel jaren, maar vooral ook voor hun  aanstaande schoondochter Anna. Het meisje paste qua karakter goed bij hem. Ze hadden Anna en haar familie in hun hart gesloten. De tekst in zijn brief ‘dat hij spoedig zou thuiskomen’ had een glimlach op Anne haar smalle gezicht getoverd.

Samen met een aantal familieleden waren ze al met de voorbereidingen bezig voor het op handen zijnde verlovingsfeest voor Gerard en Anna. De aankondiging van hun verloving was al verstuurd naar familie en vrienden. Samen met Anna had ze papieren rozen van crêpepapier gemaakt. Petrus, haar man had een rozenboog gemaakt van hout. De ballonnen zouden ze op de dag van Gerards aankomst ophangen in de woonkamer samen met de gekleurde slingers.

Haar gedachte werd ruw verstoord. De voordeurbel rinkelde. Ze liep naar het woonkamerraam toe. De ramen waren deels beslagen door de regendruppels. Ze zag een paar schimmen staan. Weer ging de trekbel. Ze liep de lange gang in richting de voordeur door en deed deze open. Daar stonden twee heren in uniform. Een van de mannen deed direct het woord en vroeg of zij mevrouw van der Meij was.

‘Jazeker!’ mompelde ze beleefd.

Bij het zien van deze heren, kreeg ze onverwachts een onaangenaam gevoel. Ze zag dat het vooraanstaande militairen waren. Dit voorspelde niet veel goeds. Haar benen begonnen onverwachts te trillen.

‘Is er iets aan de hand met mijn zoon Gerard?’ vroeg ze vrijwel direct.

De man reageerde daar nog niet meteen op.

‘Mogen wij misschien even binnenkomen mevrouw?’

Ze knikte en de mannen liepen haar achterna richting de woonkamer. Gelijktijdig kwam Petrus haar man vanuit de keuken de gang ingelopen. Hij had de trekbel ook gehoord. Zijn vrouw Truus was hem net voor om de voordeur open te doen. In haar kielzog liepen twee militairen mee zag hij. Wat had dit te betekenen? bedacht hij zich opeens.

Nadat ze beide heren een stoel had aangeboden, namen Petrus en zij plaats aan de eikenhouten eetkamertafel.

‘Hoe zal ik beginnen, zei de man die tot heden nog niets had gezegd. Truus begon onverwachts te huilen nog voordat de man kon gaan. Het was niet gewoon dat er militairen aan de voordeur zouden komen, mits er iets aan de hand zou zijn, wist ze. Van een van de buren aan de overkant van de straat had ze ooit vernomen dat zo’n bezoek niet veel goeds voorspelde.

‘Vanuit Batavia hebben wij een telegram ontvangen, dat uw zoon door een noodlottig ongeval om het leven is gekomen op 31 januari 1950. Gelijktijdig  pakte hij vanuit zijn binnenzak het telegram.

Een noodlottig ongeval? Wat dan precies. Was het tijdens het oorlogsgeweld of anders. Ze voelde het bloed uit haar aderen wegstromen. Onverwachts gaf ze een kreet en begon onbedaarlijk te huilen. ‘Mijn lieve jongen dood?’ Over een paar dagen zouden mijn man, zijn vriendin en ikzelf Gerard van de boot ophalen. Door haar tranen heen keek ze naar de heren die naast haar aan tafel zaten. Ze hadden het ook moeilijk, zo te zien. Zij waren niet veel ouder dan hun zoon Gerard.

Petrus stond op van zijn stoel en sloeg zijn armen om zijn vrouw heen. Het leek alsof zojuist zijn hart uit zijn lijf werd gerukt door deze vreselijke mededeling. Zijn enige zoon verongelukt. Met tranen in zijn ogen keek hij de hoge militairen enigszins wezenloos aan.

‘Ik zal u vertellen wat er op de dag van vertrek met uw zoon is gebeurd’ zei een van de militairen. Nadat hij het drama had verteld legde hij het telegram neer op tafel. Hier staat hetzelfde in wat ik u beiden zo juist hebt verteld.’

Ze zat als versteend op haar stoel en had niet in de gaten dat de militairen inmiddels waren vertrokken. Hun zoon was niet verongelukt tijdens de oorlog in Indië, maar door een ongelukkig incident. Het vreselijke vond ze dat haar zoon gestorven was door diverse brandwonden. Ze stond op, mompelde iets tegen haar man Petrus en liep regelrecht naar hun slaapkamer toe en liet zich neervallen op bed.

Petrus had afscheid genomen van de heren. Nadat ze waren weggereden met een jeep liep hij naar binnen en ging hij weer zitten aan de eetkamertafel. Hij nam een slok van zijn inmiddels afgekoelde thee. De woorden van de heren gonsde als een echo door zijn oren. Zo zat hij in gedachte. Bij het schemeren van de avond, kwam hij onverwachts weer bij zijn positieven. Hoelang had hij hier aan tafel gezeten. Hij wist hij niet. Waar was Truus eigenlijk. Hij stond op en liep naar de slaapkamer. Aangekleed en al lag ze nog op bed en was in slaap gevallen.

De enigen die nog niets af wisten van Gerard zijn dood waren hun inmiddels getrouwde kinderen die elders woonden en twee jonge dochters die nog op school waren. Anna moest ook meteen op de hoogte worden gesteld. Hij wilde Truus niet wakker maken. Anna en haar familie moesten meteen op de hoogte worden gesteld. Anna wist niet beter dan dat ze Gerard van de boot zou ophalen. Hij kreeg meteen een brok in zijn keel. Hoe moest hij in hemelsnaam het meisje dit vertellen? Ze woonde met haar ouders niet ver van hen vandaan.

Uit een laatje van het dressoir pakte hij een stompje potlood en scheurde een stukje papier uit een blocnote. Hij likte met zijn tong aan de potloodstift en schreef: ‘Lieve Truus, als jij wakker wordt dan ben ik bij Anna en haar familie. Ik kom zo gauw mogelijk terug.’

Het telegram dat nog steeds op tafel lag nam hij ook voor Anna mee. Hij deed zijn jas en das om en liep regelrecht naar de plaats achter hun huis. Daar stond zijn fiets. Het was inmiddels etenstijd. Gegeten had hij nog niet. Door die consternatie was het er niet van gekomen. Ondanks alles moest hij dit bericht brengen tegen wil en dank.

Het was een gure dag. Vanavond was het al niet veel beter. Het regende nog steeds. Op de een of andere manier verfristen de regendruppels zijn gezicht op en kwam hij weer bij zijn positieven. Hij moest sterk zijn voor Anna en haar ouders. Het lieve meisje kende hij pas een jaar. Truus en hijzelf hadden haar in hun hart gesloten.

Hij was nu bijna in de buurt van de Weerensteinstraat. Even later plaatste hij zijn fiets tegen de pui van het huis. Door het raam zag hij de familie aan het avondeten. Blijkbaar waren zij druk met elkaar in gesprek. Hij had aan de trekbel getrokken. Er werd niet opengedaan. Nu tikte hij op het woonkamerraam. Gerrit, de vader van Anna stond op en liep naar het raam toe.

Daar stond notabene Petrus aan de voordeur. Wat moest die man nou rond etenstijd en waar was zijn vrouw Truus? Hij begreep er niets van.

‘Goedenavond Petrus, wat doe je hier rond etenstijd man. Kom binnen? Het regent pijpenstelen.

Petrus veegde zijn voeten en stapte even later de warme woonkamer binnen. Bij het ruiken van het heerlijke eten kreeg hij trek. Maar daar kwam hij niet voor.

‘Neem plaats aan tafel Petrus?’ zei Lea de vrouw van Gerrit.

De vader van de aanstaande verloofde van Anna zag er maar pips uit.

‘Truus is thuis gebleven. Ik moet jullie iets vertellen dat mij erg zwaar valt.’ Uit de binnenzak van zijn jas pakte hij het telegram en legde dit voor hun op tafel neer. Ze zaten met stomheid geslagen bij deze woorden.

‘Wat is er in godsnaam aan de hand Petrus?’ vroeg Anna. Je ziet zo wit als was. Haar ouders zaten als verstijfd aan tafel en keken maar naar het telegram. Dat voelde niet goed. Hun dochter beefde als een rietje zagen ze.

Anna pakte het telegram van tafel. Ze las de drie regels en slaakte een kreet. ‘Nee, oh nee, niet Gerard!’ De rillingen liepen over haar lijf.

Opnieuw las ze de regels, maar nu hardop voor haar ouders die maar niet wisten wat er aan de hand was. Met horten en stoten las ze de regels voor en begon daarna hevig te huilen. Ze kan niet meer stoppen.

De moeder van Anna sloeg de handen voor haar mond. Haar vader stond op en liep direct naar zijn dochter toe. Ze was ontroostbaar en kon niet bevatten dat ze over twee dagen haar geliefde niet meer zou zien. Aan Petrus vroeg ze wat de militairen nog meer hadden verteld.

Van het avondeten kwam niet veel meer terecht. Lea vroeg aan Petrus: ‘Hebben jullie eigenlijk wel gegeten?’ waarop hij antwoordde dat het er niet van gekomen was. Door intens verdriet was Truus naar bed gegaan. Een warme prak zat er vanavond niet in. Truus en ik eten vanavond een boterham. Het was trouwens al laat zag hij op zijn horloge? ‘Zo spoedig mogelijk neem ik weer contact met jullie op. Er moet nu het een en ander worden geregeld om de familie en vrienden te laten weten dat Gerard in de Oost is overleden. Ook denk ik er aan om een Afscheidsherdenking te laten organiseren door de kerk ter nagedachtenis aan hem.’

Het regende niet meer toen hij huiswaarts ging. Bij binnenkomst zag hij Truus in de keuken staan. Onze jongste dochters heb ik nog niets verteld over Gerard, Petrus. Dat komt morgen wel en de andere kinderen sturen wij een telegram. Wij moeten dit drama even zelf verwerken.’

‘Zullen wij vanavond maar wat boterhammen eten vrouw? Het is al laat in de avond. Eten koken heeft nu geen zin.’

Ze knikte. Van het huilen had ze rode ogen gekregen. Net voor het naar bed gaan besprak Petrus voorzichtig wat zijn bedoeling was om hun zoon te herdenken. Maar eerst moest er een afspraak gemaakt worden met een drukkerij. De rouwkaarten moesten de deur uit.

In januari 1951 was er een afscheidsherdenking voor Gerard van der Meij. Naast de familie was bijna het hele dorp uitgelopen en zaten de mensen in de stampvolle kerk. In het midden van het pad ter hoogte van het altaar stond een lege kist met een zwart dekkleed. Ook hingen er rouwkleden in de kerk. Over het altaar en het tabernakel. Het was een sobere, doch mooie mis. De pastoor deed zijn gebeden over Gerard. Na diverse condoleances vertrok iedereen naar huis. Anna hield nog contact met Petrus en Truus tot op een dag weer een nieuwe toekomst voor haar lag.

Zeven jaar later stierf Petrus in 1958 te Haarlem. Het verdriet van zijn zoon Gerardus was hij nooit bovengekomen. Truus overleed in december 1963 in Hillegom. Ondanks de hevige tegenslag bleven ze hun geloof trouw.

 

 

 

 

Nawoord:

Gerard was een zoon van Petrus van der Meij (geboren op 06-02-1883 in Lisse en overleden op 26-08-1958 in Haarlem) en Geertruida Maria van Steen ( geboren op 24-06-1887 in Vught, overleden op 30-12-1963 in Hillegom). Hun gezin bestond uit elf kinderen, waarvan vier zonen en zeven dochters. Petrus was bloemistknecht bij de firma Rijneveld.

Gerard was een jonge neef van mijn grootvader Leonardus, Johannes van der Steen. Leonardus was de vader van mijn moeder. Zijn tragische levensloop heeft mij altijd geïntegreerd. Het verhaal is non-fictief en deels fictief. Enkele namen zijn veranderd.

 

 

 

g-van-der-meij

Uit de kast (N.a.v. de schrijfopdracht ‘Opstapelen’

 

Leo was sinds kort uit de kast gekomen. Dat ging niet zonder slag of stoot. Hij had de moed gehad om wat dameskleding aan te schaffen. Eerst bij een tweedehandswinkel. Stel je voor dat hij bekenden zou tegenkomen in een dames kledingzaak. Hij had drie jaar geleden Thea ontmoet via een datingsite. Hij vond haar stoer. Ze was het type manwijf. Eigenlijk was er niets vrouwelijks aan haar. Toch had hij haar uitgekozen uit vier vrouwen. Het klikte meteen tussen hen.

Op een dag had hij Fred ontmoet. Bij het gezamenlijk uitstappen uit de tram botsten ze tegen elkaar op. Er was een moment van lichamelijk contact. Leo werd erdoor geprikkeld. Zo’n gevoel had hij bij Thea nooit gehad. Ze moesten beiden lachen om dit onverwachte incident. Na een paar weken zagen ze elkaar weer in dezelfde tram. Toen vroeg Fred aan hem om gezamenlijk ergens koffie te gaan drinken in de stad.

Aan tafel in het café observeerde Leo hem. Fred was een heer. Hij droeg een mooi maatpak en suède schoenen. Hij had een goede smaak. Thea, daarentegen liep vrijwel dagelijks in een T-shirt rond met een sportbroek aan. Ze had meer mannelijke trekken. Zeker haar manier van lopen. Toch had hij ooit voor haar gekozen.

Na de afspraak met Fred, merkte hij dat hij hem aantrekkelijk begon te vinden. Hoe moest het nu verder gaan met Thea? vroeg hij zich af. Af en toe sliep ze bij hem. Toch had ze haar eigen huis. Hij had gemerkt dat hijzelf langzamerhand begon te veranderen.

‘Wat ben je onrustig Leo’ had Thea tegen hem gezegd toen hij bij haar was. Hij had haar in het begin van hun relatie verteld dat hij anders was dan alle andere mannen. ‘Dat had ze al opgemerkt bij hun eerste kennismaking. Ze had er vrede mee’ had ze geantwoord.  

Zowel geestelijk als lichamelijke merkte hij een sterke verandering. In zijn jeugd was hem ook al bepaalde dingen opgevallen. De ene keer had hij oog voor meisjes en het andere moment trok zijn aandacht meer naar jongens.

Zojuist had hij wat dameskleding gekocht met een petticoat, die hij bij thuiskomst verstopte tussen het spiraal en het matras van zijn bed. Hij had, op het verzoek van Fred, bij hem thuis een jurk gedragen, waarop Fred had geantwoord dat hij hem nog aantrekkelijker vond.

Zijn gevoelens werden heen en weer geslingerd tussen de stoere Thea, die niets vrouwelijks had, behalve dan haar stevige borsten en de aantrekkelijke Fred.

Zijn broer Ton had ooit tegen hem gezegd, dat hij anders was dan hijzelf. ‘Volgens mij eet je van twee walletjes Leo’ vertelde hij hem. Je zal vroeg of laat toch een keuze moeten maken tussen een vrouw of een man?’

Diep in zijn hart wist Leo dat zijn broer gelijk had. Al lange tijd gingen de gevoelens met hem op de loop. In zijn pubertijd had hij een seksuele ervaring gehad met een klasgenoot. Fred had aan hem gevraagd om bij hem te gaan wonen.

Hoe moest hij dat tegen Thea zeggen. Ondanks hij nooit verliefd op haar was geweest en hij haar meer zag als een maatje, had hij het er moeilijk mee om zijn keuze aan haar te vertellen.

Fred was zijn grote liefde geworden.

Thuisgekomen kwam het hoge woord eruit. Thea luisterde.

‘Weet je Leo, ik ben blij dat je zo eerlijk tegen mij bent. Al enige tijd wil ik ook jou wat vertellen. Ik wist al vrij snel dat je vroeg of laat uit de kast zou komen. Heb je nooit gemerkt dat ik met hetzelfde probleem worstelde. Ik zag je meer als een goede vriend dan een relatie. Daarom hield ik mijn eigen woning aan.

Enige tijd geleden heb ik Tilly ontmoet. Ze is mijn naaste collega geworden. Net als jij en die Fred hebben wij besloten om met elkaar verder te gaan. Vandaag is de dag aangebroken om jou mijn verhaal te vertellen.

Het enige dat nog hoorbaar was in de ruimte waar ze beiden stonden was hun zucht van verlichting.

Moeders mooiste

carlos_ii

 

Inteelt

 

Van inteelt bij mensen hoor je de laatste jaren niet veel meer. In vroeger tijden kwam inteelt veel meer voor dan vandaag de dag. Zelfs in onze geschiedenis zijn er verhalen bekend. Er zijn nog plaatsen waar inteelt nog steeds voor komt, zei het in mindere mate. Er is veel over geschreven wat de consequenties kunnen zijn van trouwen met een direct familielid. Kinderen uit zo’n gezin krijgen onherroepelijk gezondheidsproblemen. Het trouwen met directe familieleden is dus buiten kijf. Zoals de meeste onder ons wel weten schuilt er een gevaar door het toepassen van inteelt. Geestelijke- en lichamelijke ziektes steken de kop op en zetten zich voort bij nazaten.

Overal ter wereld is het geen onbekend feit. In Marokko komt het nog steeds voor om met een neef of nicht te trouwen. Ook bij de adel was dit vroeger het geval. Inteelt werd toegepast om de status, geld en goederen en zelfs de familienaam in stand te houden. Ook bij veel Koningshuizen. De Habsburgse adel is daar een voorbeeld van geweest. Een veel voorkomende afwijking was de afwijkende onderlip en een vooruitstekende kin. Deze misvormingen binnen deze adellijke familie zetten zich voort bij de nazaten. Op schilderijen werden de portretten van de edelen verdoezeld door portretschilders van die tijd. Ze maakten de personen, waarschijnlijk op verzoek, mooier dan ze in werkelijkheid waren. Het verdoezelen van lichamelijke afwijkingen.

Een voorbeeld was Karel II. Hij was zowel geestelijk- als lichamelijk gehandicapt en werd slechts 38 jaar. Alle uiterlijke kenmerken van zijn voorouders waren in hem overdreven vertegenwoordigd. Zijn hoofd was groot en hij had een vooruitstekende kin. Daardoor kreeg hij zijn tanden moeilijk op elkaar. Ook had hij een abnormale grote tong, waardoor hij moeilijk kon eten. Naarmate hij ouder werd lieten zijn ogen hem in de steek. Moeders mooiste was hij in elk geval niet.

Om de adellijke familie in stand te houden trouwde hij met twee vrouwen, te weten: zijn eerste vrouw Marie, Louise van Orléans en na haar dood met Maria, Anna van Beieren.

Van karakter bleek hij ook kinderlijk te zijn en snel daarna werd hij seniel. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Zijn moeder trad daardoor op als regentes. Na zijn dood in het jaar 1700 kwam er een kentering binnen de Habsburgse adellijke familie. De tijd van inteelt was grotendeels voorbij.

 

Face to Face

naamloos-zelfportret-gemma

Face to Face

 

‘Wat ben jij verandert door de jaren heen’ krijg ik via een privéberichtje binnen op Facebook. De persoon in kwestie wiens naam ik niet noem is een buurjongen waarmee ik in mijn jeugd optrok. De manier waarop hij dit schrijft geeft mij een onaangenaam gevoel. Natuurlijk ben ik veranderd, wie niet? Er zit notabene een half mensenleven tussen ons. Ik kende hem als een aardig persoon. Wij hadden samen de grootste lol.

‘Je gezicht is wel hetzelfde gebleven, maar je bent molliger geworden, schrijft hij weer. ‘Toentertijd was je slank, zelfs mager. Waar is je lange blonde haar?’

Hallo, denk ik bij mijzelf. Is hij soms stil blijven staan ergens in de jaren zestig. Een mens wordt toch ouder als het goed is. Altijd zijn er uitzonderingen op de regel. Je hebt mensen die qua uiterlijk nooit veranderen, maar het merendeel toch wel. Word ik nu afgerekend op mijn figuur door een buurjongen die ik recent heb toegevoegd op Facebook. Dit voelt niet goed.

Wat verbeeldt hij zich eigenlijk wel. Ik bekijk hem op zijn profielfoto en herkende hem in eerste instantie niet toen hij zich aanmelden. Wel aan zijn voor- en achternaam. Om eerlijk te zijn is zijn krullende haar van toen met de noorderzon vertrokken. Er is geen haar op zijn hoofd meer te bekennen. De kaalslag van deze tijd. Tondeuses gaan de laatste jaren grif van de hand voor sommige mannen. Bepaalde trekken in zijn gezicht herken ik nog wel. De lust om te vragen hoe zijn jaren zijn verlopen, staat nu op een laag pitje.

Ik wil niet in de verdediging gaan om hem te vertellen dat al vrij snel mijn gezondheid mij in de steek liet. Zelf houd ik er niet van om mensen te stigmatiseren over hun uiterlijk. Maar wie de bal kaatst krijgt hem wel terug.

Die aardige buurjongen van toen is in mijn ogen een kwallenbal geworden. Iemand die met zijn oordeel klaar staat, voordat hij weer kennis heeft gemaakt met zijn buurmeisje, is geen Facebookvriend.

Ik wil geen Face to Face meer met hem. Net zo snel dat ik hem als Facebookvriend heb toegevoegd, knikker ik hem er meteen uit.  

 

Voor geen gat te vangen

naamloos-schooltas

 

 

Papa, ik wil fietsen roept onze dochter van vier. Papa haalt het fietsje met de zijwieltjes uit de schuur. Direct stapt ze erop en rijdt de hoek om van de schuur. Even is ze uit beeld. Zo snel hij kan loopt hij zijn dochter achterna. Ze rijdt snel en is nu bijna bij de weg waar de auto’s rijden.

‘Stop Laura’ roept hij, daar is het gevaarlijk. Zijn kleine meid is beslist niet bang. Hij roept haar weer en ze maakt aanstalten om rechtsomkeer te maken.

Kleine meisjes worden groot en niet veel later geeft ze aan dat de zijwielen eraf moeten. Papa heeft het nog niet gedemonteerd, of ze stapt op haar fietsje, valt tegen een muurtje en rijdt al slingerend verder.

Onze dochter is een stoere meid. Vriendinnen heeft ze niet op de lagere school. Die vinden haar te ondernemend en stoer. De jongens van haar leeftijd komen haar ophalen om te gaan voetballen. Op een keer schopt een van de jongens een bal te hoog waardoor deze vast blijft zitten tussen de takken van een grote boom. Niemand durft de bal eruit te halen alleen zij. Zonder blikken of blozen klimt ze op de schouders van een vriendje die tegen de boom aanleunt. Voordat de jongens het door hebben zit ze in de boom. Ze gooit de bal naar beneden. Nu moet ze nog uit de boom zien te komen. Ze vraagt een vriend om hulp te gaan halen. Er komt een man met een ladder aan. Wat later voelt ze weer het gras onder haar voeten.

Ze is een tenger meisje met lang blond haar. Jurken en rokken draagt ze liever niet. Die vindt ze maar niets en draagt alleen maar denimbroeken.

Inmiddels is ze vierentwintig. De jongens kijken anders naar haar. Ze raakt verliefd, gaat uit, sport en danst. Ze heeft geen jurk, alleen maar broeken. Ze  koopt een paar vlotte, eigentijdse jurken. Het is een metamorfose. De stoere meid verandert in een leuke, vlotte vrouw. Jongens volgen haar met hun ogen. Ze is voor geen gat te vangen en blijft haar vrienden trouw.

Ze trekt haar eigen plan, is ondernemend en weet goed wat ze wil. En wij zijn trots op haar als ouders.

Vandalisme

Vandalisme

 

Zes jaar voor haar overlijden wandelde ik met mijn tachtigjarige moeder naar het winkelcentrum. In onze woonplaats staan her en der verspreid diverse kunstwerken. Meestal neem ik haar en vader mee om boodschappen te doen met mijn auto. Ze wonen nog niet zo lang in de wijk. Het winkelcentrum is op loopafstand van hun huis.

Ik ben druk in gesprek met haar als ze onverwachts stilstaat.

‘Kijk nou eens?’ zegt ze tegen mij en ze wijst naar twee identieke gekleurde palen die synchroon en diagonaal naast elkaar staan.

‘Die vandalen van tegenwoordig. Ze kunnen ook nergens vanaf blijven. Ze hebben die palen omgetrokken die aan de overkant op de stoep staan’ zegt ze alsnog.

Ik zie inderdaad kleurrijke palen staan en begrijp meteen dat het een kunstwerk is. Waarschijnlijk zijn ze daar recent neergezet. Ik had ze zelf niet eerder gezien.

Ik begin meteen te lachen. Ze kijkt mij verontwaardigd aan. Ik vertel haar dat het geen vandalisme is, maar een kunstwerk.’

‘Is dat een kunstwerk? Ik vind het maar een vreemd ding’ antwoord ze.

Het is zes jaar later. Mijn vader is reeds overleden. Moeder is bij ons op de koffie samen met haar volle neef en twee nichten die ik heb uitgenodigd. Nadat ze hun, na de kennismaking, heeft geobserveerd, vraagt ze aan mij: ‘Wie zijn deze mensen?’

Ik weet niet of ik nu moet lachen of moet huilen. Een van haar nichten geeft mij een knipoog ter goedkeuring. Zo’n reactie zou ik zeker van mijn moeder niet verwachten. Altijd is ze alert en weet van veel zaken af.

Kort voor haar overlijden valt het mij op dat ze steeds vergeetachtiger wordt. De alarmbellen gaan bij mij rinkelen en ik houd de vinger aan de pols. Zou het toch kunnen dementie zijn? vraag ik mij af. Mijn moeder die een sterke persoonlijkheid is en waar men niet om heen kan, herinnert zich de normale dingen niet meer. Niet lang daarna komt ze te overlijden. Zelf ben ik blij dat haar veel leed bespaard is gebleven. Ook voor onszelf.

Recent werd ik weer met haar woorden geconfronteerd toen ik het gewraakte kunstwerk weer in het vizier kreeg. Op die bewuste dag van toen, tijdens onze wandeling naar het winkelcentrum, deed de dementie waarschijnlijk zijn vroege intrede, maar ik was mij er nog niet van bewust.

Lief dagboek

boekenrondhetpaleis2012-1

Lief dagboek

 

Er kwam een dag dat ik als dertienjarige voor mijn verjaardag jou kreeg van mijn ouders. Het leek mij in eerste instantie spannend om dagelijks iets  te schrijven op jouw hagelwitte pagina’s. Als eerste schreef ik mijn naam op de eerste pagina van je kleurrijke omslag. Je was nu officieel van mij. Na het avondeten nam ik mij voor om mijn eerste ervaringen van die dag erin te schrijven. Eerlijk gezegd was er die dag niets bijzonders gebeurd. De geijkte dingen schreef ik toen maar op, zoals vroeg opstaan, douchen, ontbijten en naar school gaan. Ook had ik contact gehad met een paar vriendinnen, die ook niets bijzonders te vertellen hadden.

Als ik terugkijk gebeurde er nooit iets bijzonders. Het was een brave- en conservatieve tijd waarin ik opgroeide. Je moest als kind gehoorzaam zijn, thuis en zeker op school. Het leven ging door zoals de dag ervoor en er na. Ondanks ik geen hekel aan school had was het er saai, op de lesstof na. Ik had mijn vriendinnen waarmee ik optrok en mijn sport. Ik tekende en schilderde. Mijn moeder werkte twee ochtenden en vader dagelijks. Samen gingen mijn jongste zus en ik naar school.

Na dag vijf las ik de teksten door. Het viel mij op dat er steeds dezelfde krabbels in stonden. Onverwachts begon het mij te vervelen. Er was niets spannends aan. Zou er bij andere gezinnen weleens iets gebeuren? vroeg ik mij gelijktijdig af.

Op een zeker moment, begon ik zelf wat verhalen te verzinnen. Ik koos  willekeurige gezinnen uit, die woonden in onze doorgaans rustige straat en  schreef over hun wel en wee. Dit kon ik natuurlijk nooit weten. Deze mensen, wiens namen ik niet kende, werden hoofdpersonen in jouw boek. Ze  moesten toen eens weten? Ik kwam al snel in een schrijversflow terecht. Jij begon meer te lijken op een verhalenboek. Zelden kwam ik er nog in voor.

Soms ving ik een verhaal op van enkele leerlingen uit mijn klas die ik dan thuis anoniem opschreef. Op een keer had mijn moeder mijn verhalen gelezen. Ze vroeg aan mij waar ik die wijsheden vandaan had gehaald? Ik vertelde haar dat het deels fictie en soms non-fictie was.

Jaren later ben je helaas zoekgeraakt tijdens een verhuizing en heb ik je nooit meer teruggevonden. Dat doet soms nog zeer omdat ik de verhalen, die ik ooit schreef deels kan herinneren.