KLUNEN

imagesCAJX6ODU‘Klunen’

Het vroor buiten dat het kraakte. De sloot naast het huis van Cees was dichtgevroren. Hij had vorstverlet en hoefde – zolang het buiten vroor – niet te werken in de bouw. De ‘hal’ zat in de grond. Hij had de schaatskoorts. Niets hield hem vandaag nog tegen, ook zijn lieve vrouw niet. Schaatsen op natuurijs, dat wilde hij.
Met zijn Noren in een tas ging hij – warm aangekleed – met zijn fiets op weg naar zijn geboortedorp. Het was een kilometer of zes rijden van zijn huis. Eenmaal aangekomen pakte hij uit een plastic tas van de plaatselijke supermarkt zijn schaatsen en legde de lege tas op het bevroren gras langs de oever van de vaart. Hij ging zitten en deed zijn schaatsen aan. Met zijn rug zat hij tegenover het vrijstaande ouderlijk huis, waar hij ooit woonde met zijn ouders, broers en zussen. Zijn ouders waren reeds overleden en de rest van de familie woonden verspreid over het Westland. Vandaag zou hij weer 150 km gaan schaatsen had hij zich voorgenomen. Het ijs was prachtig en spiegelglad zag hij. Vrijwel direct stapte hij op het ijs en hij schaatste weg met enkele bekende dorpsgenoten in zijn kielzog die hem langszij begroeten. Hij zwaaide terug. Hij zou de zogenaamde Westland route gaan rijden. Het was alweer een tijdje geleden dat hij had geschaatst. In de twee voorgaande jaren waren het slechte winters geweest met te weinig vorst. Het ijs was zo dun dat het gevaarlijk was om te gaan schaatsen.
De afgelopen twee weken was het ijskoud buiten er soms viel er wat lichte sneeuw. Dat laatste vond hij niet prettig. Door de poedersneeuw zag je de scheuren in het ijs niet zo goed, met als gevolg dat je zou kunnen vallen. Na ongeveer drie uur te hebben geschaatst en met een bijna volle stempelkaart op zak, zag hij aan de rechterkant van de vaart een koek en Zopie kraam staan. Op een bord stond geschreven: ‘erwtensoep met roggebrood’. Daar had hij wel trek in na zo´n lange tocht. Voor de kraam stond hij stil en hij rilde van de kou.
‘Hier, pak aan man! zei de verkoper, een lekkere kop soep met roggebrood en katenspek. Het speeksel kwam hem in de mond bij het ruiken van de heerlijke kop snert. Hij ging enigszins in de luwte staan naast de kraam. Een groepje schaatsers die ook bij de erwtensoepkraam waren gearriveerd, vroegen aan hem – nadat ze ook soep hadden gegeten – waar de laatste stempelpost was. Bij het eerstvolgende dorp zei hij en ze schaatsten weg. De soep had hem goed gedaan. Hij plaatste de kom op de houten tafel in de kraam en vervolgde zijn weg.
Na verloop van tijd begon het onverwachts te sneeuwen. In de verte zag hij nog net de contouren van een kerk van een dorp. De sneeuwvlokken belemmerde zijn uitzicht.
‘Die verdraaide sneeuw ook, mompelde hij geïrriteerd, nu moet ik extra opletten voor scheuren in het ijs. Hij was moe en beet op zijn tanden. Nog even doorschaatsen.’
Eindelijk was de laatste stempelpost in zicht, maar zag dat deze houten kiosk bovenaan de kade stond. Hij moest, net als alle anderen gaan klunen. Met zijn vermoeide lijf beklom hij de route naar boven, die was voorzien van kokosmatten. Eenmaal bij de stempelpost aangekomen kreeg hij zijn ‘kruisje’ van 150 km en de laatste stempel op zijn toerkaart. Ziezo, die heb ik binnen, mompelde hij. Het is alweer tijd om naar huis te gaan.
‘Gefeliciteerd man, zei de man van de stempelpost. De laatste afstand was zeker bar en boos geweest vanwege de sneeuw?’
Jazeker, antwoordde hij de man, vooral door de dwarrelende poedersneeuw. Ik zag bijna geen hand voor ogen.’
Al pratend draaide hij zich iets te snel om en liep met zijn vermoeide benen naar beneden weer terug naar de vaart. Plotseling bleef zijn rechterschaats steken in de kokosmat en viel hij voorover op het ijs. Hij slaakte een kreet en belandde op zijn buik, waardoor hij doorgleed.
Twee schaatsers die voorbij schaatsten zagen, moesten in eerste instantie lachen om het komische gezicht, maar hielpen hem vrijwel direct overeind. Met een met pijn vertrokken gezicht greep Cees meteen naar zijn enkel. Die is behoorlijk dik, dat ziet er niet zo best uit, zei één van de schaatsers, met rode krullen die vanonder zijn zwarte pet tevoorschijn kwamen, tegen hem.
‘Hoe heet je eigenlijk? vroeg de andere schaatser.’
‘Ik heet Cees en ben met schaatsen vertrokken vanuit mijn geboortedorp een paar kilometer hier vandaan. Ik ben met mijn fiets gekomen, die ik toevallig bij mijn ouderlijk huis heb neergezet. Alleen woont daar geen familie meer.’
‘Ik heet André en die rooie daar is Ben, grinnikte hij. Wij wonen hier in de buurt. Kom, wij brengen je wel naar de dichtstbijzijnde EHBO-post en voor wat betreft jouw fiets, daar vinden wij wel een oplossing voor.’
Met z’n tweeën brachten ze hem naar een verpleegkundige van de EHBO. Bij het zien van de vrouw, moest Cees in zichzelf lachen om de struise omvang van de verpleegkundige die ook nog een paar flinke handen had. Ze kon met gemak een bouwvakker in de houtgreep nemen. Hij was maar een mager mannetje, vergeleken bij deze flinke vrouw. Ze vroeg aan zijn helpers om plaats te nemen op een paar kunststof rode, stoelen in de behandelkamer en hielp hem zelf op een brancard.
Ondanks haar grove handen maakte ze voorzichtig de veters van zijn schaats los. ‘Nu moet je voet er nog uit zei ze.’
‘Au, au, gilde hij, wat doet dat verrekte zeer zeg.’
‘Ik zie dat je een kruisje in je handen hebt mijnheer, maar voorlopig zal dat het enige kruisje zijn. Je hebt je enkel verstuikt. Voorlopig mag je je voet niet gebruiken, laat staan gaan schaatsen.’
‘Ik kan nu onmogelijk terug naar huis met de fiets,’ zei hij hardop tegen de vrouw en hij keek met een vragend gezicht richting Ben en André.
‘Komt in orde Cees, wij brengen je naar huis en leggen je fiets in de auto. Je hebt geluk dat André een stationcar bij zich heeft, anders hadden wij je fiets moeten laten staan. Iemand zou de fiets in een later stadium moeten ophalen. Dat is nu niet nodig.’

Na de verpleegkundige te hebben bedankt zei hij tegen Ben en André: ‘Het is al laat. Mijn vrouw en dochter zijn vast ongerust. Ik laat haar even weten dat wij er aan komen en wat de reden is dat ik zo laat ben.’
Hij pakte zijn GSM uit zijn donkerblauwe jack, belde haar en vertelde haar zijn verhaal. Bij thuiskomst plaatste Ben de fiets tegen het ijzeren tuinhek en hielp samen met André, Cees uit de auto. Gerda en zijn dochter Lea stonden al voor het raam te wachten.
‘Een geluk bij een ongeluk dat je net daarvoor je kruisje hebt gehaald, zei Gerda tegen Cees toen ze met z’n allen de ruime hal inliepen van de woning. De mannen knikte en beaamden dit.
‘Willen jullie soms koffie?’ vroeg Gerda aan de mannen die haar Cees hadden thuisgebracht.
‘Dat gaat er wel in mevrouw, zei de praatgrage André.’
Even later bracht Gerda de koffie de woonkamer binnen en reikte Lea een schaal met plakjes cake aan. Bedankt voor jullie hulp, zei hij tegen Ben en André, nadat ze hun tweede kop koffie hadden genuttigd en afscheid namen.
‘Deze dag vergeet ik nooit meer jongens, een welverdiend kruisje, een dikke enkel en hulp uit onverwachte hoek.’
‘Zeker weten Cees, zei rooie Ben, zo snel hij kon, voordat André iets kon zeggen. ‘Het schaatsen en klunen kun je voorlopig wel vergeten.’
Even later zag Cees de mannen instappen in de stationcar van André en sloot Gerda de donkergroene voordeur.
Het bleek geen definitief afscheid te zijn. Jaren later zijn Ben, André en Cees onafscheidelijk. Vooral als de vorstperiode zich aankondigde.

Gemma van Etten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s