GEKRAKEEL IN RENSLO

imagesCATI168YDe synopsis

De hoofdrolspeler Herman Dankers heeft een dilemma met twee vrouwen uit zijn dorp Renslo. Hij is verslaggever en heeft regelmatig te maken met Heleen van Dam die raadslid is voor Gemeente Belangen in de gemeente Aalten. Zij stuurt haar verhalen via email naar de Redactie van de Dorpskrant of heeft mondeling contact met Herman. Heleen maakt misbruik van haar mooie uiterlijk en speelt met de gevoelens van mannen; alleen bij Herman Dankers lukt dat niet zo, maar juist op hem is zij verliefd.

Hans Heskes, de eigenaar van Boekantiquariaat Heskes, is heimlijk verliefd op Heleen, maar komt erachter hoe Heleen daadwerkelijk is.

Heleen haar concurrent in de liefde voor Herman, blijkt haar beste vriendin Tineke de Rooij te zijn. Zij werkt als verkoopster in Modezaak Swinkels. Tineke woont als buurmeisje naast Herman en zij worden verliefd op elkaar en beloven elkaar trouw. Rond hun pubertijd vertrekt Herman tijdelijk voor twee maanden naar Zuid-Afrika en door een onverwachte dramatische gebeurtenis vervreemden ze van elkaar en komt hun liefde op een laag pitje te staan.

Tijdens een interview ontmoet Herman kunstschilder Teus. Hij woont op een woonboot aan de Kleine Gracht. Door zijn ziekte verkoopt hij zijn woonboot aan Herman, die al die tijd bij zijn moeder woont en naast zijn jeugdliefde en buurmeisje Tineke. Jules Beekman een beleggingsexpert in Renslo en tevens vriend van Herman, helpt Herman met de verbouwing van de woonboot. Herman geeft een ‘open huis party’ en nodigt zijn moeder en een paar vrienden uit, waarbij ook Heleen en Tineke van de partij zijn.

In de jaren na de terugkomst van Herman uit Zuid Afrika, wil Tineke met Herman praten over de tragische gebeurtenis die toen had plaatsgevonden voor zijn vertrek, maar Herman gaat er niet direct op in.

Tijdens een weekend verlof ontmoet Herman in de kustplaats Scheveningen Cinthia van der Steen. Hij valt op het meisje. Tijdens een uitje naar Madurodam geeft zij hem een goede raad en vertrekt zij naar Canada.

Door teveel herinneringen aan haar ouderlijk huis, dat deels te maken heeft met Herman, vertrekt Tineke naar een nieuwe woning en gaat wonen in de buurt van haar goede vriendin Heleen. De dames komen met elkaar in conflict als Tineke ongeveer gelijktijdig met Heleen een bezoek brengen aan Herman en Heleen er achter komt dat Herman en Tineke romantische gevoelens voor elkaar hebben, met als gevolg dat Heleen de vriendschapsbanden verbreekt met Tineke en zich even terugtrekt uit de samenleving.

Alles komt weer ten goede als Herman en Tineke een gesprek aangaan met Heleen en zij tot de conclusie komt dat vriendschap belangrijk is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Gekrakeel in Renslo’

Over de reling van mijn groene woonboot keek ik in het spiegelende water, trok ‘rare’ grimassen en moest lachen. ‘Waarom vonden vrouwen mij toch zo aantrekkelijk?, zij zouden mijn gezicht nu eens moeten zien, mompelde ik.

Vanmorgen zat ik in de deuropening met mijn laptop op schoot, maar kreeg geen tekst meer op mijn scherm, omdat ik mij niet meer kon concentreren. Ik moest denken aan die middag in Februari, nu vier maanden geleden, toen ik haar had ontmoet op het gemeentehuis van Aalten, tijdens een interview over een komend jaarfeest.

Een kwartier voor aanvang, zat ik in de vergaderzaal te wachten onder het genot van een kop zwarte koffie, toen opeens de deur open ging en er een lange, slanke, vrouw naar binnen kwam met kort, blond, haar. Ze droeg een strakke, grijze, kokerrok. Haar grijs, gestreepte, bloes zat strak over haar volle borsten, waar elk moment een knoopje vanaf kon springen. Zij gaf mij een ferme hand en zei: ‘mijn naam is Heleen van Dam, raadslid Gemeente Belangen van de gemeente Aalten’. Ik stelde mij voor als Herman Dankers, verslaggever. Ze nam naast mij plaats op een grijs leren stoel, waarvan het gemeentelogo op de rugleuning enigszins was uitgewist. Haar vlotte babbel inspireerde mij, maar ik moest haar soms corrigeren om haar verhaal wat kort te houden.

Met een schuine blik observeerde ik haar. Ze was een knappe verschijning met een fijn gezicht en slank van postuur. Ze zag er verzorgd en sexie uit. Hoe anders was ik zelf. Tijdens publieke aangelegenheden was ik netjes gekleed, maar privé leefde ik wat nonchalanter. Mijn woonboot stond vol met Afrikaans houtsnijwerk, meegenomen uit Zuid-Afrika. Ook lagen er her en der krantenknipsels, tijdschriften en lag het wasgoed soms dagen op een strijkplank om gestreken te worden. Als verslaggever van De Dorpskrant was ik aanwezig op kantoor, maar ook in het dorp en in de regio om verslag te leggen over gebeurtenissen, die dan vervolgens in De Dorpskrant werden gepubliceerd.

Opeens tikte ze met haar rood gelakte nagels op de mahoniehouten vergadertafel, en zei:

‘blijft u even bij de les, mijnheer Dankers, want u hebt het laatste gedeelte van mijn verhaal nog niet opgeschreven, zie ik?’.

‘Sorry juffrouw van Dam, ik was even in gedachten! Wilt u de zin nog even herhalen?’. U mag mij ook met mijn voornaam aanspreken hoor, als u dat wilt? Ik wilde u vertellen: ‘dat er een jaarfeest georganiseerd zou worden op 6 september, vanaf 12.00 uur in een grote tent op het Dorpsplein, met een braderie, entertainment voor de jeugd, kermis en muziek van een dweilorkest. Als afsluiting zal er een spetterend vuurwerk plaatsvinden aan De Plas.

‘Wilt u dit bericht publiceren in De Dorpskrant, vroeg ze? ‘Natuurlijk Heleen, maar dan in een beknopte versie!.

Ik nam een laatste slok van mijn, inmiddels koud geworden, zwarte, koffie en wilde opstaan.

‘Weet u, zei ze opeens, dat uw lichtblauwe stropdas mooi staat bij uw donkerblauwe blazer!’.

Enigszins verrast, stamelde ik: ‘Dank u wel!’

Opeens rees ze uit haar stoel, bedankte mij voor het interview en liep naar de deur die net op dat moment openging. Ze hield, met haar zwarte aktetas in haar hand, onhandig de deur open, voor een ‘mollige’ koffiejuffrouw die haar koffiekar vooruit duwde, alsof ze aan het einde van haar latijn was. De ‘arme’ vrouw hield nu voor mij de deur open, waaruit zojuist Heleen van Dam was vertrokken. Als dank gaf ik haar een ‘korte knik’ en versnelde mijn pas richting de marmeren trap die leidde naar de uitgang van het gemeentehuis. Ik had die middag nog een andere afspraak.

Opgeschrikt door lawaai op mijn dak van mijn woonboot, kwam ik weer bij mij positieven. Ik ging rechtop staan, draaide mij om en leunde met mijn rug tegen de reling. Ik keek naar boven richting mijn dak, hoorde een lawaai van jewelste en zag dat twee eksters een kraai belaagde. De arme vogel wist zich geen raad, omdat hij niet kon wegvliegen. Beiden blokkeerde de kraai op zijn vlucht naar de vrijheid. Ik kon het niet langer aanzien, klapte in mijn handen, dat klonk als een echo over het water en ze vlogen afzonderlijk weg.

Ik stapte mijn woonboot in en voelde dat ik trek had in eten. Een restant bami goreng pakte ik uit de koelkast, deed het op een drievaksschaal, zetten het in de magnetron en bakte een gebakken ei in een koekenpan. Het was zaterdagavond en tijd om mijn favoriete stamcafé weer eens te bezoeken.

De bel van de magnetron deed mij opeens beseffen dat mijn eten klaar was. Uit de keukenla pakte ik het bestek en een plastic placemat, met een onooglijk ‘Delfts Blauw’ tafereel, ooit gekregen van een goede kennis, ging zitten aan mijn witte houten tafel en at met smaak mijn bami goreng op. Even later deed ik het serviesgoed in de vaatwasser, pakte mijn denim jack, bos sleutels en liep naar mijn achterdek waar mijn fiets stond. Mijn Renault Twingo gebruikte ik nu niet, want daar reed ik de hele week al mee en de benzine was de laatste tijd behoorlijk aan de prijs.

Met een zwaai zetten ik mijn fiets op de brede loopplank en liep over het gras richting het fietspad op weg naar de Klinkweg waar café ‘De Blauwe Ruiter’ stond. Het was een half uur fietsen. Voorbij De Plas doemde wat landschapselementen op en kwam een klein bos in zicht. Even genoot ik van het landschap, maar snel dwaalde mijn gedachten af en dacht opeens aan mijn moeder. Na jaren als vrijgezel bij haar gewoond te hebben aan de Klinkweg nummer 5, kreeg ik op zekere dag geheel onverwachts een aanbod om een woonboot te kopen van mijn vriend Teus. Hij was een kunstschilder van vijfenzestig jaar en schilderde hoofdzakelijk landschappen. Ooit ontmoette ik hem tijdens een tentoonstelling van zijn werk in het gemeentehuis van Aalten. Na het interview nodigde hij mij uit om hem eens te bezoeken op zijn woonboot aan de Korte Gracht, een watertje dat uitkwam op De Plas. Onze ontmoetingen werden intensiever en hij werd mijn beste vriend. Ook was hij voor mij als een vader, omdat mijn eigen vader, na een kort ziekbed, was overleden. Ik was toen zeventien jaar oud. Samen met mijn moeder bleef ik achter in ons huis dat uitkeek op het Dorpsplein in het centrum van Renslo. Ik kwam graag aan De Plas, waar ik genoot van de natuur, de stilte en het water.

Op een zekere dag, belde Teus mij op voor een bezoek aan hem en hij vertelde mij, dat hij ging sukkelen met zijn gezondheid, last had van bronchitis en diabetes. Ook lieten zijn gewrichten het langzamerhand afweten, waardoor hij slechter ging lopen.

En passant vroeg hij aan mij: ‘hoe zou je het vinden Herman, om mijn woonboot te kopen?, je woont al jaren bij je moeder, zou het niet leuk zijn om eens op je zelf te gaan wonen?’

Enigszins verbaasd keek ik hem aan en vroeg: ‘ga je dan verhuizen Teus?’.

‘Uit noodzaak Herman!, mijn kwalen worden erger. Daarom heb ik besloten om naar een verzorgingstehuis te gaan in Winterswijk.’ Even viel er tussen ons een stilte.

‘Eerlijk gezegd, is het aanbod erg aantrekkelijk, maar als ik besluit om het te doen, zal ik mijn moeder en jou wel missen. Vanmiddag zal ik het met haar bespreken Teus!’

‘Ik begrijp dat mijn aanbod als een verrassing komt!’

‘Dat kun je wel zeggen Teus!’

‘Het vertrek van mijn woonboot gaat mij wel aan mijn hart, maar ik hoop dat wij nog steeds contact met elkaar blijven houden als ik weg ben?’

‘Natuurlijk Teus, want ik kan je, net als mijn moeder, niet missen. Je hoort spoedig van mij voordat je vertrekt naar Winterswijk.’

Die middag besprak ik het met mijn moeder en zij reageerde enthousiast. ‘Je bent nu al tweeëndertig jaar en het wordt nu eens tijd dat je op eigen benen leert staan, zei ze. Ik ben nog goed ter been en als je zo af en toe een oogje in het zeil wil houden, dan ben ik al blij?’.

‘Dat doe ik moeder, zei ik!’.

Tijdens ons gesprek observeerde ik haar en zag een ‘kwieke’ vrouw, die na het overlijden van vader zich snel had aangepast aan de situatie. Haar gezondheid was goed. Ze was zevenenzeventig jaar en nog goed ter been. Alles deed ze nog in het huishouden, alleen boodschappen niet, dat deden wij samen bij de buurtsuper en soms reden wij met mijn auto naar een dichtst bijzijnde stad als ze iets speciaals moest hebben wat in het dorp niet te koop was. Wel kocht ze haar kleding bij Modezaak Swinkels in het dorp en bij Dames- en Herenkapper ‘De Perfecte Knip’, was zij vaste klant.

Mijn moeder had gevoel van humor en soms moest ik om haar lachen, net als die keer toen ik thuis kwam van mijn werk en zag dat ze vaders geruite pantoffels aan had, die voor haar te groot waren, waarop ik aan haar vroeg: ‘waarom doet u vaders pantoffels aan, die zijn toch veel te groot!’.

‘Ach, jongen, als ik ze draag dan heb ik het gevoel dat vader nog dichtbij mij is!’, waarop ik moest glimlachen. En zo liep ze voortaan op haar spillenbenen door het huis met haar te grote pantoffels.

In de verte zag ik het begin van de Klinkweg opdoemen en was ik bijna bij mijn stamcafé. Wat later plaatste ik mijn fiets tegen de gevel. Terloops keek ik naar binnen en zag dat er al veel bezoekers waren.

Een kale man stond onhandig dichtbij de ingang van het café en toen ik hem wilde passeren, pakte hij mij opeens bij een van mijn schouders, waarop ik tegen hem zei: ‘wat doet u nou mijnheer?’, maar zag al gauw dat hij wankel op zijn benen stond. Zonder verder commentaar te geven, stapte ik naar binnen en liep regelrecht naar de eigenaar Bert Timmermans,  die een animerend gesprek had met een rondborstige klant aan de bar. Haar haren waren zo hoog getoupeerd, dat een koolmees er gemakkelijk een nest in kon bouwen. En passant keek hij nog even in het lage decolleté van de dame.

‘Hallo Bert, heb je even?, vroeg ik wat ongeduldig aan hem. Ik zou graag een glas vieux willen drinken, kan dat?’.

‘Dag Herman, jij hier! ik heb je al twee weken niet gezien, man?’

‘Dat kan wel kloppen Bert, want momenteel heb ik het druk met de werkzaamheden, want je weet dat ik als verslaggever bovenop het nieuws moet zitten.’

‘Dat is waar Herman, zo heeft iedereen zijn eigen bezigheden en hij streek door zijn donkerblonde krullen en keek weer richting het ‘nest’. Hij schonk een vieux in en zetten deze voor mij neer op de bar.

‘Alsjeblieft Herman, geniet er maar van! en hij liep weg naar een andere klant die om een pils vroeg.

‘Tja, die Bert was een levensgenieter en hij hield wel van de ‘vrouwtjes’, daar stond hij hier in het dorp wel om bekend, dacht ik bij mijzelf.

Naast mij op een eiken houten kruk zat een corpulente man met een rood, geruit, houthakkershemd aan. Zijn billen hingen aan weerszijde over de kruk en ik rook een penetrante lichaamsgeur, waarschijnlijk van het hemd dat misschien in weken niet was gewassen. Ik werd er onpasselijk van, stond op van mijn kruk en begon bijna te kokhalzen. Snel liep ik langs twee pokertafels op zoek naar een andere zitplaats, toen ik in een hoek van het café mijn klusmaatje Jules Beekman zag zitten, die blijkbaar in gedachten zat en richting een glas- en loodraam keek.

‘Goedenavond Jules, wat zit je in gedachten?’

‘Dat is een verrassing Herman,jij hier!, neem plaats?’ Ik keek naar een beeltenis van een timmerman uit vroeger tijden, die in het glas- en loodraam is gemaakt, kijk maar?’

Ik zag inderdaad een beeltenis van een timmerman met zijn gereedschap in zijn handen.

‘Dat vak had ik zo graag willen uitoefenen, maar op aanraden van mijn ouders ging ik studeren voor accountant. Zoals je weet heb ik nu, na jaren, mijn kantoor twee jaar geleden verkocht en ben ik nu een Beleggingsexpert, maar mijn interesse voor het timmervak heb ik nog steeds!.

‘Ja dat weet ik Jules, viel ik hem in de rede, jij hebt mij zo goed geholpen met een kleine verbouwing op mijn woonboot, waar ik je nog steeds dankbaar voor ben en omdat je mij zo goed hebt geholpen, wil ik je volgende week vrijdag uitnodigen om op mijn ‘open huis’ het glas te heffen?’ ‘Lijkt je dat wat?, het feest begint om 20.00 uur!´

‘Natuurlijk kom ik Herman, mits je whisky schenkt en hij gaf mij een knipoog.’

‘Oké, dat is dan afgesproken en nog een fijne avond Jules, want ik zie nog een paar bekenden zitten die ik wil uitnodigen  en ik liep weg.’

Aan een ronde eiken tafel met een boerenbontkleedje, zaten Heleen van Dam, die ik van haar geen ‘juffrouw’ meer mocht noemen, mijn buurmeisje Tineke de Rooij en Hans Heskes. Ze waren heftig met elkaar in discussie. Opeens zag Tineke mij aan komen lopen en ze zwaaide naar mij en ik zwaaide terug. Zij was mijn jeugdliefde en diep in mijn hart hield ik nog van haar, maar helaas had zij mij jaren geleden teleurgesteld in de liefde.

‘Wie hebben wij daar!, zei Hans die mij ook in het vizier kreeg, daar heb je Herman!’

‘Mag ik erbij komen zitten, vroeg ik?’

‘Zullen wij dat toelaten dames, vroeg Hans gekscherend en gaf Tineke een knipoog?’

‘Nou voor deze keer dan Herman, zeiden de dames in koor!’

‘Nou, nou, wat een ‘pret’ mensen! en ik schoof de stoel van onder de tafel naar achteren en nam plaats op een eiken houten stoel met biezen matting.

Heleen stak gelijk van wal en vroeg: ‘wanneer is de kopij klaar van mijn tekst over het jaarfeest, Herman?’

‘Waarschijnlijk morgen Heleen, nog even geduld, want er moet nog een foto bij de tekst worden geplaatst.’

Het lag op haar lippen om nog iets te zeggen zag ik, maar ik was haar voor en vroeg aan Hans Heskes of de zaken goed gingen in zijn Boekantiquariaat?’

‘De laatste tijd heb ik weer wat ‘juweeltjes’ ingekocht Herman, kom eens kijken, want misschien is er wel iets voor je bij?’ Net voordat jij bij ons aan tafel kwam zitten, hadden wij het over de ‘hangjongeren’, die vooral in de weekenden het Dorpsplein onveilig maken. Ze gooien veel afval naast de afvalbakken, zijn rumoerig en soms baldadig!’

‘Kun jij dat probleem eens bespreken in de gemeenteraad Heleen?’

‘Wij weten van het probleem af Hans en de reden is, denken wij, de tijdelijke sluiting van het buurtcentrum ‘Kom Op’, jullie wel bekend. Er is asbest gevonden in het oude gebouw en dat moet worden verwijderd. Als raadslid van Gemeente Belangen neem ik al het voortouw en zit ik er bovenop.’

‘Dat kan wel zijn Heleen, maar nu zoekt de jeugd hun heil ergens anders en vooral op het Dorpsplein. Hopelijk is de kwestie gauw opgelost, want zo kan het niet langer, zei hij weer!´

‘Moet ik er nog iets over schrijven Hans, vroeg ik?’

‘Nee Herman, dat hoeft niet, want er is al zoveel over geschreven de laatste tijd,antwoordde Heleen!’

‘Waar ik eigenlijk voor kom is, dat ik jullie wil uitnodigen volgende week vrijdag voor een ‘open huis’ bij mij thuis, vanaf 20.00 uur aan de Kleine Gracht bij De Plas. Daar ligt mijn woonboot?’

‘Dat lijkt mij leuk, vindt je niet Tineke?’

‘Jazeker! ik ben van de partij!’

‘Ik kan niet komen vanwege de sluitingstijd van mijn boekhandel, want vrijdagavond ben ik altijd tot 21.00 uur open. Voordat ik dan klaar ben, is het te laat om te komen. Maar alsnog bedankt voor je uitnodiging Herman!’

‘Zullen wij nog een drankje bestellen, vroeg Tineke aan ons en ze stond op?’

‘Blijf maar zitten Tineke, ik betaal de drankjes wel, zei Hans en hij stond op en liep naar de bar.

‘Vind je het niet eenzaam zo alleen op die woonboot, vroeg Tineke aan mij? Je hebt namelijk jaren naast mij gewoond midden in het centrum tegenover het Dorpsplein. Ik zie je wel vaak op bezoek komen bij je moeder, maar ik zou het weer eens leuk vinden als je mij een bezoekje brengt, want dat is, na je reis naar Zuid Afrika, niet meer gebeurd. Je weet de Klinkweg toch nog wel te vinden hoop ik?’

‘Je weet wat er in die tijd vóór mijn vertrek is gebeurd Tineke, maar laten wij het daar maar bij laten?

‘Nou dat vind ik eigenlijk niet Herman, ik zou graag eens met je om de tafel willen zitten om het voorval van toen eens met je te bespreken?’

‘Helaas heb ik niet zoveel tijd Tineke en heb ik het te druk met mijn werk!’

Na de drankjes die Hans had gehaald viel er opeens een stilte en voelde ik mij op een zeker moment niet meer op mijn gemak. Opeens stond ik op stond en zei: ‘Oké mensen, zonder tegenbericht zie ik jullie die vrijdag, maar bel mij bijtijds op als je verhinderd bent en ik liep naar de uitgang van het café.’

Bij het naar buiten gaan keek ik naar de overzijde van het Dorpsplein, richting mijn ouderlijk huis en zag dat de rode, fluwelen, overgordijnen al waren gesloten. Moeder lag te slapen. Ik keek op mijn horloge, zag dat het rond middernacht was en reed even later rechtsaf de Klinkweg op richting huis.

In het donker reed ik door het grillige landschap en moest onderweg denken aan de woorden van Tineke. Ik wilde niet bij haar op bezoek gaan omdat ik bang was voor een confrontatie met haar over wat in het verleden was gebeurd. In de wandelgangen zag ik haar weleens lopen, maar als wij elkaar even spraken, was dat vaak een oppervlakkig gesprek. Het zat mij, na jaren, nog steeds dwars dat ik haar op die bewuste dag van mijn vertrek naar Zuid Afrika in omhelzing zag met Johan, de neef van Gerda Ruiters van familiehotel Ruiters. Even daarvoor stond ik bij haar voordeur en trof haar niet thuis. Ik wilde tijdelijk afscheid van haar nemen, want ik bleef twee maanden weg. Toen ik haar niet thuis trof, fietste ik langs Modezaak Swinkels waar ze werkte, maar door de etalage zag ik dat ze daar ook niet was. Dan maar doorrijden naar familiehotel Ruiters, want de eigenaren Jan en Gerda moesten mij ook een tijdje missen, want iedere ochtend gebruikte ik hier mijn ontbijt en lag een landelijk dagblad al voor mij klaar, voordat ik als stagiair naar het kantoor van De Dorpskrant ging. Enigszins teleurgesteld, omdat ik Tineke niet kon bereiken, kwam ik aan bij het hotel, parkeerde mijn fiets en liep het stenen trapje op naar binnen. Achter de receptie stond Gerda en ze zag mij binnenkomen.

‘Hallo Herman, wat mag het zijn, vroeg ze?’

‘Zo dadelijk een kop zwarte koffie Gerda, daar ben ik wel aan toe, maar eerst wil ik voorlopig afscheid nemen van u en Jan omdat ik voor twee maanden vertrek naar Mali in Zuid Afrika om te gaan helpen, samen met een internationale groep jongeren, met de bouw van een weeshuis voor kansarme kinderen. Via een advertentie heb ik mij ingeschreven bij een Nederlandse stichting die werkzaam is in dat land. Mijn stage is nu afgelopen bij De Dorpskrant en na deze reis ga ik daar definitief werken als verslaggever.

‘Mooi werk Herman en gefeliciteerd met je nieuwe baan! Jan is er momenteel niet, maar ik zal hem de groeten van je doen.’

‘Dank je Gerda!’

‘Zo dadelijk breng ik je de zwarte koffie, neem maar plaats op je vertrouwde plek in het restaurant!’

Voorbij de receptie liep ik het restaurant naar binnen, zag dat er al wat gasten waren en ging zitten aan mijn tafel. Dit zal ik de komende tijd wel gaan missen, bedacht ik mij opeens. Het interieur was smaakvol ingericht vond ik. Op de vloer van het restaurant lag een rood tapijt en in het midden stonden zwarte ronde tafels, mooi gedekt met wit damast, wit serviesgoed, kristallen glazen en zilver bestek. Langs de hoge ramen stonden zwarte vierkante tafels. Alle stoelen in het restaurant waren van zwart hout met rode stoffen bekleding. Half openstaande vitrage hing voor de ramen en in het midden van het restaurant prijkte een grote kristallen lamp. In een hoek stonden twee grote zwarte loungebanken met diverse gekleurde kussens, rondom een schouw van zwart marmer, met daarop twee hoge schemerlampen. Het geheel oogde erg chique. Ook was er een buffet zonder barkrukken. Gerda bracht de koffie binnen en liep weer richting de receptie. Tijdens het drinken van mijn koffie, zag ik achterin de hal twee mensen staan. Ik keek nog eens goed en zag tot mijn verbazing Tineke staan praten met Johan, de neef van Gerda. Ik kende Johan wel, hij was van mijn leeftijd. Ooit had hij mij verteld dat hij drie dagen in de week huisdieren verzorgde bij een dierentehuis in de regio en dat hij de rest van de week meehielp met hand- en spandiensten in het hotel van zijn tante. Ik wilde opstaan om naar Tineke te lopen, maar op hetzelfde moment trok Johan opeens Tineke naar zich toe, sloeg zijn armen om haar heen en Tineke legde haar hoofd op zijn schouder. Met zijn hand wreef hij door haar kastanje bruine haar. Wat was er aan de hand, vroeg ik mij af? Door de afstand kon ik het gezicht van Tineke niet zien, want ze stond met haar rug naar mij toe. Omdat ik plotseling opstond, zag ik, dat Johan mij had gezien. Hij stak zijn hand omhoog naar mij, maar ik had genoeg gezien en maakte aanstalten om weg te lopen naar de uitgang van het hotel.’

Op het moment dat ik die twee in omhelzing zag, kreeg ik opeens een jaloers gevoel en in plaats van naar hun toe te lopen, stond ik op en liep weg. Er speelde van alles door mijn hoofd. Waarom omhelsde hij haar? Ging ze vreemd? Hoelang kende ze elkaar? Opeens hoorde ik Tineke roepen: ‘Herman, het is niet wat het lijkt!’, maar zonder nog om te kijken, versnelde ik mijn pas en liet Tineke staan zonder maar iets tegen haar te zeggen. Bij het naar buiten gaan verstomde haar stem en met tranen in mijn ogen hapte ik naar frisse lucht. Zonder haar die dag nog te zien, vertrok ik de volgende ochtend naar Zuid-Afrika. Onderweg hoorde ik de telefoon rinkelen, maar ik nam niet op.

Ik was nu twintig minuten van mijn stamcafé verwijderd   en reed opeens over een paar kleine takjes heen die op het bospad lagen. Door mijn snelheid slipte ik en viel van mijn fiets. Ik krabbelde overeind, klopte mijn kleding af en zag een paar kleine schrammen op mijn knie. Ik keek omhoog en zag een grote boom staan die ik nog net had ontweken. Zijn knoestige takken hingen naar beneden. Het leek wel een spookachtig tafereel. In een wat rustiger tempo reed ik door naar huis en zag in de verte mijn woonboot al liggen en dacht opeens aan Teus. Wel verdorie mompelde ik, in alle consternatie was ik hem bijna vergeten uit te nodigen voor mijn ‘open huis’. Na een bezoek aan mijn moeder morgen, zal ik hem  opbellen bedacht ik mij ineens. Even later plaatste ik mijn fiets op het dek van mijn woonboot, stapte naar binnen en na een warme douche ging ik naar bed en viel vrij direct in slaap.

De volgende ochtend belde ik meteen Teus op om hem uit te nodigen voor het ‘open huis’.

‘En hoe bevalt de woonboot Herman? vroeg Teus’.

‘Fantastisch Teus, als je komt zul je zien hoe de boot is ingericht en er heeft ook een kleine verbouwing plaatsgevonden. Ik heb er een kleine kamer bijgebouwd. Ik zou het leuk vinden als je volgende week vrijdag komt op mijn ‘open huis’, want je bent mijn speciale gast. Het feest begint om 20.00 uur!’

‘Ik zal er zijn Herman en kom met mijn Volkswagen! Hij hing op.’

Net voordat ik weer wilde opstaan van mijn eetkamerstoel, ging opnieuw de telefoon en ik dacht: ‘Teus is zeker nog iets vergeten? Ik nam mijn telefoon op en zei:

‘Hallo met Herman Dankers, met wie spreek ik?’

‘U spreekt met Cor Zwart van het Bezoekerscentrum van Kinderboerderij ‘De Bezige Bij’ in Aalten. Kunt u vanmiddag langskomen om verslag te leggen over een brand die is gesticht door vandalen in een van onze schuren? Een gedeelte van het rieten dak is afgebrand en er zijn vijf schapen dood door verstikking. Gelukkig waren de andere boerderijdieren in een andere schuur geplaatst en de brandweer was gelukkig snel ter plaatse!’

‘Wat een tragisch verhaal, mijnheer Zwart!, ik kom rond 13.30 uur bij u langs en dan bekijk ik de situatie. Ik maak dan een verslag voor in De Dorpskrant.’

‘Akkoord mijnheer Dankers, ik zie u dan graag vanmiddag?’

‘Het is te hopen, mompelde ik, toen de man de telefoon had opgehangen, dat de vandalen snel zouden worden opgepakt!’

Ik pakte mijn laptop, deed een zwarte blazer aan die keurig stond op mijn denim zwarte broek en keek in een ovale spiegel, die scheef in zijn plastic frame hing. Nou die heeft zijn beste tijd gehad, glimlachte ik. Het wordt tijd om eens een nieuwe spiegel te kopen! Mijn kraag van mijn groene poloshirt deed ik over de kraag van mijn blazer. Met mijn kam, kamde ik mijn nog vochtige donkerblonde haar, waarna een krul op mijn voorhoofd viel. Ik keek terloops op mijn horloge. Er was nu geen tijd te verliezen en de afspraak was om naar moeder te gaan. Na het sluiten van mijn voordeur stapte ik in mijn Renault Twingo en reed naar mijn ouderlijk huis en vertelde mijn moeder wat ik zojuist door de telefoon had gehoord. Net als ik vond ze het een tragisch verhaal.’

‘De dieren zijn vaak de dupe van zo’n onbezonnen daad, zei ze. Het gaat de gemeente weer een hoop geld kosten!’

Mijn ouderlijk huis voelde weer aan als vanouds en moeder vroeg aan mij om nog gezamenlijk met haar te gaan lunchen.

‘Zal ik een hard gekookt ei voor je maken met wat toast en zwarte koffie Herman?’

‘Graag moeder?’

‘Ik kom u vrijdag halen voor het ‘open huis’ bij mij thuis; Teus mijn goede vriend komt ook. Ik moet nu weg, want vanmiddag moet ik bij het Bezoekerscentrum in Aalten zijn.’ Ik gaf haar een kus en verdween door de voordeur naar buiten. Net voordat ik in mijn auto stapte stond ze voor het raam en ik zwaaide naar haar.’

Op het gemeentehuis in Aalten stond Heleen voor het raam van haar werkkamer. De zon scheen naar binnen en ze liet het rolgordijn tot halverwege het raam zakken, ging zitten en pakte uit haar aktetas haar agenda. Volgende week vrijdag was het ‘open huis’ bij Herman Dankers, las ze. Drie avonden per week zat ze als raadslid voor Gemeente Belangen op het gemeentehuis, maar van haar beroep was ze eigenlijk een ‘mental coach’ met een praktijk aan huis. Op weg naar haar villa aan de rand van het dorp, reed ze altijd langs de woonboot van Herman Dankers. Sinds kort woonde hij daar. Tijdens de verbouwing zag ze regelmatig in de weekenden Jules Beekman klussen bij hem. Herman kende haar rode Toyota wel, want hij stak altijd zijn hand op als ze weer eens voorbij reed. Ze kende hem alweer een tijdje als verslaggever bij De Dorpskrant en kwam één keer per week op bezoek om een door haar geschreven column of een verslag van een gebeurtenis af te geven voor publicatie. Vaak ging het over de perikelen van het dorp Renslo en de bewoners. Hij was altijd vriendelijk en voorkomend tegen haar. Ze vond dat hij een onschuldig uiterlijk had, zag er vlot uit en had donkerblond haar. De dorpsgenoten namen hem snel in vertrouwen had ze gemerkt en als verslaggever had dat best wel zijn voordelen. Sinds enige tijd was ze hevig verliefd op hem en ging haar hart tekeer als ze hem weer eens zag. Eigenlijk wist ze niets van hem, alleen dat hij al jaren vrijgezel was net als zij. Ooit had ze aan haar beste vriendin Tineke de Rooij gevraagd of hij een relatie had, maar zij wist dat niet. Wel vertelde ze dat ze als buurkinderen samen met hem opgroeide en speelde.

Ze had gehoord, dat na het vertrek van Tineke haar ouders naar een verzorgingstehuis in Winterswijk, zij in het ouderlijk huis mocht blijven wonen. Wij werden vriendinnen omdat ik regelmatig kleding kocht in Modezaak Swinkels waar ze als verkoopster werkte. Zij gaf mij altijd een goed kledingadvies en het klikte meteen tussen ons. Ze was kritisch van aard. Tineke was net als ik vrijgezel en wij gingen vaak in de weekenden samen op stap in het dorp of in de regio. Ze was een spontane meid die, ondanks ze wat mollig was, zichzelf goed wist te kleden. Toch merkte ze al snel dat de mannen sneller oog contact maakten naar mij toe dan naar haar, maar Tineke was van nature niet jaloers. Ondanks alles waren wij nog steeds vrijgezel. Van mijzelf wist ik dat ik snel verliefd werd op mannen en zag verliefdheid als een spel, vooral als mannen afstandelijk waren, maar zodra het te serieus werd met een man, liet ik hem vallen als een ‘baksteen.’ Dat was een slechte karaktereigenschap van mij, maar ik had een ontembaar jachtinstinct. Tineke daarentegen was meer het serieuze type en wilde ook graag een relatie, maar ondernam zelf niet zoveel. Ze had als motto: ‘als de tijd daar is komt er wel iemand op mijn pad!, maar langzamerhand besefte ze nu zij ouder werd en een kans op een relatie kleiner werd en dat gold ook voor mij. Ooit had ze tegen mij gezegd: ‘Heleen, je bent een mannen verslindster, vroeg of laat krijg je de deksel op je neus!’. Ik nam het niet in dank af, maar diep in mijn hart wist ik dat ze gelijk had. Maar het verliefde gevoel voor Herman voelde nu anders dan bij die andere mannen uit het verleden, maar hij bleek onbereikbaar voor mij en ik voelde dat hij op gepaste afstand van mij bleef, waardoor ik allerlei capriolen begon uit te halen om zijn aandacht te trekken. Tot nu toe waren mijn pogingen tevergeefs geweest. Steeds was hij in mijn gedachten en ik wilde hem met niemand anders delen, zelfs niet met mijn beste vriendin Tineke. Ooit vertelde ze mij, dat Herman en zij in hun pubertijd verliefd op elkaar waren, maar waarom het uit was gegaan had zij mij nooit verteld.

Na het verslag van het Bezoekerscentrum van de Kinderboerderij reed ik naar huis en kwam tegen 18.00 uur aan. Onderweg moest ik denken aan die arme verkoolde schapen die het niet hadden gered tijdens de brand. Gelukkig waren de andere boerderijdieren gespaard gebleven omdat ze in een andere schuur stonden. Nadat ik mijn laptop en mijn blazer had opgepakt van de achterbank van mijn auto, opende ik mijn voordeur en was weer blij dat ik thuis was. Ik woonde nu alweer twee maanden aan de Korte Gracht en keek uit op De Plas. Over twee dagen was het mijn ‘open huis’ en ik verheugde mij om iedereen weer te zien, maar vooral Teus en mijn moeder. Op mijn witte houten tafel zetten ik mijn laptop neer, hing mijn blazer over de rugleuning van mijn stoel en keek de woonkamer in. Door alle drukke werkzaamheden, kwam ik maar niet toe aan het opruimen, zodat mijn woonkamer een grote chaos was en het tijd werd om de boel eens aan kant te doen. Stel je voor als mijn vrienden dit eens zagen, ze zouden ervan schrikken. Maar voordat ik ging opruimen maakte ik mijn diner klaar dat bestond uit tomatensoep uit blik, een paar boterhammen met kaas, smeerleverworst en een glas melk. Vanavond had ik geen trek in warm eten. Ik voelde mijn voeten opzwellen, maakte de veters los van mijn schoenen en zwiepte ze onder mijn bankstel. Het was me een dagje wel! Na mijn maaltijd liep ik op blote voeten door de woonkamer om schoon schip te maken. Met een voldaan gevoel ging ik rond middernacht naar bed.

Diezelfde nacht kon Tineke niet slapen en rolde heen en weer in haar grenen houten bed. Regelmatig sloeg ze haar dekbed open richting haar voeteind en trok het even later weer over haar hoofd heen.

‘Pff, wat is het hier warm, of maak ik mij zo druk en ze zuchtte. Na de zoveelste keer haar dekbed verschoven te hebben zat ze opeens balorig op de rand van haar bed. Ze stapte in haar zwarte instappers, pakte haar lichtblauwe badjas van een kledinghanger die aan haar kledingkast hing en deed deze aan.

‘Waarom ben ik toch steeds aan het piekeren als ik Herman weer eens zag, vroeg ze zich af. Ze liep de trap af naar beneden, pakte wat melk uit de koelkast en schonk het in een longdrink glas. Ze was nu negenentwintig jaar en nog steeds vrijgezel. Met haar glas melk liep ze naar haar grijze stoffen driezitsbank en nestelde zich in een paar zuurstokkleurige kussens. Elf jaar geleden vertrok haar buurjongen en jeugd liefde Herman op eenentwintig jarige leeftijd, toch nog geheel onverwacht, naar Mali in Zuid Afrika. Hij had haar verteld dat hij ging vertrekken, maar wist nog niet wanneer. Ook had hij haar verteld dat hij na zijn reis zou gaan werken als verslaggever bij de Dorpskrant waar hij stage had gelopen. Zelf was ze al een tijdje werkzaam als verkoopster bij Modezaak Swinkels. Haar ouders waren blij voor haar dat ze een leuke baan had. Vanaf hun trouwen woonde haar ouders naast de familie Dankers en konden het als buren goed met elkaar vinden. Het waren ook leeftijdgenoten van elkaar.

Op een dag in de winter zat Herman op een slee, getrokken door zijn vader en ik stond voor het raam te kijken naar de sneeuwvlokken die naar beneden vielen. Opeens tikte de vader van Herman op het raam en wenkte mij om naar buiten te komen. Moeder liep met mij mee naar de voordeur en vroeg wat de bedoeling was.

‘Mag Tineke mee op de slee mevrouw Dankers, vroeg Herman zijn vader aan mijn moeder en dat mocht van haar. Ik was toen zes jaar en Herman negen jaar oud. Wat hadden wij een pret die middag. Vanaf die tijd trokken wij veel met elkaar op en groeide er rond onze pubertijd een prille liefde.

Weken voor zijn vertrek naar Zuid Afrika, had hij tegen haar gezegd dat hij zich had ingeschreven om als vrijwilliger te helpen in Mali om een weeshuis te bouwen voor de kansarme kinderen. Ik vond het een mooi gebaar van hem. De bewuste dag voor zijn vertrek werd ik onverwachts opgebeld, toen ik net op het punt stond om te gaan werken, door Johan de neef van Gerda Ruiters, of ik alsjeblieft direct kon komen, want er was iets vervelends gebeurd. Snel belde ik nog even naar mijn werkgever dat ik, door omstandigheden, wat later op mijn werk zou komen. Mijn moeder zou ik later opbellen want zij was eerder die ochtend vertrokken voor een bezoek aan haar zus. Maar waar was de poes eigenlijk, die had ze al sinds gisteren niet meer gezien?. Over het Dorpsplein voor mijn huis, liep ik richting het familiehotel en stapte de marmeren hal in. Gerda stond achter de receptie en ik vroeg aan haar of ik Johan kon spreken. Gerda liep via het kantoor naar achteren door een deur waar ‘Privé’ op geschreven stond. Even later kwam Gerda weer aangelopen en zei: ‘Johan komt er aan hoor Tineke!’en ze liep weer richting haar kantoor en deed de deur achter haar dicht.

Ik zag Johan al aankomen; een lange slungel met licht blond haar. Hij zag er sportief uit in een donkerblauw T-shirt en een spijkerbroek.

‘Hallo Tineke, kom gauw ik wil je wat laten zien, maar het is niet prettig hoor, maar ik blijf bij je?’

‘Wat is er dan aan de hand Johan? en voelde opeens het bloed naar mijn hoofd stijgen!’

‘Kom maar mee en hij bracht ons naar een hoek van de hal waar een doos stond. Johan tilde de deksel op en daar lag mijn lieve zwart wit poes Mimi. Ze lag zo roerloos met haar kopje opzij. Ik begon meteen te huilen.

‘Daarom was ze niet thuis gekomen, jammerde ik en miste haar al sinds gisteren. Wat vreselijk!’

Johan zetten de doos weer neer, toen hij zag dat ik radeloos werd.

‘Hoe is ze overleden, Johan, vroeg ik aan hem en waarom is ze hier gebracht?’

Hij vertelde mij met een hese stem dat hij de kleine poes had aangereden met zijn bestelbus op de hoek van de Parkweg en de Koningsweg. De poes rende geheel onverwachts de straat op, ik remde hard, maar kon het dier niet meer ontwijken. Vanonder mijn auto hoorde ik een klap. Omdat ik niet direct kon stoppen op het middengedeelte van de weg parkeerde ik mijn auto iets verderop, stapte uit en liep zo snel als het kan naar de aangereden poes toe, pakte haar op en legde haar op de achterbank neer van mijn auto. Als dierenvriend was ik aangeslagen door deze situatie Tineke, maar ik wist toen nog niet van wie de poes nu eigenlijk was. Terug in het hotel pakte ik uit het magazijn een lege doos en legde de poes erin, maar vertelde niet aan Gerda wat er in de doos zat. Ze vroeg er ook niet naar want ze zag mij regelmatig wel met spullen en dozen lopen. Eerst wilde ik weten van wie de poes was en keek in het kokertje van het rode halsbandje wat ze droeg en zag jouw naam, je adres en een telefoonnummer staan. Omdat ik je niet direct wilde confronteren met de dood van je poes, liet ik je hier naar toe komen.

Ik was ontroostbaar en de tranen rolde over mijn wangen. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder en hij sloeg zijn armen om mij heen, streelde mijn halflange kastanje bruine haar, waarop hij zich verontschuldigde voor deze ongelukkige situatie. Opeens keek hij over mijn schouder richting het restaurant, zag Herman zitten en zag dat hij onze kant opkeek en opeens opstond en wegliep. Hij vertelde mij dat Herman in het restaurant aanwezig was en ik begreep meteen dat Herman  mijn situatie verkeerd had ingeschat. Snel liep ik hem achterna, maar zag dat hij niet om keek en richting de uitgang van het hotel liep.

Enigszins in paniek riep ik: ‘Herman, het is niet wat het lijkt!’, maar zag hem niet meer. Hem achterna lopen in mijn toestand had geen zin en ik besloot om terug te lopen naar Johan, die mij een tafel aanbood en mij een kop koffie gaf. Nu zat ik met twee dilemma’s. Mijn vriend die waarschijnlijk dacht dat ik vreemd ging en mijn lieve poes Mimi die dood was.

‘Wat doe je nu met Mimi vroeg Johan aan mij?’. Ik vraag aan mijn ouders of ik haar in onze tuin mag begraven, dan is ze gevoelsmatig nog steeds bij ons. Ja, doe dat Tineke, zei Johan. Hij begreep mij volkomen en was bezorgd om mij, want als dierenverzorger bij een dierentehuis ging hij bijna dagelijks met honden en katten om.

Toen mijn koffie op was, bracht hij mij naar mijn huis en ik bedankte hem alsnog voor de hulp. Moeder was nog niet thuis van haar bezoek aan haar zus. Ik belde alsnog naar mijn werkgever en legde uit wat er was gebeurd. Zij adviseerde mij om de rest van de dag maar thuis te blijven, waarvoor ik haar bedankte.

‘Als ik jou was zou ik Herman ook nog maar even bellen over de dood van Mimi? en zetten de doos met Mimi in de gang neer en sloot de voordeur achter mij dicht.’ Mijn ouders vertelde ik bij hun thuiskomst wat er was gebeurd en waren die avond ook van slag.

‘s Avonds belde ik het telefoonnummer van Herman, maar na diverse pogingen te hebben gedaan hield ik het voor gezien; hij nam niet op. Ik had hem mijn verhaal willen vertellen. Na die dag zag ik hem twee maanden niet meer en begreep dat hij intussen was vertrokken naar Zuid-Afrika. Samen met mijn ouders begroeven wij onze lieve poes in een hoekje in de tuin bij een vlinderstruik, waar ze vaak zat. Wat voelde ik mij die avond ‘eenzaam!’ Twee vrienden had ik die dag verloren!

Sinds kort woonde ik nu aan de Korte Gracht en keek op De Plas in mijn groene woonboot en had het prima naar mijn zin. Naast mijn drukke bestaan was dit een plek om tot rust te komen en genoot ik van de groene omgeving en het water. De avond van het ‘open huis’ was aangebroken. Voor mijn brede loopplank had ik op mijn kleine stukje grasveld een partytent neergezet met wat klapstoelen, een campingtafel, en een hoge koelkast, die ik had gehuurd bij een verhuurbedrijf. Op het achtersteven van mijn woonboot plaatste ik een barbecue met een tafeltje ernaast. Ook de brandblusser had ik niet vergeten, want je kon maar nooit weten! In de namiddag had ik mijn moeder opgehaald. Ze bewonderde het interieur van de woonboot en zag dat ze glimlachte. Dat was voor mij een teken van goedkeuring. In de verte zag ik Teus aan komen rijden in zijn Volkswagen en hij gaf mij een lichtsignaal met zijn koplampen.

‘Gefeliciteerd Herman met je aankoop van de boot, zei hij toen hij net was uitgestapt. Ik heb een verrassing voor je!’ Bij het openen van het bruine pakpapier kwam een schilderij tevoorschijn van 40 x 40 cm met als voorstelling de groene woonboot in vol ornaat en hij had er twee personen bij geschilderd die verdacht veel op ons leken.

‘Wat een origineel cadeau Teus, dank je wel!’ Hij krijgt een ereplaats boven de zithoek!’

‘Kijk eens moeder wat ik van Teus heb gekregen en ik liet het schilderij aan haar zien?’

‘Prachtig mijnheer! zei ze tegen hem!’ Zegt u maar Teus hoor mevrouw Dankers? Ik ben namelijk de vorige eigenaar van de woonboot’. Uw zoon heeft hem van mij gekocht!’

‘Oh, dan bent u de vriend van mijn zoon!’. Herman heeft verteld dat u kunstschilder bent!’

‘Het schilderij is geschilderd met olieverf Herman, maar je moet zelf maar een bijpassende lijst kopen?’

Opeens hoorde ik autoportieren dichtslaan. Het was Jules Beekman met in zijn kielzog Jan Ruiters. Moeder ging zitten in een campingstoel dat iets comfortabeler zat dan de klapstoelen. Teus liep naar binnen om de inrichting van de woonboot eens goed te bekijken, want ik had immers tegen hem gezegd dat er een gedeelte was aangebouwd.

‘Hallo Herman, gefeliciteerd man! hier heb je een cadeaubon!’

‘Bedankt Jules die kan ik goed gebruiken, want mijn inventaris is nog niet compleet!’

‘Voor jou hebben wij wat wijnflessen. Een paar van horecacollega Bert Timmermans en van Gerda en mij. Je zult begrijpen dat Gerda het familiehotel draaiende moet houden en dat geldt natuurlijk ook voor Bert. Hier heb je ook nog een felicitatiekaart van Hans Heskes’!’

‘Hartelijk dank voor de gulle gaven en bedank Bert en Hans van mij? Neem plaats Jan, er zijn nog stoelen zat, dan zet ik koffie en thee voordat de dames komen!’

‘Wat is het hier veranderd Herman, zei Teus tegen mij toen hij van de woonboot afstapte! Ik ken mijn oude woonboot niet meer terug. Van de grote slaapkamer heb je nu twee kamers gemaakt. Je tweepersoonsbed kan er zelfs nog in staan zag ik. En wat is de badkamer met toilet mooi geworden Herman, vooral die zwarte grafische tegelrand ter hoogte van het plafond!’

‘Heb je ook nog gezien dat ik het laminaat uit de woonkamer heb vervangen door donkerblauwe vloerbedekking, dat is iets warmer. Mijn witte houten meubels staan er mooi bij. Alleen mijn ovale spiegel moet nodig vervangen worden!’

Net op het moment dat Jules en Jan gingen zitten, zag ik door het keukenraam Tineke aan komen lopen. Ik liep naar buiten met mijn dienblad met koffie, thee en cake. Ik was toch blij dat ze was gekomen, want na dat gesprekje in het café en de onverwachte stilte dat daarop volgde, was ik er niet zo zeker van dat ze zou komen.

Ze gaf mij een hand en zei:‘Gefeliciteerd Herman! Hier heb je een boekenbon, eventueel te besteden bij Hans Heskes!’

‘Bedankt meisje en ik gaf haar een vluchtige handkus. Even keek ik haar na toen ze wegliep en ging zitten naast Jules en mijn moeder. Ze zag er nog steeds ‘mollig’ uit, zoals ik haar al jaren kende, maar daar hield ik wel van. Ik liep terug naar binnen omdat ik de borrelnoten had vergeten. Terloops keek ik naar buiten en zag dat moeder in gesprek was met haar. Net toen ik de borrelnoten in de bakjes had gedaan, hoorde ik getik van naaldhakken op de loopplank en zag ik Heleen aankomen lopen met een grote bos rode rozen in haar hand. Het boeket was zo groot dat haar gezicht ten dele zichtbaar was.

‘Waar is Herman, vroeg ze aan Teus die het dichtst bij de loopplank zat?’

‘Hij is net naar binnen gegaan, zei hij!’

‘Dan stap ik wel even naar binnen en ze stapte op het dek, maar zag niet dat de drempel erg hoog was van de deur.’

‘Kijk uit voor de drempel hoorde ik iemand roepen, maar het was al te laat. Door het grote boeket zag ze niet waar ze liep, viel over de drempel languit het keukengedeelte in, waar ik haar, met de bakjes met borrelnoten nog in mijn handen, opving. De borrelnoten vlogen door de keuken en de woonkamer. Ondanks de val had Heleen het boeket nog steeds in haar handen. Wij moesten allebei lachen om deze hilarische situatie, maar vroeg en passant aan haar of ze zich niet had bezeerd, waarop ze zei:

‘welnee Herman, vond je het geen leuke verwelkoming van mij?’

‘Verbaasd antwoordde ik: ‘ja had in het ergste geval je benen kunnen breken Heleen en dan was voor mij, mijn gasten en voor jou het feest afgelopen, voordat het al begonnen was!’

‘Sorry Herman, je hebt gelijk! ik zal voortaan beter uitkijken!’

Ik nam het mooie boeket van haar aan, bedankte haar en zetten het voorlopig neer in de gootsteen die ik vol liet lopen met water. Ze liep op blote voeten met haar rode naaldhakken in haar hand voorzichtig over de drempel richting de gasten en gaf ze allen een hand’.

Even was ze geen ‘opgedirkte dame’ meer zoals ik haar kende en ik moest glimlachen dat ze daar zat op die klapstoel zonder haar naaldhakken aan. Snel ruimde ik de borrelnoten op die verspreid lagen over de vloer. Gelukkig had ik nog een paar reserve zakjes met borrelnoten in huis.

‘Zullen wij eindelijk eens gaan zingen voor Herman, riep een enthousiaste Jan en hij begon met het lied: ‘een eigen huis, een plek onder de zon……!’ en iedereen zong mee hoorde ik. Ik kwam naar buiten en zetten de bakjes neer op een kleine campingtafel die op een hoek van het grasveld stond, waar ook een hoge koelkast aanwezig was voor de drank.

Heleen was in gesprek met Jan die naast haar zat en deed haar rode naaldhakken weer aan zag ik. Het was een vrouw waarmee je gezien kon worden en ze was modebewust, maar dat gold ook voor Tineke, want zij was degene die de mode op de voet volgde als verkoopster van Modezaak Swinkels en haar klanten goed advies gaf. In die tijd dat ik nog met Tineke omging, kon ze weleens kritisch uit de hoek komen, als ze iemand op straat zag lopen, wiens kleding er volgens haar niet uitzag, waarop ik haar tot de orde riep en zei: ‘dat er ook mensen waren die zich dure kleding niet konden veroorloven. Ja, die Tineke was een kritische meid, dat wist ik wel. Zijdelings keek ik weer naar Heleen. Ze had een witte jurk aan met een rode grafische print. Het was mij al eerder opgevallen dat ze de kleur ‘rood’ erg mooi vond, want zelfs haar Peugeot had een rode kleur. Ik werd wel geprikkeld door zo’n knappe vrouw, maar iets hield mij tegen; was het Tineke waar ik nog gevoelens voor had of kwam het door de dorpsroddelaarster mevrouw Kraakman die had verteld dat Heleen een ‘mannen verslindster’ was. Deze kleine, spichtige vrouw woonde in de Teugelstraat om de hoek van het Dorpsplein, was weduwe en sinds haar man was overleden hield ze alles en iedereen nauwlettend in de gaten. Soms hield zij mij staande op het Dorpsplein omdat ze informatie had voor De Dorpskrant, maar meestal was het niet publiceerbaar.

‘Mijn gedachten werden verstoord, doordat Teus zei: ‘wat sta je toch te dagdromen Herman, zullen wij eens een ‘neut’ nemen?’ Maar Tineke was mij voor en pakte de champagnefles die op de campingtafel stond, ontkurkte de fles die opeens een knal gaf, dat je het aan de overkant van De Plas kon horen en schonk de glazen in’.

‘Daar ga je dan Herman, veel geluk in je nieuwe woonboot, zeiden mijn gasten in koor en namen een slok van het kostelijke vocht.’ Buiten was het een aangename temperatuur, het was medio Juni.

Intussen hielp Hans Heskes in zijn boekhandel nog een  laatste klant met het uitzoeken van een boek en na het vertrek van de man deed hij de winkeldeur op slot. Het was intussen 21.15 uur. Buiten was het nog licht, hij zou nog naar het ‘open huis’ kunnen gaan van Herman, maar dat kon nu niet, want hij had aan Jan Ruiters een felicitatiekaart meegegeven. Maar ook een andere reden weerhield hem om te gaan en dat was zijn oude vriendin Heleen van Dam. Ondanks hun leeftijdsverschil van dertien jaar klikte het tussen hen en hadden ze een aantal maanden een platonische relatie gehad. Ooit had ze tegen hem gezegd dat hij er goed uit zag voor zijn leeftijd. Zij was slank en had geen moeite met mijn stevige postuur. Maar je prachtige gekrulde, kastanjebruin haar vind ik toch het mooiste van alles. Het deed haar denken aan een kunstenaar die ze van vroeger kende. Vaak deed het mij pijn als zij mij weer eens vergeleek met een of andere relatie uit haar verleden, al liet ik het niet meteen merken. Ze had nu eenmaal een aantrekkingskracht op mij en andere mannen en werd ik steeds heen en weer geslingerd tussen mijn gevoel en mijn verstand. Als wij samen uitgingen, zocht ze toch steeds weer de aandacht van andere mannen en voelde ik mij op dat moment overbodig. Als ik haar weer, na een avondje stappen, naar huis had gebracht in mijn zwarte Volvo en ik weer huiswaarts ging, was ik boos op mijzelf, omdat ze regelmatig met mijn gevoelens speelde. Toch kon ik haar niet weerstaan en ondanks ze op een gegeven moment vertelde geen ‘heil’ meer in onze relatie te zien, bleven wij contact houden, maar niet meer in de relatiesfeer. Met vrouwen had ik het nu wel even gehad.

Naast mijn boekhandel was mijn woning. Ik woonde boven de zaak en had een eerste en tweede etage. De etage boven de zaak bestond uit een gang, toilet, woonkamer met dichte keuken en een kleine logeerkamer. Alles was klassiek ingericht. Op de tweede etage waren twee kamers zoals een grote slaapkamer en een wat kleinere slaapkamer die werd gebruikt als kantoor. Op diezelfde etage was ook een badkamer en een aparte toilet. Mijn etalage keek uit op het Dorpsplein. Ook had ik achterin de zaak een magazijn voor de opslag van mijn boeken, een keukenblok en een toilet. Ik was al jaren vrijgezel. Klanten kwamen graag in mijn zaak en altijd stond ik klaar voor een praatje of had ik informatie over mijn grote passie ‘boeken’.

Het was een gezellige drukte in de partytent voor mijn woonboot.

‘Ik heb hier een schaal met kippenpoten ,saté of een hamburger mensen, tast toe zou ik zeggen!’ en ik plaatste de schaal op tafel?’

‘Wat wilt u eten, vroeg Tineke aan mijn moeder?’. ‘Een kippenpoot graag Tineke!’. Tineke pakte een kippenpoot met een servet en gaf deze aan haar.

‘Dank je wel Tineke!’ Hoe is het eigenlijk met je, want ondanks wij al jaren naast elkaar wonen spreek en zie ik je de laatste tijd niet meer? Kun je wel wennen zo alleen in het huis, sinds je ouders zijn verhuisd naar het verzorgingstehuis?’

‘In het begin was het zeker wennen mevrouw Dankers, maar ik  bezoek mijn ouders wekelijks. Gelukkig heb ik mijn werk als verkoopster en heb een goede vriendin Heleen van Dam, de vrouw die daar zit in de hoek van de tent!’.

‘Vanaf kinds af aan tot in je pubertijd kwam je nog weleens regelmatig bij ons op visite met of zonder je ouders en trok je op met onze zoon, maar van de een op andere dag zagen mijn man en ik je niet meer. Alleen bij de begrafenis van mijn man ben je nog geweest! Heb je trouwens nog contact met Herman?’

‘Niet meer zo intensief als vroeger, maar zoals vandaag is het een uitzondering dat wij elkaar zien. Soms zien wij elkaar op het Dorpsplein, maar daar blijft het ook bij!’.

‘Wat is de reden dat wij je niet meer zien, Tineke, of wordt ik nu nieuwsgierig?’.

‘Dat is zo’n lang verhaal mevrouw Dankers, daar wil ik het nu niet over hebben. Sorry hoor!; ze stond op en liep richting Heleen. Mevrouw Dankers keek haar na. Ze begreep werkelijk niet wat er toch aan de hand was tussen haar zoon en Tineke?’.

‘Zeg Heleen, hoe vind je mijn rok met bijpassende blazer?’.

‘Een leuk setje Tineke! het fijne groene streepje in combinatie met een brede grijze streep staat je erg leuk. Ook die blouse in dezelfde groene kleur past er leuk bij!’

‘Dit setje hoort bij een nieuwe zomercollectie. Ik heb van dezelfde stof ook nog twee jurken. Eén jurk heeft geen mouwen en heeft een zogenaamde ‘watervalkraag en de andere jurk heeft driekwart mouwen met een opstaande kraag!’

‘Je maakt mij wel nieuwsgierig hoor Tineke, ik kom gauw eens kijken!’

‘Dat moet je doen! en voor ik het vergeet, sinds kort verkopen wij ook schoenen en damestassen in dezelfde kleurstelling als de kleding!’

Tineke liep terug naar haar stoel en schonk, voordat zij weer ging zitten, haar glas vol met coca cola en liet haar glas met champagne halfvol staan. Ik liep naar mijn moeder toe en schonk haar glas vol met frisdrank en zei: wat bent u stil moeder?’

‘Het is jammer dat je vader helaas niet meer mee kon maken dat je zo mooi aan de plas woont, jongen!’

‘Ja, moeder ik realiseer mij dat ook, maar vader is alweer enige jaren geleden overleden!’

Teus hoorde het gesprek eens aan en liep naar mevrouw Dankers toe en vroeg: ‘en heeft u het naar uw zin, mevrouw?’

‘Jawel hoor, Teus, het is leuk om te zien dat Herman toch een aantal vrienden en vriendinnen heeft!’

‘Vriendschap is altijd belangrijk mevrouw, zo ben ik al jaren bevriend met uw zoon, zoals ik u vertelde. Hij ziet mij eerlijk gezegd als een ‘vaderfiguur’, bij gebrek aan zijn eigen vader!’

‘Dat begrijp ik volkomen Teus, want rond zijn pubertijd kwam mijn man te overlijden en hij had nog zoveel met zijn vader te bespreken, maar ja dat is nu allemaal voorbij. Ik heb mijn zoon, zo goed mogelijk proberen op te vangen en hij mij en daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Maar gelijktijdig realiseerde ik mij dat hij niet ‘eeuwig’ hier bij mij kon blijven wonen, want als een volwassen man moet hij ook een eigen toekomst opbouwen. Daarom kwam uw aanbod om uw woonboot te verkopen aan mijn zoon, als een ‘geschenk uit de hemel’!’

‘Mag ik u trouwens, na afloop van deze party, naar huis toe brengen, mevrouw, dan kan Herman de boel na afloop weer opruimen?’

‘Hoe vind je dat Herman, vroeg moeder aan mij?’

‘Eigenlijk wel een goed idee van Teus moeder!’

Ik ging eindelijk eens zitten en zag dat al mijn gasten, op één na, animerend met elkaar zaten te praten. Jules had in het begin van de avond gesproken met mijn moeder, maar voor de rest van de avond was hij wel erg stil, vond ik, maar opeens zag ik dat Jan het woord nam en vervolgens met hem in gesprek ging.

Zo verstreek de gezellige avond en zetten ik voor mijn gasten nog een kan koffie. Het afscheid naderde en iedereen ging weer huiswaarts. Moeder gaf ik een kus en Teus pakte haar arm en bracht haar naar zijn Volkswagen. Zoals afgesproken bracht hij haar naar huis. Een paar vrienden boden aan mij te helpen met opruimen, maar ik zei dat ik dat zelf deed omdat ik een lang weekend vrij had tot en met maandag. Ik wilde er in mijn eentje op uitgaan.

Toen iedereen was vertrokken zag ik pas hoe rommelig het was. Nu maar gelijk alles opruimen, dacht ik bij mijzelf. Het was al middernacht toen alles weer aan kant was en ik eindelijk mijn bed indook. Ik voelde mijn lichaam tintelen van mijn kruin tot aan mijn tenen, lag even naar het plafond te kijken en viel daarna van vermoeidheid in slaap.

De volgende dag, na een stevig ontbijt, ging ik bepakt en gezakt met mijn rugzak met laptop en badlaken erin de deur uit, stapte in mijn auto, reed naar het dichtstbijzijnde station in mijn regio en parkeerde mijn auto op een nabij gelegen parkeerplaats. Maandag namiddag zal ik hier weer terugkeren, mompelde ik. Ik had mijn zinnen gezet om naar het strand van Scheveningen te gaan in de provincie Zuid Holland, maar niet met de auto. Het was ongeveer twee en een half uur reizen met de trein. Via internet had ik een pension geboekt die net achter de boulevard stond aan de Badhuisweg. Jaren geleden was ik als kind in deze badplaats geweest samen met mijn ouders, oom en tante en mijn nichtje Irene. In de trein las ik een boek en keek naar mijn email op mijn laptop, maar was verder niet van plan om die alsnog te beantwoorden, want  ik had nu verlof. Zo reed de trein richting Den Haag Centraal, waar ik vervolgens op tramlijn 7 stapte richting de boulevard van Scheveningen. Bij het uitstappen zag ik het bekende ‘Kurhaus’, met daar achter de boulevard met het strand. Vanaf de tramhalte liep ik over de Gevers Deynootweg richting de Badhuisweg, naar mijn pension met de naam ‘de Zeemeeuw’ en keek op mijn horloge, de datum gaf aan de 15e juni en het was al middag.

Bij aankomst zag het wit geschilderde pand eruit alsof het in de Victoriaanse tijd was gebouwd. Langs een groen ijzeren hek liep ik over een grindpad richting een openstaande eiken deur met smeedijzer beslag. Aan weerszijden van de deur stonden twee grote ronde buxusbollen in conische vazen. Via een uitgesleten stenen trap met twee treden, kwam ik binnen in een hal met een enorme kroonluchter. Er stond een echtpaar bij de receptie die geholpen werd door een struise vrouw met kort, geverfd, blond haar.

‘Hier heeft u de sleutelkaart van uw kamer, u kunt hier de trap op en de eerste kamer aan uw rechterhand is nummer vijf, zei ze tegen het echtpaar. U kunt ook gebruik maken van een lift en ze wees naar een hoek in de hal!’

‘Goedemiddag mijnheer, hoe is uw naam?’, vroeg ze aan mij.’

‘Mijnheer Dankers mevrouw, ik heb uw pension geboekt via internet! en ze keek op haar beeldscherm.

‘Ik zie staan de heer Herman Dankers uit Renslo!’

‘Dat klopt mevrouw, zei ik!’

‘Zegt u maar Diny hoor!

‘Weet u dat ik nog nooit van de woonplaats Renslo hebt gehoord mijnheer Dankers? Er komen al jaren vele toeristen in mijn pension, maar de naam Renslo zegt mij niets!’

‘Ik kan u uit de droom helpen mevrouw, het is een dorp dat ligt in de Achterhoek tussen Aalten en Winterswijk!’

‘Dan bent u een aardig eindje van huis mijnheer, zei ze weer. Hier heeft u sleutelkaart nummer 7!’

‘Gekscherend zei ik tegen haar, dan moet ik zeker ook de trap op naar boven en dan de tweede deur rechts?’

‘U heeft het goed geraden, mijnheer Dankers, ik heb nog een vacature openstaan voor een receptionist, want volgens mij bent u geknipt voor deze baan en ze lachte!’.

‘Nee sorry, mevrouw ik ben verslaggever bij een plaatselijke krant in mijn dorp, maar vanaf vandaag even niet, want ik heb dit weekend geboekt om er even tussen uit te gaan’.

‘Nou, nou, een verslaggever!, wilt u misschien een positief artikel wijden aan mijn pension?

‘Dat hoeft niet hoor mevrouw, want uw pension staat als “uitstekend” geboekt op het internet!.

‘Fijn om te horen, mijnheer Dankers!’.

Bij het naar boven gaan moest ik glimlachen, de vrouw leek mij een gezellige ‘theetante’ die met iedereen wel een praatje maakte. Zij was zeker geschikt voor het vak als pensionhoudster. Ik opende de deur, keek in de kamer en zag dat het er netjes uitzag. Een raam stond op een kier en de witte vitrage waaide zachtjes naar buiten. Ik rook een zilte zeelucht. Het interieur was wel wat overjarig vond ik, maar wel netjes. Ik zetten mijn rugzak op een kingsize bed, waar je gemakkelijk met z’n drieën in kon liggen. In de hoek stond een grenen bureau met een dito stoel en een tweedeurs linnenkast. Een kleine televisie met flatscherm hing tegenover het bed. De badkamer zag er verzorgd uit, met een ligbad en een douchecabine.

Uit mijn rugzak haalde ik mijn kleding en hing het in de kledingkast, zetten mijn toilettas neer in de badkamer, maar liet mijn laptop in mijn tas zitten alsook mijn strandlaken. Intussen was het al 14.15 uur en ik had nog niets gegeten. Nadat de deur van mijn kamer achter mij in het slot viel, liep ik snel de trap af naar beneden en liep langs de receptie naar buiten. Pensionhoudster Diny was nergens te zien. Ergens aan de boulevard zou ik mijn lunch gaan gebruiken. Ik liep de lange weg weer terug vanwaar ik gekomen was, stak het Gevers Deynootplein over en liep langs het Kurhaus een brede straat in die leidde naar de boulevard. Ik rook de heerlijke zeelucht al. Het was een drukte van belang op en rond de boulevard. Rechtsaf liep ik de boulevard op richting de Pier en zag verschillende restaurants met terrassen en hier en daar wat winkels. Bij het derde restaurant liep ik naar binnen en ging zitten op het terras achter vensterglas naast een jonge vrouw van ongeveer mijn leeftijd.

‘Hallo, zei ze uit beleefdheid tegen mij toen ik wilde gaan zitten en ik groette haar. De ober kwam direct naar mij toegelopen en vroeg: ‘of ik wat wilde drinken of eten?’.

‘Graag wil ik een uitsmijter met spek en een kop zwarte koffie van u, zei ik tegen de magere ober met een kleine snor. Hij droeg een lange witte sloof die bleef hangen op zijn zwarte puntschoenen.’

‘Vindt u ook niet dat de ober op een bekende komiek uit vroeger tijden lijkt, vroeg ik aan de vrouw die naast mij zat, toen de man door de glazen deur van het restaurant was verdwenen? Hij mist alleen zijn wandelstok nog!’

‘Ze moest glimlachen!’.

‘Hoe heette die komiek ook alweer?’ ‘

Chaplin, zei ze!’

‘Nu wij toch met elkaar in gesprek zijn, zal ik mij even  aan u voorstellen, zei ze nogmaals: ik heet Cinthia van der Steen en ik kom uit de Residentie stad Den Haag. Ik ben er geboren en getogen.

‘Ik kom uit een Achterhoeks dorp met de naam Renslo en ik heet: ‘Herman Dankers!’.

‘U bent dan wel ver van huis?’

‘Ik heb een lang weekend verlof genomen van mijn werk als verslaggever en ik werk bij de plaatselijke Dorpskrant in mijn dorp. Maar zover ligt de Achterhoek ook weer niet hoor, want zowel met de trein als met de auto is het ongeveer twee en een half uur rijden en dat is best te doen!’

‘Met enige regelmaat, vooral bij goed weer zoals vandaag, kom ik graag op Scheveningen en pak ik de tram vanaf mijn huis en ben binnen tien minuten op het strand. Meestal ga ik zitten op dit terras en daarna huur ik een strandstoel om te gaan zitten op het strand. Even verderop staat een snackwagen met ernaast een viskraam. Voordat ik het strand oploop, koop ik meestal een paar blikjes fris, koop een bakje patat of neem een broodje met haring mee!’.

‘Heerlijk zeg, zo’n haring zei ik, het water staat al in mijn mond, maar nu even niet want ik zie de ober al aankomen lopen met mijn uitsmijter.

‘De ober plaatste het bord met de uitsmijter en mijn koffie op een nogal wiebelende, ronde, ijzeren, tafel. ’Ik brak een bierviltje doormidden dat op het tafeltje lag en nadat de ober was vertrokken, schoof ik het onder een van de tafelpoten. Ziezo die staat wat steviger op zijn poten zei ik tegen Cinthia.

‘Eet smakelijk Herman, zei ze tegen mij en ze pakte uit haar turkoois strandtas een vrouwenblad en was even later verzonken in een verhaal.

De uitsmijter liet ik mij goed smaken en na de laatste hap nam ik een slok van mijn koffie. Zijdelings keek ik naar Cinthia. Ze was volslank en had lang, stijl, blond haar dat over haar schouders viel. Ze had een prettig gezicht met een kleine wipneus en wat sproetjes. Ze droeg een kort wit short met een brede blauwe riem en had een gestreept blauw T-shirt aan. Tijdens het lezen hing een van haar witte instappers aan haar tenen te bungelen. Ze was eigenlijk wel een type vrouw waar ik wel op zou kunnen vallen, maar het was niet mijn bedoeling om bewust op zoek te gaan naar een vrouw. Ik wilde in die korte tijd genieten van de zee en het strand waarvoor ik gekomen was.

Opeens werd ik afgeleid door een rumoerige oudere man die aan de andere kant van het terras een jongeman lastig viel. Er ontstond een verhitte discussie over een zitplaats. Omdat de oudere man zo hard praatte, vernam ik, en waarschijnlijk ook de andere gasten op het terras, dat de jongeman, net voordat hij wilde gaan zitten, de zitplaats in beslag had genomen.

‘Ik was net iets eerder dan u, hoorde ik de jongeman zeggen tegen de man!’U stond namelijk nog even met iemand te praten vlakbij de tafel waar ik nu zit, maar maakte geen aanstalten om te gaan zitten, mijnheer!’. Dus ik besloot op deze stoel te gaan zitten!

‘Je ziet toch dat het terras vol is jongeman en ik nergens meer kan zitten, zei de man weer en u staat uw plaats toch wel af voor een ouder iemand zoals ik?’.

‘Sorry mijnheer, maar dan had u maar beter op moeten letten, zei hij weer!’

‘Wat een brutaliteit heeft de jeugd van tegenwoordig, vindt u ook niet mevrouw, zei de man tegen een dame die naast de jongeman zat?’.

‘Het spijt mij mijnheer, maar de jongeman heeft gelijk, u zag net als wij dat het erg druk was op het terras en u had gelijk plaats kunnen nemen op de stoel, zei ze ietwat ‘pinnig’ tegen hem!’

‘Nou aan u heb ik ook niet veel zei hij tegen haar en met opgetrokken schouders en een rood hoofd liep de man het terras af en botste bijna tegen een stevige vrouw die een tekkel op haar arm droeg. Het dier begon van schrik te ‘keffen’.

‘Kijk eens uit man, je loopt mij en mijn hond bijna omver, hoorde ik haar kribbig zeggen tegen hem, toen ze net het terras passeerde!’ Maar de man had blijkbaar geen zin meer in een confrontatie en verdween in de massa.

‘Wat was dat voor een kabaal, vroeg Cinthia aan mij?’ ‘Ik kan mijn verhaal niet eens lezen!’

‘Oh, er was een oudere man, die net is weggegaan, omdat hij een confrontatie had met een jongeman die daar in de hoek zit, met het groengeruite overhemd aan. Beiden kwamen het terras opgelopen en zagen dat er nog een stoel vrij was om te gaan zitten en de jongeman nam de stoel in zijn bezit. De oudere man werd toen boos op hem, omdat hij ging zitten op de stoel die ze beiden voor ogen hadden. Het ging er even heftig aan toe!’

‘Ja, dat hoorde ik, zei ze!.

De ober kwam weer onze richting oplopen, zetten mijn lege bord op zijn dienblad en vroeg aan Cinthia of zij nog iets wilde drinken?’

‘Doet u mij nog maar een coca cola, mijnheer?’

‘En die is voor mijn rekening, viel ik haar in de rede en doet u voor mij dan maar een pils?’

‘Komt voor elkaar mijnheer! en hij liep weg.

‘Nu ik toch op Scheveningen ben, morgen ga ik naar Madurodam toe. Het lijkt mij leuk om een gedeelte van Nederland in het klein op schaal te zien!’

‘Ik ben er een keer geweest, jaren geleden met mijn ouders?’

‘Vind je het misschien leuk om met mij mee te gaan, vroeg ik aan haar?’

Verbaasd keek ze mij aan en zei: ‘eerlijk gezegd overval je mij ermee, mag ik er nog even over nadenken?’

‘Natuurlijk Cinthia, maar wat is je leeftijd eigenlijk?’

‘Ik ben dertig jaar oud en jij Herman?

‘Ik ben twee jaar ouder dan jij!’

‘Zullen wij afspreken dat jij mij morgenochtend opbelt of je mee gaat of niet? Hier heb je het nummer van mijn GSM. Als je mij om 10.00 uur niet hebt gebeld, dat ga ik alleen op pad!’

‘Oké, Herman, afgesproken, je hoort in ieder geval van mij of ik wel of niet met je meega!’

‘Ik ga nu een strandwandeling maken, want ik ben pas een paar uur geleden gearriveerd en wil nog wel even genieten van het strand en de zee. Dag Cinthia, zei ik! en ze zwaaide gedag.

Op de boulevard en het strand was het nog aardig druk. Niet ver van het terras waar ik zojuist had gezeten zag ik een houten trap die naar beneden leidde naar het strand. Beneden aangekomen liep het pad tussen twee strandpaviljoens in en liep ik het strand op. Uit mijn rugzak haalde ik mijn teenslippers en borg mijn schoenen op in een plastic tasje van een grootgrutter, die ik van huis had meegenomen. Richting de zee liep ik langs de waterlijn. De golfjes van de zee kriebelde tussen mijn tenen en ik liep naar de Pier die, volgens de informatie via internet, een wandelpier was uit een ver verleden. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat het bouwwerk wel een opknapbeurt kon gebruiken. Een paar honderd meter voorbij de Pier liep ik terug, maar nu richting de haven, maar dat was nog wel een eindje lopen. Het lag precies aan de andere kant van de lange boulevard waar de terrassen waren. Ik was teruggelopen, omdat ik in de verte een naaktstrand had gezien, dat niet aan mij was besteed.

Tussen het Kurhaus en de haven was het nu wat rustiger geworden en ik wilde gaan zitten op het zand en pakte mijn badlaken uit mijn rugzak en ging zitten naast een ouder echtpaar, waarvan de vrouw zich in allerlei bochten wrong om zich om te kleden in een badpak, zag ik later. Ik moest erom glimlachen, omdat vandaag de dag de jeugd het niet zo nauw nam met aan- en uitkleedpraktijken in het openbaar. Ik ging op mijn buik liggen, keek richting de zee en zag in de verte de contouren van waarschijnlijk een visserslogger. Het kabbelen van de zee gaf mij een rustgevend gevoel. Aan de waterlijn rende een hond achter een bal aan, die zijn baas steeds wegschopte. Zowel de baas als de hond rende heen en weer de zee in. Ik ging op mijn zij liggen en keek richting twee peuters die lief met elkaar zaten te spelen, totdat de kleinste een geel schepje afpakte van de ander, waarna het kind begon te huilen, zijn groene emmertje pakte en zonder pardon op het hoofd sloeg van de dader. Een gekrijs volgde, totdat moeder tussenbeide kwam en de twee ieder hun schepje gaf. Ik ging rechtop staan, keek op mijn horloge en zag dat het inmiddels al 19.00 uur was en pakte mijn boeltje weer bij elkaar. Door het rulle zand liep ik langs de waterlijn richting de haven en zag een wandelpad van zwarte platte keien die naar de boulevard leidde. Met mijn handen wreef ik het overtollige zand van mijn voeten en stapte in mijn schoenen. Er lagen wat loggers in de haven zag ik. Ook waren er wat restaurants. Een vislucht kwam mij tegemoet en ik kreeg trek, het was immers tijd voor het avondeten. Bij een van de visrestaurants stapte in naar binnen en bestelde schol met friet en een salade met een glas witte wijn. Ik was eigenlijk benieuwd naar mijn email en pakte uit mijn rugzak mijn laptop en plaatste deze op de tafel, want mijn bestelling was nog niet in aantocht. Er stonden een paar berichten op. Tussen een van de berichten stond een bericht van Heleen van Dam en ze schreef dat ze van de redacteur had gehoord dat ik een weekend weg was en dat zij met mij op dinsdag aanstaande een afspraak wilde maken bij Croissanterie Bluemink in de Dorpsstraat om gezamenlijk de lunch te gebruiken. Ze had een artikel voor de krant, omdat ze een tijdelijke oplossing had gevonden voor de overlast van de hangjongeren op het Dorpsplein. Ik gaf haar een bericht dat ik maandag in de namiddag weer terug zou zijn in Renslo en dat de afspraak stond.

‘Alsjeblieft mijnheer, hier is uw diner! Laat het u smaken, zei een ‘kittige’ roodharige serveerster die naast mijn tafel stond’.

‘Dank u wel, het ruikt in ieder geval heerlijk, zei ik tegen haar en deed mijn laptop dicht’.

Tijdens mijn diner moest ik denken aan Cinthia, het meisje van het terras. Het was een leuke, onverwachte ontmoeting geweest. Wij hadden met elkaar gepraat, maar eigenlijk wist ik nog niet veel van haar, behalve dan haar leeftijd en dat ze woonde in Den Haag. In stilte hoopte ik dat zij morgen met mij mee zou gaan naar het park Madurodam.

Toen ik de deur van het visrestaurant achter mij dicht trok, was het intussen al schemerig buiten en liep ik de lange boulevard weer af richting het Kurhaus. Op de boulevard en de terrassen, was het een stuk rustiger geworden en hier en daar hoorde ik muziek dat door elkaar klonk. Eenmaal bij het Kurhaus aangekomen stak ik het Gevers Deynootplein over en liep ik weer richting mijn pension.

Intussen in het centrum van Den Haag stapte Cinthia op de vierde etage haar appartement binnen. Ze hing haar Turkoois  tas aan de smeedijzeren kapstokhaak en liep naar de keuken. De sperziebonen en aardappelen die ze vanmorgen had klaargezet, zetten ze nu op laag vuur. Ze was toe aan een fris bad. Nadat ze de kranen had aangezet, pakte ze uit het lichtblauwe badkamerkastje een flesje met vloeistof en goot het in het ligbad, waarna het direct begon te schuimen. Een heerlijke lucht van lavendel verspreidde zich door de badkamer. Haar uitgetrokken kleding deponeerde ze in een antracietkleurige kunststof wasmand en liet zich langzaam in het bad glijden. Even ging ze kopje onder en kwam meteen weer boven. Ze waste alvast haar lange, blonde, haar en spoelde het nog niet uit. Eerst mijn gezicht en mijn lijf maar eens gaan scrubben. Uit een tube met scrub spoot ze op een washand een royale hoeveelheid en wreef over haar gezicht. De scrub voelde aan als kleine zandkorrels van het strand. Het was een gezellige, doch vreemde dag geweest met een onverwachte ontmoeting van een onbekende knappe man van haar leeftijd, uit een voor haar onbekend dorp in de Achterhoek. Ze vond hem sympathiek, had een normaal postuur en had een prettige uitstraling.

‘Vanmorgen vroeg was ze vetrokken om voor de laatste keer naar het strand te gaan in haar geliefde Scheveningen, want ze zou over drie dagen gaan emigreren naar Vancouver in Canada, waar ze twee en een half jaar geleden Bart Veenstra had ontmoet. Hij was de zoon van emigranten. Zijn vader was een Nederlander en was geboren in de Randstad. Zijn moeder was een Canadese. Samen met haar ouders bracht ze een bezoek aan haar grootouders in Vancouver. Op een zekere dag was er een jongeman bezig in de keuken van haar grootouders om elektriciteit aan te leggen. Net op het punt dat ze de koffie samen met grootmoeder naar de woonkamer zou brengen, vroeg grootmoeder aan hem of hij misschien ook een kop koffie lustte. Graag mevrouw, had hij gezegd en hij liep mee naar de woonkamer, op verzoek van grootmoeder en zo gebeurde het dat ik met hem in gesprek raakte. Hij stelde zich voor als Bart Veenstra. Er volgde in die drie weken nog verschillende ontmoetingen en toen ik samen met mijn ouders weer vertrok naar Nederland hadden wij afgesproken om contact met elkaar te blijven houden via internet. Nadat een jaar was verstreken, was hij naar Nederland gekomen en onze band was sterker geworden. Hij had mij gevraagd om met hem te trouwen en met het verzoek om in Canada te gaan wonen. Na een gesprek met mijn ouders hadden ze ermee ingestemd. Haar ouders waren niet onbemiddeld en vroeg of laat zouden ze haar weer opzoeken, hadden ze gezegd.  Nu stond ze op het punt te gaan emigreren. Haar appartement had ze opgezegd en haar koffers waren zo goed als ingepakt. Ze had een gedeelte van haar inboedel samen met het appartement verkocht aan een jong stel met een peuter.’

‘Vandaag had ze Herman ontmoet die en passant aan haar vroeg of ze morgen met hem mee wilde gaan naar Madurodam. Ze was verrast door zijn onverwachte verzoek, maar had nog geen ´ja´ tegen hem gezegd. Ze hadden op het terras al even met elkaar gepraat en er ontstond wel een klik, althans het voelde goed en het leek haar wel een serieuze man, maar toch vroeg ze zich af of hij een bedoeling had met deze afspraak? Als het haar niet zou bevallen, dan was ze snel thuis had ze zichzelf voorgenomen. Maar kon ze wel met deze man meegaan?, ze stond immers op punt van trouwen!’

Het badwater was intussen afgekoeld en ze rilde. Ze stapte uit het bad en droogde zich af met een badlaken. Op haar teenslippers liep ze naar de slaapkamerkast en pakte een lang shirt met tijgerprint. Het eten zal nu wel klaar zijn, mompelde ze. Ze goot de pannen af en bakte nog een visfilet in de koekenpan. Het eten smaakte haar goed. Morgenochtend zou ze Herman bellen, want ze had een besluit genomen.

Onder het genot van een glas wijn zat ik in de lounge van het pension mijn email op mijn laptop na te kijken en zag dat Heleen een email had teruggestuurd met een bevestiging dat wij elkaar zouden treffen op dinsdagmiddag bij croissanterie Bluemink. De andere email beantwoorde ik wel als ik weer op kantoor was en dat was pas dinsdagochtend. Ik deed de deksel van de laptop naar beneden en keek in de rondte van de lounge. Er zaten nog aardig wat gasten zag ik. Morgen was het zaterdag. Ze zou mij morgenochtend opbellen wat haar bedoeling was.

Iemand tikte mij op mijn schouder en ik keek omhoog. Ik zag een serveerster die mij vertelde dat de bar dicht ging en er niets meer werd geserveerd.

‘Het is al laat mijnheer, wij gaan sluiten’! Oh, dank je wel, ik zat wat weg te dromen, juffrouw!’

Ik pakte mijn laptop en rugzak en liep er mee naar mijn kamer. Bij binnenkomst rook ik nog steeds een zilte zeelucht en zag dat het raam nog op een kier stond. Na een korte douche gleed ik onder het frisse dekbed en voelde mijn ogen zwaar worden.

In de vroege ochtend rinkelde mijn telefoon en hoorde de stem van Cinthia.

‘Goedemorgen Herman, heb je goed geslapen?’

‘Als een ‘blok’ Cinthia, de zeelucht doet mij goed!’

‘Ik heb besloten om met je mee te gaan, maar ik kom je ophalen met mijn auto. Heb jij voor mij het adres van je pension?’

‘Fantastisch Cinthia! Het adres is Pension ‘de Zeemeeuw’ aan de Badhuisweg. Hoe laat zullen wij afspreken?’

‘Ik dacht zo rond 10.30 uur!’

‘Ik zit nu nog op de rand van mijn bed Cinthia, maar ik zal zorgen dat ik na mijn ontbijt voor de ingang van het pension sta!’

‘Afgesproken Herman! en ze hing op.

Op de afgesproken tijd stapte ze uit haar witte Toyota Corolla en ik zag dat ze sportief was gekleed in een spijkerbroek met een lange roze blouse met een witte riem. Haar lange blonde haar had ze in een paardenstaart gedaan. Ik droeg een rood poloshirt met een kort spijkershort. Ze gaf mij een hand en ik stapte in de auto. Wij reden naar Madurodam, dat maar één kilometer verwijderd was van het strand. Op het parkeerterrein parkeerde zij haar auto. Er stonden al aardig wat auto’s geparkeerd zag ik. Bij de kassa betaalde ik de entree, want zij was tenslotte mijn gast. Wij waren nog niet binnen, of een brutale fotograaf maakte van ons twee foto’s. Aan mijn linkerhand zag ik een groot langwerpig bord staan met lange elastieken erop gemonteerd, waarachter een tiental foto’s stonden vastgeklemd!’

‘Daar komen wij vast en zeker ook bij te staan!, Herman, zei ze!’

Via een lang wandelpad liepen wij langs kleine, op schaal gemaakte, huizen, gebouwen, schepen, vliegtuigen, waterpartijen en kleine figuurtjes. Bijna heel Nederland kwam aan ons voorbij.

‘Wat een onderhoud moet dat zijn om alles te repareren en schoon te maken, zei ik!’

‘Zeg dat wel Herman, maar ik heb ooit gelezen dat ze het onderhoud doen, na het seizoen als het park is gesloten, mits er een calamiteit is, want dan moeten ze wel paraat zijn voor reparatie!’

‘Kijk daar eens Herman? en ze wees naar gebouw het Binnenhof, daar zetelt onze regering!’

‘Ik zal Nederland wel gaan missen Herman!’

‘Gaan missen Cinthia, maar je woont hier toch?’

‘Ja Herman, maar ik moet je wat vertellen!’

‘Zullen wij dan iets te drinken en te eten nemen, daar in het restaurant, vroeg ik aan haar?’

‘Dat is goed! en wij liepen naar het restaurant toe.’

De lucht van gebakken patat en kroketten kwam ons al tegemoet en wij gingen zitten bij een raam en lazen de menukaart.

‘Ik kies voor patat met een hamburger en wat salade!. En als drinken neem ik tonic.

‘Dan neem ik hetzelfde Cinthia en ik liep naar het buffet’.

‘Wat zou ze mij te vertellen hebben vroeg ik mij intussen  af, toen ik stond te wachten bij het buffet?’

Onder het eten vertelde ze mij dat ze de komende week zou gaan emigreren naar Canada!’

‘Is dat een plotselinge ingeving of had je al plannen?

‘Ze vertelde mij van Bart Veenstra een jonge Canadees die ze had ontmoet en dat ze over een paar maanden zouden gaan trouwen!’

‘Zou je jouw familie niet missen?’

‘Natuurlijk Herman, het zal even wennen zijn, maar ik heb er uitvoerig met mijn ouders over gehad. Bart en ik houden van elkaar. Mijn appartement in Den Haag heb ik inmiddels verkocht! Woensdag vertrek ik!’

‘Dat is mij een verhaal Cinthia! Ik wens je alle goeds toe daar in dat verre Canada!’

‘Dank je Herman, erg sympathiek van je!’

‘Heb jij eigenlijk een vriendin, je ziet er, eerlijk gezegd, erg leuk uit!’

‘Dank je voor je compliment! Eerlijk gezegd ben ik nog steeds verliefd op mijn buurmeisje, waar ik jaren geleden naast woonde en ik vertelde haar het verhaal en over de teleurstelling in de liefde. Ik zag dat ze aandachtig naar mij luisterde en ze zei plotseling:

‘weet je Herman, als ik jou was zou ik eens met Tineke gaan praten, want misschien is er wel wat anders aan de hand geweest en berust alles misschien op een misverstand. Waarom ben je niet eerder naar haar toegegaan, want jij bent degene die toen wegliep uit het restaurant?’

‘Ik voelde mij op dat moment verraden Cinthia en wilde niets meer met haar te maken hebben!’

‘Maar de tijd gaat snel Herman en als je te lang wacht, komt er een tijd dat het te laat voor de liefde is!’

‘Je hebt misschien wel gelijk en ik ben blij dat je mij dit zetje hebt gegeven. Eigenlijk wist ik dit zelf ook al, maar stopte mijn gevoelens maar steeds weg. Binnenkort ga ik praten met haar, dat beloof ik je!’

‘Nee, Herman je moet het jezelf beloven!’

‘Maar weet je, er is nog een vrouw die steeds mijn gezelschap opzoekt. Ze ziet er knap uit en is breed georiënteerd in allerlei zaken. Ze doet erg haar best om mijn aandacht te trekken!’

´Je moet je intuitie volgen Herman, dan komt de rest vanzelf wel!´

‘Ik vond het prettig je ontmoet te hebben, maar het wordt nu weer tijd om naar huis te gaan en jij moet naar je pension terug. Jij hebt morgen en maandag nog een vrije dag en dan moet je dinsdag weer gaan werken, vertelde je mij!´

‘Dat klopt Cinthia, ik wens je veel geluk met Bart en ben blij je ontmoet te hebben, want door jouw visie zie ik opeens de dingen in een andere context! Wel wilde ik je nog vragen om een trouwkaart met foto naar mij op te sturen als je dat wilt?’

Uit haar tas pakte ze haar agenda en scheurde er een stukje papier uit. Schrijf hier je adres maar op Herman?

Toen wij richting de uitgang liepen, kwamen wij langs het bekende fotobord. Tussen de foto’s pakte ze onverwachts twee foto’s eruit en zei: ‘kijk eens Herman, wij staan er samen goed op. Hier heb je als aandenken een foto van mij en de andere hou ik zelf en ze betaalde de fotograaf.’

‘Dat is een leuke herinnering Cinthia!’

Buiten op de parkeerplaats stapte wij in de auto en even later stond ik weer voor de deur van het pension.

´Bedankt Herman, leuk je ontmoet te hebben!’

´Jij ook bedankt Cinthia en ik gaf haar een handkus! Haar wangen kleurde rood. Ze stapte in de auto, toeterde, reed weg tot ze uit mijn gezichtsveld was verdwenen.

Met een leeg gevoel stapte ik het pension binnen en liep regelrecht naar mijn kamer. Cinthia was voorgoed uit mijn leven verdwenen.

Morgen was het zondag en ik had mij voorgenomen de binnenstad van Den Haag eens te bekijken met wat bezienswaardigheden, zoals de Gevangenpoort en ook een permanente tentoonstelling van kunstschilder Esscher stond op mij verlanglijstje. In die paar dagen had ik toch veel gezien.

De dag van mijn vertrek was aangekomen. Onderweg naar huis zat ik relaxed in een coupé van de trein. De zeelucht had mij goed gedaan. Die paar dagen voelde voor mij alsof ik een week was weggeweest en dat was een goed teken. Cinthia had mij een goede raad gegeven om toch eens een gesprek aan te gaan met Tineke. Als je nu niets doet, dan komt er nooit meer iets van Herman had ze gezegd, maar thuis in Renslo had ik eerst nog een zakelijke ontmoeting met Heleen over de ‘jongerenoverlast’. Bij het uitstappen uit de trein zag ik mijn vertrouwde auto staan op de parkeerplaats, stapte in en reed naar huis.

Bij thuiskomst schreef ik wat afspraken in mijn agenda en deed deze vervolgens in de binnenzak van mijn blazer. Na het eten van een pizza die nog in mijn vriezer lag ging ik languit op mijn bank liggen en keek de rest van de avond naar de televisie.

 

De volgende ochtend was ik al vroeg op kantoor.

‘Goedemorgen Herman! je bent vroeg op de redactie, zei redacteur Odijk tegen mij en hoe zijn je vrije dagen bevallen?’

‘Uitstekend mijnheer!, ik ben naar de provincie Zuid-Holland geweest, om precies te zijn naar de kustplaats Scheveningen. Ik had mijn intrek genomen in een leuk pension met de naam ‘de Zeemeeuw’!’

‘Erg toepasselijk voor een pension aan de kust, Herman!’

‘Het is een echte aanrader dat pension, het is er keurig netjes en het personeel is aardig!’

‘Bedankt voor de tip, Herman! en hij liep weg.’

Toen de redacteur weer achter de deur was verdwenen, belde ik mijn moeder op om te vertellen dat ik weer terug was van weggeweest.

‘Heb je genoten jongen aan de kust, zei ze?’

‘Ja moeder het was fantastisch en de volgende keer neem ik u mee!’

‘Verder alles goed met u, vroeg ik nogmaals?’

‘Ja, hoor Herman, ik zie je gauw!’

‘Dag moeder! en ze hing op.

Rond lunchtijd ging ik, zoals afgesproken naar  croissanterie Bluemink. De zaak stond aan het Dorpsplein. Door de etalage zag ik Heleen al zitten. Ze was weer stipt op tijd.

‘Hallo Herman, zei ze, toen ik aan haar tafel stond. Ik heb net een croissant met Brie voor mijzelf besteld en een kop thee!’

‘Dan loop ik nu door naar het buffet om voor mijzelf iets te bestellen en ik bestelde een croissant met kaas, een met ham en een kop zwarte koffie.

Ik liep terug naar de tafel en nam plaats naast Heleen die er weer vlot uitzag. Uit mijn binnenzak haalde ik mijn agenda en legde deze voor mij op tafel neer.

‘Wat ben je bruin in je gezicht Herman, waar ben je eigenlijk geweest in die paar dagen?’ Ik had het nog aan je redacteur gevraagd, maar die liet niets los!’

‘Dat is maar goed ook Heleen, maar om een tipje van de sluier op te lichten, ik ben naar het strand geweest! Trouwens, jij had mij iets te vertellen Heleen, was de afspraak!’ Wel verdorie nu heb ik mijn laptop in de achterbak van mijn auto laten liggen om het verslag op te nemen. Ik ben zo terug en voordat ze iets tegen mij zou zeggen, was ik al bijna bij de uitgang.’

Ze zag de agenda van Herman voor haar liggen en werd opeens nieuwsgierig.

‘Wat voor afspraken zou hij hebben en met wie? Zou ze in zijn agenda kijken en ze tilde voorzichtig de omslag van de agenda omhoog. Wat doe ik nou, bedacht ze zich ineens! Het kan toch geen kwaad om in zijn agenda te kijken, want hij was toch even weggegaan. Ze sloeg zijn agenda open en deed de deksel open van haar laptop en noteerde wat gegevens van afspraken die de komende tijd nog moesten plaatsvinden. Zonder blikken of blozen deed ze de agenda dicht en ook haar laptop. Op hetzelfde moment kwam het meisje van het buffet de zwarte koffie en twee croissants brengen.

‘Waar is die mijnheer gebleven mevrouw?’

‘Hij komt zo weer terug hoor, ik zet de schotel wel bovenop zijn kopje!’ en het meisje liep terug naar het buffet.

‘Wat duurde het lang voordat hij weer terug was, dacht ze!

Maar opeens stond hij voor haar.’

‘Ik moest nog een eindje lopen, want mijn auto kon ik niet voor de deur kwijt!’

Ik ging weer naast haar zitten en nam een slok van mijn koffie en een hap van mijn croissant met kaas. De andere met ham bewaarde ik nog even.

‘Wat heb jij mij eigenlijk te vertellen Heleen, vroeg ik nogmaals aan haar?’

‘Weet je nog dat Hans Heskes vertelde over de ‘hangjongeren’ op het Dorpsplein. Ik heb toen die kwestie besproken in de gemeenteraad en wij zijn toen tot de conclusie gekomen dat er een oplossing moet komen. Mijn idee besprak ik met de raadsleden en zij vroegen of ik een en ander wilde regelen. Op  een zekere dag had ik een gesprek met Bert Timmermans van café ‘De Blauwe Ruiter’. De gemeente wilde tijdelijk de feestzaal huren als activiteitenruimte voor de jongeren, omdat ze hun vertrouwde buurtcentrum ‘Kom Op’ moeten missen vanwege de asbest die in het gebouw was gevonden en verwijderd moet worden. Alle spullen van ‘Kom Op’ worden tijdelijk overgebracht naar de feestzaal. Omdat het een tijdelijke oplossing is, ging Bert akkoord met ons verzoek. Graag willen wij dat dit verslag in de Dorpskrant komt en de krant ook wordt uitgedeeld op de scholen.

‘Wat een goed idee, van jou Heleen! Zo hebben de jongeren toch nog op korte termijn een leuke ruimte om zich te vermaken!’

‘Zou je het verhaal en de verzending morgen willen verwerken Herman?’

‘Dat doe ik Heleen!’

Ik nam nog een laatste hap van mijn croissant, pakte het andere broodje van het bord en wikkelde het in een servet.

’Ziezo, Heleen ik ga naar de redactie en ik deed mijn laptop dicht. Van de tafel pakte ik het verpakte broodje en nam het mee.

‘Eigenlijk wilde ik je nog wat vragen Herman?’

‘En dat is Heleen?’

‘Wij kennen elkaar alweer een tijdje en ik vind je erg aardig. Hoe zou je het vinden om eens een keer met mij uit eten te gaan?’

‘Als zakenrelatie kunnen wij dat wel eens doen Heleen, alleen niet op korte termijn, want ik heb nog wat afspraken staan. Je zult nog even geduld moeten hebben!’

Ik zei haar gedag en liep gehaast naar de deur van de croissanterie op weg naar kantoor, want er lag nog werk op mij te wachten. Aan het eind van de week had ik nog een afspraak staan bij Heren- en Dameskapsalon ‘De Perfecte Knip, hier in de buurt.

‘s Middags had Heleen een ‘mental coach sessie’ bij haar thuis in haar villa. Ze woonde er alleen en had een zee van ruimte. Zo dadelijk zou er kantoorpersoneel komen van een levensverzekeringsmaatschappij uit de regio voor een training. Ze vulde alvast de kannen met water voor de koffie en voor de thee. Toen de gasten na twee uur weer waren vertrokken, liep ze naar haar werkkamer waar haar laptop open stond en las de berichten die ze uit de agenda van Herman had overgetypt en zag dat de eerste afspraak een bezoek aan de kapper was. Ze kende de kapperszaak wel, want ze liet zelf haar haren regelmatig knippen. Een leuke gelegenheid om hem weer eens te ontmoeten. Ze had het lef gehad om hem te vragen om een keer met haar uit eten te gaan, maar kreeg toch de indruk van hem dat hij een afwachtende houding had. Ze had het etentje gepland als privéaangelegenheid en niet voor zaken. Wat moest ze toch doen om zijn aandacht te trekken, vroeg ze zich af? Misschien moesten er wat meer ontmoetingen volgen?

Uw haar is inderdaad te lang mijnheer Dankers, zei een van de kapsters toen ik net in een zwart leren kappersstoel ging zitten. Er mag best wel wat vanaf hoor, het haar valt al over uw boord!’

‘Ja, dat heb ik gezien en ik krijg mijn haar niet meer in model. Knipt u er maar wat vanaf, maar ook weer niet tekort hoor? Het laatste wat ik zei had ze blijkbaar niet gehoord, want ze liep weg en pakte uit een kast die achterin de zaak stond twee handdoeken. Toen ze terug kwam, herhaalde ik de laatste zin nog eens.’

‘Het komt in orde mijnheer Dankers maakt u zich maar niet bezorgd, glimlachte ze!’

In de verte hoorde ik de bel van de deur van de kapsalon. Ik keek op zij en zag Heleen van Dam binnenkomen. Een andere kapster liep naar haar toe, nam haar jas aan en hing deze op aan een houten staande kapstok die in een hoek van de kapsalon stond. Gaat u hier maar zitten, hoorde ik haar zeggen tegen Heleen en ze gaf haar een tijdschrift. Een oudere dame naast mij was blijkbaar klaar, stond op en liep naar de balie om af te rekenen. Heleen stond meteen op en kwam pardoes naast mij zitten. Mijn kapster was intussen bezig met mijn haar en vroeg aan mij waarom ik zo’n bruine teint had?

‘Bent u naar de zonnebank geweest, mijnheer Dankers?’

‘Nee hoor! een kuurtje aan zee, het was zulk mooi weer, zei ik tegen haar. De kapster ratelde maar aan een stuk door onder het knippen en vroeg het hemd van mijn lijf, maar ik omzeilde al haar vragen, want Heleen mengde zich op een zeker moment ook in het gesprek.

‘Ik ben naar een kustplaats geweest ergens in Zuid-Holland, maar ik wil het hierbij laten dames en er viel plotseling een stilte.

‘U bent geknipt hoor, zei de kapster alweer, om de stilte te doorbreken!’

‘Je ziet er weer goed uit Herman, zei Heleen!’

‘Dank je Heleen!, waar heb ik dat ooit meer gehoord, dacht ik bij mijzelf en ik stond op en betaalde voor mijn nieuwe coupe. Ik  stapte naar buiten en liep naar mijn kantoor.

Het ‘Open Huis’ van Herman lag alweer in het verschiet. Ze had het leuk gevonden dat hij zijn oude buurmeisje niet was vergeten uit te nodigen. Ze woonde nu al jaren naast mevrouw Dankers. Eigenlijk was van begin af aan het huis te groot voor haar geworden, want ze was al die jaren alleen. In het verzorgingstehuis had ze haar ouders gesproken dat ze van plan was om te gaan verhuizen naar de rand van het dorp. Het was er wat groener en rustiger. Je moet maar kijken hadden ze tegen haar gezegd. Het huis wat je hebt gezien ligt wel een stuk verder uit de buurt van je werk, had moeder tegen haar gezegd. Ze had een auto en was binnen tien minuten op de zaak, had ze haar verteld. In De Dorpskrant had ze een boswachters woning te huur zien staan en ze was op een gegeven moment op de fiets gestapt om te gaan kijken. Het huis was haar goed bevallen. Het had twee slaapkamers in plaats van drie, maar dat was voor haar groot genoeg vond ze. Er was een grote woonkamer, een keuken met bijkeuken en een kleine vliering. Ze woonde nu niet ver bij Heleen van Dam vandaan, haar beste vriendin. Ze had de knoop doorgehakt en ging binnenkort verhuizen. Niemand wist nog van haar verhuisplannen af, behalve haar ouders dan. Mevrouw Dankers wist ook nog van niets. Vanavond zou ze Herman onverwachts een bezoek brengen, want als ze hem zou opbellen, was ze bang dat hij haar weer zou afwijzen. Dan maar de gok nemen, mompelde ze. Het heeft nu te lang geduurd en wil ik eindelijk eens mijn verhaal kwijt aan hem.

Na het avondeten las ik het verslag van Heleen nog eens door. Op een paar correcties na verzond ik het geheel via email naar mijn redacteur. Twee overhemden lagen nog ongestreken op de strijkplank in mijn slaapkamer. Die zal ik eerst maar eens gaan strijken, alvorens ik televisie ga kijken. Cinthia was gisteren voorgoed vertrokken naar haar geliefde Bart in Canada. Ergens had ik nog een foto van haar. Na het strijken liep ik terug naar de woonkamer en keek in  mijn rugzak en pakte de foto eruit die ze mij had gegeven. Het was een knap meisje om te zien en ik vond het fijn dat ik haar onverwachts had ontmoet. Ze had mij die foto gegeven als aandenken en ik legde de foto op de salontafel neer. Ik deed de televisie aan, keek naar een detective en nestelde mij in een van mijn bruine ribcord kussens.

Eigenlijk kon ze het niet maken om steeds maar op afspraken te zijn waar Herman ook was, want dat zou gaan opvallen, bedacht ze zich ineens. Het was bij die ene ontmoeting gebleven bij de kapper. Maar door zijn afstandelijkheid werd ze onrustiger merkte ze. Wat had hij nou ook weer tegen haar gezegd. Hij wilde een keer zakelijk met haar uit eten gaan, maar alleen op een moment dat het hem uitkwam. Voor haar gevoel duurde het zolang, voordat hij uit zichzelf een afspraak met haar maakte, daarom deed ze het zelf maar. Vanavond was ze van plan om onverwachts naar hem toe te gaan om haar gevoelens aan hem te ventileren.

De bel van mijn woonboot rinkelde. Wat gek, ik heb toch met niemand een afspraak, bedacht ik mij ineens!’.

Op mijn sokken liep ik naar mijn deur en zag tot mijn grote verbazing bij het openen van mijn deur Tineke staan.

‘Jij hier Tineke, is er wat gebeurd?’

‘Nee, er is niets gebeurd Herman, alleen heel lang geleden, weet je nog? Ik wil al heel lang met je praten over de kwestie van een aantal jaren geleden. Iedere keer als ik dat wil dan komt er iets tussen beiden. Het ligt al die tijd maar zwaar op mijn maag!’

Ik keek haar aan en zei: ‘kom toch binnen, want ik laat je niet voor mijn deur staan! en ze stapte naar binnen.’

‘Neem plaats Tineke, wil je soms koffie?’

‘Graag Herman, een ‘opkikker’ heb ik wel even nodig denk ik. Voordat je mij in de reden valt, wil ik graag eerst mijn verhaal doen, want het is nogal emotioneel voor mij, omdat mijn overleden poes Mimi er deels bij betrokken is geweest’. Tijdens de koffie vertelde zij mij uitgebreid haar verhaal en ik zat verbijsterd te luisteren.

‘Nu heb je gehoord wat de reden was, dat Johan mij omarmden en mij naar zich toetrok. De reden was mijn lieve poes Mimi, die op de dag dat jij mij zag met Johan, was aangereden door Johan zijn bestelauto. Maar wat ik nog erger vond Herman, is dat je nooit de moeite hebt genomen om te vragen wat er nou werkelijk aan de hand was. Ik liep je nog achterna om het aan je te vertellen en riep nog naar je: ‘Herman!‘het is niet wat het lijkt!’ De rest van het verhaal weet jezelf. Ik probeerde je nog te bellen, maar zonder succes, want je nam niet op!’.

‘Wat ben ik stom geweest Tineke al die jaren, dat ik niet eerder naar je toe ben gekomen. Ik was teleurgesteld in jou en begreep niet waarom je werd omarmd door Johan. Ik was bang dat je vreemd was gegaan. Wij hadden elkaar namelijk trouw beloofd, maar toen ik jullie zag werd ik jaloers.’

‘Ik heb je nog iets te vertellen Herman! Na jaren naast je moeder te hebben gewoond ga ik binnenkort verhuizen naar de rand van het dorp in de buurt van de villa van Heleen. Het ouderlijk huis is al jaren te groot voor mij en mijn ouders zullen er nooit meer gaan wonen, want zoals je weet verblijven zij in een verzorgingstehuis in Winterwijk. Mijn vader is aan het dementeren en met mijn moeders gezondheid is het ook niet al te best. Mocht het zo zijn dat mijn moeder vroeg of laat toch wordt ontslagen uit het verzorgingstehuis, dan is er in mijn nieuwe woning een extra kamer voor haar. In De Dorps krant stond een boswachters woning te huur en heb het inmiddels gehuurd. De boswachter die er ooit woonde is overleden. Binnenkort ga ik verhuizen en zoek nog wat hulptroepen. Als jij iemand weet misschien?’

‘Heb je het mijn moeder al verteld Tineke?’

‘Nee, Herman nog niet! Jij bent de eerste die het nu weet!’

‘Wil je nog koffie Tineke?’

‘Maar dat is dan het laatste kopje koffie hoor! en ik liep naar mijn keuken met de twee kopjes in mijn handen. Wat een ‘sukkel’ was ik en dat is nog zacht uitgedrukt, mompelde ik zacht.’

Bij binnenkomst met de koffie schoof Tineke wat paperassen opzij die op mijn salontafel lagen. Opeens zag ze de foto van Cinthia en mij in Madurodam.

‘Wie is die vrouw Herman, is dat een vriendin?’

‘Afgelopen weekend heb ik haar ontmoet op Scheveningen. Ik had namelijk een lang weekend verlof genomen en besloot naar de Noordzeekust te gaan. De vrouw van de foto en ik zijn samen op stap geweest!’

‘Wat een leuke vrouw om te zien Herman, zei ze met een teleurstellende stem!’

‘Het is inderdaad een knappe vrouw die Cinthia en ze is nog aardig ook, zei ik weer!’

‘Jullie staan samen zo leuk op de foto Herman!’

‘Maar het is niet wat het lijkt hoor, zei ik tegen haar!’

‘Een bekende term, die ik meer heb gehoord, Herman!’

‘Ik zal het je vertellen Tineke! Ten eerste is ze geen vriendin van mij en zal dat ook nooit worden en ik vertelde haar van de onverwachte ontmoeting op het terras op de Scheveningse boulevard, het uitje naar Madurodam en haar emigratie naar Canada wegens een op handen zijnde bruiloft.

‘Zo zie je maar weer Herman, dat wij vaak te snel oordelen, voordat wij weten hoe de situatie werkelijk is, net zoals die kwestie van toen.

‘Weet je Tineke, eigenlijk ben jij mij net voor, want ik was een dezer dagen van plan geweest om een afspraak met je te maken over hetgeen wij zojuist hebben besproken. Eigenlijk heb ik dit alles te danken aan Cinthia, de vrouw op de foto, want zij adviseerde mij om met jou te gaan praten over alles wat mij dwarszat. Door dat gesprek vielen de schelven van mijn ogen af! Ik weet nu dat wij er samen veel verdriet van hebben gehad en heb altijd nog van je gehouden, meisje!’

‘Eerlijk gezegd Herman hou ik ook nog steeds van jou en ben je nooit uit mijn gedachten geweest. Wij zijn samen opgegroeid aan de Klinkweg tegenover het Dorpsplein. Na je terugkeer uit Zuid Afrika kwam het tussen ons nooit meer tot een diepgaand gesprek en bleef het bij oppervlakkig geleuter. Het gaf mij altijd een onbevredigend gevoel. Het huis waar ik nu woon werd een obsessie voor mij en moest ik steeds denken aan de goede herinneringen die wij hadden. Nu ga ik dus verhuizen naar een andere buurt!’

‘Het zou voor mijn moeder wel vreemd zijn als je binnenkort niet meer naast haar zal wonen!’

‘Eerlijk gezegd had ik de laatste jaren niet veel persoonlijk contact meer met haar, door onze perikelen Herman en ik werk de hele week, zoals je weet!’

‘Weet je Tineke, er is nu een hele last van mijn schouders afgevallen en het is fijn te horen dat onze gevoelens voor elkaar al die jaren nog steeds hetzelfde zijn gebleven. De tijd zal leren hoe een en ander zal verlopen. Wel wil ik je nog even zeggen, dat al een hele tijd jouw vriendin Heleen om mijn aandacht vraagt. Ik heb gemerkt dat ze er van alles aan doet om mijn aandacht te trekken. Laatst vroeg ze aan mij of ik met haar uit eten wilde gaan en heb toen in principe ‘ja’ gezegd tegen haar, maar alleen op zakelijk gebied en als ik tijd had. Geloof me, ze ziet er goed uit, dat moet ik zeggen, maar haar opdringerige gedrag geeft mij een negatief gevoel en een relatie met haar is het laatste waar ik aan denk. Om haar tevreden te stellen, dacht ik er wijs aan te doen om nu met haar uit eten te gaan, omdat ze het vroeg, maar eerlijk gezegd heb ik er eigenlijk helemaal geen zin in. Je weet dat mevrouw Kraakman de roddelaarster van de buurt altijd op haar hoede is voor een roddel en ik heb geen zin in ellenlange discussies met haar!’

‘Misschien is ze wel verliefd op jouw Herman, daar zie ik haar best voor aan. Je zou de eerste en de laatste niet zijn die ze om haar vinger heeft gewonnen. Ze is een goede vriendin, maar ik weet dat ze om aandacht schreeuwt en steeds het gezelschap opzoekt van mannen!’

‘Degene van wie ik eigenlijk al jaren hou dat ben jij en ik pakte haar opeens vast om haar middel en trok haar naar mij toe.

‘Mag ik je kussen Tineke, het is alweer zo lang geleden, vroeg ik haar?’

‘Daar heb ik nu de laatste jaren op gewacht Herman en ze legde haar handen om mijn hals en trok mijn hoofd naar haar toe.  Er volgde een lange en innige kus. Opeens werden wij opgeschrikt door het geluid van de deurbel.

‘Nou, nou, het is druk vanavond er is alweer visite en ik weet van niets, zei ik tegen haar!’ ‘Wie zou dat nou kunnen zijn?’

Via de brede loopplank stapte Heleen op het dek van de woonboot en trok aan de bel. Op hetzelfde moment keek ze zijdelings naar binnen via het raam en zag Herman staan in innige omhelzing met haar beste vriendin Tineke en voelde zich onaangenaam verrast!’

‘Wat deed Tineke hier zo laat op de avond, vroeg ze zich af?’ Ze voelde een steek van jaloezie. Tineke in innige omhelzing met Herman! Hoelang hadden ze al een relatie en waarom heeft Tineke niets aan haar verteld? Net op het moment dat ze boos weg wilde lopen, ging opeens de deur open en zag ze Herman in de deuropening staan samen met Tineke.’

Enigszins verbaasd zag ik Heleen voor de deur staan en ze keek boos naar Tineke en daarna naar mij.

‘Scheelt er iets Heleen, dat je zo laat op de avond mij een bezoek wil brengen, wij hebben toch niets met elkaar afgesproken is het wel?’

‘Ehh, eerlijk gezegd wilde ik met jou ergens over praten Herman? Maar eigenlijk kom ik ongelegen zag ik, want mijn beste vriendin was in innige omhelzing met jou!’

‘Mijn privéleven gaat je eerlijk gezegd niets aan Heleen en ga je mij ook nog eens bespieden, want het valt mij de laatste tijd wel op dat je mij bijna geen moment met rust laat. Als je iets aan mij wil vragen dan kan dat toch ook op kantoor of door de telefoon! De kwestie van de ‘hangjongeren’ is mij nu wel duidelijk hoor!’

‘Nee, Herman, het gaat niet over de hangjongeren, maar over onze afspraak om samen uit eten te gaan, weet je nog?’

‘Ben ik niet duidelijk geweest Heleen? Wat wil je nou eigenlijk van mij?’

‘Je zei Herman, dat je ‘zakelijk’ met mij uit eten wilde, maar mijn bedoeling was een romantisch etentje, want ik ben al een hele tijd verliefd op je en wilde je dat tijdens het etentje aan je vertellen!’

Mijn mond viel open van verbazing!

‘Zeg Herman, ik ga nu maar naar huis, misschien is het beter om dit met Heleen uit te praten onder vier ogen, zei Tineke ineens!’

‘Nee, Tineke het lijkt mij een beter idee dat Heleen binnenkomt en wij met z’n allen hierover gaan praten en ik sommeerde Heleen om binnen te komen.

Wij gingen zitten aan mijn witte houten tafel en het gesprek kwam weer op gang.

‘Vertel op Heleen, wat heb je nog meer te vertellen?’

‘Het deed mij pijn toen ik jou met mijn beste vriendin innig zag kussen, want, zoals ik al zei, ik ben al sinds enige tijd verliefd op jou. Iedere keer als ik je zie krijg ik de kriebels in mijn buik. Door jouw afstandelijke houding wil ik jou juist veroveren, maar tot heden lukt mij dat niet zo. Je bent sympathiek en altijd voorkomend en ziet er ook nog goed uit. Sinds kort kwam ik op een idee om samen met je uit eten te gaan, maar jij nam weer een afwachtende houding aan. Nu zie ik dat je een relatie hebt met Tineke en ik heb daar nooit iets van gemerkt en Tineke heeft er ook nooit iets tegen mij over gezegd, nietwaar Tineke?’

‘Weet je Heleen, je bent een aardige vrouw en je ziet er goed uit, dat moet ik toegeven, maar ik ben niet verliefd op jou en zal dat ook nooit worden, want reeds jaren geleden hield ik al van Tineke, maar door persoonlijke omstandigheden, hadden wij bijna geen contact meer met elkaar. Deze avond hebben wij, na jaren, een goed gesprek met elkaar gehad en zijn tot de conclusie gekomen, dat onze liefde voor elkaar nog even sterk is dan in het verleden.

‘Ik zag dat ze ‘wit’ wegtrok. Opeens richtte ze zich naar Tineke en zei boos: ‘waarom heb je nooit tegen mij gezegd dat je nog steeds verliefd was op Herman?’

‘Maar ik wist al die tijd niet dat jij verliefd was op Herman Heleen! Als ik weleens met je op stap ging merkte ik vaak dat je oog had voor het mannelijke volk en kreeg ik het gevoel, dat je niet serieus op zoek was, maar dat het een spel van je was. Ik nam je grillen steeds maar voor lief!’

‘Nou een mooie vriendin bij jij Tineke, om zo over mij te oordelen en succes met Herman hoor! en ze schoof haar stoel naar achteren en zonder gedag te zeggen trok ze de deur open, stapte over de hoge drempel heen en liep met snelle pas richting haar auto.

‘Ik ga nu ook maar naar huis Herman, het is al laat. Wat jammer dat het gesprek zo is gelopen!’

‘Maak je maar niet bezorgd om Heleen hoor Tineke, die trekt wel weer bij. Ze weet nu hoe ik er over denk en dat ze niets in haar hoofd hoeft te halen betreffende een relatie en ik gaf haar een speelse kus op haar voorhoofd. En als je hulp nodig hebt om te verhuizen dan hoor ik het wel. Samen met een aantal dorpsgenoten en ikzelf ben je binnen de kortste keren verhuisd!’

‘Zo spoedig mogelijk zal ik je moeder inlichten Herman, over mijn verhuizing!’

‘Doe dat meisje en ik bracht haar naar de deur. Bij het weggaan keek ik haar na en dacht aan de woorden van Cinthia die ervoor hadden gezorgd dat Tineke en ik vanavond weer tot elkaar waren gekomen na lange tijd.’

Over morgen was het 6 september, de dag van het jaarfeest. In de afgelopen maanden was er veel gebeurd. Ik had inmiddels een trouwkaart met foto ontvangen van Cinthia en liet deze zien aan Tineke.

Ik had inderdaad een paar dorpsgenoten opgetrommeld om Tineke te helpen met haar verhuizing. Zelf reed ik de bestelbus en deed hand- en spandiensten. Ze woonde er nu alweer een paar weken en had het naar haar zin. Samen met mijn moeder hadden wij haar een bezoekje gebracht. Een van de hangjongeren had de redactie gebeld met het verzoek een artikeltje in De Dorpskrant te plaatsen, dat de tijdelijke feestzaal bij Bert een goede optie was, want nu konden ze ook in het naastgelegen café gaan darten en snookeren. Maar één ding was mij in al die tijd opgevallen, dat ik al een tijdje Heleen niet meer zag en had gesproken. Het leek wel of ze van de aardbodem was verdwenen. Het enige wat ze deed was email sturen. Eerlijk gezegd maakte ik mij wel bezorgd om haar.

Ook Tineke had niets meer vernomen van haar vriendin. Ze kwam ook niet meer naar het café. Wat zou ze graag met haar willen praten, want zo kon het niet langer. Ze waren tenslotte al jaren vriendinnen. Op haar telefoon belde ze Herman met het verzoek ‘wat nu te doen? Ik blijf steeds maar aan Heleen denken Herman!’

‘Ik ook Tineke!’

‘Zullen wij dan maar vanavond naar haar toe gaan Tineke, toen ik haar prevelement had aangehoord?, want opbellen heeft geen zin denk ik!’

‘Ik kom je vanavond na het diner ophalen, zei ik weer!’.

Samen stonden wij voor de villa van Heleen. Haar rode auto hadden wij al zien staan op het grindpad. Ze was in ieder geval thuis, dat was een ding wat zeker was. Ik drukte op de deurbel en hoorde een geluid van een ‘ding dong’. Een zware deur met koperbeslag ging open en Heleen stond in de deuropening. Met een verbaasde blik keek ze ons aan. Ik schrok van haar onverzorgde uiterlijk. Haar blonde haar zat door de war,
alsof ze net uit bed was gekomen, ze droeg geen make up en had een lang Indiaas gewaad aan waaronder gevlochten teenslippers zichtbaar waren. Ze deed een stap terug en verstopte zich deels achter de voordeur.

‘Wat doen jullie hier vroeg ze op nerveuze toon?’

‘Wij wilde eens weten hoe het met je gaat Heleen, want wij hebben na het gekrakeel op mijn woonboot niets meer van je vernomen en zien wij je ook niet meer in het dorp. Het enige contact wat ik nog met je heb is jouw email, maar daar blijft het ook bij!’

‘Ik wil met niemand meer iets te maken hebben en ben het liefst maar thuis, zei ze weer!’ En wat moet jij hier Tineke, jou wil ik hier zeker niet zien?’

‘Waarom Heleen? Wij zijn al zolang vriendinnen en ik wil niet dat onze vriendschap verloren gaat!’

‘Herman en ik willen je uitleggen wat er de afgelopen jaren is gebeurd, misschien begrijp je dan de situatie!

Haar stem werd wat milder en ze zei: ‘oké, ik geef toe dat ik kwaad op jullie was en heb de afgelopen tijd over hetgeen Herman had gezegd nagedacht. Maar vanavond wil ik niet met jullie praten, want ik ben er niet op gekleed zoals jullie zien!´

‘Laten wij afspreken dat wij elkaar morgen avond ontmoeten in het café van Bert Timmermans!’

‘Misschien, zei ze! en ze sloot zonder nog iets te zeggen, de voordeur.

De volgende avond waren wij al vroeg in het café.

‘Zou Heleen nog komen Herman, want wij zitten hier nu al een uur, vroeg ik aan hem?’

‘Kijk Tineke, daar komt ze net aangelopen!’

Bij binnenkomst zei ze ons flauwtjes gedag en ging zitten tegenover Tineke. Blijkbaar had ze slecht geslapen want ze had donkere kringen om haar ogen, zag ik.

‘Wil je misschien iets drinken Heleen, vroeg ik aan haar?’

‘Nee, dank je Herman ik heb geen dorst!’

‘Zoals je weet Heleen hebben Tineke en ik vanaf onze jeugd naast elkaar gewoond en trokken met elkaar op. Tijdens onze pubertijd werden wij verliefd op elkaar. Wij hadden elkaar op enig moment trouw gezworen, want ik zou twee maanden vertrekken naar Zuid Afrika om mee te helpen aan de bouw van een weeshuis voor kansarme kinderen. Net voor mijn vertrek gebeurde er iets tragisch en ik vertelde haar over de dood van Tineke haar poes Mimi en de innige omhelzing met Johan en het verloop ervan.

Nadat ik haar het verhaal had verteld, sloeg ze haar handen voor haar mond en begreep ze eindelijk de situatie.

‘Daarom was je zo afstandelijk tegen mij Herman, je was nog steeds verliefd op Tineke! Door mijn verliefdheid voor jou, werd het een obsessie voor mij en kon ik je maar niet uit mijn hoofd zetten. Maar langzamerhand kwam ik tot de conclusie dat ik de enige was die verliefd op jou was!’

‘Ik heb nu eigenlijk wel trek in een borrel, zei ze en ging onderuit zitten op haar stoel?’

‘Ik wenkte Bert om bij ons een bestelling op te nemen!’

‘En wat gaat er nu gebeuren, vroeg Tineke aan Heleen?’

‘Ik hoop dat wij vriendinnen kunnen blijven Tineke, want ik heb mij wel erg aangesteld de laatste maanden! En ook tegen Herman was ik niet vriendelijk!’

‘Ik ben blij dat wij alles hebben besproken, zei ik!’

Nadat Bert de bestelling had opgenomen aan onze tafel en de glazen op tafel stonden, toasten wij op de goede afloop!’

‘Morgen is het 6 september, de dag van het jaarfeest. Laten wij gezamenlijk feesten met elkaar?’

Het gekrakeel was voorbij en ik keek uit naar het feest dat ik samen met Tineke, Heleen, mijn moeder en onze vrienden zou vieren. En wat de toekomst brengen zou, dat lag nog in het verschiet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s