Er was eens een kleine, wijze boerin.

imagesCAUV3J5D

Het is zaterdagochtend. De zon komt op. Boerin Jannetje staat voor haar eikenhouten, groene deur van haar boerderij, haar armen over elkaar en neuriet een liedje. Naast haar deur prijkt het getal 3, dat als betekenis heeft: “de goede en slimme.” Door een ziekte is ze klein van postuur en heeft ze korte benen. De mensen uit haar dorp kennen haar als een vrolijke boerin die altijd voor een praatje te vinden is.

‘Ik zal eens kijken naar mijn koolraap’,  mompelt ze en loopt richting haar  akker.

Niet ver van haar boerderij vandaan ziet ze magere Frieda aan komen lopen met haar lange benen. Zolang ze haar kent draagt ze een zwarte ketting met het getal 2 om haar hals. Ze wist dat het getal 2 een tegengesteld getal was en dat het ”Goed of kwaad” zou het betekenen. Dat had ze ooit van een marskramer gehoord die ten tijde dat haar ouders nog leefden zijn marktwaar verkocht. Op sommige getallen rust een vloek, maar als men zich bekeert tot het goede dan krijg je een ander getal toegewezen had hij hun verteld.

Frieda staat plotseling voor haar, ze is de dochter van een herenboer en woont met haar ouders in een deftige Hofstede, niet ver van haar akker vandaan. Als Jannetje haar wil passeren groet ze haar, maar hooghartige Frieda heeft niets met die kleine boerin en wil zonder te groeten haar voorbij lopen.

‘Kun je mij niet groeten?’, vraagt Jannetje onverwachts aan haar.

‘Wat verbeeldt jij je wel om mij zo aan te spreken Jannetje. Ik ben de dochter van een herenboer en jij bent maar een keuterboerinnetje. Jij bent mij te min, ik daag je uit! Vanmiddag doen wij een wedstrijd wie het snelst door jouw akker heen en terug rent.’

Jannetje kijkt haar aan en zegt: ‘Oké, als jij dat graag wilt, maar dan op mijn voorwaarden, het is trouwens mijn akker. Als ik win dan moet jij mijn koolraap oogsten en mij voortaan groeten als wij elkaar zien.’

Dat is goed Jannetje en meteen denkt ze deze weddenschap wint ze nooit, ze is klein van postuur en heeft te korte benen.

‘Om 13.00 uur gaan wij starten’, zegt Frieda en wil doorlopen.

‘Eerst ga ik stevig ontbijten en dan zie je mij vanmiddag bij mijn akker Frieda.’

Onderweg naar haar boerderij denkt Jannetje, dat lukt mij nooit met mijn postuur. Voor mij is het bij voorbaat een verloren strijd. Frieda heeft lange benen en loopt dus sneller. Even later zit ze in gedachten verzonken aan het ontbijt en krijgt ze opeens een idee.

Dat ze daar niet eerder opgekomen is?  Wat Frieda niet weet  is, dat ze een tweelingzus heeft die in alles sprekend op haar lijkt.  Ze woont en werkt in de grote stad en is net als zij vrijgezel. Het is nu weekend. Ze pakt de telefoon, draait het nummer en hoort even later de stem van haar  zus Anne.

Ze vraagt haar of ze vanmiddag bij haar langs wil komen en legt uit wat de reden is van haar verzoek en vertelt haar idee. Anne vindt het prachtig en zegt: ‘ ik kom zo dadelijk naar je toe’. Bij aankomst groeten de zusters elkaar en doen ze beiden, zoals afgesproken dezelfde blauwe overall en zwarte kaplaarzen aan. Jannetje lacht in haar vuistje.

‘Wij zullen die verwaande Frieda eens een lesje leren’, zegt Anne tegen haar.

Een half uur eerder dan afgesproken lopen de tweelingzussen richting de akker van Jannetje. Stel je voor dat ze ons beiden zou tegenkomen, maar Frieda is nog nergens te bekennen.

‘De bedoeling is dus, memoreert Anne, dat ik aan de ene kant voor het hoge loof gaat zitten van de akker en jij aan de andere kant.’

‘Dat klopt, als je Frieda op enig moment ziet aan komen lopen door de akker, dan sta je op vanuit jouw positie en roept: ‘Hier ben ik.’ Zodra Frieda dan weer terugloopt roep ik hetzelfde als ik haar zie. Na afloop van het gebeuren kom ik vanzelf naar je toe Anne, als Frieda weer naar huis gaat en de kust veilig is.’

Jannetje brengt Anne naar de afgesproken plek. Het loof is even hoog als de kruin van Anne haar zwarte haar en ze wacht af wat er gaat gebeuren. Na verloop van tijd ziet ze door het loof Frieda aan komen lopen.

 ‘Ga nu maar gauw  naar je eigen plek Jannetje.’ Ze loopt met ferme pas langs haar akker en komt aan bij Frieda, die sarcastisch tegen haar zegt: ‘Dat valt niet mee om zo’n eind te lopen met jouw korte benen’, maar Jannetje zegt niets tegen haar en lacht in haar vuistje. Meteen na die sarcastische opmerking voelt Frieda dat haar ketting opeens zwaar wordt om haar hals, maar schenkt er verder geen aandacht aan.

‘Zullen wij nu maar gaan starten?’ vraagt Frieda aan haar. Ik zal tellen, ‘één, twéé, drie’ en weg rent Frieda, zonder zich om Jannetje te bekommeren.

Jannetje doet één stap in het loof van de koolrapen en blijft staan op haar plek. Ze maakt zich niet druk en denkt: ‘wat een sufferd’ is die Frieda, ze heeft in haar haast niet eens in de gaten dat ik nog niet gestart ben.

Aan de andere kant van de akker ziet Anne, die op haar tenen staat tussen het loof Frieda aan komen rennen. Ze rent zo hard dat het loof om haar heen zwiept en ze kijkt strak voor haar uit. Bijna is ze bij haar. Op dat moment  springt Anne omhoog en roept: ‘Ik ben hier!’

Frieda is stomverbaasd de kleine boerin te zien, maar ze weet niet dat het Anne is in plaats van Jannetje.

‘Hoe kan jij er nou eerder zijn dan ik met je korte benen?’, vraagt ze aan haar.

Zonder er nog over na te denken zegt Frieda:’ ‘Kom op’ nu nog terug rennen van waar wij zijn gestart.’  

Anne doet net of ze aanstalten maakt om te gaan rennen, maar Frieda wacht niet op haar, kijkt niet om en rent als een bezetene terug door de akker, waar Jannetje nu op haar wacht. Frieda kijkt alsnog om en ziet nergens de kleine boerin. Ze is zo klein dat ik haar niet ziet lopen tussen al dat loof denkt ze. Misschien is ze mij al gepasseerd, maar dat kan onmogelijk?

Aan het einde van de akker zwaait nu Jannetje met haar armen en roept: ‘Frieda, ik ben hier!’  

‘Ik wordt ‘gek’ denkt Frieda, ik snap er werkelijk niets van dat Jannetje er nu al is en wordt boos en driftig op haar. Meteen voelt ze dat de ketting om haar hals nog zwaarder wordt.

‘Wij doen nog een rondje’ zegt ze ‘pissig’ tegen Jannetje en kijkt naar haar als ze start. Jannetje rent een eindje met haar mee de akker in. Frieda ziet dat Jannetje er moeite mee heeft door het loof te rennen, rent door, kijkt halverwege achterom en ziet haar daarna niet meer. De ketting om haar hals irriteert haar. Onder het rennen wil ze de ketting af doen, maar krijgt deze met geen mogelijkheid los. Nu ze bijna aan het eind van de akker is zwaait Anne naar Frieda en roept: ‘Ik ben hier!’  

Intussen is Jannetje het korte stukje weer teruggelopen naar het begin van haar akker en wacht geduldig op wat er komen gaat.

‘Ik ben het zat zegt Frieda doodmoe tegen Anne.’

‘Ik ook, hijgt Anne voor de grap. Kom op Frieda, laat je niet kennen, het is de laatste ronde en ze gaat alvast in haar startpositie staan.’

Voordat ze wil wegrennen is Frieda al verdwenen. Zoals afgesproken blijft ze op de plek staan waar ze moet wachten op Jannetje. Intussen heeft Jannetje wat aarde gesmeerd op haar gezicht en kleding, als Frieda aankomt.

‘Wat zie je eruit!’, zegt Frieda tegen haar.

‘Dat komt door al dat rennen tussen het loof, zegt ze smalend. Kijk maar eens naar jezelf, je ziet er ook niet zo fris meer uit Frieda.’

‘Je hebt gelijk, ik ben bekaf en begrijp nog steeds niet dat je elke ronde hebt gewonnen. Ik denk er niet meer over na en ga naar huis, neem een bad en ga daarna naar bed. Maar eerst wil ik je de hand schudden Jannetje en ik beloof mij voortaan te gedragen en niet meer hoogmoedig te zijn ook tegen andere mensen niet. Zoals afgesproken zal ik jouw koolraap oogsten. Je verdient het, eerlijk is eerlijk.’

Op het zelfde moment breekt de loodzware ketting van Frida haar hals en valt in de zachte aarde. Het voelt als een bevrijding. Ze kijkt naar de ketting. Tot haar grote verbazing ziet ze dat de zwarte ketting is veranderd in een goud exemplaar met een ander getal. Het getal 7.

‘Dat betekent ‘Innerlijke wijsheid’ Frieda’, zegt Jannetje. 

Frieda raapt het op en bekijkt de ketting aandachtig. Jannetje had alles zien gebeuren en moest meteen denken wat de marskramer ooit tegen haar ouders en haar had gezegd.

‘Deze ketting laat zien dat je jouw negatieve denkwijze hebt omgezet in het positieve Frieda, zegt Jannetje. De zwarte ketting met het getal 2, was een ballast voor jou. Nu heb je het getal 7 gekregen, een mooi getal.’

Frieda zegt niets meer als Jannetje de gouden ketting om Frieda haar hals doet. Ze bedankt haar en loopt beduusd richting de Hofstede.

Als Frieda uit het gezichtsveld is verdwenen loopt Jannetje op haar gemak naar haar zus Anne toe, die nog steeds op haar wacht.

‘Hoe is het uiteindelijk afgelopen?’, vraagt Anne aan haar.

‘De schelven zijn eindelijk van haar ogen gevallen en ze begrijpt dat ze anderen door haar hoogmoed heeft benadeeld.’

Ze vertelt haar over het wonderlijke verhaal van de ketting en de mystieke getallen. Al pratend lopen ze naar de boerderij van Jannetje.

‘Wat zie je er uit zus!’ , zegt Anne tegen haar.

‘Dat komt er van als je tussen het loof rent.’

Nu moeten ze beiden hard lachen.

‘Dit is nu een wijze les voor iedereen die het te hoog in de ‘kop’ heeft.’

‘Helemaal mee eens Jannetje’ en na het nuttigen van een drankje neemt ze afscheid van haar.

Vóór de herfst invalt oogst Frieda, zoals afgesproken, de koolraap van Jannetje en als ze haar ziet zegt ze Jannetje gedag en schudt haar de hand. Haar gouden ketting met het getal 7 draagt ze fier.

Jannetje weet haar geheim goed te bewaren. Frieda weet nog steeds niet wat er die middag in haar akker gebeurde en wil dat zo laten.

Uiteindelijk is de moraal van dit sprookje: ‘Hoogmoed komt voor de val.’

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s