Gothics

 

 

Op een open plek op de Hoge Veluwe woonden Trees en Johan in een vrijstaand huis. Hun buren woonden een halve kilometer van hun verwijderd. Het was een mooie groene omgeving. Afgelegen en rustig.

Op een avond in het najaar viel het Trees op, dat er sinds kort regelmatig een groep jongeren op hun fietsen hun huis voorbij reden. Ze droegen altijd zwarte kleding en hadden een vreemde haardracht.

Ze reden het pad op dat naar het bos leidde.

De vader van Trees was ooit boswachter. Nog voordat hij met pensioen ging nam Staatsbosbeheer een jongeman in dienst die Johan heette. Trees en Johan raakten met elkaar bevriend en trouwden na verloop van tijd met elkaar. Johan nam de baan van zijn schoonvader over.

Na het overlijden van haar vader bleef Trees en haar man in het huis wonen.

‘Kijk eens Johan? zei Trees, die zojuist de keuken wilde verlaten, daar gaan die jongelui weer op hun fietsen. Wat zien sommigen er toch griezelig uit. Naast hun kleding zijn hun haren en oogleden zwart.’

‘Ze gaan weer richting het bos’ zei Johan die over Trees haar schouder meekeek.

‘Ik vraag mij weleens af wat ze in het bos doen? zei Trees weer.

‘Ik kan niemand verbieden om het bos in te gaan, vrouw. Als dit nachtelijk avontuur nog lang gaat duren ga ik toch eens polshoogte nemen.’

‘Er rijden ook twee meisjes mee. Ik schat ze een jaar of zestien. Wat zien ze er uit. Het lijken net spoken.

De jongelui waren nu verdwenen. Trees en Johan gingen bijtijds naar bed.

Twee dagen later zag Johan per toeval weer twee groepen jongeren langs komen fietsen. Het leek wel of er steeds meer groepen meegingen. Nu was hij het zat.

‘Ik ben nieuwsgierig geworden Trees naar die jongelui! zei hij tijdens het avondeten. Ik ga eens kijken wat ze aan het doen zijn?

Snel at hij zijn gebraden haantje op met sperzieboontjes.

‘Neem onze hond Flip mee Johan?’

‘Nee, Trees dat doe ik nu niet. Stel je voor dat de hond aanslaat. Ik wil ze verrassen. Ik neem mijn verrekijker mee dan kan ik op een afstand zien wat ze aan het doen zijn. Mijn buks en zaklamp heb ik altijd bij mij, zoals je weet.’

Hij deed zijn groene jack aan. Het was oktober. Buiten was het fris. Hij liep over het zandpad het bos in. De geluiden die hij hoorde waren voor hem bekend. Voorzichtig scheen hij met zijn lantaarn op het pad. Hij kon niet voorkomen dat enkele afgevallen takken onder zijn laarzen kraakten. In het schemer leek het bos bijna spookachtig. Hij was niet bang.

Nadat Johan was vertrokken deed Trees de voordeur op slot. Johan had een sleutel bij zich wist ze en ging naar bed.

Na een half uur lopen hoorde hij plotseling een luid gejammer. Even stond hij stil. Het geluid was nog te ver weg. Weer hoorde hij het. Hij rilde in zijn jack.

‘Volgens mij komt het geluid vandaan bij een open plek in het bos’ mompelde hij.

Toen hij aan kwam lopen, verlichtte de maan de open plek. Hij pakte zijn verrekijker en deed zijn zaklamp uit. In een grote kring stonden de zwartgeklede jongelui. Het jammeren leek op een soort muziek, maar dan zonder woorden. Het klonk angstaanjagend. In het midden van de kring stond een jonge vrouw met in haar handen een brandende fakkel. Ze zwaaide er mee in de rondte. Eén voor een staken ze allemaal hun toorts aan met het vuur van de vrouw.

Opeens werd hij boos. Wat denken die jongelui wel. Vuur in het bos is levensgevaarlijk. Zijn ze nou helemaal zot geworden! Zo snel als hij kon liep hij naar de jongelui toe. Ze schrokken hevig toen ze hem zagen aankomen. Hij deed zijn zaklantaarn weer aan en richtte die op hun gezichten, waardoor ze bijna werden verblind.

‘Doe onmiddellijk het vuur uit. Ik slinger jullie allemaal op de bon. Stel je voor dat ik hier niet zou zijn. Er zou brand kunnen ontstaan, weten jullie dat wel?’

Zijn stem klonk als een echo.

Nadat ze allen hun toortsen hadden gedoofd was het opeens stikdonker. Johan deed zijn zaklamp aan.

‘Wat doen jullie hier eigenlijk? Een paar weken lang hebben mijn vrouw en ik jullie voorbij ons huis zien fietsen.’

Een kleine flinke jongen stapte naar voren uit de kring en zei: ‘Wij doen niemand kwaad hoor. Wij roepen alleen geesten op.’

‘Geesten oproepen, wat is dat voor flauwekul?  Kijk daar eens. Daar smeult een vuurtje. Zie je nou wat ik bedoel. Als jullie het bos hadden verlaten kon er brand uitbreken.’

Een lange jongen pakte een grote tak en probeerde het smeulende vuurtje te doven. Eindelijk lukte hem dat.

‘Pak jullie fietsen maar en loop met mij mee, zei hij op dwingende toon. De groep liep schoorvoetend achter hem aan.

Eenmaal bij de boswachterswoning aangekomen, zag Johan dat het intussen al middernacht was. Via zijn mobilofoon riep hij een collega op die zo dadelijk zijn dienst zou overnemen en vertelde hem wat er was gebeurd.

‘Ik kan onmogelijk de gegevens van deze jongeren in mijn eentje noteren. Wil jij mij hiermee helpen René?’

‘Natuurlijk Johan ik kom er meteen aan. Die nacht gingen de jongelui met een fikse boete naar huis.

‘Ze hielden er maar vreemde gewoontes op na René. Een van de jongens vertelde dat ze Gothics heette. Ze provoceren graag, heb ik gemerkt.

Johan nam afscheid van zijn collega en stapte zijn huis binnen. Bij het naar bed gaan zag hij dat Trees sliep als een roos. Het nachtelijke Gothic avontuur was voorbij. Nadien hadden ze geen Gothics meer gezien.

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s