Treinperikelen

 

 

In de trein is het benauwd voor de tijd van het jaar. Het is winter. Een van de zachtste winters sinds jaren. Medepassagiers zitten opgepropt bij elkaar. ‘Ik ben vandaag de slemiel’ mompel ik. Pech! De auto staat ter reparatie in de garage. Tot overmaat van ramp heeft de trein ook nog vertraging. Vaak hoor ik deze kreten op de televisie. Nu maak ik het zelf ook een keer mee. Naast mij, in het gangpad, staat een man met een enorme buik. De knopen van zijn overhemd staan op springen. Als ze zouden springen zou er misschien een behaarde aap tevoorschijn kunnen komen of zijn buik is zo glad als een biljartbal. De man heeft blijkbaar gemerkt dat ik steeds naar hem kijk. Als blikken konden doden….. Meteen draai ik mijn gezicht weg. Na een werkdag van acht uur, ben ik nu al twee uur onderweg. Uit mijn aktetas pak ik een leesboek en probeer mij te concentreren op mijn verhaal. Na twee bladzijden houd ik het voor gezien. Er gebeurt teveel om mij heen. De trein schudt heen en weer. De mensen in het gangpad kunnen zich nergens aan vasthouden, althans de middenmoot niet. Ze staan als haringen in een ton tegen elkaar aan gedrukt. Onverwachts ruik ik een penetrante geur. Iemand uit het publiek heeft blijkbaar last van zijn of haar sluitspieren. Uit de zak van mijn jack pak ik een papieren zakdoekje en houd deze quasi nonchalant onder mijn neus. Naast mij zit een jonge vrouw die de hele rit naar buiten kijkt. Ze heeft, denk ik, net als ik, moeite met al die mensen in de trein.

Nog even, dan ben ik verlost van die menigte. Er wringt zich een hoogzwangere vrouw langs de mensen in het gangpad. Uit beleefdheid biedt ik haar mijn plaats aan en zeg tegen haar dat ik er zo dadelijk uit moet.

‘Bedankt mijnheer, ik kan niet tegen achteruit rijden. In mijn positie zou ik misschien kunnen overgeven. Daar sta ik dan met een mond vol tanden en mijn beleefdheid.

De trein nadert het station. Hier moet ik uit. Ik sta op en kijk niet meer achterom of de zwangere vrouw uiteindelijk toch plaatsneemt op mijn nog warme zitplaats. Zo snel als mogelijk, wring ik mij door de massa heen. Ik voel geïrriteerde blikken in mijn rug. Het deert mij niet. Ik zou hetzelfde doen denk ik. Op het moment dat ik uit wil stappen geven sommige mensen op het perron mij bijna geen gelegenheid om dit te doen. Sterker nog, ze duwen mij gewoon opzij. Dit getuigd niet van domheid, maar van gebrek aan beleefdheid. Ik hap naar frisse lucht als ik eenmaal op het perron staat. De rest van de dag heb ik geen behoefte meer aan menselijk contact en ga naar huis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s