MIJN VERLOREN STRIJD IN DEN NEDERLANDEN

Hertog Alva

Vanuit mijn verblijf in mijn vaderland Spanje, kijk ik naar buiten en zie het dorre zanderige landschap met in de verte een rood getint gebergte. De zon staat hoog aan de strakblauwe hemel. Het is augustus 1577. Het jaargetijde doet mij denken aan die warme augustusmaand 1567 in Nederland, waar ik een aantal jaren verbleef op verzoek van mijn koning Filips II.

In die tijd vernam de koning, dat tijdens een Beeldenstorm in Nederland, de Protestanten, Katholieke eigendommen vernielden in kerken. Nu ik weer aan die periode denk, stijgt opeens het bloed naar mijn hoofd. Als Katholiek kan  ik dit niet accepteren. Het voorval van toen maakt mij nog steeds woest en met een harde klap met mijn vuist sla ik op een eikenhouten tafelblad in mijn kamer. Het hout kraakt. Er gutst wat wijn uit mijn kelk die op tafel staat en sijpelt langs de tafelrand op het plaveisel.

Koning Filips II gaf mij de titel “Gouverneur der Nederlanden” en gebood mij met onmiddellijke ingang te vertrekken naar dit voor mij onbekende oord, dat de Lage Landen werd genoemd. Ik moest daar orde op zaken stellen. Samen met mijn enige zoon Don Faderique, mijn adellijk gevolg en met 10.000 soldaten waaronder  wat vrijwilligers, kwamen wij op 22 augustus 1567 in Brussel aan.

Door mijn komst vertrok – na jaren Landvoogdes van Nederland te zijn geweest – Margaretha van Parma, met haar gevolg en haar zoon Alexander om terug te keren naar haar geboorteland Italië. Na haar vertrek kwam er op mijn advies een Gerechtshof der Beroerten, oftewel de Bloedraad. Daar werden ongeveer 8000 Protestante ketters veroordeeld en 1100 kregen er de doodstraf. Het ontgaat mij niet dat er een glimlach over mijn lippen komt. Het volk was woedend op mij en noemde mij “de IJzeren Hertog”, omdat er met mij niet te spotten viel.

Aan de strenge winters in Nederland heb ik nooit kunnen wennen. Hoe vaak heb ik het niet koud gehad in het door God verlaten land. Tot vandaag de dag heb ik pijnlijke gewrichten en voelen ze stram.

Wat koesterde ik toen het warme klimaat van mijn eigen vaderland Spanje.

Ik hef één van mijn armen omhoog, maak een vuist en schreeuw: ‘Caramba!’  Op  hetzelfde moment glijdt mijn maliënkolder van een van mijn schouders  af. Een vazal , aanwezig in mijn kamer, schiet mij te hulp.

Mijn herinneringen gaan ook terug naar de tijd van mijn prilste jeugd, waarbij mijn grootvader mij, na mijn geboorte , streng had opgevoed, omdat mijn vader jong was overleden. Een militaire opleiding hoorde daar ook bij.

‘Ik, Fernando Alvarez de Toledo, kom uit een adellijk geslacht’ roep ik hardop!’ Ik vocht al op jonge leeftijd tegen de Turken, de Fransen en Duitse protestanten in de slag bij Mühlberg. Veroveringen met een zege.’

In Nederland vocht mijn zoon Don Faderique samen met mij en met ons leger tegen de ketterij. Op een zekere dag had mijn zoon zich met zijn leger teruggetrokken uit Alkmaar, omdat die verdoemde Alkmaarse opstandelingen hun landerijen onder water hadden laten lopen, waardoor een deel van mijn leger verdronk. Spaanse schedels onder groen in die ongewijde grond. Toch hebben wij ook enkele overwinningen behaald, zoals in Mechelen, Zutphen en Naarden, door moord en plunderingen.

Geïrriteerd trek ik voor de tweede keer aan mijn maliënkolder die nu van mijn sterk vermagerde rug afglijdt en met veel gekletter op de afgesleten stenen vloer valt, ik zucht en ga zitten op een van trijp gemaakt rood kussen met kwasten in mijn eikenhouten stoel. De felle zon schijnt naar binnen en geeft wat licht in mijn duistere vertrek. Ik strijk door mijn grijze, vlassige, lange baard, laat  mijn hoofd rusten op de knokkels van mijn hand en denk terug aan het beleg van Haarlem. Na dit  beleg was  mijn heroveringspolitiek erg  afgezwakt.

Belastingen had ik ingevoerd om soldij aan mijn soldaten uit te betalen, maar deze opbrengsten werden steeds minder. Naast het volk moest toen ook de adel  belasting betalen. Een deel van de adel verloor hierdoor hun eigendommen. Uit woede vochten sommige mee met de watergeuzen die een zeeoorlog tegen mij voerden op 1 april 1572 in Den Briel. Dit werd een van de zwartste dagen uit mijn leven. De watergeuzen hadden mijn leger een genadeklap toegediend, waarna zij voet aan wal zetten in Holland, Zeeland en andere steden. Het was een verloren strijd geworden.

Vermoeidheid speelde mij toen, na vele jaren, parten. Ik diende mijn ontslag in aan Koning Filips II om weer terug te mogen keren naar Spanje.

Op 18 december 1573 verliet ik samen met mijn zoon en een deel van mijn manschappen het drassige en kille Nederland om er nooit meer terug te keren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s