Zijn laatste Strijdkreet

 

 

Hoeveel keren had hij het magazine de Strijdkreet aan mensen verkocht? Hij wist het zelf niet eens meer. Sinds jaren was hij vrijwilliger bij het Leger des Heils in zijn woonplaats. Ontelbare keren was hij de straat opgegaan, bij winkels gestaan, mensen aangehoord en bijgestaan. Personen, uit alle lagen van de bevolking met al hun sores. Hij voelde het als een roeping om mensen te helpen. Na de dood van zijn vrouw Johanna, die zich Janny noemde, was hij niet bij de pakken neer gaan zitten. Ze waren kort met elkaar getrouwd geweest, toen ze door een noodlottig ongeval om het leven was gekomen. Geschept door een stadsbus, had een politieagent hem verteld toen de man bij hem aan de deur stond. Net als hijzelf was Janny een sociaal bewogen vrouw.

‘Help je naasten zoveel als je kan Arnoud?’ had ze ooit tegen hem gezegd. Ze had wel meer van dit soort kreten. Ze voelden elkaar feilloos aan. Tot hun grote verdriet hadden ze geen kinderen. Daarvoor waren ze tekort getrouwd. Hij was nu alweer jaren weduwnaar. Nadien was hij nooit meer getrouwd geweest. Hij had in zijn leven nog weleens vrouwen ontmoet. Toch bleef het vaak bij een eerste ontmoeting.

Op een zekere dag las hij in de plaatselijke krant dat er vrijwilligers werden gezocht voor het Leger des Heils. Hij wilde zich daarvoor aanmelden. Als kind stond hij samen met zijn ouders te kijken bij een muziekuitvoering tijdens de kerstdagen. Meestal stonden deze vrijwilligers op een hoek van een straat of voor de deur van een groot warenhuis. Er werden kerstliederen gezongen en verkondigde ze het woord van Jezus. Van het geld dat het Leger des Heils kreeg uit donaties en van passanten, werden diverse activiteiten georganiseerd voor mensen die vrijwel niets hadden. Zelf wilde hij ook wat voor de verschoppelingen in de maatschappij doen. Hij kon een boek vol schrijven van al hun verhalen.

Een van zijn eerste ontmoetingen was Irene. Een kleine donkerharige vrouw. Ze leek ouder dan ze daadwerkelijk was. Ze was zesentwintig en een wees. Na de dood van haar ouders werd ze door haar familie ondergebracht bij een tante. Ze werd door haar zodanig in haar vrijheid beknot, dat ze op een zekere dag het huis ontvluchten. Ze zwierf twee jaar door de grote stad. Vaak was er geen eten. Ze had verschillende slaapplaatsen, waaronder een plek onder een spoorviaduct, waar hoofdzakelijk ook mannen sliepen. Ze was zo waakzaam als een kat en sliep daarom slecht. Ooit was ze door een man overvallen die wat spullen van haar had meegenomen. Haar tas was haar enige bezit alsook nog wat kleding. Van een eerzame vrouw werd ze, na verloop van tijd, een dievegge. Ze moest vechten voor haar eigen bestaan en stal hoofdzakelijk voedsel uit winkels en een enkele keer kleding.

Op een middag stond ik voor een warenhuis met ons magazine de Strijdkreet. Ik zag haar voor mij op de stoep staan met een plastic tas in een van haar handen, waarvan een van de handvatten kapot was. Ze stond daar al minstens een kwartier te wachten. Ondanks haar knappe gezicht zag ze er sjofel uit. Op een gegeven moment stopte er een automobilist. De man had zijn raam opengedraaid en sprak met haar. Opeens begon hij luider tegen haar te praten. Ze liep weg van zijn auto. De automobilist reed vrijwel meteen weer weg. Ze kwam mijn kant opgelopen en ik sprak haar direct aan. Er volgde tussen ons een onverwachts gesprek.

‘Je hoeft niet meer onder die spoorbrug te slapen’ vertelde ik haar. Ga zo dadelijk maar met mij mee naar het Leger des Heils, waar ik vrijwilligerswerk doe. Je kunt bij ons een maaltijd gebruiken en een slaapplaats krijgen. Wij beschermen jou als je dat wilt, zei ik weer.’

Vanaf dat moment was ze een trouwe gast. Ik had medelijden met deze jonge vrouw. Ze had een dochter van mij kunnen zijn. Ik had er moeite mee dat ze overdag in de prostitutie terecht zou komen. Het laatste gebeurde gelukkig niet. Ik had dit onderwerp tijdens ons eerste gesprek met haar besproken. De automobilist had haar namelijk oneerbare voorstellen gedaan had ze mij verteld, terwijl ze dacht dat hij de weg aan haar wilde vragen.

Na verloop van tijd kreeg ze op advies van het Leger des Heils hulp van het maatschappelijk werk. Ze kreeg een baantje en later in de tijd een flat. Soms kwam ze nog eens buurten bij ons. Ze was dankbaar dat ik haar had geholpen. Ik zag dat ze inmiddels haar leven goed had opgepakt.

Hoe anders liep het met de meeste mensen af. Gezichten van mensen die hij jaren achtereen zag. Ze zochten troost bij elkaar. Iedereen met zijn of haar eigen verhaal. Verslaafden baarden mij het meeste zorg. Het merendeel kwam niet van hun verslaving af. Vroeg of laat moesten ze het met de dood bekopen. Toch was het onze taak om al deze mensen te helpen. Helaas wilde een enkeling niet geholpen worden en gleed verder af.

In al die jaren als vrijwilliger, waren Frederik en zijn vrouw Saskia mij het meeste bijgebleven. Ik zag ze op die koude ochtend in december binnenkomen. Twee mensen die door hun kleding en uitstraling opvielen bij de mensen die ter plekke aanwezig waren. Ik stond op punt om te vertrekken toen hij mij onverwachts aansprak als jonkheer Frederik. Hij noemde bewust zijn achternaam niet, vertelde hij mij. Hij stelde zijn vrouw Saskia aan mij voor. Ik bood ze een plaats aan een tafel. Een van mijn collega’s serveerde koffie. Ik  legde de stapel magazines die ik in mijn handen had op tafel neer.

‘Na de dood van mijn vader, nu twee jaar geleden, vertelde hij, trouwde ik met mijn vrouw Saskia. Zij is van eenvoudige afkomst. Mijn moeder was ziedend dat ik niet met een vrouw trouwde uit mijn eigen milieu. Ze heeft mij recent onterfd. Ik heb intussen een advocaat ik de arm genomen. Mijn geld is nu bijna op. Mijn vrouw en ik zoeken nu tijdelijk onderdak. Het enige familielid dat ik nog heb is een oudoom die zijn bezit ooit heeft geschonken aan zijn enige dochter en haar gezin. Zelf zit hij al jaren in een verzorgingstehuis. Onze vrienden kunnen ons niet helpen, hadden ze tegen ons gezegd. Ik werkte als landheer op mijn eigen landgoed en had wat personeel. Nu kan ik niet meer in mijn eigen levensonderhoud voorzien. Mijn vrouw en ik staan nu ingeschreven voor een ander huis dat wij waarschijnlijk niet eens krijgen. Saskia en haar collega’s zijn drie weken geleden ontslagen door hun werkgever wegens een faillissement.

Ik hoorde hun gesprekken aan. Het enige dat ze bij hun hadden was een koffer en een handtas. Ze konden hier een maaltijd gebruiken en slapen, vertelde ik hun. Ik keek op mijn horloge en zag dat ik al een uur te laat was om de Strijdkreet te verspreiden. Ik stond op en gaf ze een hand. Eén van mijn collega’s zal u helpen, zei ik alsnog. Diezelfde avond zag ik het echtpaar bij binnenkomst niet meer zitten en vroeg aan een collega waar ze waren gebleven. Ze blijven vannacht hier Arnoud, zei ze. Ik heb hun een slaapplaats aangeboden. Een half jaar bleven Frederik en Saskia de opvang bezoeken. Niet lang daarna kreeg Saskia weer werk op kantoor bij een multinational en konden ze eindelijk een stadswoning betrekken. Het jaar daarop lag er op een ochtend een brief die aan mij persoonlijk was gericht. Het was van Jonkheer Frederik en zijn vrouw. Hij bedankte het Leger des Heils voor al hun goede zorgen en vertelde dat hij de rechtszaak tegen zijn moeder had gewonnen. Er was weer geld vrijgekomen. Ook zijn landhuis had hij terug. Hij was blij dat ik toen naar zijn verhaal had geluisterd. Als dank schonk hij het Leger des Heils een aanzienlijk bedrag. Deze situatie heeft zich jaren geleden afgespeeld.

Vanuit mijn leunstoel zie ik dat het buiten heeft gesneeuwd en ik sta op. Ik ruik de koffie die ik zojuist heb gezet. Ook smeer ik een paar boterhammen en beleg deze met kaas en jam. Koken doe ik nu niet. Ik gun mij de tijd er niet voor. Morgen vertrek ik uit mijn woning waar ik vanaf mijn huwelijk met Janny heb gewoond. Mijn gezondheid laat mij al enige tijd in de steek. Het doet mij verdriet dat ik mijn vertrouwde huis nu moet gaan verlaten. Dan opeens voel ik mij schuldig en moet ik opeens denken aan al die mensen die ooit geen huis hadden. Ik schaam mij. Een paar meubels verhuizen morgen naar een aanleunwoning. Nu ben ik tachtig. In gedachte zie ik mijzelf weer staan als jongeman die in weer en wind en tijdens de sneeuw de Strijdkreet verspreidde. Een jong iemand heeft nu sinds tijden mijn werk overgenomen. Zo af en toe bezoek ik nog steeds het Leger des Heils waar ik nog een enkele oud collega aantref. Een jongere generatie heeft het Leger des Heils nu overgenomen dat sinds 1865 bestaat.

‘Ik heb mensen zien komen en zien gaan. Herinneringen die ik altijd zal blijven koesteren zolang ik nog leef, mompelt Arnoud.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s