DE ONBEKENDE VAN OVERZEE.

Motorschip Indrapoera

‘Wilt u koffie of thee mevrouw Parcher?’

‘Graag een kopje thee zonder suiker Jo!’

Ze stond op van haar eetkamerstoel en liep via de voorkamer het alkoof in richting de keuken die aan het einde van de lange gang was. Ze tapte een fluitketel halfvol met water voor mevrouw Parcher en haar zelf. Moeder wilde geen thee en ging rusten. Ze plaatste de fluitketel op het fornuis en deed het gas aan. In gedachten keek ze naar het blauwe vlammenspel van de gaspit.

Het was een vriendelijke vrouw mevrouw Parcher. Ze was klein van postuur met een licht gebogen rug, golvend zwart haar met grijze tonen. Ze was van Indische afkomst. Deze ietwat vreemde vrouw had ze regelmatig ontmoet. Ze wist waarvoor ze kwam. Haar moeder had een zwakke gezondheid en regelmatig last van een zenuwpijn in een van haar armen.

Mevrouw Parcher werd steeds vergezeld door haar enige dochter, die haar dan na verloop van tijd weer ophaalde bij  klanten. Mevrouw Parcher was helderziend en had van nature erg warme handen, waarmee ze haar klanten door middel van massage de pijn kon verzachten. De massage was zojuist gebeurd bij haar moeder, die als gewoonte had na de behandeling te rusten.

De fluitketel floot zo hard, dat vrijwel direct de dop er met een boog vanaf vloog en op de aanrecht belandde. Ze schrok ervan.  Ze schonk het kokende water in de gebloemde theepot met verse theeblaadjes en plaatste de bijbehorende kopjes, suikerpot en een theezeefje erbij en zetten het geheel op een dienblad en liep terug naar de voorkamer. Daar aangekomen zag ze mevrouw Parcher zitten met haar ogen gericht naar de ramen. Ze kuchte tweemaal en zetten het dienblad op de eetkamertafel neer.

‘Sorry mevrouw Parcher, ik wilde u niet laten schrikken.’

Ze keek omhoog en observeerde Jo. Ze zag er slank uit, had halflang haar en haar kleding zag er onberispelijk uit. Vrouwen van haar leeftijd waren al verloofd of getrouwd.

‘Zeg Jo, vertel mij eens: ‘hoelang woon je nu al thuis?’

Even viel er een stilte, want zo’n directe vraag had ze niet verwacht van mevrouw. Ze schonk de thee in de kopjes, ging zitten en ze vertelde haar dat ze inmiddels bijna 36 jaar was.

‘Heb je een relatie Jo?’

‘Nee, mevrouw, antwoordde ze’.

‘Vind je het goed dat ik je hand eens ga lezen en zal kijken wat de toekomst je brengen zal?’

De directe vragen overvielen haar, maar ze gaf alsnog haar rechterhand aan haar. Ze keek mevrouw Parcher zijdelings aan en zag –na enkele seconden- haar gezicht verstarren. Even rilde ze. Blijkbaar was deze vrouw in trance. Er werd niets gezegd, maar na enkele minuten voelde ze een korte tik in haar handpalm en begon ze  haar verhaal.

‘Je krijgt een goede man Jo, hij komt van over zee. Jullie verloven en trouwen binnen een jaar.’

Een man van over zee, verloven en trouwen binnen een jaar, ze begreep er niets van. Ze kende werkelijk niemand die hieraan voldeed. Sinds twee jaar had ze een vaste baan als coupeuse bij een gerenommeerde kledingzaak en atelier bij Maison de Bonneterie, aan de Gravestraat, in de binnenstad van Den Haag. Daarnaast had ze als oudste van het gezin de taak op zich genomen om haar zieke moeder bij te staan. Haar vader moest naar zijn werk. Haar enige zus Lea was getrouwd en woonde op steenworp afstand van het ouderlijk huis. Alleen haar jongste broer Toon was thuis, die invalide was geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijd voor relaties had ze simpelweg niet. Ze keek mevrouw Parcher verbaasd aan.

‘Toch gebeurt het Jo, sneller dan je wellicht denkt. Ze nam twee teugen van haar inmiddels afgekoelde thee.’

De trekbel rinkelde.

‘Daar is mijn dochter Jo en ze stond  op. Samen liepen ze  richting de trap en ze trok aan het koord dat langs de trapleuning was bevestigd en vastzat aan de deurknop die spontaan open sprong.

‘Komt u maar naar boven toe, u moeder staat al op u te wachten juffrouw?’

‘Dag Jo, bedankt voor de thee en zeg maar tegen uw moeder dat ik de volgende week weer present ben rond dezelfde tijd.’

‘Dag mevrouw Parcher tot ziens!’

Hij zetten zijn groene baret schuin op zijn hoofd en keek in de ovale gangspiegel met koperen lijst. Sinds een week was hij 32 jaar en was net terug van verlof van vier jaar militaire dienst bij de Luchtmachtartillerie in de West. In 1946 werd hij uitgezonden en kwam terecht op een vliegveld op Java, waar hij als kok werkte. Nu zat zijn diensttijd er op en was hij terug in zijn ouderlijk huis. Hij was nu korporaal.

Van enkele piloten op de vliegbasis en van soldaten in het veld had hij gehoord, dat met de mannelijke inlanders niet te spotten viel, zeker niet als de soldaten relaties kregen met het vrouwelijk schoon uit de kampong. Het gebeurde soms dat er lijken waren gevonden van de vrouwen en hun soldaten met afgesneden lichaamsdelen in de kali. Nee, hij moest niets van relaties hebben. Op een keer had hij op zijn koksmuts geschreven ‘No time for love’, waarop sommige soldaten moesten lachen. Hun commentaar kon hem niets schelen. Zijn veilige haven was het vliegveld en de keuken waar hij samen met twee baboes en een katjong kookte voor de manschappen.

‘Waar ga je naar toe Frank, hoorde hij opeens zijn moeder roepen?’

‘Even een wandeling maken moeder. Ik moet nog wennen aan mijn nieuwe omgeving zonder klapperbomen.’

Net op het moment dat hij naar de groene voordeur toeliep, rinkelde de trekbel.

‘Wie kon dat nou zijn zo laat in de middag, mompelde hij?’

Hij deed de voordeur open en zag een slanke vrouw staan met kastanje bruin, half lang haar. Over een van haar armen droeg ze een partij herenkleding.

‘Goedemiddag, ik ben Jo van der Steen en kom de kleding brengen die ik heb versteld voor uw ouders.’

‘Ik heet Frank, kom toch binnen en gaf haar een hand. Ik zal mijn moeder roepen. Een moment graag?’

Vluchtig keken ze elkaar aan. Er viel plotseling een stilte. Ze voelde zich opeens ongemakkelijk door deze stilte. Opeens zei ze kordaat:

‘Sta je op het punt om naar militaire dienst te gaan?’

‘Eerlijk gezegd ben ik sinds kort thuis van een vierjarig verblijf in de Oost.’

Hij moest glimlachen om haar onverwachte vraag.

‘Uw relatie zal wel blij zijn dat u terug bent gekomen uit zo’n ver land, toen hij bijna de kamerdeur wilde openen.’

‘Eerlijk gezegd woon ik nog thuis bij mijn ouders en heb ik tot heden nog geen leuke vrouw ontmoet.’

Hij observeerde haar. Ze droeg een lichtblauw jurkje met een opstaand kraagje. Het steeg hem opeens naar zijn hoofd. Wat overkwam hem opeens?

‘Je weet het maar nooit Frank, wie weet ontmoet je een partner en ben je binnen het jaar verloofd en getrouwd.’

Bijna had hij hardop gelachen, hij die te verlegen was voor vrouwen, nee, vriendschap was nog lang niet aan de orde, laat staan verloven

Frank opende weer de kamerdeur.

‘Ben je nog niet weg Frank, vroeg zijn moeder weer?’

‘Nee moeder, er is namelijk een juffrouw van der Steen gearriveerd en ze heeft een partij kleding bij zich.’

‘Dat is Jo van der Steen, de coupeuse Frank. Zij vermaakt soms kleding voor ons. Ze woont bij ons in de straat.’

Ze stond op van haar van trijp en eikenhout gemaakte stoel en stapte de schemerige gang in.

‘Dag Jo, kom maar mee naar de zitkamer?’

‘Dag Frank, leuk om kennis gemaakt te hebben.’

Ze stapte de woonkamer binnen samen met de moeder van Frank.

‘Dag Jo mompelde hij, zou ze het nog gehoord hebben?’

De maanden verstreken. Soms moest hij aan die spontane  vrouw denken. Hij had haar na die middag nooit meer gezien. Wat had moeder ook weer gezegd. Ze woont bij ons in de straat. Nu hij regelmatig  moest solliciteren bij verschillende bedrijven liep hij regelmatig op straat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was zijn werkgever failliet gegaan en nu moest hij naarstig op zoek naar nieuw werk. Maar dat viel niet mee met de hoge werkloosheid. Tot heden had hij Jo nog steeds niet gezien.

Frank was niet uit haar gedachten geweest. Een vlotte jongeman met blond haar, tenger van postuur en iets kleiner dan zij was. Hij was goedlachs en verlegen vond ze. Ze werkte alweer drie jaar als coupeuse bij Maison de Bonneterie aan de chique Gravestraat. De vaste klanten, waaronder de adel  waren bemiddeld. Samen met drie coupeuses maakte ze schitterende avondtoiletten en bontjassen. Tijdens de oorlog verstelde ze kleding voor mensen. Van een herenjas maakte ze een kinderjasje en van lakens witte plooirokken. Ze had een vast inkomen. Tot heden was het er niet van gekomen om een leuke man te ontmoeten. Ze zag ze weleens lopen, of praatte eens vluchtig met iemand, maar tot een contact kwam het nooit. Naast  werkloosheid  was er woningschaarste. De meeste stellen woonde in bij hun familie. Een enkeling had soms geluk om een woning of een etage te bemachtigen. Het was nu een aantal jaren na de oorlog. Haar ouders hadden het financieel goed. Vader werkte als gemeenteambtenaar.

De maand augustus was warm van dat jaar. Het weekend was begonnen.

‘Jo, kom eens kijken, riep haar aanstaande schoonzus Wil tegen haar?’

Ze stond op en liep naar de zijkamer waar Wil uit het omhoog geschoven raam hing.

‘Moet je kijken wat een bedrijvigheid buiten. Veel kinderen zijn buiten aan het spelen en daar komt net de orgelman aan.’

Met haar beide armen leunde ze op de vensterbank en keek met Wil naar beneden. Na verloop van tijd kwamen er twee jongens aangelopen met elk twee vishengels vastgebonden aan hun fietsen. Was dat niet Frank, zag ze opeens! Hij had een vriend bij zich. Een kleine man met zwart, kroezend haar. Ze waren met elkaar in gesprek. Opeens had Frank haar in de gaten en mompelde iets tegen zijn vriend. Toen ze bijna onder hun raam doorliepen, riep opeens de vriend van Frank: ‘Dames als jullie zin hebben om te gaan kijken naar het vissen, wij zitten in het Westbroekpark in Scheveningen.’

Ze stak haar hand op naar Frank en hij zwaaide terug. Net voordat ze iets wilde zeggen, was Wil haar voor en riep: ‘Misschien Jo, want ik ben reeds verloofd met Toon de broer van Jo. Ze ziet wel of ze komt, riep ze giechelend naar de jongens die aanstalten maakten om verder te lopen.’

‘Ga je eigenlijk naar Scheveningen toe Jo, vroeg Wil aan haar?’

‘Je denkt toch niet dat ik die jongens achterna ga lopen Wil, ik heb die Frank een keer gezien. Het lijkt mij een sympathieke man, maar om hun een bezoekje te brengen, nee dank je Wil.’

‘Je hebt niets te verliezen Jo, als je het niet leuk vindt dan ga je weer terug met de tram naar huis!’

Op een zeker moment liet ze zich toch ompraten, stapte op de tram die haar in de buurt bracht van het Westbroekpark. Het was al in de namiddag.

‘Ik lijk wel gek, mompelde ze toen ze voor de zoveelste keer een willekeurig pad insloeg van het grote park. Er zijn geen vissers te zien.’

Ze was al langs de rozentuin gelopen en langs een vijver. Alles was voor niets geweest. Nu moest ze dat hele eind weer terug naar huis met de tram. In gedachte liep ze weer terug. Uit een zijpad kwam er op eens een agent aangelopen. Misschien had die agent de vissers gezien,? Ze kon het hem nog vragen voordat ze huiswaarts ging.

‘Heeft u soms twee vissers gezien die aan de waterkant zitten, vroeg ze aan de agent?’.

‘ Sterker nog juffrouw, als u doorloopt dan ziet u die twee vissers zitten. Ik heb hun zojuist om hun visvergunning gevraagd?’

‘Dank u wel, agent en hij liep verder. Een lichte tinteling overkwam haar toen ze een van de beide jongens zag zitten. Ze tuurden over het water en hadden haar in eerste instantie niet gezien. Ze kuchte tweemaal. De vriend van Frank keek omhoog en gaf hem een por dat hij achterover van zijn blauw wit, gestreepte viskruk viel.

‘Wat doe je nou Leo, ik schrik van je?’

‘Kijk een wie hier is Frank en hij wees naar haar!’

Frank krabbelde overeind vanuit het vochtige gras en gaf haar een hand.

‘Wat leuk dat je toch gekomen bent Jo, neem plaats op mijn viskruk?’

Hij pakte de viskruk en zetten die overeind.

‘Eerlijk gezegd kon ik jullie niet meteen vinden, ik heb bijna het hele park doorgelopen, totdat ik een agent zag en hij mij vertelde dat jullie hier zaten.’

‘Je hebt het uiteindelijk toch gevonden Jo. Wil je soms een broodje en een kop koffie?’

‘Graag, mompelde ze.’

Ze raakten met elkaar in gesprek. Het was een gezellige middag. Op een zeker moment liet Leo hun alleen, hij wilde het prille geluk niet verstoren.

Voordat de schemering inviel vertrokken ze naar huis. Ze brachten Jo naar de tram. Door al het vistuig –meegenomen op hun fietsen- was er geen plek meer om op de bagagedrager mee te rijden.

Er volgende meer ontmoetingen. In het jaar 1951 verloofden ze zich en trouwde in datzelfde jaar in de maand april in het gemeentehuis en in september in de kerk. Jo had voor Frank, de bruidsjongen- en meisje de trouwkleding gemaakt. Ook had ze van taft zijde haar bruidsjurk gemaakt met een lange sluier. Frank nam als bruidsboeket een lang boeket mee met witte anjers en zijden linten.

‘Mevrouw Parcher heeft toch gelijk gehad Jo met haar voorspelling fluisterde hij in haar oor, voordat de ceremonie in de kerk zou plaatsvinden.’

Ze glimlachte en zei: ‘ En dan te bedenken dat wij zo dicht bij elkaar woonde. Een goede  man die van over zee kwam.’

Copyright/LeaLariekoek, mei 2013.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s